oudwwijk
Digitaal erfgoed

Leidse kinderen naar Kotten



Leidse kinderen komen naar Kotten om aan te sterken

In 1938 kwamen we naar de sleutelstad. Zestien juni trad ik officieel in dienst op de Haverstraatschool. Dit was een school voor de minst bedeelden in Leiden. Je had verschrikkelijke toestanden in de crisistijd. Op de Haverstraatschool kregen de leerlingen voeding en kleding versterkt. De ellende die ik in Leiden gezien hebt! Amsterdam was er heilig bij in die dagen. De ouders waren chronisch werkloos. Afschuwelijk!  Stempelen maar. Mensonterend! Daar heb ik een armoede gezien…. Nog ben ik er diep van onder de indruk!

Toen kwam de oorlog. De grootste slachtoffers van de crisistijd waren ook nu weer de dupe. Vooral in de latere oorlogsjaren vermagerden de kinderen dramatisch. Doordat wij familiekontakten in Winterswijk hadden, kwamen we daar natuurlijk regelmatig.
Ook onze beide kinderen waren bijna elke vakantiedag bij de Achterhoekse familie te vinden. De zon, de landelijke lucht en niet te vergeten de Achterhoekse tafel, zorgden ervoor dat ze er allebei prima uitzagen. Is het een wonder dat ik wel eens verzuchtte: ‘Eigenlijk moesten al de kinderen van m’n school zo’n kans krijgen’?
‘Nou’, zei m’n nicht, de vrouw van de Kottense bakker, ‘stuur er maar één’.
En haar buurvrouw wilde er ook wel een hebben.
Zo gebeurde het. In Leiden waren weldra wat klantjes gevonden; Flip en Rietje. Eerst werden ze door onze huisarts op hun gezondheid onderzocht. Dat was zijn -gratis- bijdrage aan deze stunt. Weldra kwamen m’n broer Gerrit en de Kottense bakker naar Leiden om Flip en Rietje op te halen. Natuurlijk brachten ze voor ons ook heel wat etenswaren mee.
De volgende dag vertrokken ze weer naar Winterswijk. Op de school in Kotten trokken de ‘stadse’ kinderen natuurlijk nogal wat belangstelling.
Meester Gribbroek legde de kinderen uit waarom ze in Kotten waren en vertelde waar ze vandaan kwamen. De kinderen moesten thuis maar eens vragen of men daar ook wel enige weken zo’n kind onderdak wilde verlenen. Het resultaat was verbluffend: 28 ouders gaven zich op.Met medewerking van de schoolartsendienst werden diegenen uitgezocht die het het meeste nodig hadden. De dure treinreis was voor de ouders natuurlijk een groot offer, maar met behulp van de penningmeester van de Veeniging ‘Vacantie-kindervreugd’, de heer Lootsma, later jarenlang hoofdbestuurslid van de Nederlandse onderwijzersvereniging, kregen we voor de kinderen met hun begeleiders een belangrijke reductie.

Zo vertrokken op zondag zeventien mei 1942 achtentwintig kinderen van Leiden naar Kotten. Mensen uit Kotten kwamen hen ophalen. Het vertrek op zichzelf was al een belevenis. Een van de onderwijzers van m’n school wilde nog een groepsfoto maken.
‘Zwaai maar flink tegen het vogeltje’, zei hij tegen de kinderen. Ze staken vrolijk hun hand op. De conducteur zou er ook bij op, maar hij wilde niet. ‘Ze zwaaien me teveel met hun handjes’, zei hij, kennelijk in de veronderstelling dat het N.S.B.-kinderen waren.
Hem werd gauw aan het verstand gebracht dat dat niet het geval was. Zo kwamen er twee foto’s tot stand, één met en één zonder conducteur. De treinreis was natuurlijk iets geweldigs.
In Woerden moest de groep een uur en in Arnhem zelfs anderhalf uur wachten. Daar smulden de Leidenaartjes al van de Kottense boterhammen die men er op de heenreis zolang in bewaring had gegeven. Natuurlijk werden ze ook op limonade getrakteerd. Alles werd veel lekkerder bevonden dan het Leidse oorlogsbrood/ Bij het station in Winterswijk stonden vier boerenwagens te wachten. Toen het hoofd van de school, de heer Gribbroek, die ook mee was geweest naar leiden, de kinderen vertelde dat daar ook Kottense kinderen stonden, hieven de Leidenaartjes een waar krijgsgehuil aan. In Kotten bij de school stonden verschillende mensen die aankomst en aflevering wilden meemaken. Dit laatste verliep nogal snel, omdat de kinderen op hun jasje al een kaartje hadden met naam en adres en de naam van hun pleegouders. In Leiden waren alle kinderen gekeurd, gemeten en gewogen. Het lichtste meisje woog 16 jg. en was 108 cm.lang. Het zwaarste meisje woog 40 kg. en was 155 cm.lang.De zwaarste jongen woog 31.9 kg. en was 147 cm.lang. Het waren kinderen uit de 3e en 4e klas.

Zes weken in een vreemde omgeving. Hoe hebben ze het beleefd? Over het algemeen ging het geweldig goed. Even waren er wanklanken toen bleek, dat sommige meisjes ‘luuze’ hadden. Dat was natuurlijk niet zo leuk voor de pleegouders. Voor hun vertrek uit Leiden waren de kinderen wel ‘ontsmet’, maar ja…….ze waren nog een nacht thuis geweest. Gelukkig werd dit door de pleegouders en het onderwijzend personeel geweldig opgevangen. Dat de kinderen het verblijf op het platteland verrukkelijk vonden, bleek wel uit de vele brieven die de school in leiden van de kinderen ontving. Bij hun vertrek uit Leiden wogen de kinderen samen 750 kg. en 3 ons. Na een verblijf van 6 weken in Kotten bleek het gezamenlijk gewicht 825 kg en 6 ons te zijn geworden. De pleegouders hadden dus wel hun best gedaan. Ze hadden alle eer van hun werk. Ook het kontakt tussen de kinderen onderling ging – na een wat aarzelend begin- prima. Ook op school ging het goed. Men moet niet vergeten dat meester Gribbroek er plotseling 30 stadse kinderen bij kreeg. Toch ging alles best, Ook het Pinksterfeest mochten de kinderen meemaken. Op de gymnastiekuitvoering traden de Leidenaartjes zelfs op als aparte groep. Jo Verink had een aparte oefening met hun ingestudeerd.

Meester Gribbroek liet de kinderen tijdens de taallessen naar de leidse school schrijven. En wat schreven de kinderen zoal??

Corrie W.: In Arnhem kregen we boterhammen met kaas en roggebrood van de meester. Ik heb het hier goed, hoor. Ik heb al spek gehad en een ei!
Rietje F.: Ik maak het nog steeds best en krijg lekker eten. Spek smaakt toch zo lekker!
Henk S.: Ik zou hier wel altijd willen wonen. Ik ben 4 pond en 3 ons aangekomen. Je mag hier zoveel eten als je wilt.
Suze N.: Ik heb gehoord dat je in Leiden geen groente meer kunt kopen. Hier halen ze het zomaar van het land. Ik heb pannenkoek met spek gegeten en dat smaakt toch zo heerlijk.
Bep v.d.R.: Meester hoor je in Leiden ook vliegmachines? Nu, hier ‘s nachts wel. Maar die gaan allemaal naar Duitsland dus dat is niet zo erg.
Flip C.: Beste Hogemeester, Ik heb al een paar klompen. Jan heeft elf konijnen. Ik krijg er ook één van.
Bep F.: Als ik hier nog een paar weekjes langer ben wil ik misschien nooit meer terug. Morgen eten we kippensoep. Ik krijg ook een ei en melk, zo van de koe.
Piet A.: Ik heb hier hier toch zo best. Ze hebben hier een kalfje gekregen. En de hen heb de ganzeeieren uitgebroed. Jullie zullen wel gek opkijken, een kip op ganzeeieren, maar toch is het zo. Gijs vond het ook gek, maar die heb het zelf gezien.

Toen ze na zes weken in Kotten te zijn geweest, onder geleide van meester Gribbroek en z’n vrouw weer in Leiden arriveerden, stonden tal van ouders, onderwijzers en andere belangstellenden hen bij het station op te wachten. Daar kwamen ze van het perron afstappen. Buiten, voor het station, werden de kinderen door hun meester opgesteld en… toen begonnen ze met elkaar het gelders volkslied te zingen, dat meester Gribbroek hen tijdens hun verblijf in Kotten had geleerd. Over het stationsplein klonk: “Waar der beuken vrede kronen……’ Iedereen luisterde, in doodse stilte en ontroerd, naar de heldere kinderstemmen. Men was zeer onder de indruk. Gezongen werd er weinig in de oorlog. En vaderlandslievende liederen waren in de oren van de bezetter helemaal uit den boze.

Nog zijn er kontakten tussen de toenmalige Leidse pleegkinderen en de Kottenaren, Niet alleen het zesweekse verblijf in Kotten was voor de kinderen belangrijk, maar doordat de kontakten aanhielden, kwamen ze op eigen gelegenheid terug. Ook ging, de hele oorlog door, menig pakje met etenswaren naar Leiden, vooral roggebrood. Een treffend staaltje van dankbaarheid van de kant van de Leidse jeugd is ook het volgende: toen jaren later het feestgebouw in Kotten moest worden gerestaureerd en de Leidenaars dat hoorden, brachten ze spontaan meer dan 300 gld. voor het gebouw bijeen. Voor de officiële opening zijn er zelfs enkelen, samen met hun echtgenoten, overgekomen.

Jan Gerhard Wilterdink, 1985

Lees verder

Max van Dam

Max van Dam en zijn vlucht voor de nazi’s

Vereniging Het Museum organiseert in dit Jaar van Verzet een grote tentoonstelling rond het werk van de in Winterswijk geboren Joodse schilder Max van Dam. Vrijdag 1 juni wordt de expositie geopend, die op meerdere plekken in Winterswijk en Aalten te zien is. Wie was Max van Dam? Hoe verliep zijn vlucht voor de nazi’s naar Zwitserland en hoe kwam hij aan zijn eind in het vernietigingskamp Sobibor? Hans Tenbergen (bekend van de site oudwinterswijk.nl) dook in Van Dams verleden.

Door Hans Tenbergen

Max van Dam wordt op 19 maart 1910 geboren in Winterswijk, als zoon van Aron van Dam en Johanna Leviticus en broer van Roosje (1911) en Henriëtta (1921). Het gezin woont dan op de Wooldseweg 8. Aron werkt bij Zwanenberg bij het voormalige Fortuna-veld, maar wordt later directeur van coöperatie De Dageraad. In 1919 komt hij voor de SDAP in de gemeenteraad. Hij schuwt niemand. Ook niet zijn geloofsgenoot maar politiek tegenstander, de liberale wethouder Poppers, die hij in 1921 van valse belastingaangifte beschuldigt. Hij maakt dus niet altijd vrienden, zoals ook de latere burgemeester dr. W. Bos geen vriend van hem zou worden.

Intussen is het gezin verhuisd naar de Groenloseweg 27. De kinderen bezoeken de Nutskleuterschool op de Zonnebrink en school L op de Sleeswijk. De Van Dams zijn niet alleen socialistisch, maar ook sociaal. Vaak helpen ze arme mensen.

Eigenzinnig
Max mag graag lezen. Resultaat voor zijn studie (aan de RHBS, 1922-1929) levert dat echter niet op. Hij moet de vierde en de vijfde klas overdoen. Zelfs zijn cijfers voor tekenen zijn niet geweldig: zesjes, soms een vijf en vaak een zeven. Maar op zijn eindexamenlijst prijkt ineens een negen.
Max en zijn ook bekende leraar/tekenaar/schilder Marius Johan van Dugteren zijn het niet altijd eens over Max’ artistieke eigenschappen. Max: “Ik heb geen zin om sigarenkistjes te tekenen, ik ga liever mijn eigen gang.” Ook later krijgt de eigenzinnige Max hier met andere opleiders problemen over.

Wie wel van Max gecharmeerd raakt, is dr. Jaap Hemelrijk, een geboren Winterswijker, SDAP-er, leraar en schrijver. Vader Aron voelt er weinig voor om Max een kunstopleiding te laten volgen, maar Hemelrijk overreedt hem om Max schilderkunst te laten studeren in Amsterdam. Directeur van zijn opleiding is Huib Luns, de vader van de grote Joseph Luns, secretaris-generaal van de NAVO.

Max’ grote voorbeelden zijn Vincent van Gogh en Käthe Kollwitz, die de kunstwereld shockeerde met schilderijen van minderbedeelden en onderdrukten. In 1934 maakt Max voor het bedrijf van zijn vader, De Dageraad, het bekende glas-in-loodraam. Dat werk schiet Luns door de politieke afbeelding echter in het verkeerde keelgat en hij laat Max vallen.
Max houdt het voor gezien in Nederland en verhuist naar Antwerpen. Hij gaat er studeren aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, onder leiding van de bekende portrettist Isidoor Opsomer. Onder andere door geldgebrek woont hij in bij de familie Waisvisz-Reich. Hij houdt intussen een goed contact met Jaap Hemelrijk, die dan rector is in van het gymnasium in Alkmaar en Max steunt waar hij kan.

Max gaat in 1936 op studiereis. Alleen naar Italië. Eerst naar Venetië, de stad van kunst en gondels. In Italië bezoekt hij veel tentoonstellingen en verdiept zich in de kunstgeschiedenis vanaf de renaissance.

Op 2 maart 1937 is Max terug in Winterswijk en houdt een tentoonstelling van zijn werk in Sociëteit De Eendracht, waar Jaap Hemelrijk de opening mag verrichten. Maar veel werk verkoopt hij er niet: slechts drie tekeningen.

Jodenhaat
De toestand in Europa, met het opkomende nationaal socialisme en de Jodenhaat vanuit Duitsland, houdt Max erg bezig. De Joodse schrijver Jacob Hiegentlich (1907) is inmiddels een goede vriend. Hiegentlich draagt zijn roman ‘Onbewoonbare wereld’ aan Max op. Het boek gaat over ‘de opkomst van de NSB en de alles verdrukkende, cultuurverstikkende bedreiging van de mentaliteit die met deze fascistische organisatie samenhangt’. De hoofdpersoon in de roman pleegt zelfmoord. Ook Jacob zelf maakt een einde aan zijn leven tijdens het bombardement van 14 mei 1940 op Rotterdam. Hij wil het allemaal niet meer mee maken.

Max verkeert steeds vaker in kringen die zich sterk bewust zijn van de gevaren van nazi-Duitsland. Hij voert veel gesprekken met Fré Cohen en Jaap Hemelrijk. Het socialisme, het zionisme, het Marxisme en het Joodse zelfbewustzijn zijn de terugkerende thema’s.

Prix de Rome
Max raakt in de war. Hij komt zelfs in aanvaring met Opsomer tijdens een tentoonstelling, waar hij zijn zinnen had gezet op de befaamde Prix de Rome, een prestigieuze prijs voor talentvolle schilders en architecten in Nederland. Het loopt volledig uit de hand en aan de relatie met Opsomer komt een eind. Max stuurt Hemelrijk een brief met wat er allemaal gebeurd is en zegt dat ‘alles wel weer goed komt’. Hij gaat er vandoor, richting Frankrijk. Eerst Parijs. Daar verdiept hij zich in de kunst en ook Hemelrijk bezoekt hem daar nog. Ook leert hij hier een Duits meisje kennen, die fel anti-nazi is. Hij reist en tekent veel en half augustus 1937 bereikt hij Collioure, een schilderachtig plaatsje aan de Spaanse grens. Daar treft hij vele kunstenaars. Hier hoopt hij nieuwe inspiratie op te doen. Zijn vader in Winterswijk gebiedt hem echter direct terug te komen. Op terugreis doet hij Parijs weer aan om enkele tentoonstellingen te bekijken. Ook is hij van plan Antwerpen te verlaten en zich in Amsterdam te gaan vestigen, waar hij zich kan gaan voorbereiden op deelname aan de door hem begeerde Prix de Rome.

In november 1937 vraagt Max of hij bij Hemelrijk in mag trekken in Bergen. Daar krijgt hij een klein schuurtje dat zijn atelier wordt. In april 1938 verhuist Max weer naar Amsterdam, want hij wíl de Prix de Rome. De opdracht luidt: een schilderij met een scène uit het Oude Testament. Een groot doek met een volwaardig mondeling examen in de vakken iconografie, klassieke mythologie, perspectief, anatomie, esthetica en kunstgeschiedenis. In mei haalt hij het voorbereidend examen en mag hij deelnemen aan de prijs.  In oktober heeft hij zijn schilderij ‘Hagar en Ismaël’ klaar. Max wint de tweede prijs, de zilveren medaille. De jury heeft besloten dat jaar geen gouden en bronzen medaille uit te reiken. Het doek hangt tot 1942 in zijn atelier in Amsterdam. Wat er daarna mee gebeurd is, is niet bekend.

Max voelt zich gesteund door alle positieve publiciteit en zit boordevol plannen. Maar in 1939 verlaat hij Amsterdam vanwege de Duitse inval in Polen en de dreiging van de nazi-terreur. Max gaat weer naar Frankrijk, Collioure. Dat verblijf is echter van korte duur, aangezien in Nederland de mobilisatie is afgekondigd en hij de terugweg aanvaardt. Terug in Nederland leert hij het echtpaar De Jong-Weil uit Hengelo kennen. Hans de Jong is textielfabrikant en geeft Max enkele opdrachten. Zijn vrouw Alice is van Joodse afkomst.
De jaarwisseling 1939-1940 brengt hij door bij Hemelrijk in Bergen. In 1941 woont Max in Amsterdam aan de Zomerdijkstraat. Jaap vraagt Max een aantal Winterswijkse stadsgezichten te maken. Max’ ouders en zusjes hebben Winterswijk inmiddels verlaten en wonen in Amsterdam, in de hoop hier in de anonimiteit van de massa op te gaan.

Vlucht
Op 22 maart 1941 krijgt Max het ‘bewijs’ dat hij ‘van Joodschen bloede’ is. De Jodenvervolging krijgt steeds meer vorm en er moet ondergedoken worden: Max en Alice Jong-Weil duiken onder in Blaricum. Maar het wordt te gevaarlijk en in de zomer van 1942 besluiten ze naar Zwitserland te vluchten, samen met Alice’s dochtertje Jacqueline. Eerst met de fiets richting het zuiden, waar ze zonder problemen de Belgische grens bereiken. Vandaar met de trein naar Parijs en door naar Vichy, want die stad is nog niet bezet door de Duitsers. Maar wat ze op dat moment niet weten is dat Vichy net ingenomen wordt door Duitse troepen. Ze hadden van een bevriende Franse arts een brief meegekregen dat het ‘gezin’ moet aansterken in de Franse Alpen.
Eindelijk komen ze aan in Besançon en vandaaruit gaan ze oostwaarts richting Zwitserland.
Met hun contactman spreken ze af dat ze met de autobus verder rijden naar Pontarlier in de Alpen. Daar aangekomen rijdt de chauffeur echter het hotel voorbij en brengt ze naar een ander gebouw, waar de Sicherheitsdienst ze al staat op te wachten. Ze worden gearresteerd en langdurig verhoord. Hun bagage wordt in beslag genomen en de SD ontdekt een dubbele bodem in Max’ koffer, waar papieren en geld in verborgen zitten. Max moet zich uitkleden en wordt verder onderzocht. Ze concluderen dat hij Jood is.

Na het verhoor mag Alice met haar dochtertje naar het hotel. De jas wordt haar toegeworpen. Alice vraagt nog waar Max blijft en krijgt te horen dat hij al op transport is gezet naar Drancy, het Franse ‘Westerbork’ bij Parijs.

Sobibor
Op 23 maart 1943 wordt Max op transport gesteld naar Sobibor. Daar moet iedereen aangeven welk vak ze beheersen en Max geeft zich op als kunstschilder en Prix de Rome-winnaar.
Hij krijgt een kleine ruimte waar hij kan schilderen, niet wetende wat de dag van morgen brengt en in welk verwoestend kamp hij verblijft.
Gustav Wagner is hier de allerwreedste leider. Zonder pardon ga je naar de gaskamers, maar Max mag (vooralsnog) blijven.  Wagner en de eveneens walgelijke Karl Frenzel laten Max schilderijen maken. Frenzel laat hem zelfs een portret van hem maken.

Ineens ontdekt de kampleiding een plan voor een opstand onder de gevangenen onder leiding van de Nederlandse marineofficier Jacobs. Ze zijn woest en nemen op afschuwelijke wijze wraak. Alle Nederlandse mannen moeten aantreden, 72 in totaal. Ook Max. Frenzel loopt er langs en zegt: “Maler, komm’ raus’. Zijn portret zou nog niet af zijn. De andere 71 worden in kamp III naar de gaskamers gedreven en niemand komt er meer uit.

Op 22 september 1943 komt een nieuw transport aan van vooral Russische krijgsgevangenen. Een overlevende, de Russische luitenant Petsjerski, weet na de oorlog te vertellen dat Max toen al niet meer leefde. Niets hadden ze meer van hem vernomen. Hoe en wanneer Max precies overleden is, blijft een mysterie. Zijn overlijdensdatum wordt bepaald op 20 september 1943.

Gustav Wagner vluchtte na de oorlog naar Zuid-Amerika, waar hij zelfmoord pleegde.  Karl Frenzel werd in 1963 gearresteerd en in 1965 begon zijn proces. De rechter vroeg Frenzel naar het portret, maar die ontkende dat er een portret van hem gemaakt was. Wel zou Max een landschap voor hem hebben geschilderd. Ook vroeg de rechter hoe het verder was gegaan met Max van Dam. Frenzel: “Van Dam is tijdens de opstand om het leven gekomen. Hij heeft niet kunnen ontsnappen. Toch jammer van dat landschap, dat vernietigd is. Ik had het u graag gegeven.” Frenzel kreeg levenslang, maar kwam in 1985 vrij vanwege zijn leeftijd en gezondheid. Hij overleed op 2 september 1996.

Alice de Jong-Weil en haar dochtertje Jacqueline hebben de oorlog overleefd. Alice was gescheiden van Hans de Jong en had intussen een relatie met Max. Jacqueline is later weer in Nederland gekomen en volgde het lyceum in Enschede van 1952-1957.

Max’ vader Aron stierf op 17 september 1942 in Auschwitz, 61 jaar oud. Moeder Johanna Leviticus stierf op dezelfde dag in Auschwitz, 57 jaar. Max’ zus Henriëtta stierf op 30 september 1942 in Auschwitz. Max’ andere zusje, Roosje, overleefde de oorlog en overleed op 3 september 1992 in Amsterdam.

Lees verder

Wat weet U van Winterswijk in de oorlog?

Als het gaat om de Tweede Wereldoorlog kunnen we niet genoeg met de neus op de feiten worden gedrukt. Ofwel, waarom een monument voor de onbekende Winterswijkse slachtoffers van de oorlog een prima idee is maar bovenal; hoe een mooi initiatief leidt tot een kleine geschiedenisles.

Door André Vis

Daar sta je dan, 1 augustus 1977, 18 jaar oud en bescheiden Winterswijker, op de drempel van de redactievloer van Dagblad Tubantia in Enschede. De man tegenover me had een stevige baard, keek me doordringend aan en zei: ‘Zo dus jij bent een van die nieuwe jongens die vandaag binnenkomen’. Ik: ‘Dat klopt. Ik ben leerling-journalist’. De man met de baard: ‘En jij komt uit Winterswijk’. Ik: ‘Ja meneer’. De man met de baard weer: ‘Je weet dat dat een NSB-dorp is?’ Ik: ‘Dat wordt gezegd, ja’. Hij weer: ‘En je vader, was die ook fout in de oorlog?’ Ik: ‘Hij komt niet uit Winterswijk. Hij is pas in 1950 in Winterswijk komen wonen’. De man met de baard knikte en zei: ‘Oké, dan mag je doorlopen’.

Die anekdote schoot me te binnen toen ik onlangs in De Gelderlander las dat Hans Tenbergen ijvert voor een monument voor de circa honderd vergeten oorlogsslachtoffers in Winterswijk. We hebben natuurlijk Tante Riek, we hebben een plek waar de omgekomen joodse mensen worden herdacht alsmede de gevallen militairen. Maar zij die bij toeval sneuvelden omdat ze brood gingen halen bij de bakker, op het verkeerde moment op de verkeerde plek waren, zo’n 110 in getal volgens Tenbergen, zij zijn uit ons collectieve geheugen verbannen.

Rehabilitatie
De rehabilitatie die Tenbergen voorstaat, is prachtig en verdient ons aller steun. Tegelijk deed het me afvragen wat ik eigenlijkzelf weet van het oorlogsverleden van mijn geboorteplaats, waar ik in twee fases iets meer dan twintig jaar verbleef en dat ik 35 jaar geleden definitief achter me liet. Het dorp dat lijfelijk niet meer bij me hoort, maar me met de dag dierbaarder wordt. Met het klimmen der jaren neemt het jeugdsentiment almaar toe zullen we maar denken.

Ik maakte de herdenking van 1970 mee, toen ons land uitgebreid vierde dat we 25 jaar eerder waren bevrijd. Op De Olm – het eerste jaar dat de school bestond –  hadden wij, vijfde klassers, een themaweek over de oorlog maar dat werd nationaal aangevlogen. We kregen net als alle andere scholieren in het land die de hoogste klassen bevolkten, een dun boekje dat tot op de dag van vandaag in een van mijn boekenkasten is terug te vinden. In mijn herinnering ging het die meidagen over het bombardement op Rotterdam, over Anne Frank, over de jodenvervolging, over de geallieerden, maar niet over Winterswijk in de oorlog.

Oorlog geen thema
Een kleine check bij (semi-)generatiegenoten leert dat ik niet alleen sta. De kinderen die na de eeuwwisseling opgroeien, worden geconfronteerd met het boek De Schuilplaats van Johanna Reiss. Ze interviewen hun opa of oma die nog eens vertellen over de oorlog. Ze bezoeken de synagoge of onderhouden de graven der geallieerde gesneuvelden. Maar in de jaren zestig, begin zeventig was dat in mijn jeugdig bestaan geen thema. De oorlog begon weer te leven toen Dr. L. de Jong zijn standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog voltooide, heb ik wel eens het idee. En vooral toen later geschiedenisprogramma’s als Andere Tijden de juiste snaar raakten.

Zo ben ik een onwetende als het gaat om mijn geboortedorp en de oorlog. En zo heb ik inderdaad altijd aangenomen dat het epicentrum van de Nationaal Socialistische Beweging, de NSB, zo ongeveer in Winterswijk lag. Zoals het communisme vooral was geconcentreerd in Oost-Groningen, te midden van het strokarton. Illustere plaatsnamen als Finsterwolde en Scheemda, mannen als Fré Meis; dat werk. Zoals Oost-Groningen model stond voor het communisme, zo was Winterswijk zo bruin als bruin maar kon zijn. Dacht ik. Niet dat het me belastte, maar het was wel mijn idee – ook toen ik op 1 augustus 1977 van het dorp naar de grote stad ging en de man met de baard me streng toesprak.

De werkelijkheid blijkt compleet anders. Ook dit heeft Hans Tenbergen uitgezocht en overtuigend bewezen. Op de onvolprezen site oudwinterswijk.nl staat onder het onderwerp De Tweede Wereldoorlog een subonderwerp De NSB in Winterswijk. Uit de stukken die daar staan, kunnen we constateren dat verdichting en werkelijkheid soms op onaangename wijze door elkaar lopen. Niet alleen had de NSB in Winterswijk veel minder leden en trok zij veel minder kiezers dan op grond van de verhalen mocht worden verondersteld, ook was zij opgehangen aan maar één man: de dierenarts Wim Bos. Dat laatste wist ik dan weer wel, ook al in 1977; dat de burgemeester in oorlogstijd een NSB-er was die luisterde naar de naam Wim Bos en eigenlijk dierenarts was. Maar dat hij in zijn eentje zo ongeveer de enige reden was waarom mensen zich aan de nationaalsocialisten verbonden en tegelijkertijd een gematigde NSB’er was; dat wist ik weer niet.

Groeispurt
In totaal heeft de Winterswijkse NSB in de jaren waarin de ledenregistratie plaats had (1933-1942) 572 leden gekend maar daar past al meteen een nuance bij. De hausse had plaats na de Duitse inval en werd gecreëerd uit de import. De Duitsers plaatsten veel NSB’ers in het dorp waardoor het ledental tussen mei 1940 (189) en april 1941 een enorme groeispurt doormaakte (499). Uiteindelijk zijn er in de meetperiode slechts 291 ‘autochtone’ Winterswijkers lid van de NSB geweest. En dat op een bevolking van een kleine 20.000 inwoners.

Ook de verkiezingen rechtvaardigen niet het beeld van een ‘massale steun voor het nationaalsocialistisch gedachtegoed’. Ten eerste de persoon van Willem Bos. Hij ging, als bestrijder van de klassieke christelijke en socialistische dogma’s,  voor de Vrijzinnig Democraten de gemeentepolitiek in en switchte in 1933 naar de NSB. Hij nam zijn populariteit als dierenarts mee en dat werd bewezen bij de Provinciale Statenverkiezingen in 1935 toen de NSB landelijk doorbraak met 8 procent. Winterswijk was de kroon op Musserts werk: 20 procent van de stemmen haalde de NSB in ons dorp (vooral dankzij de buurtschappen maar toch). Hier ligt zoals Tenbergen stelt waarschijnlijk de bron van de gedachte: Winterswijk is een NSB-dorp. Wie echter inzoomt op de cijfers ziet dat Winterswijk een Bos-dorp was. De man die eerder al van de Vrijzinnig Democraten de grootste partij van Winterswijk maakte, haalde 1207 stemmen op 8830 uitgebrachte stemmen. Hij stond nummer zes op de lijst van de NSB, de NSB an sich haalde nog 592 stemmen erbij wat de partij op 20,3 procent bracht. Daarmee was zij overigens niet de grootste want de SDAP haalde 24 procent. Vier jaar later stond Bos niet op de lijst en zakte de NSB terug tot onder de 10 procent. Je zag het later ook bij Fortuyn en de LPF; de anti-stem verdwijnt weer als de charismatische leider er niet meer is. Al speelden in dit geval ook de oplevende economie en de almaar harder wordende politiek van de nazi’s een rol in de slinkende aanhang van de NSB.

Monument
De dank aan Tenbergen is groot. Hij heeft een leemte in mijn bestaan gevuld. Bij toeval maar daarom niet minder waardevol, omdat ik nu meer weet over de werkelijke rol van de NSB in mijn geboortedorp. Dat monument voor de onbekende, gevallen burger; dat moet er natuurlijk komen. Niet om het NSB-verleden uit te wissen, wel om recht te doen aan de gevallenen. Opdat wij allemaal weten dat het gaat om de slachtoffers, met in ons achterhoofd de wetenschap dat het met ons bruine Winterswijkse verleden wel meeviel.

De vijftigpluskrant, 9 april 2019

Lees verder

Met de moed van de angst

Het was 5 augustus 1940, de verjaardag van prinses Irene. Het was een mooie zomeravond en zoals het gebruikelijk was, liep ik s’avonds even de straat op om een rondje te lopen en misschien nog een babbeltje te kunnen maken met een of andere kennis. Ik kwam langs hotel Stad Munster en daar werd op het raam getikt. Ik keek naar binnen en daar zaten vrienden van mij, de heer en mevr. Verwers, Koos en Wim Ververs, goeie vrienden van het operettegezelschap. Die zaten voor het raam en ze wezen met de vinger naar de drank die ze voor zich hadden staan. Ik kon het zo niet herkennen, maar ik ging naar binnen om ze te begroeten en toen bleek dat ze een oranjebitter met een klont voor zich hadden staan. 
Ik zeg: ”Wat doen jullie nou”? Het waren niet zulke drinkers. ‘Nou, je begrijpt toch wel, dat prinses Irene jarig is en daarom drinken we oranjebitter met een klont’. 
Ik vond het wel grappig. Ik ging d’r bij zitten en hoewel ik helemaal niet van dat goedje houd, bestelde ik ook een oranjebitter met een klont. We stootten aan met elkaar en terwijl we zo zaten te babbelen en naar buiten keken, kwamen er nog meer kennissen langs, die we naar binnen tikten. 
Na verloop van tijd zaten we met een groepje van een man of acht bij elkaar. Maar toen bleek dat achter in de zaal ook een aantal jonge mensen om een of andere reden bij elkaar zaten. Het was ook een gezellig groepje en toen was het tijd dat de boel verduisterd moest worden. 
Het bleek dat zij een beetje ongunstig zaten, ze kwamen dus dichter bij ons zitten. Zonder dat het de bedoeling was, bleek dat we met een man of twintig vijfentwintig bij elkaar zaten aan een hele lange tafel. Ik wist niet om welke bedoeling zij daar gekomen waren, wij waren er ook per ongeluk terecht gekomen, maar aangezien prinses Irene jarig was en dit voor ons toch wel een reden was om dit een beetje te vieren, was er een echte vrolijke stemming. Na verloop van tijd werd er al iets gezongen, zoals ‘Waar de blanke top der duinen’ en zo. 
Je had nog niet in de gaten in die tijd dat het allemaal een linke boel was, want het was tenslotte nog maar augustus. We wisten nog niet precies hoe fel de Duitsers konden reageren.
‘t Zal waarschijnlijk zo’n uur of elf geweest zijn, het was in ieder geval behoorlijk donker buiten, toen plotseling de deur opengegooid werd en een aantal Duitse militairen binnenkwam. 
Grenzpolizei. Ze gingen verschrikkelijk te keer, schelden en ‘schnauzen’. 
Wij hadden er helemaal geen idee van wat er zich daarbuiten allemaal afspeelde, want zoals ik zei was de boel verduisterd, gordijnen waren dicht. Maar het bleek dat er een massa mensen voor de deur stonden, die allemaal tuk waren op een of andere sensatie waarvan wij ons allemaal niet bewust waren. 
Toen wij in het donker naar buiten kwamen strompelen, bleek dat er wel een paar honderd mensen stonden. Wat ik in een flits zag, was dat die het dichtst bij de deur stonden mensen waren met laarzen aan, kennelijk N.S.B.-ers. Die probeerden ons beentje te lichten, maar dat lukte niet altijd. Toen er een laars naar mij uitgestoken werd, gaf ik er een flinke lel tegen aan. 
Toen we daar dus buiten waren, realiseerden we ons, dat wat we gedaan hadden, consequenties had. Ik heb er nog wel over nagedacht wat het allemaal voor gevolgen zou kunnen hebben. Maar er gebeurde verder niks, totdat de andere dag agent Bombergen bij ons kwam. Die vroeg naar mij en ik was achter bezig,ik ging naar de winkel en toen vroeg hij: ‘Zeg Meijler, jij was gisteravond toch ook bij Stad Munster? Of niet?!’
‘Ja, ik ben er wel even geweest. Hoezo?’antwoordde ik. 
‘Kijk’, zei hij, ‘er is mij opgedragen een onderzoek in te stellen. Ik wil wel-es weten, jullie hebben niet het Wilhelmus gezongen, hè?’
‘Nee, dat hebben we niet gedaan’.
‘En je bent er ook niet naar toe gegaan met het idee om daar feest te gaan vieren’.
‘Nee, helemaal niet’, antwoordde ik. 
Het verhoor leek meer op suggesties wat ik wel en niet moest zeggen. Hij gaf me de raad een paar weekjes met vakantie te gaan, omdat hij niet wist hoe dit af zou lopen. 
‘Smeer ‘m maar, dat lijkt me voorlopig het verstandigste’, adviseerde hij. 
Dat heb ik gedaan. Ik ben ‘s middags op de trein gestapt en ik ben naar Den Haag gegaan. 
Daar had ik voor de oorlog eens een half jaar gewerkt en ik had er dus kennissen, waar ik onderdak kon vinden. Dut duurde zo’n veertien dagen en toen bleek, dat alles weer rustig was en dat er geen gevolgen kwamen op die bewuste 5e augustus ben ik weer naar huis gegaan. Ik was dus wel een ervaring rijker.


De tweede keer dat ik geconfronteerd werd met de aanwezigheid van Duitsers (afgezien natuurlijk van de dagelijkse dingen: je mocht dit niet meer, en dat niet meer, de café’s waren voor Joden verboden, enz.) was in september 1941. We werden opgeschrikt door berichten uit Enschede dat Joodse jongens en mannen van hun bed gelicht werden en op transport gesteld naar Duitsland. En dat leek me een gevaarlijke zaak! Ik dacht: ‘Wat vandaag daar gebeurt, kan morgen hier gebeuren. Ik heb dus een onderkomen gezocht en gevonden bij een vriend van mij, de fotograaf Harmsen, toentertijd nog gevestigd op de Satinkplas. Later is in dat zelfde gebouw een museum gekomen. deze vriend van mij, Herman Harmsen, die had daar een fotozaak en een atelier en op dat atelier stond o.a. een ligbank en op die bak heb ik geslapen ‘s nachts. 
Ik ging ‘s avonds naar hem toe door de steegjes, zodat ik van achteren kon binnenkomen, zette m’n fiets in het schuurtje en ‘s morgens om een uur of acht via dezelfde route ging ik weer weg. 
D’r kraaide verder geen haan naar. Dat ik dit toch wel goed gezien had, bleek al een maand later, in oktober. Op een morgen om half acht begonnen de razzia’s. Alles wat Jood was, werd opgepakt. 
Op een morgen om half acht kwam Harmsen helemaal van streek bij me en zei: ‘D’r zijn razzia’s. Alle Joden worden opgehaald. verstop je en zorg dat ze je niet vinden’. Ik probeerde de zaak eerst eens op een rijtje te zetten en toen heb ik gebeld, naar huis. En daar bleek dat ‘s morgens om half zeven ongeveer bij ons thuis de telefoon was gegaan – slager Wassink was aan de telefoon – en die zei: ‘Maak dat je wegkomt, want er zijn overal wagens in het dorp. Ze halen alles op wat ze kunnen vinden. ‘

Mijn broer die thuis was, pakte z’n kleren van de stoel, stak de straat over en rende bij Kolthof, een kruidenierswinkeltje binnen. Mijn vader kon dat niet meer halen, want op het moment dat hij naar buiten wilde gaan, zag hij al een overvalwagen voor de deur staan en die vloog achteruit en verstopte zich achter een grote kolenkist die we achter het huis hadden staan. 
De vogels waren gevlogen, ik was niet thuis en op dat moment hadden ze bot gevangen. 
‘r Was een heel gevaarlijke situatie, je moest wel zorgen dat je weg kwam. 

Ik ben toen op de fiets gestapt en ben door allerlei steegjes richting Woold gefietst. 
Ik volgde zoveel mogelijk de binnenwegen en vandaar naar Miste. Miste- de Haart, op de Haart heb ik bij de molen ‘Venemans’ weer naar huis gebeld. Toen bleek gelukkig dat mijn broer en m’n vader safe waren, maar ik hoorde wel een stuk of tien namen van mensen die niet zoveel geluk hadden gehad en die afgevoerd waren. 
Ik heb toen mijn tocht voortgezet en ben in Amsterdam terechtgekomen waar een zuster van mij woonde en ergens in de kost was. Dat waren bijzonder fijne mensen, de familie van Geldere. En daar ben ik gebleven tot eind december 1941. Ik had nog steeds contact met Winterswijk via mijn toenmalige verloofde, nu al meer dan 35 jaar mijn echtgenote, en ik wist dus dat alles rustig was. 
Omstreeks  Kerstmis ben ik weer naar Winterswijk gegaan, heb natuurlijk nooit thuis geslapen. ik sliep toen in de Goudvinkenstraat bij schilder Frits ten Haken, waar mijn broer ook altijd sliep. De ruimte was nogal beperkt en ik ben toen naar de familie Bekker gegaan in de Tuinstraat, goeie vrienden en kennissen van oudsher. Overdag  ben ik gaan werken bij een boer en dat was Willem Oonk van de Morsker, ook een goeie vriend van me, want wanneer je – wat de Duitsers dan ‘nuttig werk’ noemden – o.a. landbouwwerk deed, had je minder kans dat je opgepakt werd, 
En dus werd ik boerenknecht. Dit werk is me niet helemaal vreemd, we hadden vroeger ook altijd vee waar ik goed mee om kon gaan. Het ging niet om de verdiensten, want er viel geen geld te verdienen, maar je was naar je dacht tamelijk safe, en bij vrienden thuis. 

Op zekere dag. ‘t was eind mei, werdik opgehaald door een agent van politie. 
‘t Bleek dat er ‘s nachts in Winterswijk biljetten waren verspreid, strooibiljetten en daar zochten ze de daders van. Ik wist absoluut van de prins geen kwaad en ik werd verhoord door Feberwée, de inspecteur van politie, en door Dr.Bos, de N.S.B.-burgemeester. Ik kwam gelukkig toch nog wel geloofwaardig over, want ik heb daar geen gevolgen van ondervonden. Ik kon weer gaan. Intussen had ik wel in de gaten dat ik nergens veilig was, want als er iets gebeurde dan werd je daar direct op aan gekeken al wist je nergens van. 

In juni kreeg ik een oproep om gekeurd te worden op het Arbeidsbureau voor de Arbeidsinsatz. De man die me keurde, was dokter Das. Op het scheenbeen van mijn rechterbeen had ik een soort bloeduitstorting, een soort spatader. Toen ik tegen hem zei dat ik last had van spataderen, zei hij: ‘Och laat maar zitten, afkeuren mag ik je toch niet. Trek je jas maar uit’. 
Toen heb ik gezegd: ‘Als je me toch niet mag afkeuren, hoef ik ook m’n jas niet uit te trekken. Dan weet ik het wel. Dag meneer Das’. 
En ik ben weggegaan. Maar toen wist ik wel dat het tijd was om te vertrekken. Ik ben toen ‘s middags op de fiets gestapt en ook weer via zoveel mogelijk binnenwegen, langs Lievelde naar de richting van het westen gegaan. Doordat ik niet de grote weg nam, behalve waar het even niet anders kon, was het een lange tocht en het was al een uur of zes dat ik Apeldoorn naderde. Toen moest ik op een gegeven moment de zandweg waarop ik me bevond en die alleen maar naar de grote weg leidde, verlaten. Daar aangekomen zag ik tot mijn schrik of vijftig meter afstand een Duitse militair en een Nederlandse agent van de politie. 
Ze waren iemand aan het ondervragen die daar kennelijk wilde passeren. Mijn eerste opwelling was omdraaien en terugreijden, maar ik zag dat ze mijn kant uitkeken en ‘t zou verdacht geweest zijn als ik dat inderdaad gedaan had. ik ben doorgefietst en werd aangehouden. Er werd naar mijn persoonsbewijs gevraagd. Er stond op mijn persoonsbewijs wel in plaats van dansleraar landbouwer, maar op dat persoonsbewijs stond ook de ‘J’ van Jood. 
Ik was op alle mogelijke manieren in overtreding: ik mocht niet fietsen, ik mocht niet op straat zijn, ik had de ster van m’n jas geplukt en die ster was er wel af, maar er bleek nog wel een gele vlek te zitten. Dus ik zar wel knap in de piepzak. Maar zoals zo vaak heb ik weer ontzettend veel geluk gehad. Ik deed eerst of ik mijn persoonsbewijs niet vinden kon, maar toen ik er niet langer om heen kon toen heb ik het toch maar uit mijn zak gehaald. terwijl ik het hem gaf, meteen omgedraaid waarop mijn personalia genoteerd stonden. En die Nederlandse agent vroeg: ‘Landbouwer’? Ik zei:’Ja’. ‘Mag ik je handen eens zien’? Nou, m’n handen waren wel goed, want ik had al maanden lang landbouwwerk gedaan. 
Als hij mijn persoonsbewijs zou omdraaien en de ‘J’ zou zien staan, was het gebeurd. Hij deed het niet. Hij gaf me mijn persoonsbewijs terug en zei ‘doorrijden’. 
Ik ben toen ‘s nachts bij de familie Leefsma gebleven, vrienden van vroeger, en ben toen uiteindelijk in Den Haag terechtgekomen. 
Weer in Den Haag, waar ik nogal bekend was. ik ging naar een vriend van mij, Chris Rengelink, die was bij de postcheque- en girodienst en woonde op het Hof(wijk)plein. Daar ben ik een paar weken geweest, totdat de getrouwde dochter van mijn kostjuffrouw op zekere dag met haar man binnenkwam, en vond dat er iets niet in orde was en die wist haar moeder onder druk te zetten, zodat zij vertelde wie en wat ik was. het gevolg was dat ik de volgende dag het bericht kreeg dat het voor ma te gevaarlijk was: ik moest maar vertrekken. Ik heb toen contact gezocht met Winterswijk en hoorde daar dat ik wel terug kon komen, de boel was ‘ogenschijnlijk’ veilig en er was kans op onderdak. Ik ben weer naar Winterswijk gegaan en toen bleek dat mijn broer en zijn vriend David Meijers contact hadden gehad met Uwland, de oppasser van het Korenburgerveen en die had hun beloofd dat wanneer zij op een bepaalde plek een onderkomen zouden bouwen hij daar niet zou komen, zodat hij net zou doen of hij nergens van af wist. 
Met behulp van Herman Vreeman (of Ganzeman), een ontstellend dappere man was dat, hebben ze toen een dubbelwandige directiekeet op de kop kunnen tikken en een groot kippenhok. Dat werd bij nacht en ontij in onderdelen naar het veen gebracht en toen ik daar dus kwam kijken toen lag het daar inderdaad. Ik was niet alleen in het veen, want een vriend van mij – Dolf Meijers – die in Amsterdam woonde, was daar in aanraking gekomen met de moffen en die was op transport gesteld naar Westerbork.Hij had kans gezien een kilometer of tien voor Westerbork uit de rijdende trein te springen en hij had zoveel geluk dat hij alleen maar een paar ontvelde knieën en een verstuikte pols had en verder niks. 
Die is ‘s nachts in hoofdzaak lopend en soms met een boerenkar meerijdend naar Winterswijk gekomen en aangezien hij dus gezocht werd, was hij alvast in het veen ondergedoken.
En samen met hem en natuurlijk met Herman Vreeman en ook met Elburg, ook een bewoner van de rand van het veen, hebben wij die keten opgebouwd met de bedoeling wanneer het noodzakelijk was met de families en hun gezinnen daar naar toe te trekken. 
Dat moest in augustus gebeuren. Een probleem was natuurlijk: hoe kom je daar met mannen, vrouwen en kinderen ( mijn broer had bijv. een baby van een half jaar) en hoe krijg je je huisraad daar. Het is een hele operatie geworden die achteraf gezien belachelijk goed is afgelopen.

Op een zekere middag ging mijn broer met zijn vrouw en kind een eindje wandelen. Ze gingen de Groenloseweg op en ze zijn niet meer in Winterswijk geweest, want ze kwamen uiteindelijk in het veen terecht. 
Wat onze huisraad betreft in de Goudvinkenstraat, die hadden wij al zoveel mogelijk in kisten gepakt. ‘s Avonds was ik alleen thuis en ik heb alles naar de winkel ( aan de straatkant) gebracht; gordijnen dicht natuurlijk want dat moest in verband met de verduistering en ‘s nachts om een uur of half twee – ik stond er op te wachten – hoorde ik een paard en wagen aankomen en dat was Willem Geurkink, de knecht van Kruisselbrink uit Corle. Het was een lange platte wagen, de paardenhoeven waren met zakken omwoeld en ook de kettingen van het inspan met zakken d’r om. Maar iedere stap klonk mij als een kanonschot in de oren, want het was in augustus, een prachtige warme nacht. Iedereen had de ramen open en daar kwam dat grote zware paard stap-stap aan. De wagen stopte voor de deur. Ik maakte de deur open, er werd alleen maar gefluisterd en Willem en ik, we waren maar met ons tweeën, hebben al dat huisraad, zoals uit elkaar gehaalde bedden, kasten, manden met glas en aardewerk, op de wagen geladen.

Drie kwartier later daar slofte het paard weg met zijn wagen volgeladen en ik was alleen in het kale huis. De wagen met goederen ging naar Bennink en de andere nacht van Bennink uit Corle naar het veen en daar werd het dan naar de hutten gebracht. Ik heb de andere dag gewacht totdat het avond geworden was en ben toen ook – per fiets- naar het veen vertrokken.
We zaten daar met 23 mensen. Er kwamen er later nog twee bij: dat was de familie Meijler, 
de familie David Meijers en de familie Philip Schwartz.
Een broer van mevr. Meijers kwam later ook nog in het veen evenals een zuster van mevr.Meijler, een meisje uit Enschede, dat ook in het nauw zat.

Het ging allemaal goed voor zover je dat ‘goed’ kon noemen, want je had altijd je angsten. we kregen op tijd eten. Ganzeman zorgde voor het een en ander en Elburg ging in het dorp boodschappen doen. we zorgden wel dat hij bonnen had, want via Ben Harwig, die op het distributiekantoor werkte, werden wij van bonnen voorzien. 
‘s Avonds gingen wij naar elburg die het dichtst bij woonde om de boodschappen op te halen en overdag moest het natuurlijk een beetje rustig zijn, oppassen dat je geen fornuis stookte wanneer de vliegtuigen overgingen. Je moest natuurlijk erg op je qui-vive zijn. Dat ging allemaal goed, tot in november! 
Op zekere morgen kwamen er tot onze ontzettende schrik twee heren vergezeld van Uwland het kamp binnenstormen, gewoonweg stormen, met grote sprongen, alsof ze bang waren dat we zouden vluchten. Het bleken een paar mensen te zijn van de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten. Die moesten de houtstand opnemen in het veen, want dat moesten ze leveren aan de Duitsers en terwijl ze zo het veen doorcrosten, werden wij ontdekt.
Ze gingen ontzettend tegen ons tekeer en gaven ons het bevel onmiddellijk op te stappen. 
Ja, je stapt zo maar op met een kind van een half jaar, kinderen van twee,drie; dat ging natuurlijk niet. 
Nou, we zaten verschrikkelijk in de penairie, maar goed, de mensen gingen weg. Nu hadden wij afgesproken met de familie Vreeman, Herman en zijn vrouw, dat ze ‘s avonds om een uur of zes bij ons zouden komen eten. Mijn schoonzus Ida die had het eten klaar en we dachten Herman en zijn vrouw zullen zo wel komen. En als een donderslag bij heldere hemel stond daar opeens Feberwée met een aantal agenten en marechaussées voor onze hut. 
En het bleek dat ze ook de andere hadden omsingeld, en de man ging ontzettend te keer: 
‘inpakken’ en ‘afmarcheren’. Het was een ontstellende consternatie natuurlijk, kinderen gilden, vrouwen huilden en vader greep een stoel om er op te slaan, maar die werd onmiddellijk vastgepakt. En mij flitste door het hoofd: ‘Ik moet hier uit! ik moet hier uit! 
Toen zei ik: ‘Als ik in moet pakken, dan moet ik m’n rugzak hebben’. ‘Waar heb je dat ding!’ ‘Die hangt buiten aan de hut’. 
Toen zei hij: ‘Bewaak die man!’ En ik ging dus naar buiten met Van der Zwart op m’n hielen, maar Van der Zwart heeft nauwelijks mijn rug gezien, want ten eerste heb ik helemaal geen rugzak dus had ik ook niks te zoeken buiten. het enige wat ik deed toen ik buiten was, onmiddellijk het veen instormen, waar ik dus enige maanden lang dagen rondgezworven had, waar ik ieder polletje gras kende. Van der Zwart is mij niet nagelopen, heeft ook niet geroepen. Ik was weg en ik ging direct door naar Vreeman, want die moest ik onderscheppen. En ik trof hem net op het moment dat ze de deur uit wilden gaan en ik vertelde hem dat alles verraden was en dat iedereen gearresteerd werd en dat ze weg moesten zijn. Daarna ben ik het bos doorgelopen, de spoorlijn gevolgd totdat ik op de Morgenzonweg kwam, want mijn volgende adres was Ben Harwig, want als ze gaan nazoeken en bonnen vinden…..
Hij had onze stamkaart in huis, dus heb ik Ben Harwig gewaarschuwd die onmiddellijk een gat in de tuin gegraven had en alles wat met ons te maken had daar begraven. 

Het touwtje aan de deur

Toen ben ik verder gegaan en kwam bij de familie Bekker. Ja, daar was natuurlijk ook iedereen ontsteld en ik durfde daar ook niet te blijven. Ik ben er maar vijf minuten geweest en heb mij toen opgeborgen op het schoolplein van de toenmalige ULO-school. Ik heb mezelf in een hoekje neergezet en ik heb getracht alles op een rijtje te zetten. Dat was niet zo eenvoudig, want er was nogal het een en ander gebeurd, maar toen de eerste paniek over was en je voor dat moment het vege lijf gered had toen ging je je pas realiseren wat er precies aan de hand was. 
En ja, waar moest je naar toe? Bij bevriende adressen kon je niet terecht, want al hadden ze je willen opnemen, was het te riskant; er was uitgelekt waar je geweest was. Toen schoot me te binnen dat aan de Roenhorststraat de familie Groot Wassink woonde. En die mevrouw Groot Wassink was een geboren Bollen. Onze zaak heette vroeger altijd firma ‘Bollen en Meijler’. Bollen was een compagnon van mijn vader en we hadden dus contacten met de familie Bollen en met de aangetrouwde familie Groot Wassink ook. Mijn vader die kwam daar ooit wel eens en ze hadden al eens tegen hem gezegd. ‘Als je in het nauw zit, kom maar hier’. 
En dat had hij thuis verteld, misschien een jaar geleden toen het nog niet zo urgent was allemaal. Maar als je zo zit te peinzen en te piekeren waar kan ik terecht dan schiet je dat weer te binnen. ‘t Was inmiddels een uur of acht half negen geworden toen ik bij de familie Groot Wassink aankwam. Ik klopte aan en Johan deed de deur open. 
‘t Was daar erg eenvoudig, want als je de voordeur opendeed stond je in de kamer, er was geen halletje, geen gang niets. de voordeur was ook de straatdeur en de kamerdeur. 
Ik kwam daar binnen en de mensen waren hevig met ons begaan. 

We hebben er geen moment over geprakkizeerd dat hun huis er totaal ongeschikt voor was om iemand te herbergen, maar ik kon blijven. Er werden wat voorzorgsmaatregelen getroffen. De buurvrouw kwam altijd zomaar achterin stormen, het waren gezellige mensen daar, het ging er niet zo precies. Als je bij iemand binnen kwam, dan kwam je binnen, je klopte niet, je belde niet, je kwam gewoon.
D’r werd wel een bezem tegen de deur aangezet, want als de buurvrouw binnenkwam, dat dan die bezem met een klap omviel zodat ik als een haas de bedstee in kon duiken. De bedstee was eigenlijk mijn verstek. Overdag kon je daar niet in de kamer zitten, ook niet in de keuken, want meer was er niet. ik heb daar enige weken in de bedstee gehuisd,

‘s Avonds na een paar dagen heb ik mij min of meer vermomd met een petje op van Groot Wassink en een wandelstokje, en alsof ik een oud mannetje was, ging ik de straat op, want ik moest meer zien gewaar te worden. 
Van mijn familie, wat er gebeurd was. het bleek dat alle mensen van het veen in een veewagen waren geladen en naar het feestgebouw waren vervoerd. Dolf Meijers, die vriend van me die naar Westerbork werd getransporteerd, was toevallig een week van tevoren naar Amsterdam vertrokken naar zijn verloofde. Die was er dus niet bij. Paul Roorman was ook vertrokken, maar 23 waren er nog over (met mijzelf inbegrepen). 
In het feestgebouw – ‘t was eind november en koud – kregen gemeentewerklieden de opdracht om kachels aan te maken. D’r werd een soort inspectie gehouden en Feberwée kwam daar tot de ontdekking dat ik er niet was. Hij had me toch inderdaad gezien; hij vloekte verschrikkelijk: ‘Nou was me die Meijler hun weer door de vingers geglipt’!  
‘t was eigenlijk al de tweede keer, Eén van mijn zusters, Leni, die heeft kans gezien (de kachels hadden lang niet gebrand en er ontwikkelde zich een enorme rook)  je zou zeggen ze heeft van deze schimmige situatie gebruik gemaakt door stiekem achter het toneel langs waarvan de gordijnen dicht waren naar de voordeur te gaan en heeft daar de zaak bekeken. Toen één van de agenten daar op wacht stond even naar binnen liep, is zij naar buiten geglipt. Mijn jongste zus Emmy, die is ook ontkomen. je had daar nooddeuren en hoewel die met draad omwikkeld waren, zelfs prikkeldraad, heeft ze toch kans gezien om één van die deuren los te krijgen en is via de achterkant het feestgebouw uitgekomen. Een van beide is bij juffrouw Rietema terechtgekomen, de directrice van de openbare leeszaal en dat was ook weer de directrice van mijn andere zus Jet die bibliothecaresse op de openbare leeszaal was. 
Mijn andere zus is bij Wim van Laar, onderwijzer, later hoofd van de Stegemanschool terechtgekomen. 
Die hebben haar liefdevol ontvangen, maar beiden waren eigenlijk niet in staat haar langere tijd onderdak te verlenen. Er werd contact gezocht met mijn zuster Jet die in de Ratumsestraat 
woonde en vandaar hoorden we dus dat de rest de andere morgen per trein weggevoerd was naar Westerbork. En je kon raden war er daarna gebeurde,

Die twee zusters van mij, Lenie en Emmy, die ontsnapt waren, zijn uiteindelijk in Vlaardingen terechtgekomen. En dat is een verhaal dat ik toch wel even vertellen moet om één geheel te krijgen. Toen inmiddels in oktober 1941 die overvalwagens verschenen toen zijn er dus een stuk of tien mensen opgepakt, maar ik denk dat er wel 40 of 50 ontsnapt zijn. En daartoe behoorde o.a. ook mijn zwager. De Leeuw, die samen met twee vrienden van hem, Philip Schwartz en Nathan Schwartz, in Rotterdam wisten te komen. Daar woonde de oudste dochter van Schwartz, getrouwd met een zekere Leefsma. Daar hebben ze natuurlijk onderdak gevonden, maar het leek niet zo veilig om daar te blijven. Ze hadden buren, waarvan ik de naam niet meer weet, maar waar ze goed mee omgingen en die werden ingeschakeld en om raad gevraagd. Bij die buren hadden ze ook een meisje, een dienstmeisje. Dat meisje heette Ida Knegt en die woonde in Vlaardingen, maar diende dus in Rotterdam. Zij bood aan: ‘Ik zal thuis eens vragen of ze bij ons thuis mogen komen’,. En dat was onmiddellijk goed. Bij de familie Knegt kregen ze onderdak. En toen na verloop van een week of vier, vijf de zaak in Winterswijk weer rustiger werd zijn die naar Winterswijk gegaan, maar ze kregen van de familie Knegt consigne mee ‘als er ooit wat is en je zit in ‘t nauw, het touwtje hangt aan de deur’. 
Als je je hand door de brievenbus stak, kon je aan het touwtje trekken en dan kon je de voordeur openmaken. Dat was dus in de familie bekend. 

En toen mijn beide zusters een paar dagen bij juffrouw Rietema en van Laar waren geweest, kwamen ze bij de familie Stroes. Meneer Stroes was onderwijzer aan de Wilhelminaschool, een prachtmens die veel gedaan heeft en ook veel durfde. Daar moesten ze overdag in bed blijven want er waren ook kleine kinderen; het was allemaal zeer moeilijk. Er werd contact opgenomen met mijn zus Jet, mevrouw e Leeuw dus en die nam contact op met Vlaardingen waar haar man al eerder was ondergedoken geweest en die zeiden: ‘Laat ze maar komen’. 
De heer Stroes is met de meisjes naar Lievelde gegaan, ik geloof per fiets, ze zijn daar op de trein gestapt en ‘s avonds of ‘s nachts in Rotterdam aangekomen, maar hadden toen geen verbinding meer met Vlaardingen. Ze zijn ‘s nachts in portieken gebleven, op straat lopen was onmogelijk, totdat de eerste tram ging en die hebben ze gepakt naar Vlaardingen. Ze zijn aangekomen aan de Jacob van Heemskerckstraat. Meneer Stroes is na zijn missie weer naar Winterswijk gegaan. Dat was dus wat betreft mijn beide zusters, die ook uit het veen ontsnapt waren. 

Voor mij werd de toestand ook précair, want altijd in de bedstee blijven, was ook niet zo ideaal. De buren zouden ook argwaan kunnen krijgen. Er moest een oplossing gevonden worden.
Ik probeerde contact op te nemen met Vlaardingen en kreeg toen als antwoord: ‘Als je voor een bed kunt zorgen, kun je ook komen’. Dit was een mogelijkheid. Het werd steeds moeilijker, want op zekere dag sloeg de bezem niet om en kwam de buurvrouw de keuken binnen en daar zat ik. gelukkig heeft ze nooit haar mond opengedaan, maar dit was toch wel een teken aan de wand, er moest iets gebeuren. ik moest weg. Ik heb weer naar Vlaardingen geschreven. 
‘dan moet je maar zonder bed komen’, schreven ze, ‘we zullen wel zien dat we een oplossing vinden’. 
Ik ben toen op een donderdagavond op de fiets gestapt en ben toen de tuin uitgefietst, nagekeken door Jannao en Johan Groot Wassink die me later verteld hebben dat ze er een nacht niet van geslapen hebben toen ze mij daar zo in de nacht hebben zien verdwijnen. 
Ik heb ik Lievelde de trein kunnen pakken en ben naar Amsterdam gereisd. In Amsterdam woonde Dolf Meijers die een week voor mij uit het veen was ontvlucht en van hem had ik het adres. Ik kwam er met de laatste trein aan en ik heb op goed geluk iemand gevraagd ‘Weet u ook waar die en die straat is?’ Ik moet diezelfde kant op, loopt u maar zo ver mee’. 

Het is allemaal goed gegaan, ik heb daar overnacht en de volgende avond ben ik van Amsterdam per trein naar Vlaardingen gegaan. Ik werd verwacht, want ze wisten dat ik kwam. 
Oom Kees,de heer Knegt met mijn oudste zuster, Leni, die zouden mij ophalen van de trein, tenminste dat hoorde ik later. Ik stapte uit de trein en ik wist dat een parallelstraat van de Jacob van Heemskerckstraat de Willem Barentszstraat was. Ik vroeg aan iemand van de spoorwegen: ‘Kunt u mij ook zeggen waar de Willem Barentszstraat is?’
Toen hoorde ik een syem naast me: ‘Loopt u maar met mij mee, want ik moet aan de jacob van Heemskerckstraat zijn en die is er vlak naast. 
Ik liep met de man mee en die zei: ‘Daar is de Willem Barentszstraat’. Ik dus de Willem Barentszstraat in, maar na tien meter natuurlijk weer omgedraaid en een straat verder de Van Heemskerckstraat in. Ik heb eerst gekeken of die man er nog liep, maar die was blijkbaar naar binnen gegaan of doorgelopen. Op nummer 7 stak ik de hand door de brievenbus, trok aan het touwtje en de deur ging open. ik ging de trap op naar boven. Er zaten een aantal mensen mij stomverbaasd aan te kijken, totdat één van die mensen bleek mijn jongste zus te zijn. Ze begreep niet hoe ik daar gekomen was, want ik zou afgehaald worden van de trein. Ik was eerder boven dan de mensen die me zouden afhalen. 

De familie Knegt heeft ons twee en een half jaar verzorgd, boven alle lof verheven. Fantastisch. In die dagen is er veel honger en kou geleden. Wij hebben geen kou geleden, maar honger was niet te vermijden. We hadden natuurlijk nog wel een aantal pannen en we hadden nog weckflessen met vlees, regelmatig werd er roggebrood gestuurd. Mijn vriend Hendrik Bekker, werkzaam op het postkantoor hier in Winterswijk, die verstuurde ‘s morgens in alle vroegte een groot roggebrood met als afzender Arendsen en dat kwam dan in Vlaardingen terecht, We zijn een hele poos aan het eten gebleven. Mijn vrouw, toen mijn vriendin Dien, met mijn assistente Bep Lammers zijn ook nog eens in Vlaardingen geweest. Die hebben ook koffers vol eten gebracht. In de hongertijd is de oudste dochter Ida nog twee keer per fiets naar Winterswijk gefietst en is met een vol beladen fiets teruggekomen.
Zo’n fietstocht, zeg maar sleeptocht, is op zich al een verhaal van uren. Het is allemaal goed gegaan. Ik ben één keer naar buiten geweest op straat. En dat was toen ik me geen raad wist van de kiespijn en via de benedenbuurvrouw Dien Bode, die in het complot zat, want dat moest wel, kwam ik bij de ondergrondse. Een zekere meneer Doorduin kwam mij ophalen en liep met mij naar een tandarts. Op een bepaalde manier belde hij aan. De deur ging open.

‘t Was donker. Er werd niets gezegd. Ik ging linea recta naar de stoel. Ik werd erin gezet. ‘Welke is het?’vroeg de tandarts. ‘Deze’, zei ik. Hij bekeek het even. Er werd niet gekeken of er geboord of geplombeerd moest worden. Onmiddellijk ging de tang er op en zonder verdoving d’r uit met dat ding. Binnen vijf minuten was ik weer buiten op weg naar huis. Dit is de enige keer dat ik buiten ben geweest. Ik kon overdag wel zien hoe het buiten was, want op het zolderkamertje waar ik het grootste gedeelte van de dag verbleef, was een uitzetraampje. Door dat raampje zal ik het topje van een boom. En dat topje van die boom heb ik drie keer groen zien worden, want op dat kamertje ben ik gebleven van december 1942 tot mei 1945.
‘s Avonds waren we natuurlijk wel beneden in de kamer bij de familie Knegt, die bijzonder goed voor ons was. D’r werd wat afgekaart, er werden hele gesprekken gevoerd vooral met oom Kees. Hij hield er zeer bijzondere theorieën op na en was verschrikkelijk anti-duits en die zei altijd ‘t Benne ook mensen’ als-ie het over Joden had en ‘je hebt er goeie en slechte onder, maar dat heb je overal.’
Dat was mijn geijkte standpunt. ‘s Zondagsmorgens zat hij vaak te timmeren op zolder bij de konijnen en dan was ik een hele zondagochtend bij hem. We moesten daar natuurlijk erg voorzichtig leven. Er was ook een jongen thuis die was vijftien jaar toen we daar kwamen, en dat was ook zó knap: hij heeft nooit één woord gekikt met zijn vrienden over het feit dat er andere mensen thuis waren. 
De muren waren blijkbaar dun, want je kon bij de buren alles horen, dus konden de buren ook van ons alles horen. Bij het afwassen werd niet gesproken. je ging als tante Stien een boodschap ging doen niet naar de W.C. en als je ging kon je niet doortrekken, want als we tante Stien de deur uit hadden zien gaan was er niemand thuis, want oom Kees was er niet en Joop was naar school. Je hele levensstijl moest er op aangepast worden, maar het is allemaal goed gelukt, want behalve de dames Bode, Dien en Annie, die beneden ons woonden en vanaf het begin op de hoogte waren van onze aanwezigheid heeft niemand van de buren ooit iets gemerkt. En toen wij met de bevrijding op straat kwamen was iedereen stomverbaasd dat er in hun straat twee en een half jaar drie mensen ondergedoken waren zonder dat iemand er ooit iets van gemerkt had. 
t Waren natuurlijk wel soms moeilijke tijden, vooral toen de jacht op mannen en jongens begon. U herinnert zich misschien wel dat de treinen vol westerlingen hier doorgekomen zijn op transport naar Duitsland. Er waren ook mensen uit Vlaardingen, Schiedam en omgeving bij. het werd zelfs zo erg dat er huiszoekingen werden verricht en voor mannen die zich niet gemeld hadden, moest een verstek gevonden worden. Dat werd voor mij gevonden boven een muurkast. Daar bevond zich een holle ruimte en die was met linnen afgeplakt waaroverheen behang, maar van bovenaf via de zolder door het wegnemen van een paar planken kon ik daar inzakken. Enkele nachten heb ik daarin doorgebracht. Dat was een verschrikking, want ik paste er niet goed in, ik moest er schreef in zitten, schuin. En als ik ‘s morgens tegen het licht worden eruit kwam, was ik geradbraakt. Enige weken later, Joop was inmiddels 17 jaar geworden, moesten ook jongens van 17 jaar zich melden. Er moest dus iets anders gezocht worden. En daarvoor moest op de zolderkamer – waar mijn beide zusters sliepen – het bed verplaatst worden, het vloerkleed opgenomen, planken doorgezaagd en tussen de balklaag daar schoof ik ‘s avonds in en een balk verder schoof Joop Knegt.
De planken gingen erop, vloerkleed erover heem, het bed erop, en daar lagen we ‘s nachts. Van tevoren moest ik eerst mijn zakdoek uit mijn zak halen en die bij m’n gezicht leggen, want als je er eenmaal in lag, kon je niet meer met je handen bij je broekzakken komen, zo benauwd en zo smal was het. Joop kon het niet volhouden, die begon midden in de nacht te roepen en te gillen om z’n moeder. Hij is er dus uitgehaald en we hebben met hem maar de gok gewaagd en later bij zijn zuster ondergebracht. Maar ik heb het enige weken volgehouden, en dat was wel erg, héél erg.
Het heeft ergens toe gediend, want we hebben een huiszoeking gehad en niemand heeft ons gevonden. Wat het eten betreft, op het laatst toen de spoorwegverbinding verbroken werd door de spoorwegstaking viel ook het contact weg met Winterswijk. Er kwamen ook geen zendingen meer binnen. We waren dus volledig aangewezen op rantsoenen, maar ja die rantsoenen waren vaak van dien aard, al had je een rantsoen, kon je het toch niet kopen, want er was niks. Het was wel erg in het westen. Joop moest soms met een emmertje naar de gaarkeuken en wat voor afschuwelijks daarvandaan kwam……
Maar we aten het wel op. Oom Kees had ook weer zijn connecties, kwam weleens met een litertje melk thuis. Hij had een of andere boer geholpen door iets te timmeren of zo, hij stal nogal eens wat kolen, briketten. Als hij dan ‘s avonds van zijn werk kwam met de ‘knijvezak’ op z’n rug zoals dat daar gebruikelijk was dan was het altijd ‘vol verwachting klopt ons hart!’
Wat zal d’r nou weer uit komen?  Soms was het melk en soms een paar aardappelen, maar meestal waren het briketten. En op de een of andere manier versierde Joop nog spoorwegbielzen. In ieder geval koud hebben we het nooit gehad. Honger hebben we wel gekend. Ik weet wel, hoe de suikerbieten smaken en de bloembollen. De bieten gingen nog, maar de bloembollen waren verschrikkelijk. 
Je werd wel mager, maar we bleven goed gezond gelukkig, want ziekte heeft zich niet voorgedaan. We hebben enorm geluk gehad.
En zo ging de tijd verder. ‘t Werd steeds moeilijker. Ik herinner me nog dat tegen het eind van de oorlog de vliegtuigen met Zweeds wittebrood boven kwamen. Dick Doorduin kwam een paar keer om een stuk kaas te brengen. Dat ging weer via de ondergrondse beweging. Een week voor de bevrijding kwam hij vragen of we nog geld hadden en ik heb toen tegen hem gezegd: ‘Deze week heb ik betaald en voor de volgende week heb ik nog f 25,-. 
Als er dan nog geen bevrijding is, zal ik een beroep op je moeder doen’.


De familie Knegt nam voor ons drieën f 25,- per week. dat was een lachertje. De mensen wilden niet de schijn wekken dat ze er ook maar iets aan verdienden, en dat deden ze dan ook absoluut niet. Mijn zusters waren er 14 dagen eerder dan ik en die betaalden ieder een tientje.
Toen ik kwam, vroeg ik wat ik moest betalen en ze zeiden: ‘Met z’n drieën f 25,-’. 
En of ik hoog sprong of laag sprong, maar meer betalen werd niet geaccepteerd. 
‘k Heb het wel moeilijk gehad om aan geld te komen, want de meisjes hadden niks en ik gelukkig nog wel wat. ik ben dus in de gelegenheid geweest om al die jaren zelf die f 25,- per week op te brengen. ik heb er wel via via mijn geluidsinstallatie voor moeten verkopen en een paar costuums waarmee ook weer vriendendiensten bewezen werden, maar ik heb gelukkig altijd zelf kunnen betalen.

Capucijners met spekvet

En toen kwam er eindelijk ogenschijnlijk een einde aan de verschrikkelijke tijd. 
( Ik kan je nog vertellen hoe intens je meeleefde met de gebeurtenissen aan de fronten, want Dien Bode had in de kelder van de elektrische centrale waar zij de kantinejuffrouw was en zodoende overal de weg wist, een radio. Er was een radiotoestel verborgen in het vertrek waar zij de sleutel van had en als dan de portier berichten kwam opnemen dan was Dien d’r bij en die werden dan gestencild. Wij hadden ze altijd uit de eerste hand en wij wisten precies hoe de situatie ervoor stond). 
Meer dingen die je zo elke keer te binnen schieten zijn natuurlijk wel het vertellen waard, maar de hoofdzaak is toch, dacht ik, dat we op een zekere avond, ik meende dat het de vierde mei was, in de kamer zaten bij het oliepitje dat op tafel stond en toen hoorden we in de verte een vreemd geruis, geroezemoes. Er klonken flarden van gezang tussen door en op een zeker moment herkenden we de tonen van het Wilhelmus. Je durfde de straat niet op en wij helemaal niet, eigenlijk niemand, want je mocht na achten de deur niet uit. Er werden verschillende voelhorens uitgestoken en inderdaad één van de buren van de achterkant die schreeuwde: ‘De bevrijding is er’! 
Je wilde dit natuurlijk niet geloven en je ging naar bed met de vraag ‘wat zou er van waar wezen’?  En de volgende morgen bleek dat het waar was.

Iedereen was opgetogen, iedereen stond op straat. Zouden we ons op straat durven wagen? ‘t Klinkt wat gek, maar ik wou zo ontzettend graag naar de kapper, want mijn haar was al die jaren met een nagelschaartje geknipt door mijn zus. En ik had haar geknipt met datzelfde nagelschaartje. En toen zei Joop: ‘Kom maar mee, d’r is niks aan de hand. ‘t Is feest, je kunt rustig de straat op. Ik weet wel een kapper in de buurt’. 

Ik waagde het dan en ging de trap af, deed de deur open en kwam op straat en ik viel met m’n rug tegen de muur. Ik werd verschrikkelijk duizelig en draaierig, ‘t was net precies of de huizen boven op me vielen. Dat was zo’n vreemde gewaarwording dat je voor het eerst na al die tijd weer op de begane grond stond en tegen de huizen op keek waar je anders van bovenaf  gekeken had. Dit was zoeits eigenaardigs, daar moest ik eerst een poosje aan wennen, voordat ik weer normaal lopen kon zonder het gevoel te hebben ‘ik draai om m’n as’. 

Enfin, ik wandelde met Joop naar de kapper. Joop vertelde meteen wie en wat ik was en de kapper was opgetogen en die wou geen geld van me hebben en ik werd geknipt en met een enveloppe met een cheque kwam-ie terug. ‘Hier’zegt-ie, ‘dat heb ik voor feestelijke gelegenheden bewaard, maar ik deel met U’. 
Dat was erg leuk natuurlijk. En toen gingen we weer terug via de Hoogstraat en in één keer een ontzettend lawaai en geschiet. Kogels ketsten over de straat. Wij doken het portiek in en wat bleek nu het geval te zijn; de Kriegsmarine die daar in Vlaardingen lag, waarvan die jonge kerels met Vlaardingse meisjes op pad waren geweest, die hadden ontdekt dat hun vriendinnetjes kaal geschoren werden. En dat gebeurde aan het eind van de Hoogstraat. Die waren daar op af gekomen en hebben daar ook iemand doodgeschoten. En dan heb je weer ineens in de gaten hoe je weer eens door het oog van de naald bent gekropen. de kogels ketsten gewoon op straat naast je voeten. Nou, toen de zaak weer een beetje rustig was, wij als de drommel weer naar huis. Je durfde de hele dag niet de straat meer op.

de volgende dag ging het gerucht ‘de Tommies komen’. op de Schiedamsedijk komen ze binnen via Schiedam. En heel Vlaardingen op de been naar de Schiedamsedijk. Wij ook natuurlijk. Wie er kwamen, geen Tommies. Maar wat wel gebeurde was, ik wou mijn fiets terug hebben. Mijn fiets die uit elkaar genomen was en die in onderdelen onder de elektrische centrale van het havenbedrijf in Vlaardingen-Oost verborgen was. En Dien Bode had daar de sleutel van. En Dien met Joop Knegt en ome Kees samen naar de elektrische centrale en mijn fiets opgehaald. En die werd thuis in elkaar gezet. ‘t Was op zondag, ik dacht dat het vijf of 6 mei was. 
En maandag s’morgens acht uur stapte ik op de fiets met een zwaarbeladen koffer achterop en nagezwaaid door de hele Jacob van Heemskerckstraat. En dat ging richting Winterswijk.


Ik zette waarschijnlijk veel te hard de sokken erin, want toen ik zeg maar 50 meter gefietst had, toen had ik wel in de gaten dat het zo niet ging. je moet niet vergeten, ik woog in die tijd nog net 50 kilo; ik was zo mager als een lat. En je zat wel vrij hard op je botten op dat zadel. 
Ik ben toen via Rotterdam naar het oosten gefietst. Allengs bleek dat er meer mensen met de fiets op weg waren richting oosten. Geleidelijk aan kreeg ik gezelschap, het groeide aan tot een man of acht. Allemaal richting oosten. We kwamen op een gegeven moment bij een brug en dat was zo’n vreemd gezicht, want die werd aan de ene kant bewaakt door een Duits soldaat en aan de ander kant door iemand van de Binnenlandse Strijdkrachten. Allebei gewapend, maar allebei lieten ze ons doorgaan. Wij vervolgden onze weg en hadden met moeilijkheden te maken van kapotte bruggen e.d. en kwamen toen langs een spoorlijn die naar het oosten ging. En die spoorlijn die volgden we, wanneer er dan een viaduct opgeblazen was, lieten we met een paar man een fiets zakken en gingen weer terug om de volgende fiets op te halen en dan werd die weer naar boven gehesen de ander kant op en doordat je met een aantal mensen was, was dat wel te doen. En we volgden die spoorlijn, totdat we laar in de middag toch wel dorst kregen. We kwamen bij een spoorwachtershuisje en daar wilden we graag war water drinken. Eén van onze mensen uit ons gezelschap had een paar bloemetjes geplukt die , ja, wel op oranje leken. We waren in een goeie stemming en we kwamen daar dat huisje binnen. Toen kwam er een vrouw achter uit en die zei: ‘Wat doen jullie hier?! Maak dat je weg komt!’ Wij waren stomverbaasd natuurlijk want we wilden alleen maar graag een beetje water hebben.’Weet u dan niet dat u in bezet gebied bent?’ Wat was nou het geval, de situatie was zo verward, bepaalde stukken waren nog niet door de Duitsers ontruimd en we waren – zonder dat we het wisten – weer in bezet gebied terechtgekomen. 
Dat was in de buurt van Amerongen. We hebben toch een slokje water gekregen en we zijn verder gegaan, totdat we iemand ontmoetten die zei: ‘Ja, je moet voorzichtig zijn want de Duitsers zitten hier nog en de Hollandse SS. zit hier. Je kan het beste naar het kamp gaan.’
En dat kamp bleek te zijn een kamp van noodwoningen en daar zaten evacuées uit de omgeving van Arnhem. Arnhem was indertijd geëvacueerd en daar zijn we toen naar toe gegaan. Daar werden we in diverse blokken opgenomen. Ik was ‘s morgens vertrokken met een stuk droog brood en daar was ik erg zuinig op geweest, want ik had nog een stukje voor ‘s avonds, maar daar kreeg ik geen kans voor. Ik kreeg daar volle melk en broodpap en brood met jam. Nou, dat was een traktatie natuurlijk. Ik heb daar geslapen ( de andere mensen hebben in andere blokken geslapen) en de andere morgen kwamen we weer bij elkaar, want we moesten verder. Maar de moeilijkheid was, hoe we ook gingen: we moesten door Veenendaal. En Veenendaal was nog bezet door de Nederlandse S.S. en die waren afschuwelijk fanatiek, d’r was geen doorkomen aan. Blijven wilden we ook niet. Dus we hebben het erop gewaagd. Ik heb me natuurlijk wel gedrukt, ik ben een beetje achteraan gebleven, want je hebt altijd het gevoel dat iedereen kan zien dat je Jood bent. Niemand wist het, maar ik wist het. Ee stapten op de fiets en we kwamen Veenendaal binnen en bij het eerste het beste kruispunt dat we naderden daar was een schuttersput gegraven en daar zaten een aantal Nederlandse S.S.-ers in met een machinegeweer en dat was op ons gericht. Het bleek dat het Nederlanders waren, maar ze vertikten het om Nederlands te spreken. Ze spraken alleen maar Duits met ons, maar aan het accent konden we toch wel horen dat het Nederlanders waren. We mochten er niet door. Nou, daar stond je met je goeie gedrag. Tot op het laatst heb ik me maar van de achterhoede naar de voorhoede verplaatst en ben een gesprek begonnen met die mensen. Dat ging dan in de richting van: ‘Mensen, wat maakt het jullie nou uit, wij nemen toch geen deel aan de oorlog. Als jullie de oorlog verder wilt voeren dan kun je dat toch wel doen, daar heb je ons toch niet voor nodig. Laat ons d’r nou door….. ‘
In ieder geval het resulteerde in het volgende: we mochten passeren maar we moesten lopen naast de fiets en het machinegeweer was op ons gericht en de eerste de beste die aanstalten maakte om te vluchten die werd neergeschoten. Nou, en daar gingen we, die hele lange straat door. En ik was weer de achterste. dat zat me helemaal niet lekker. Het is allemaal goed gegaan, we zijn die straat overgekomen. Die straat maakt een bocht en toen we die bocht om waren en dus uit het gezicht, toen zetten we bij afspraak onze fiets tegen de muur en we wisten ons het zweet af. We lekten van het zweet. En daar stonden we.
We keken om ons heen en we zagen in de verte de grote weg, de grote verkeersweg. 
En over die verkeersweg kon je duidelijk herkenbaar het geallieerde verkeer zien rijden. De Amerikaanse vrachtwagens met de ster d’r op, dus je wist: daar zit ik weer goed. Maar hoe kom je daar? Toen kwam er iemand naar buiten uit één van die huizen waartegen wij onze fietsen neergezet hadden en vroeg: ‘Moeten jullie die weg zien te bereiken? ‘Ja’, zeiden wij. ‘D’r is maar één mogelijkheid: kom maar mee hierlangs het huis en ga bij mij maar door de tuin en dan moet je die weiden oversteken. Er zijn wat sloten en er is wel draad, maar ja, je moet maar zien dat je d’r over komt’. Zo gezegd, zo gedaan. Wij langs de woning, de tuin door, de moestuin en vandaar de weilanden door met de zwaarbeladen fietsen. We hebben ze over de draden getild en over de sloten en we kwamen op de grote weg. We stapten op de fiets en we waren zó opgelucht, ontzettend. Maar we hadden nog geen honderd meter gefietst: ‘halt’! Binnenlandse strijdkrachten. ‘U mag er niet door. Het westen is afgesloten, er mag niemand naar het oosten vertrekken’. En toen kwam ik met mijn pasje dat ik van Dick Doorduin had gekregen en waarbij dan verzocht werd mij door te laten, getekend door de ondergrondse van Vlaardingen. Er hielp geen lieve vader of moeder aan. ‘Zal ik u ‘es vertellen, wij hebben zoveel avonturen beleefd, we zijn langs zoveel Duitsers gekomen, we komen net door Veenendaal en daar zijn we overal doorgekomen, door onze vijanden. Zouden onze vrienden ons nou tegenhouden/ Dat lukt u niet……
U moet maar doen wat u niet laten kunt.’
Ik ben op de fiets gestapt en de anderen met mij en we zijn doorgefietst. En hij heeft niks gedaan. 

Toen kwamen we in Ede. In Ede woonde één van de mensen van onze groep. Die nam ons mee naar zijn huis en daar kregen we brood met een ei. ik wist helemaal niet meer hoe zo’n ding d’r uitzag. We zijn daar gastvrij onthaald en van daaruit per fiets verder gegaan. Verschillende wegen waren niet berijdbaar en ik kwam over Otterloo. Voor Otterlo zag ik geallieerde soldaten, ik wist niet of het Engelsen, canadezen of Amerikanen waren, maar in ieder geval waren ze bezig een brug te herstellen, dus genietroepen waarschijnlijk. ik stapte van de fiets, ik stond er even naar te kijken en toen trok ik de stoute schoenen aan en vroeg of ze een sigaret voor me hadden. Toen vroegen ze me: ‘Heb je eieren’? ‘Nee’, antwoordde ik, ‘die heb ik niet, ik heb niks. Ik wou alleen maar graag één sigaretje’. Ik kreeg er twee. Die wou ik op de fiets niet oproken, want dat was jammer, dus ik stopte ze in m’n blousezakje en ik fietste verder en kwam in Otterlo. In Otterlo zag ik een slagerswinkel. Er was wel niks in die winkel. maat het was een slager en aangezien ik van huis uit ook slager ben, dacht ik dat is voor mij goed terrein. De winkel was op slot, ik ging achterom. Er waren mensen in de kamer. ik klopte en ging naar binnen, vertelde wie ik was en vroeg of ik daar mijn brood op mocht eten, want ik had nog een paar sneetjes brood meegekregen uit Amerongen. Dat mocht. ik kreeg een kopje thee en op m’n brood kreeg ik rookvlees. Dat was een ongekende weelde natuurlijk en toen wou ik van mijn kant ook wat doen en ik wou mijn gastheer een sigaret presenteren en laat ik nou beide sigaretten kwijt zijn, die ik zo zuinig bewaard had. 

Enfin, ik ben verder gefietst en ik kwam uiteindelijk terecht bij Zutphen, bij de Hoven. de brug in Zutphen was eruit en je kon daar blijkbaar niet door. Daar moest je weer een pas voor hebben. Ik vroeg aan iemand: ‘Weet u waar ik hier de ondergrondse kan vinden’?  Ik dacht met mijn pas van Vlaardingen kom ik er wel door. En daar komt die man net aanfietsen en dat bleek een opperwachtmeester van de marechaussee te zijn. Ik zeg: ‘Meneer, mag ik u wat vragen?’ Hij stapte van de fiets. Ik zeg: ‘Ik ben onderduiker, ik heb zo lang daar en daar gezeten. Hier hebt u mijn pasje, ik wou graag passeren. Kunt u mij daaraan helpen?. 
Toen zei die: ‘Ja, mijn dienst zit er op, kom over twee uur maar terug’. Nou, dat was natuurlijk een afschuwelijke domper. En ik wist eigenlijk niet goed hoe ik ermee aan moest. Toen deed zich weer iets héél vreemds voor. Ik liep met mijn fiets richting brug en ik kwam bij de uiterwaarden en daar stonden mensen van de Binnenlandse Strijdkrachten en ik was er nog maar een meter of tien vandaan toen riep één van die mensen; ‘Daar heb je Meijler! Waar kom jij in hemelsnaam vandaan…..? 
Ik weet vandaag nog niet wie het was, maar hij zei tegen mij: ‘Ga in Warnsveld maar bij mijn ouders aan, daar kun je wel overnachten’. Ik heb niet eens gevraagd wie zijn je ouders, want ik was verbouwereerd. Ik ben de noodbrug overgegaan, ik kwam Zutphen binnen en wie kom ik daar tegen?  Walter van Ast. Vroeger woonachtig in Winterswijk en nu in Zutphen, ik riep hem aan en hij herkende mij en ik vroeg hem: ‘Weet jij waar Bernhard Toebes woont?’ Bernhard Toebes was een voormalige Winterswijker 9 hij heeft in Winterswijk nog jaren in de Raad gezeten en zijn vrouw had nog als meisje bij ons gediend) en die kende ik natuurlijk dus goed. Ik wist dat ik daar welkom was.  En Van Ast zei:  ‘Ik zal je d’r naar toe brengen,  maar met me nee’. Ik kwam bij Toebes aan, ik belde, de deur ging open en Naatje deed zelf open. Ze viel bijna flauw toen ze me zag. ‘Ooooh, m’n jongen, m’n jongen….! Wat ben ik blij dat ik je zie. Kom d’r maar in’. 

Ik kon meteen aan tafel bijschikken en wat aten ze…. capucijners met spekvet. Moet je voorstellen wat ik in die tijd aan eten had gehad en wat voor zware kost daar op me toekwam, ik heb gegeten als een wolf. En ik heb er geen last van gehad. Bij de familie Toebes waren drie kinderen; twee jongens – een tweeling – en een meisje. Die tweeling had ik gekend als kinderen van praktisch zo uit de wieg en dat waren nou jongens van een jaar of vijftien. 
En die stapten mee op de fiets en die gingen mee tot Vorden. dat was op een woensdagmorgen. En woensdags tegen twaalf uur kwam in Winterswijk binnenfietsen. Op de ‘Kattenberg’ ontmoette ik de heer Bent, de wethouder Bent, later is zijn zoon wethouder geworden. Die herkende mij, stapte van de fiets en begon een gesprek en vertelde dat Aäron van Gelder bij hem thuis was geweest. ik had haast, ik moest en moest naar huis. Ook de mulder van de Kattenberg kwam naar buiten, maar ik had geen tijd meer, ik ben doorgefietst. 
Op de Groenloseweg kwam meneer Kappers, een boekhandelaar van voor de oorlog, naar buiten en iedereen wou wel met me praten, maar ik moest naar m’n verloofde. Maar ja, ik wist niet hoe de situatie daar thuis was, dus ik stapte eerst bij de familie Ruepert binnen – ook goeie vrienden – en daar zaten ze net aan de snert. De snert van mevrouw Ruepert mocht echt wel snert heten. ik heb daar meegegeten. Dien Gossink mijn toenmalige verloofde en nu al 35 jaar mijn vrouw werd opgehaald en ja u begrijpt, er was enige consternatie, want sinds het verbreken van de verbindingen als gevolg van de spoorwegstaking was er geen contact meer geweest. Niemand verwachtte mij, want iedereen wist dat het westen afgesloten was en dat er niemand meer door kon. Maar ik was blijkbaar door der mazen van het net geglipt. Vandaar ging ik naar de familie Bekker waar ik ook weer met open armen ontvangen werd en daar ben ik enige weken gebleven .
Toen ik ‘s middags op straat kwam kon ik een van de zoons van bakker Konings tegen en die zei: ‘We hebben een club. Wanneer kun je ons dansles geven?’  Ja, dat kan wanneer ik een zaal heb’. 
Vrijdags had ik de beschikking over een zaaltje bij Slats in de serre in de Ratumsestraat en daar gaf ik m’n eerste dansles weer. Op woensdag ben ik aangekomen. Ik ben enige weken bij de familie Bekker geweest en toen ik Winterswijk zo rondfietste, toen zag ik dat in de Tuunterstraat op nummer 7 een woning leegstond. 
Vroeger had daar de familie Menko gewoond, maar dat huis was beschadigd door bomtreffers en het was blijkbaar onbewoonbaar verklaard. Ik ging naar het woningbureau en vroeg of ik dat huis kon huren. Ik moest er voor bij meneer Droppers zijn, en die zei: ‘Dat kan ik je niet verhuren, want dat is niet bewoonbaar’.  ‘Maar als u het mij toch verhuurdt’, zei ik, ‘zal ik wel zorgen dat het bewoonbaar wordt’. Dat heeft-ie gedaan, tegen een zeer geringe huur. Samen met mijn vrouw hebben we naar dakpannen gezicht en die heb ik dan gevonden in Het Woold op de Rauwershof – een boerentimmerman – en die heeft het dak hersteld. ik heb oude schilderijen gekregen en gekocht, de ramen dichtgespijkerd, met openingen waarin dan een stukje glas in gezet werd van een oud schilderij. Ik heb bij de fabriek van Meijerink draadglas gekregen waarmee ik de srre dicht gemaakt heb eb toen kon ik daar het bed neerzetten en mijn vrouw heeft het huis opgeknapt en op 6 augustus zijn we getrouwd, 1945. 
En dit zou je kunnen beschouwen als het eind van mij avontuur in de oorlog ,ware het niet dat van alle mensen die uit het veen weggevoerd zijn niemand meer teruggekomen is. 
En wat Uwland betreft: achteraf heb ik gehoord dat toen Uwland met die beide mensen van natuurmonumenten weer naar het station liep – toen hij ze naar de trein bracht – toen hebben ze hem het vuur na aan de schenen gelegd en gezegd: ‘En je hebt maar te zorgen dat die mensen morgen weg zijn. ‘
En die Uwland die ook geen grote figuur was, letterlijk en figuurlijk, die wist zich geen raad en die ging naar dokter Jagerink. Dokter Jagerink had daar de jacht en die kende hij dus goed. Dokter Jagerink moest naar een spoedgeval, zoals hij zei en stuurde hem met een kluitje in het riet en zei; ‘Kom vanavond laat maar eens terug, ik heb nou geen tijd’. 
Maar Uwland zag het niet meer zitten en die ging naar de wachtmeester van de marechaussee Aalders. Dat was de man, die als hij een proces- verbaal opmaakte, dan deed Aalders dat voor hem. En Aalders wist ook niet wat hij ermee aan moest en die zei: ‘Laten we het maar-es aan de opper vertellen’. Maar de opper was fout en dat wist Aalders en de opper speelde het door naar Feberwée en Feberwée naar Bos en ‘s avonds tegen zes uur kam er een grote politie- en marechaussee -macht. Louter Winterswijkse politiemensen en marechaussee’s. Die hebben ons uit het veen gehaald. En dat vind ik een zeer zwarte vlek in de geschiedenis van de Winterswijkse politie.

Met de moed van de angst – Hartog Meijler
Schrijver: Henk Krosenbrink 
1981

Lees verder

Timmerman en Weidemann: brothers in arms

Een vergeten geschiedenis

Het leven is ongewis, ook in oorlogstijd. Maar het spreekwoord zegt: als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Zo ook in dit stukje waarin een jongen van zestien jaar, Pieter Timmerman, zijn hart volgt en daarmee grote risico’s loopt. Maar zijn redder is nabij in de persoon van Weidemann, niet alleen een goede Duitser maar ook een goed mens. Ook hij volgde zijn hart maar op het eind van de oorlog moest ook hij oppassen want een kogel was toen snel geschoten en zo kwamen hij en zijn gezin in het Woold terecht waar zijn zoon Leo na de tankslag aldaar de restanten zag van de lichamen van geallieerde soldaten die brandend uit hun transportvoertuigen, Kangaroos, waren gevallen, gedood door een Duitse sergeant met een buitenformaat mitrailleur.

Weidemann was een apart figuur. Zo verschafte hij aan dokter ter Haar, spoorarts die vele onderduikers hielp, een officieel papier waarop stond dat zijn auto door Weidemann gevorderd was. Ter Haar en Weidemann hadden de auto onder een hooiberg verborgen zodat die beschikbaar bleef voor het geval dat. Weidemann’s fraaie Chevrolets werden na de oorlog geconfisqueerd door de Binnenlandse Strijdkrachten.

In de woorden van de heer ter Haar (in het boek Winterswijk in de Tweede Wereldoorlog):
“Inmiddels waren de Duitsers begonnen met het stelen van dokters-auto’s; op de bewuste 15-de september waren mijn collega’s Manschot en Bekker hun wagens al kwijt! De hoogste tijd dus voor de anderen om hun wagen te verstoppen. Op de 18-de, ’s ochtends vroeg, verdwijnt de mijne onder een hoge berg roggestro op de boerderij ’t Voorde van de familie Havekes in Meddo Het was net op het nippertje. Zonder de hulp van de heer Weidemann, die de wagen “gevorderd” had (waartoe hij toen nog gemachtigd was) zou mij dit niet meer gelukt zijn.”

Pieter Timmerman zat op de HBS in Winterswijk en was niet gelukkig met de bezetting en om zijn zinnen te verzetten meldde hij zich aan bij de Ondergrondse in de persoon van Baretta, een van de verzetsleiders, die hem benoemde tot koerier en kort daarna onderdook wegens dreigend verraad. Ook was hij lid van een blokploeg om puin te ruimen na bombardementen. Er zaten veel verzetsmensen bij de blokploegen omdat ze, voorzien van een herkenningsteken om hun bovenarm, ook ’s nachts de straat op mochten. De geallieerde jachtbommenwerpers, Jabo’s genaamd, bombardeerden Winterswijk regelmatig vanwege de spoorlijn naar Duitsland, zodat er genoeg puin te ruimen was.
Dr. Bos, de NSB oorlogsburgemeester, had verordonneerd, dat in het kader van de Arbeitseinsatz alle beschikbare mannen van 17 jaar en ouder zich moesten melden om loopgraven en anti-tankgrachten te graven in Duitsland ten behoeve van de Westwall, een Duitse verdedigingslinie die grensde aan de Maginotlinie die de Fransen moest tegenhouden. Om onderduiken te voorkomen had hij 29 gerespecteerde burgers, waaronder de vader van Timmerman, van het bed laten lichten met de mededeling aan de bevolking dat ze doodgeschoten zouden worden als er niet genoeg spitters kwamen opdagen. Pieter Timmerman wist dit niet want hij was al ondergedoken in Meddo, in een hol onder de grond waar ook andere jongens verbleven die geen zin hadden om te gaan spitten.

Can you show me the way to the front?
Het dreigement van de burgemeester had geholpen. Er waren genoeg spitters gekomen en de vader van Timmerman werd vrijgelaten. Zijn zoon werd door de burgemeester op voorspraak van een kennis niet als spitter gevorderd maar bij een NSB boer tewerkgesteld. Echter, toen hij na de eerste dag op de boerderij terugfietste over het Kerkpad van Meddo naar Winterswijk, zag hij op het pad een man staan die hem vroeg: can you show me the way to the front. Hij bleek een Amerikaanse navigator te zijn, tweede luitenant Harold Fitzner, die op weg was naar zijn eenheid.
Hij vloog in een B-17, een flying fortress en werd als vermist genoteerd onder de vermelding “Missing in Action Munster 5/10/44. De navigator vormde de oren en ogen van de doorgaans negenkoppige bemanning. Hij staat op de vermistenlijst van de Amerikaanse luchtmacht 1944, de USAAF Incident & Accident Personel List. Het moet een behoorlijke tocht geweest zijn, in luchtmacht uniform van Münster naar Meddo. Hij was Prisoner of War van 5-10-1944 tot 10-8-1945 in Dulag Luft West. Hij werd geboren in 1922 in Michigan, overleed in 2006 en werd begraven op River Bridge Cemetery, Belding Michigan. Het is lang geleden maar niet lang genoeg om de mensen te vergeten die ons bevrijd hebben van de nazi-terreur. Deze gegevens heb ik gekregen van Sherman McGrew van de Amerikaanse ambassade in de Haag die nog vermeldde dat van de neergeschoten B-17 alle bemanningsleden het hadden overleefd hetgeen zeer uitzonderlijk was.

Wat te doen? De man diende aan een veilige schuilplaats geholpen te worden. Die werd gevonden in het Rommelgebergte. Maar niet van lange duur. Ze werden gepakt en naar de Duitse OrtsKommandatur in het Parochiehuis gebracht waar Timmerman na een doorwaakte nacht werd verhoord en afgetuigd door de plaatselijke politiechef Velle, een berucht NSB-er en lid van de SS. Vervolgens werd hij afgevoerd naar de Sicherheitsdienst in Bocholt. Hij had nog de gelegenheid om naar een kennis met de vlakke hand een snijdende beweging naar zijn hals te maken, een onderdeel van de inwijding bij de vrijmetselarij.

Zowel Baretta als vader Timmerman waren lid van de Winterswijkse vrijmetselarij en vader Timmerman was na de oorlog een van de oprichters van de Winterswijkse loge waarvan Pieter buitenlid was. Tijdens de oorlog was de vrijmetselarij verboden en hun bezittingen geconfisqueerd. Velen van hen geraakten in een concentratiekamp waar ze voorzien werden van een rode ster op hun bovenarm, het symbool voor een politieke gevangene, zoals dat ook het geval was met Gradus Kobus, een communist, die op transport gesteld werd naar Neuengamme en daar in 1941 aan zijn eind kwam. Ook Max van Dam, een joods kunstenaar met een grote toekomst voor zich overleefde in 1943 het kamp Sobibor niet.

In Bocholt werd Pieter Timmerman weer verhoord door een Gestapo luitenant en kreeg hij volgens hem zijn doodvonnis te horen. De dag daarna werd hij overgebracht naar de strafgevangenis in Borken waar het wachten was op het executiebevel van de rechtbank in Münster.
Dit is nogal onwaarschijnlijk. De Gestapo luitenant kon geen doodvonnis uitspreken, dat was voorbehouden aan de rechtbank in Münster. Dat blijkt ook uit een verhaal van de toen zestienjarige Willem Wesseler (in het boek: Winterswijk in de Tweede Wereldoorlog) die in juli 1942 gearresteerd werd wegens hulp aan Franse krijgsgevangenen, in Borken werd verhoord en in Munster in voorarrest werd geplaatst en tot tien maanden gevangenisstraf werd veroordeeld.

Wat wel gebeurde was dat het dossier van Timmerman in Münster verdonkeremaand werd zoals hierna volgt.
Als de nood het hoogst is, is de redding nabij
De redding was echter nabij in de persoon van Weidemann die oorspronkelijk uit Bocholt kwam en na zijn studie aan de Textielschool in Mönchengladbach waar ook Jan Willink had gestudeerd, op voorspraak van zijn vader aan het werk ging bij de textielfabriek Meijerink & Co waarvan de eigenaar Lange Meijerink werd genoemd omdat hij behoorlijk lang was. Daarna werd hij mede eigenaar van een textielfabriek in Winterswijk genaamd de Hazewind, voorheen Weverij M.M.Poppers, een jood. Deze vroeg Weidemann in 1941 om zijn zaak voor 50% over te nemen en de firma verder te leiden tot de kust weer veilig was. Poppers overleefde vier concentratiekampen met als laatste Theresienstadt, 52 van zijn familieleden werden vermoord door de nazi’s.

Samuel en Meier Popper waren oorspronkelijk kooplieden maar richtten in 1864 een weverij op. In 1898 waren er 25 werknemers werkzaam en in 1915 95. De weverij stond bekend als de “Jödde”. De zaken gingen goed tot aan de oorlog. Zo vermeldt de plaatselijke krant op 29 september 1941: Firma M.M. Poppers, te Winterswijk, Hilbelinkspad 28; fabrieceeren van en handel in textielgoederen. Op grond van paragraaf 7 van de “Verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven” is tot bewindvoerder benoemd: W.H. Weidemann te Winterswijk. De familie Poppers leefde, aldus een verhandeling van de Koninklike Nederlandse Akademie van Wetenschappen, getiteld “From Pedlars tot Textile Barons” van de hand van B.W. de Vries: a simple life…Labour relations in the enterprise were continously good and no strikes were reported.”

Weidemann beschikte aan beide kanten van de grens over goede contacten en heeft meerdere onderduikers een veilig adres bezorgd. En hij was bevriend met de heer Timmerman. Hij ging naar de Gestapo chef Berke in Borken en kreeg voor elkaar dat tegen vergoeding van een linnen uitzet voor zijn vrouw er iets geregeld kon worden. Weidemann verklaarde zich daartoe bereid waarop de Gestapo chef zich bereid verklaarde het dossier in Münster te laten vernietigen. Dat gebeurde en zo bevond Timmerman zich na een week in de auto van Berke die voor de grens bij Oeding meldde dat hij zich op de bodem moest verstoppen. Zo ging hij de grens over, ze stopten bij de fabriek van Weidemann, hij moest in een andere auto stappen en na een kwartier was hij thuis. Maar hij moest wel weer vetrekken want als dr. Bos erachter kwam zou die des duivels zijn. En zou werd hij spitter in Borken en omstreken en beleefde daar barre tijden.
Weidemann stierf in 1988 en werd begraven op het katholieke kerkhof in Winterswijk. In 1995 troffen zijn kinderen een bloemstuk aan op het graf van hun vader alsmede een brief die als volgt luidde:

Als dankbare herinnering aan W.H.W. Weidemann

Zachtmoedig, maar ook zeer moedig
Vriendelijk maar ook vastberaden
Menslievend, maar ook menshelpend
In donkere oorlogsjaren
Was hij een vriend van joden
Een helper van het verzet
Een redder van gegijzelden
Een toeverlaat voor wie in nood was
En
Een stille steun voor de gemeenschap

Dank zij hem leef ik
Pieter E. Timmerman
4 mei 1995

Met dank aan Huib Konings voor inzage in het manuscript van Timmerman, Leo Weidemann voor commentaar en aanvullingen en Sherman McGrew van de Amerikaanse ambassade voor informatie over Fitzner.
Frans Tolsma

Lees verder

P.O.D.

Politieke Opsporings Dienst 

Uit Museum Nieuws Juni 2015

Mevr. Farla-Goorkate

Mei 2015:
Zeventig jaar geleden kwam er een eind aan één van de meest gruwelijke periodes in onze geschiedenis. In maart jongstleden tijdens de herdenking van de bevrijding van het concentratiekamp Auswitsch door de Russen, begin april bij de indrukwekkende herdenking in het kamp Westerbork en deze week (rond 20 april) bij een uiterst interessante lezing over de strijd op de grebbeberg in de meidagen van 1940, waarbij mijn man en ik aawenzig mochten zijn, dan besef je weer eens, tot welke vreselijke dingen de mens in staat is; dingen die je nooit kunt en mag vergeten. 

In de eerste weken na de bevrijding op 5 mei 1945 (Winterswijk op 31 maart), toen de eerste gruwelijke getuigenissen van mensen uit de kampen bekend werde, er foto’s werden gepubliceerd, gemaakt door de geallieerde en Russische troepen, toen ze de kampen bevrijden, begon pas goed tot ons door te dringen, wat zich in de bezettingsjaren in ons land heeft afgespeeld, niet alleen door toedoen van de bezetters, maar ook door de NSB-ers, Landwachters en nederlandse SS’ers.
Hoewel ik mij dit niet meer exact herinner, zal het bovenstaande ongetwijfeld een rol hebben gespeeld, toen mij in juni 1945 werd gevraagd om te komen werken bij de P.O.D. Na vijf, overigens zeer leerzame, jaren op de Boterfabriek leek mij deze baan een enorme uitdaging. 

De opzet van de P.O.D. was in 1944 al door de regering in ballingschap in Londen uitgewerkt met richtlijnen voor de arrestatie van NSB-ers en andere verraders door de Binnenlandse Strijdkrachten (de B.S.) onder leiding van het Militair Gezag. 
Zodoende kon direct na de bevrijding worden begonnen met deze enorme klus. Verhoudingsgewijs waren er onde de Winterswijkse bevolking veel leden van de NSB.
De meest beruchte waren van Kooten, ds.Reeser, Feberwee en veearts dr.Bos, later burgemeester. 

Hier komt foto P.O.D.team

Gussinkli, Diny Goorkate, B.J.Kuyper, De Jong, Wim Hofstra, Willy Nusselder, Gerda Nijland.
Staande van links naar rechts: Jos Konings, Hans Renshof, Kramer, Bekius, ??, B.Kruisselbrink, Tom Hakstege, ??, Chr.Slats. 

Hoofd was de heer De Jong, een politieman uit het verzet, een bijzonder en aimabel mens. 
Verder was er de noodzakelijke afdeling Administratie, waar een vijftal mensen werkte. Dan was er een zeer uitgebreide afdeling Documentatie. 
Hier werd al het belastende materiaal van de politieke delinquenten gesorteerd en in dossiers gedaan, die, als een zaak compleet was, doorgestuurd werden naar het Bijzonder Gerechtshof in Arnhem, waar berechting en veroordeling plaats vond. 

Het onderzoeksteam bestond uit twee burger- en twee politierechercheurs, die de verhoren van de delinquenten deden in de kampen of op kanroor. De gevangenen die in Kamp Vosseveld zaten, werden onder bewaking van de B.S.naar de P.O.D. gebracht. 

Direct na de bevrijding was men begonnen met de arrestatie van iedereen die “fout” was geweest, voor zover men niet naar Duitsland was gevlucht.
De vrouwen werden ondergebracht in de Openbare Leeszaal boven het toenmalige postkantoor aan de Balinkesstraat. De mannen gingen naar Kamp Vosseveld aan de Steengroeveweg. Dit was totaal vervuild door de Duitsers achtergelaten. Alle gevangenen werden onder leiding van de B.S.ingezet om het kamp zo spoedig mogelijk bewoonbaar te maken. 
De vrouwelijke gevangenen in de Leeszaal werden ook onder leiding van de B.S. her en der tewerk-gesteld. De Leeszaal was overvol. In de gezinnen, waarvan zowel de vader als de moeder vastzat ontstonden schrijnende toestanden. Daarom werden al spoedig verschillende moeders op vrije voeten gesteld met meldingsplicht.

We waren met vier stenotypistes, die bij alle verhoren de processen-verbaal tikten. Meestal gebeurde dit op kantoor, maar we waren ook vaak onderweg, soms luxueus met een auto, dikwijls op een oude legermotor, naar gevangenen die elders in het land waren opgepakt en bijvoorbeeld in Kamp De Kruisberg in Doetinchem, in Kamp Avegoor in Ellecom of op andere plaatsen in het land zaten. 
Ook keerden intussen veel vluchtelingen terug. Ze kwamen lopend bij een van de grensposten het land binnen en werden opgevangen in het Feestgebouw. Hier werd men ontluisd en verhoord. Tussen deze vluchtelingen en terugkerende dwangarbeiders waren ook diverse NSB’ers, die bij de nadering van de geallieerde troepen in het westen, de benen naar Duitsland hadden genomen. na verhoor werden deze mensen in Kamp Vosseveld geïinterneerd en naderhand overgedragen aan de betreffende P.O.D.-ers.

Na ruim een jaar waren de verhoren van de Winterswijkse delinquenten afgerond en werden de complete dossiers overgedragen aan het Bijzonder Gerechtshof in Arnhem, een instelling van Bijzondere Rechtspleging, die speciaal in het leven was geroepen ter berechting van oorlogsmisdadigers. Ons werk in Winterswijk zat erop. Een deel van het personeel ging naar de Districts-P.O.D. in Doetinchem. Deze was inmiddels omgedoopt in Politieke Recherche Afdeling (.P.R.A.).
Mij werd gevraagd om, samen met twee politierechercheurs, mee te gaan naar Arnhem, hetgeen ik graag heb gedaan. 

P.O.D.Kantoor Wilhelminastraat 

Het Bijzonder Gerechtshof bestond uit enige Procureurs-Fiscaal (onder andere mr.Des Tombe), die rechtspraken.
Verder de Advocaat-Discaal mr.J.Kalff, die alle voorbereidingen regelde voor de berechting en bij wie wij kwamen te werken. 
In het land waren verschillende Officieren-Fiscaal. 
Dit waren veelal vooraanstaande mensen, die in het verzet en de illegaliteit hun sporen hadden verdiend en die vaak een adviserende stem hadden bij de processen. 

Ons kantoor bevond zich aan de Velperweg in een gedeelte van het Bejaardencentrum “Vredehof”, tegenover de residentie van mr. Des Tombe. Hier werd ook rechtgesproken.
Alle dossiers uit de provincie kwamen bij ons terecht. Ik herinner mij het “dossier” van een groot Gelders bouwbedrijf, dat een gehele wand in beslag nam. Dit bedrijf had in de oorlog enorme werken uitgevoerd ten behoeve van de Wehrmacht en de Organisation Todt. Dit werd dan ook een van de langste processen, mede door inzet van verschillende advocaten!!!!

Ook werd op Vredehof spreekuur gehouden, waar politieke delinquenten hun zaak met de Advocaat-Fiscaal konden bespreken. Zo werd mij op een dag door de parketwwacht een briefje overhandigd met de volgende inhoud: 

———————————

Geachte Mej.Goorkate,

Toen ik zooeven in de gang van “Vredehof” verscheen zult U mij wel herkend hebben. Mevr.R., had mij reeds medegedeeld, dat U hier was en mij bij U aanbevolen. Ik ben extra uit W. gekomen om Mr.Kalff te spreken en moest helaas vernemen, dat er heden tusschen 2 en 5 uur geen spreekuur is. 
Ik hoop dat U mij alsnog met Mr.Kalff een kort onderhoud kunt bewerkstelligen. Ik zou U uiterst dankbaar zijn als U dit wilt doen en blijf dan uw schuldernaar. Zooals U wel kunt denken gaat het om rechtsherstel en om het beheer van mijn zaak. In de kampen heb ik ondervonden, dat de R.K.kerk veel in ons belang doet. Ik hoop dat U even vriendelijk zult zijn als de Paters in de kampen, waarmee ik in aanraking kwam en hoop, dat u mij even te woord zult staan tegen 12 uur. 

Ik wacht Uw antwoord af om 12 uur op de weg voor Vredehof. Ik hoop maar dat u komen wilt. 

w.g.G.J.S.O. vh S.H.M.


————————————

Tot 1 december 1947 heb ik in Arnhem gewerkt. Het was een toch vaak rumoerige en emotionele tijd. 
Huisvesting was een probleem. Arnhem lag nog voor een groot deel in puin. Bij mijn eerste kostadres moest ik mijn eigen bed met toebehoren meebrengen. Bij de tweede familie heb ik het geweldig getroffen. Tot aan hun dood hebben we contact gehouden. 
In november 1947 werd ik gevraagd voor de functie van directiesecretaresse bij “De Batavier”. 
De procuratiehouder, de heer Wasser, wist, dat ik tijdens de oorlogsjaren mijn diploma’s Boekhouden en Handelskennis, Duitse en Engelse Handelscorrespondentie had gehaald. 
Hoewel het werk in Arnhem nog niet geheel afgelopen was, heb ik deze kans toch aangegrepen en ben teruggegaan naar Winterswijk. 
Ik had nog zoveel meer kunnen schrijven over mijn belevenissen en ervaringen in deze na-oorlogse jaren. 
Ik hoop echter met het voorgaande een redelijke indruk te hebben kunnen geven over het functioneren van de P.O.D. en de Vijzondere Rechtspleging. 

Lees verder

Oorlogsspion in Winterswijk

Vreemde zaken aan de vooravond van de Duitse inval 

OORLOGSSPION IN WINTERSWIJK 
Door: Herbert Smit , 2 mei1988

Spionage in Winterswijk. Het zou de titel kunnen zijn van een lokale avonturenroman, maar zo spannend was het niet.
Theodoor Lambertus Haze was aan de vooravond van de Duitse inval allesbehalve de James Bond, waarvoor wij tegenwoordig spionnen verslijten/ 
Nochtans mogen de spionage-activiteiten van deze Winterswijkse marechaussee in de periode september ’30-mei ’40 juist in de herdenkinsgmaand mei best enige aandacht hebben. 
Dit artikel beoogt een overzicht te geven van de ‘bezigheden’ van wachtmeester Haze bij de brigade Winterswijk ten behoeve van de Inlichtingen Dienst van de generale Staf van het Ministerie van Defensie (GS III-A).

Haze werd door de GS III-A belast met het verzamelen van gegevens van voornamelijk militaire aard. Hiertoe moest hij dagelijks ritten maken langs de Duitse grens en indien, nodig, diende hij zich ook naar Nazi-Duitsland te begeven. Een aantal van Haze’s ervaringen worden in dit artikel weergegeven. Het accent ligt op de periode voor de Duitse inval. Hoe verwarrend zijn spionage in de oorlog zelf is overgekomen blijkt uit het feit dat Haze, betrokken bij het Engelandspiel, zich na de bevrijding had te verantwoorden voor de bijzondere rechtspleging, maar op 21 november 1946 – na anderhalf jaar voorarrest- van alle blaam werd gezuiverd. 
Volgens de rechter had hij steeds het vaderland gediend. 



In 1937 kwamen op het brigade bureau te Glanerbrug- en ook bij andere grensbrigades der Marechaussee- brieven binnen met geheime inhoud, waarin door het Ministerie van Defensie opdracht werd gegeven tot het in kaart brengen van alle nieuw gebouwde of nog te bouwen complexen commiezen-woningen op Duits grondgebied. 
De Brigade Commandant kortweg (B.C.) van Glanerburg, Arendsen, gaf Th.Haze (de hoofdrolspeler in dit verhaal)  opdracht een en ander uit te voeren. De gebouwen die in kaart werden gebracht moesten naar de inlichtingendienst GS III-A in Den Haag worden gestuurd. 
Voor de uitvoering ervan moest Haze steeds naar Duitsland, maar dat gaf in deze roerige tijd minder spanning dan op het eerste gezicht mogelijk veronderstelt. Haze was getrouwd met een Oostenrijkse vrouw en de Duitse taal geheel machtig. Zo kon hij zich, zonder argwaan te wekken, gemakkelijk in Duitsland bewegen. 
Om goede en betrouwbare inlichtingen te verkrijgen en om zichzelf in te dekken tijdens de tochten naar Duitsland, knoopte Haze contacten aan met Duitse burgers en beambten. 
Het werk bracht met zich mee dat er nogal eens cafe’s moesten worden bezocht; met Duitsers waarmee een gesprek aangeknoopt  diende te worden, moest regelmatig worden meegedronken. Drank immers maakte de tongen wat losser….! 
Verder vormde ook de gegevens van de uit Duitsland komende reizigers een goede bron van informatie. 


Overgeplaatst
Op het eind van 1938 werd Haze overgeplaatst naar Nieuw Amstel; zijn verblijf hier was slechts van korte duur en in de tweede helft van 1939 werd hij als wachtmeester der Koninklijke Marechaussee bij de brigade Winterswijk geplaatst. 
Ook hier werd Haze weer aangewezen voor eerder genoemde diensten. In opdracht van Brigade Commandant Slotboom maakte hij regelmatig ritten naar Duitsland, wederom om gegevens te verzamelen voor voornamelijk militaire aard; soms wel twee- tot driemaal per week. 
Samen met belasting-consulent Besseling, die op het grenskantoor Kotten werkte, bezochten zij verschillende plaatsen als Munster, Keulen, Essen, Gelschenkirchen, Borken en Bocholt. Dit alles om gegevens omtrent troepensterkte, aantal divisies en dergelijke te inventariseren. 
Dit geschiedde in de regel per auto, toebehorende aan de Winterswijkse marechaussee. De marechausseer Kraaikamp trad hierbij altijd als chauffeur op. Ook nu werden de berichten altijd via de Brigade Commandant doorgegeven aan GS III-A.
In Winterswijk had de marechaussee de beschikking over een telefoon centrale; hier kwam al het nieuws samen van de militaire grenswachten, die opdracht hadden gekregen alle berichten en voorvallen aan de  grens op Duits grondgebied door te geven. Hier werd dan voor verdere verspreiding van de berichten gezorgd. 
Het kwam echter verschillende keren voor dat deze berichten door de telefonist van GS III-A met een honend lachje werden aangehoord en gekleineerd. Zo werd Haze op 7 mei door een dronken beambte van de Duitse grenspolitie het volgende woordelijk medegedeeld: “met drie dagen zijn we bij je in Holland….”. 
Toen dit bericht telefonisch aan GS III-A  werd doorgegeven, kreeg hij te horen ‘niet met dergelijke sensatie berichten te komen, daar er alleen maar onrust mee werd gewekt…’

Begrafenis
Haze had de beschikking over een tipgever die in contact stond met een Duits officier, zo kon hij meestal vrij nauwkeurig de benodigde gegevens van militaire- en later ook economische aard doorgeven. 
Die tipgever bleef natuurlijk geheim. Zelfs kapitein Olifier, rechterhand van ’t hoofd van de GS III-A , majoor Van der Plassche, (verantwoordlijk voor de berichtgeving omtrent Duitsland) kreeg van Haze niets over die tipgever te horen!  
Eens liepen de gevens omtrent de sterkte van de aantal gelegerde militairen te Bocholt, die Haze had verstrekt, sterk uiteen met gegevens die via een ander kanaal GS III-A  bereikten. 
Juist in die tijd was officier Fikkert van GS III-A te Winterswijk; deze gaf te kennen met Haze c.s. mee te willen naar Bocholt om zich persoonlijk op de hoogte te stellen. Daar een beambte van de Duitse grenspolitie in Bocholt zou worden en de brigade Winterswijk een uitnodiging had ontvangen deze begrafenis bij te komen wonen, kon Fikkert mee als ‘wachtmeester’ der marechaussee. 
Het was een opvallend sterke delegatie die naar Bocholt reisde om een collega van over de grens de laatste eer te bewijzen. Het gezelschap bestond uit Brigade Commandant Slotboom, de Winterswijkse inspecteur van politie Feberwee, Fikkert, Haze en chauffeur Kraaikamp. De aanwezigheid van de drie eerstgenoemden op de begrafenis gaf Fikkert en Kraaikamp gelegenheid rustig in Bocholt rond te reizen en het juiste aantal en soort van militairen vast te stellen. Echter, spionnen vertrouwen elkaar nooit. Fikkert benutte de tijd ook om de tipgever van Haze te achterhalen, wat hem niet gelukte. Toen kapitein Olifier hier achter kwam werd het Fikkert verboden om nog maar 1 stap in Duitsland te zetten. 

Ook Slotboom en Feberwee zijn wel eens op ‘eigen houtje’ op onderzoek gegaan in Duitsland. Zij gingen daarbij zo onhandig te werk dat ze opvielen en door een “Zollkomissar” werden gevolgd.
Die Zollkommissar deelde daarna z’n bevindingen mee aan de gestapo, die Slotboom opbelde met de mededeling dat beide heren niet meer in uniform in Duitsland mochten verschijnen. 
Het echte speurwerk was, zo bleek, meer voorbehouden aan manschappen als Haze. 

De districtscommandant, kapitein Gelderman, kwam vaak in Winterswijk en las dan zaken voor uit de rapporten van GS III-A. Daarin kwamen ook dikwijls berichten van Haze c.s. voor. Echter, vaak kreeg men ook de indruk dat GS III-A niets deed met de gegevens die werden verstrekt. 
Misschien hadden ze, aan de vooravond van de oorlog, toch beter moeten lezen. Zo heeft Haze eens in een rapport vermeld dat hij bij 1 van zijn ritten, kort voor de inval van de Duitsers, in Duitsland grote massa’s auto’s heeft gezien, die verdekt stonden opgesteld in de bossen voor de grens. Ook waren er borden met pijlen en letters bij geplaatst die in de richting van de grens wezen. 
Voorts viel op dat op het anders zo stille treintje, dat dagelijks van Borken naar Winterswijk reed eensklaps vijf a zes Duitse (spoor) beambten meereisden. Bij aankomst in Winterswijk verspreidden zij zich in het dorp om zogenaamd ‘inkopen’ te doen. Haze volgde deze mensen vaak, doch kon geen vast patroon in hun doen en laten vinden, terwijl hij wist dat het niet in orde was wat hier gebeurde. 

Van deze zaken werd de GS III-A op de hoogte gesteld, doch de berichten bleken tot dovemansoren gericht. De toestand bleef zoals die was. 
Brigade commandant Slotboom die later zo in de fout zou gaan, liep toen nog over van vaderlandsliefde. Hij stelde eens aan een rondreizende militaire commissie voor om een springlading aan te brengen in een brug van de spoorlijn Borken-Winterswijk. 
Deze zou dan bediend kunnen worden door een vaste marechausseepost aan die lijn. Slotboom werd echter afgesnauwd, terwijl op de dag van de inval promt een gepantserde trein over de lijn naar Zutphen is gereden die een aanval op de aldaar gelegen spoorbrug ondernam. 


Duitse Inlichtingen
Tijdens de omzwervingen van Haze langs de Duitse grens in de omgeving van Winterswijk viel het hem op dat enkele personen, waaronder de Winterswijkse slager P., verschillende keren contact had met de chef van de gestapo te Borken: Berkel. 
Samen met reeds genoemde grensontvanger Besseling werd daar vastgesteld dat de Grensschutz opdracht had gekregen om voor enige personen, waaronder P. en N, de overgang over de grens zo eenvoudig mogelijk te maken en hen te allen tijde hulp te verlenen. Deze personen stonden bekend als leden van Nationaal Socialistische Beweging (NSB)

In opdracht van Brigade Commandant Slotboom stuurde Haze een rapport hierover naar de GS III-A, omdat op goede gronden vermoed werd de Duitse Inlichtingendienst op het spoor te zijn. Toen na maanden van wachten uit Den Haag nog geen reactie was ontvangen, nam Haze contact op met de Winterswijkse textielfabrikant W; deze was van de activteiten van Haze op de hoogte en hem werd het rapport ter inzage gegeven. Ook W. vond de inhoud van dit rapport hoogst belangrijk en kon zich niet voorstellen dat hierop geen maatregelen waren getroffen. 
W, vroeg om een onderhoud met de minister van Buitenlandse Zaken, E. van Kleffens, die W, vanaf z’n studietijd persoonlijk kende. Naar aanleiding van dit onderhoud, dat op on-officiele manier op het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Den Haag plaats vond, zou door Van Kleffens contact met de minister van Defensie dhr.A.Dyxhoorn worden opgenomen. Echter, spoedig daarna brak de oorlog uit en heeft Haze geen resultaten van z’n mededelingen gezien. 

10 Mei 1940
In de nacht van 9 op 10 mei vielen de Duitsers ons land binnen. Tot ’s ochtends 10.00 uur hebben Haze en zijn mensen nog berichten over aard en omvang van de Duitse troepen telefonisch aan Den Haag doorgegeven. Ook is later op de dag nog getracht met behulp van postduiven berichten door te geven. Ook deze pogingen liepen op een fiasco uit. 
De spionnen konden niet veel meer doen, de werkzaamheden voor GS III-A  waren beeindigd, omdat ze niet meer achter de linies konden komen. In een burgerjas wachtten de marechaussee’s op hun arrestatie, dit gebeurde echter niet en langzaamaan begon men de politiedienst te hervatten. 
In het begin werden nog wel wapens afgenomen, maar die kregen ze na verloop van tijd weer terug. 

Brigade Commandant Slotboom was na de inval van de Duitsers dagen lang niet in staat om ook maar iets te doen. Hij had een geweldige angst dat hij door de Duitsers voor spionage zou worden doodgeschoten. Wellicht is dit een van de overwegingen geweest om zich later bij een pro-nationaal-socialistische beweging aan te sluiten. 

Tekst: Herbert Smit


Theo Haze: 7 Oktober 1903- 14 mei 1972. 




Inlichtingendienst opgericht in 1913

GS III-A TELDE IN BEGIN 1 MAN

De GS III-A waarvoor Haze werkte, is voortgekomen uit de Nederlandse Militaire Inlichtingendienst, die in 1913 – vlak voor de Eerste Wereldoorlog- werd opgericht. Van die dienst moet men zich niet al te veel voorstellen, want ze bestond aanvankelijk uit slechts 1 officier. 

De uitbreiding kwam tot stand in de oorlog van ’14-’18, waarin Nederland neutraal was. Het was zelfs een aanzienlijke versterking.
Het gezelschap ressoorteerde officieel onder de derde afdeling van de Generale Staf (GS III). Er werden regelmatig gegevens verzameld, waaraan regering en legerleiding behoeft hadden. Geheime agenten had men niet, maar die waren als regel in de Eerste Wereldoorlog ook niet nodig. 
De Duitse Inlichtingen Dienst poogde gegevens te verzamelen omtrent de militaire- en civiele situaties in de geallieerde landen; de Franse en Engelse Diensten trachtten hetzelfde te doen met betrekking tot Duitsland. 
GS III hield een oogje in het zeil, zodat geen Nederlandse belangen geschaad zouden worden. 

Splitsing
Na de Eerste Wereldoorlog werd GS III gesplitst in twee afdelingen, namelijk in GS III-A, de afdeling die militaire gegevens over het buitenland ging verzamelen en GS III-B, de Centrale Inlichtingen Dienst, die gegevens over nederland verzamelde. 
Hoofd van GS III-A was in de vooroorlogse jaren majoor J.G.M. van de Plasche; zijn rechterhand was kapitein C.M.Olifier, die in mei ’34 bij GS III geplaatst werd en daar Duitsland te behandelen kreeg. 
Kapitein Olifier ging met ijver en scherpzinnigheid de Duitse pers volgen: het was verbazingwekkend wat daar aan kleine berichten in gepubliceerd werden die, als een mozaiek samengevoegd, een beeld gaven van de nieuwe regimenten die geformeerd werden. 
Daarnaast waren er de directe informanten. De marechaussee-commandanten aan de grens waren meestal via verschillende kanalen goed op de hoogte van hetgeen vlak over de grens in Duitsland gebeurde; met de voornaamste onder hen, nam kapitein Olifier regelmatig- en na de mobilisatie (28 augustus)- zelfs dagelijks contact op. 
Ook gebeurde het menigmaal dat Nederlandse zakenlieden die Duitse relaties moesten bezoeken, tevoren met GS III afspraken, dat zij in het Derde Rijk in het algemeen hun ogen goed de kost zouden geven. 

Phlips
Van grote nederlandse firma’s ontving GS III menigmaal inlichtingen. Philips in Eindhoven kreeg zoveel informatie uit en over Duitsland, dat de toenmalige president-directeur, ir. P.F.S.Otten, vanaf 1939, vrijwel iedere week naar Den Haag moest reizen om het belangrijkste nieuws wat zijn concern te weten was gekomen, aan de autoriteiten door te geven. 
Af en toe wist GS III ook goede verbindingen te leggen met politieke vluchtelingen uit Duitsland. Die gingen er dan zelf op uit of ze benaderden geestverwanten om informaties in het Derde Rijk in te winnen. 
Erkend mag worden dat GS III-A  over de kracht van de mogelijke Duitse tegenstander adequate inlichtingen bijeen wist te brengen. Sinds de herfst van 1939 werden die inlichtingen in dagelijkse- en wekelijkse rapporten opgenomen en als geheim stuk aan alle hoge militaire commandanten toegezonden. Alle rapporten van GS III zijn na de meidagen van 1940 om veiligheidsredenen vernietigd. Welke informatie deze dienst nu precies over Duitsland bezat blijft dus onduidelijk. 

Groep Rouffaert
En hoe verging het Haze.
Hij werd in de loop van de maand mei weer teruggeplaatst naar de brigade Glanerbrug; 
In 1941 werd de recherche groep ‘Rouffaert’ opgericht. Rouffaert was districts commandant van de Koninlijke Marechaussee te Enschede. In 1941 stelde hij deze zogenaamde recherche groep in teneinde de onbetrouwbare elementen, die Rouffaert onder het personeel in zijn district had, te laten nagaan en hen in hun bewegjngen te schaduwen. 
het nevendoel van deze groep was om de Nederlandse bevolking zoveel mogelijk tegen de praktijken van de Gestapo en de Sicherheits Dienst te beschermen. 
Daartoe moesten leden van de recherche groep, waarover Haze het commando kreeg, contacten met de Duitsers aanknopen. Bij het uitbreken van de oorlog stond Haze, door z’n werkzaamheden voor GS III-A , bekend als pro-Duits. Dat de leden van deze al snel het etiket NSB-er kregen opgeplakt is dan ook niet zo verwonderlijk. Men moest een dubbele rol spelen om geloofwaardig te blijven. Maar, dat had men voor de goede zaak graag over. 

Vaderland
Dat die spionage-activiteiten in meerder opzichten aanleiding gaven tot verwarring bleek pas goed na de bevrijding. Haze werd opgepakt en moest als “zwaar geval”  anderhalf jaar op zijn berechting wachten. Hem werd aanvankelijk de dood van twee verzetsmensen aangerekend, maar de rechtbank in Almelo vond dat een fout die onder de druk van de omstandigheden de spion Haze niet kon worden verweten. Haze, die via de Twentse illegaliteit berichten naar Engeland doorzond, was niet de dubbel-spion waarvoor men hem aanvankelijk hield. Volgens de procureur-fiscaal Van der Walle had Haze de hele oorlog door steeds het belang van het vaderland gediend.

Lees verder

Winterswijkse krijgsgevangenen

13 september 2005

‘Wel 200, 300 mensen brachten brood en andere etenswaren toen de trein met ons als krijgsgevangenen erin een tussenstop maakte in Winterswijk’

G.Peters (93), Winterswijkse Weekkrant, 13 sept.2005

Al in 1939 was hij als militair gelegerd in Voorst, waar hij in de keuken werkte.
“De mooiste stukjes vlles waren altijd voor de officieren”, weet hij zich nog te herinneren.

Toen de 10e Mei 1940 aanbrak, was opeens iedereen verdwenen: soldaten, officieren, de hele compagnie.
De brug in Zutphen had men al laten springen. Het was een grote chaos.
Omdat de militaire keuken niet direct bij de legerplaats was gelegen, maar praktisch in de tuin van een cafe, bleven Peters en nog enkele collega’s over.
“Het was een warboel. We zijn wat gaan rondzwerven. Om een uur of acht zijn we maar eens op de weg gaan kijken.
“Ze hadden pech, want er liepen net Duitse soldaten in de buurt, die hen gelijk krijgsgevangen namen.
“Met het geweer in de rug brachten ze ons terug naar de keuken.”
Wat Peters zeer bevreemdde, was dat ze daar nog niet waren gearriveerd, of 1 van de Duitsers liep naar de voorraadkast, haalde er smeerkaas uit en liet die in de zakken van de gevangenen glijden. “Hast du nog neutig in gevangenschaft”, was het commentaar op onze verbaasde blikken.
Vervolgens werden Peters  en zijn kameraden naar een groot huis gebracht waar ze de nacht doorbrachten. Daar werden ze weer bij hun compagnie gevoegd die zich inmiddels ook had overgegeven.
Bijzonder is dat Peters er voor had kunnen zorgen dat hij samen met zijn vrouw en pasgeboren kind in de buurt van Voorst op een boerderij kon verblijven, tijdens zijn diensttijd.
Op de 11 mei zag de boer in de verte de compagnie te voet vertrekken, waarschuwde Peters echtgenote, die toen snel op de fiets achter de krijgsgevangenen aan ging.
Zo heeft Peters toch nog afscheid kunnen nemen van zijn vrouw, voordat hij op transport werd gezet.
“Tussen Voorst en Zutphen was dat. Ik weet nog precies de plek. En natuurlijk  bleef luid gejoel van de rest niet uit”.
Vanaf Zutphen, waar de Duitsers inmiddels ponton bruggen hadden geregeld, ging het verder naar Vorden.
Hier brachten de gevangenen de nacht door in het kasteel.
Op 12 of 13 mei 1940, in ieder geval tweede Pinksterdag (13 mei dus- Hans), werden de manschappen op de trein gezet richting Duitsland.
Echter, in Winterswijk had de seinhuiswachter ter Haar per ongeluk de trein laten stoppen.
Volgens Willem Wilterdink (Hulzer Willem) werd dit nieuws gauw verspreid door een inwoner van Kotten. Daarna kwamen zo’n 200, 300 Winterswijkers uitlopen, o.a. vanuit zaal Nijenhuis (Johanna), met brood, chocola, sigaretten,zeep, etc.
Helaas zaten er aan de kant waarvan de Winterswijkers kwamen aanlopen, geen openingen in de wagons om dit spectaculaire gebeuren te aanschouwen.
Na de stop in Winterswijk, ging het verder richting Bocholt. Daar aangekomen en ‘uitgeladen’, was het gefluister van de Duitse toeschouwers te horen.
“Das sind ja Hollander!”.
Kennelijk hadden ze Engelse of Franse krijgsgevangenen verwacht en niet van net over de grens.
In Bocholt verbleven de militairen zo’n vier, vijf dagen in een groot krijgsgevangenkamp en vervolgden hierna hun tocht naar het kamp Neu Brandenburg.
“De behandeling daar in het kamp viel wel mee”, aldus Peters.
“Daar hadden ze alleen wat overjarige Duitsers voor ingeschakeld”.
Driemaal daags was er appel en natuurlijk moest er gemarcheerd worden.
Daar hadden de gevangenen niet veel zin in en ze vertikten het om in de pas te lopen.
Waarschijnlijk dachten de Duitsers dat ze dat nooit geleerd hadden, want de marechaussee werd erbij gehaald om het voor te doen.
Niet dat dat ooit geholpen heeft.
Vanuit het kamp werd Peters ingekwartierd op een boerderij in de buurt van Bismarck, zo’n honderd kilometer van Neu Brandenburg.
De Duitse boeren moesten natuurlijk allemaal het leger in, met als gevold dat er te weinig hulp op de boerderijen was.
De eerste de beste dag, dat hij hier kwam, nog steeds in 1940, vertelde 1 van de Duitse boerenknechten al:”Die Deutschen verlieren den Krieg schon wieder. Bestimmt!”

Peters, die altijd gewerkt had als zetter-drukker bij drukkerij van Loo, had helemaal geen ervaring in het boerenbedrijf.

Lees verder

Pierre Angelin kwam zijn redders in nood opzoeken

’t Was in augustus 1941 toen er op een avond bij Cafe Berenschot een man binnenstapte, die frans sprak en aan zijn kleding duidelijk te herkennen was als krijgsgevangene, die uit een Duits gevangenkamp was ontvlucht, 
Moeder Berenschot nam de man, die er zeer afgemat uitzag, mee naar de keuken en gaf hem te eten en te drinken.
Hoe ze er verder mee aan moest, wist ze niet goed, want ze kon hem niet verstaan. 
Een ding wist ze wel, deze jongeman moest gered worden. Ze belde toen Mevr. en Meneer Willink op en deze kwamen onmiddelijk. 
De jongeman vertelde nu, dat hij als het mogelijk was met de trein naar Maastricht wilde en dan via Belgie naar Frankrijk.
Onze Fransman bleek in goede handen gevallen te zijn. Men gaf hem een nieuw pak, andere schoenen en een hoed. 
Zijn gevangenisplunje werd in de oven verbrand.  Ook werd hem zoveel Hollands geld gegeven, dat hij een kaartje naar Masstricht kon kopen. 
En toen kwam het moeilijkste. Men moest hem leren zeggen in het Hollands: ‘2e klas Maastricht’.
Dit lukte en hem werd verder gezegd met niemand te praten. Toen vertrok hij naar het station, nadat hij zijn adres in Frankrijk had achtergelaten. 
Hij bleek Pierre Angelin te heten. Dit adres ging later echter verloren. 
Vaak werd er later bij de Fam.Berenschot over de jonge Fransman gesproken, maar men hoorde niets meer van hem. 
Men begon te geloven dat zijn reis niet gelukt was en dat hij in een der Duitse gevangenkampen was gestorven. 

Een dezer dagen echter stapte aan het station Winterswijk een Fransman uit, die resoluut de Spoorstraat uitliep, de Wooldseweg op, maar toen de Kottenseweg insloeg. 
Onderweg vroeg hij telkens naar een Hotel, dat bij een groot bos lag, maar de mensen verstonden hem niet. 
Men hoorde wel dat het een Fransman was en men stuurde hem naar Ebbers, maar ook daar moest de vreemdeling niet zijn. 
Men probeerde alle cafe’s, die bij een groot bos lagen, maar telkens schudde de vreemdeling ontkennend het hoofd. 
Eindelijk dacht men aan cafe Berenschot bij de Bekendelle. 
En ja hoor, eindelijk was het raak.Pierre Amgelin, want deze was het, herkende onmiddelijk de mensen die hem in zijn grote nood hadden bijgestaan. Opgewonden van ontroering en dankbaarheid begroette hij de Fam.Berenschot op echt Franse wijze, 
Ook de heer en Mevr.Willink werden gehaald en nu kreeg men van de dankbare Fransman het verhaal van zijn redding in kleuren en geuren. 

De reis van Winterswijk naar Maastricht was goed gelukt, Hij sliep maar in zijn hoekje en hoefde zodoende niet te praten.Hij kwam de grens over en in Belgie trof hij een stoker, die hem onder de kolen in de tender verborg. Zo kwam hij in Frankrijk, waar hij tenslotte midden in de nacht bij zijn ouders aanklopte, die hun ogen niet konden geloven. 
Hier kon hij echter niet blijven, want ook dit deel van Frankrijk was door de Duitsers bezet en al heel gauw kregen zijn ouders bericht, dat Pierre ontvlucht was en dat men het moest melden, als hij daar aankwam. 
Onze Pierre trok nu naar het onbezette deel van Frankrijk. Door al die angst en doorgestane ontberingen werd hij tenslotte ziek en is toen een jaar in een ziekenhuis geweest. 
Na zijn herstel ging hij schilderen en fotograferen en op ’t ogenblik heeft hij daaarmee behoorlijk zijn brood. 
Maar al ging het hem nu goed, hij wilde toch zijn redders uit 1941, die hij nooit vergeten had, terugzien. 

Het stemt tot grote voldoening, dat ook uit het bovenstaande weer blijkt , dat overal in de wereld de goede daden , die spontaan uit het hart komen niet worden vergeten., maar meehelpen om de band tussen de “verschillende volken” te verstevigen.

Nieuwe Winterswijkse Courant, 30 november 1951

Lees verder