oudwwijk
Digitaal erfgoed

Rietjes Akkefietjes

Hoe was het in de oorlog?

Iets van de oorlog merkte ik, toen in de 3e klas, dat moet dus in 1938 of 1939 geweest zijn, 2 Duitse kinderen bij ons kwamen. Een tweeling, Helga en Helmuth. Nu realiseer ik me, dat de familie gevlucht was voor het Hitlerregime. Toen was het alleen maar interessant. Onze juf probeerde hen in het Duits wat van onze taal bij te brengen. Op een gegeven moment zei ze : “Helmuth, Du bist ein Faulpelz”. Wij kwamen niet meer bij van het lachen. Een Faulpelz. Wat een gek woord en wat betekende het? Een van de kinderen wist het: faul was vuil en pelz was een paddestoel.  Een vuile paddestoel dus. Nog meer hilariteit.

De tweeling is maar kort gebleven. Na een paar maanden bleef hun plaats leeg. Ze waren naar Amerika, werd gezegd.

Aan dat kalme leventje kwam een abrupt einde op 10 mei 1940, de overval door Duitsland, hoewel er na de eerste hectische week, zeker voor ons kinderen, weinig veranderde. Ja, er liepen Duitse soldaten rond, er werden aanplakbiljetten opgehangen in 2 talen, waarop stond wat niet meer mocht, maar in die eerste tijd na de capitulatie gingen de Winterswijkers door met wat ze altijd al deden. De school begon weer, iedereen ging gewoon naar zijn werk en de winkels bleven verkopen, al was niet alles meer voorhanden zoals eerst. De bonkaarten hadden al hun intrede gedaan, maar schaarste……..nee, dat niet.

In de eerste week na onze capitulatie kwam het bevel: totale verduistering. Dat hield in, dat, zodra het donker werd, er geen straaltje licht te zien mocht zijn. De straatlantaarns bleven uit, uit huizen mocht geen spoortje licht meer komen, anders kreeg je een forse boete of erger.  Fietslantaarns moesten worden afgedekt, zodat ze niet van boven te zien zouden zijn.
Winkeldeuren kregen een contact, waardoor het licht in de winkel uitging, als een klant de deur opende. Vooral als er veel klanten waren, was het een komiek gedoe. Je stond telkens met z’n allen in het donker tot de deur weer sloot. Het waren gouden tijden voor zaken, die verduisteringsartikelen verkochten en misschien ook wel voor winkeldieven. Dat verduisteringsgebod bleef de hele oorlog van kracht en contrôle erop was streng. Om het minste straaltje licht, die tussen de gordijnen doorkierde, kon je worden gearresteerd.

Opeens ging er een gerucht: Iedereen moet zijn ramen beplakken met brede stroken plakband. Als je die in vierkanten aanbracht, kon je voorkomen, dat glasscherven naar binnen zouden vliegen als er bommen vielen.  Wie als eerste op het idee kwam is niet bekend, maar het werd een rage, waar iedereen aan meedeed. 
Later, veel later, toen er inderdaad bommen waren gevallen bleek, dat door luchtdruk verbrijzelde ruiten niet naar binnen, maar naar buiten vallen. Dat lijkt onlogisch, maar zo gebeurde het toch.  Ondanks dat hebben bruine stroken nog lang de ramen gesierd.

Op een morgen in 1942 liep ik naar school en in de Wooldstraat was een opstopping. Duitse legervrachtwagens, zwaar gewapende militairen en veel kijkers. Ik keek ook.   

                                           
De deur van hotel De Klok bovenaan de trap ging open en gillend kwamen een paar mannen, vrouwen en 2 kinderen de trap af, aangepoord door Duitse geweren. Schnell, schnell! Joden! De jodenvervolging was net begonnen en deze mensen hadden wellicht niet meer thuis durven blijven en waren in het hotel neergestreken. Een paar droegen een koffer, een van de kinderen had een pop bij zich. Ze werden ruw in de achterbak van een vrachtwagen geduwd en de wagens vertrokken.

Het was mijn eerste kennismaking met de wreedheid van de oorlog, al had ik geen flauw idee, wat die mensen te wachten stond. Ik wist wel zeker: het zou vast heel erg zijn. De banken van mijn joodse klasgenootjes waren al langer leeg, maar ik had er nooit goed bij nagedacht, wat er gebeurd kon zijn. Nu was dat overduidelijk. We hebben hen na de oorlog niet meer teruggezien. 
Ik weet nog hun namen en wil die hier noemen:

De 3 Hannie’s: Hannie Hamme, Hannie Philips en Hannie van Klaveren, verder Margot Eskens en 
Henri  Mogendorff.

Een ander meisje, dat een klas lager zat heeft de oorlog wel overleefd, ondergedoken in Boekelo, samen met haar zusje. Na de oorlog is ze naar Amerika gegaan en heeft daar jaren later een boek geschreven over haar oorlogsbelevenissen: Johanna Reiss – De schuilplaats.  Dat boek is in ons land beroemd geworden. Wij kenden haar als Annie de Leeuw.

Eind 1944.

Vader fietste iedere zaterdagmiddag naar een bakker in Aalten, die goede connecties had met boeren, die, natuurlijk clandestien, meel leverden. Hoe vader aan dat adres van die bakker kwam weet ik niet. Voor die tijd was hij vast niet op de hoogte van het bestaan van de goeie man. Ik denk, dat een zakje steenkolen wonderen deed.

Er waren elke dag aanvallen van Engelse jabo’s (jachtbommenwerpers) op voertuigen. Die konden alleen maar Duits zijn. Wij Nederlanders hadden alleen een fiets, soms met houten banden.

Mannen werden verplicht om op kleine afstanden van elkaar gaten langs de weg te graven, diep genoeg voor een mens om te schuilen. Ze waren zo’n 1.20 meter diep, hadden een klein afstapje en als je niet te dik was kon je er met z’n tweeën in staan of bukken.  Na verloop van tijd werd de bodem modderig of er verscheen een laagje water, waarin padden en kikkers zich thuis voelden. Het moest wel heel erg nodig zijn, voor ik daar in zou springen.

Op de terugweg van zo’n broodtocht (die ook nog wat koekjes en een paar eieren had opgeleverd), kwam vader een colonne vrachtwagens tegen.  Hij kon alleen maar hopen, dat er geen jabo’s in de buurt waren. Mis! Hij zag ze met z’n tweeën aankomen, met ratelende mitrailleurs omlaag duikend boven de weg.

Gelukkig was er in de berm zo’n mangat. Vader sprong erin, zijn ene arm met  daarin de koekjes en eieren gestrekt in de lucht houdend. Stel je voor, dat ze zouden breken. De jabo’s keerden en doken opnieuw, nu om een paar bommen te gooien op de moffen. Vader dacht, dat er nogal wat schade was, maar heeft niet al te lang gekeken en is hard naar huis gefietst.

Daar werd het verhaal in geuren en kleuren verteld, waarschijnlijk een beetje aangedikt, want zo was-ie wel. 
Maar de koekjes en eieren waren allemaal heel gebleven.

Wij gingen bij luchtalarm naar de schuilkelder van de buurman. Die schuilkelder was een wonderlijk bouwsel. Normaal was zo’n ding echt een soort kelder, onder de grond dus. Maar dit was een bovengronds exemplaar, omdat de buurman invalide was en geen trap kon lopen. Het was een bouwsel met muren en dak van 75 cm dik, hout en beton van buiten en gevuld met zand. Binnen waren langs de kant banken getimmerd en er konden zo’n 12 mensen in.

Op een nacht kwamen er weer honderden bommenwerpers over in de richting van het Ruhrgebied. Je hoorde ze al van ver aankomen, en zodra ze over ons dorp vlogen leek het of de wereld verging. Honderden vliegtuigen, alles dreunde. Zoeklichten in de omgeving en verderop in Duitsland flitsten aan en soms zag je een kist gevangen in het licht daarvan.

Wij holden de achterdeur uit naar de schuilkelder. Er was een luchtgevecht aan de gang en het gelijkmatig brommen van de vliegtuigen, die met hun zware bommenlast onverstoorbaar doorvlogen naar Duitsland werd afgewisseld met het gierende geluid van een duikvlucht.  Je zag niks, alleen lichtflitsen. Hulzen van mitrailleurkogels ratelden over de dakpannen, af en toe klonk het luide dreunen van het boordgeschut. Plotseling, rennend naar de schuilkelder, voelde ik een ruk aan mij jas. Later bleek, dat daar een gat in zat. Er was een kogel doorheen gegaan, maar ik had niks.

Toen vader de volgende dag ons huis en dat van de buren inspecteerde, bleken er veel kogelgaten in de daken te zitten en overal vond je de hulzen.

Na een van mijn dagelijkse melkhaaltochten was ik op weg naar Opoe en Opa Fuut om een paar flessen melk te brengen. Opeens dook er een landwachter op. Landwachters waren leden van de NSB, die zo’n beetje voor politieagent speelden. Ze droegen een bruin soort uniform (werden daarom bruinhemden genoemd) en werden door de goede Nederlanders diep geminacht. Ze deden wat in hun hoofd opkwam, zich sterk voelend als sympathisanten van de bezettende macht.

Dit exemplaar riep: Halt!”  Hij pakte het stuur vast: ”Afstappen! De fiets is in beslag genomen.”  Ik protesteerde, maar bereikte natuurlijk niks. “Je krijgt hem wel terug”, zei-d-ie nog. “Mijn fietstassen krijg je niet”, zei ik strijdlustig, want daar zaten de kostbare melkflessen in. Ik haalde meteen de tassen van de fiets, wat kennelijk mocht, want hij zei niks. Op naar mijn grootouders om de melk af te leveren.

Nog steeds woedend kwam ik thuis en zei vastbesloten, dat ik aan het eind van de middag de fiets ging ophalen, maar vader vond dat een beetje riskant. “Vooral niet overhaast te werk gaan. Laten we het eerst maar eens aankijken”. Daar voelde ik niet voor en zonder er iemand  iets van te zeggen liep ik naar café Boer Balink, waar de landwacht zijn hoofdkwartier had. Ik had geen flauw idee wat ik daar zou moeten doen en hoopte op een ingeving.                                                                                            
Voorzichtig sloop ik langs de zijgevel en keek om de hoek. Het lot was me goedgezind. Ik merkte twee dingen. In de eerste plaats stond daar mijn fiets tegen de muur en verder klonken er harde ruziënde stemmen. Conclusie: die lui hadden op dit moment iets anders aan hun hoofd en de tijd was dus gunstig. Ik rende naar mijn fiets en racete weg. Geen mens, die me tegenhield.

Triomfantelijk kwam ik thuis. Ze waren blij, maar “Kind, het is nu goed afgelopen, maar je bent wel erg onvoorzichtig geweest.” Dat vond ik helemaal niet, integendeel. Ik had heel goed uitgekeken. Altijd die slag om de arm van de grote mensen. O, wat haatte ik dat.

Schoenen waren schaars en na korte tijd waren alle kinderen eruit gegroeid. Wij liepen daarna ’s winters op klompen. Als er sneeuw lag had je binnen korte tijd grote kluiten daarvan onder je klompen. Kloetens, noemde we die. Lastig om op te lopen, maar om te glijden was er niks beter dan klompen. 
Elke winter (en volgens mij was er tijdens de oorlog elke winter een dik pak sneeuw) was er een superlange glijbaan op het parkeerterrein bij onze oude lagere school. Dat plein liep iets af en de glijbaan was vast de mooiste van het land. De eerste keer moest ik wel moed verzamelen, want voorzichtig uitproberen was er niet bij. Meteen vol erin. Een flinke aanloop en dan met een ruk mijn klompen erop kletsen en met een rotgang naar beneden. Heerlijk. Ik kon er niet genoeg van krijgen.

In de zomer droegen we sandalen met houten zolen. De klompenmaker had zijn productie uitgebreid en leverde de zolen kaal of met riempjes, zoals-ie die ook op de klompen spijkerde.  Dat vond ik niks. Aan moeder de taak om mooie bovenstukjes te borduren, die door Opa werden vastgespijkerd. Je kon er alleen niet goed hard op lopen, want dan scheurden ze.

Een paar huizen bij ons vandaan woonde Opa Geerdes. Iedereen noemde hem zo. Vaak stond hij bij het tuinhek een pijpje te roken en een praatje te maken met iedereen die langs kwam. Hij hield achter zijn huis een paar kippen en een fret.

Met die fret ging hij “op jacht”. Het beestje verstopte hij zorgzaam in de binnenzak van zijn jekker en hij wandelde dan rustig de weg af en het bos in, op zoek naar een konijnenhol. Had hij er een gevonden, dan zocht hij alle uitgangen zorgvuldig op, en stopte ze dicht op één na. Daar ging de fret in, een fel en bloeddorstig beestje, dat korte metten maakte met konijnen. Dan was het wachten op het moment, dat fret met konijn naar buiten kwam.  Regelmatig kwam Opa met een brede grijns terug van zijn wandelingen.

Hij had heel bijzondere uitspraken. Was het een beetje koud, dan placht hij te zeggen: “Het dut vannacht vrezen doon en dat dut’t”.

Op een dag, waarop de jabo’s erg actief waren, stond hij bij zijn hekje dat aan te zien. Later vertelde hij: “Ik zag opeen twee van die dingen naar beneden komen en er viel wat uut. Ik dachte, nou wordt het tied om naar binnen te gaan. Ik stond net in de gang, toen ze neer kwamen. De deur ging vanzelf dicht”. Drie kleine bommen waren in de tuin van drie huizen terecht gekomen, ook bij hem en de luchtdruk deed de rest.

De vader van mijn vriendinnetje moest onderduiken. Ook de rest van het gezin moest verdwijnen, want het was heel goed mogelijk, dat de Duitsers zouden komen om ze te arresteren.  Tineke fietste met haar moeder en jongere broertje naar Pake en Beppe in Friesland. Daar hebben ze van zomer 1944 gewoond tot begin mei 1945 en gingen er zelfs naar school.

Haar vader was ondergedoken bij een van de boeren waar wij melk haalden en mijn vader wist ervan. Op een dag zei hij: “Zou je Tineke niet eens schrijven? Vindt ze vast leuk. Schrijf gewoon een brief naar haar grootouders, die sturen hem wel door, want die zullen vast wel weten waar ze nu is”. Hij zal wel op de hoogte zijn geweest, maar ik had geen flauw idee. De brief kwam aan en er kwam zelfs antwoord. We hebben nog een paar keer geschreven, maar daaraan kwam een eind door de spoorwegstaking.

Begin september 1944 werd de HBS gesloten. Gevorderd door de Wehrmacht. In het begin werden er nog wel enkele lessen gegeven aan kinderen, die in Winterswijk woonden. Dat gebeurde o.a. in een café, maar heeft niet lang geduurd. Voor mannen en jongens was het gevaarlijk op straat, want je kon zomaar opgepakt worden en naar Duitsland gestuurd om te werken in de oorlogsindustrie.

Wat deden we in die tijd? Als ik er aan terugdenk, zie ik mezelf alleen maar bezig met het binnenhalen van voedsel. Boodschappen doen was erg tijdrovend. Elke zaterdag knipte moeder de bonnen uit, die in de komende week geldig waren voor alle levensmiddelen en ik deed die boodschappen. Dat was een missie waarvoor je veel geduld nodig had. Je had er een dagtaak aan. Voor alles moest je in de rij staan: voor brood, voor groenten, voor melk, bij de kruidenier. Een supermarkt bestond niet. In de kruidenierswinkel gaf je je boodschappenbriefje aan de verkoper; de spullen werden gepakt,  afgesneden, gewogen, in een papiertje gedaan en als alles verzameld was, werd gecontroleerd of de bijgeleverde bonnen klopten. Daarna kon je afrekenen met het lelijke oorlogsgeld, gemaakt van….ja van wat? Nikkel? In ieder geval,  boodschappen doen duurde eindeloos. Datzelfde gold voor de slager. Vaak was de rij wachtenden tientallen meters lang. Het was niks bijzonders om buiten te moeten wachten. Alles kostte uren en als je te laat aan de beurt was, was het op. Gelukkig konden wij en iedereen in ons dorp die rantsoenen aanvullen bij de boeren in de omtrek.

Maar in het westen van het land was het moeilijker. De hoeveelheid, die op één bonnetje verkrijgbaar was, werd steeds kleiner naarmate de oorlog langer duurde. De Winterswijkers werden door de boeren in leven gehouden en bovendien hadden ze vaak een moestuin. maar in Amsterdam waren de schappen van de winkels leeg en ook al had je bonnen, je kon weinig of niks kopen, want er was niks. Dit gold vooral tijdens de winter van 44/45, de hongerwinter.

De zussen van vader woonden met hun familie in Amsterdam en daar stuurden we elke week een groot pakket levensmiddelen naar toe, o.a. een groot roggebrood van een paar kilo, dat ik elke week haalde bij bakker Konings in het Woold, een begrip voor alle dorpelingen van die tijd. Dat ging goed tot de spoorwegstaking in september 1944. Daarna liepen er geen treinen meer en was het afgelopen met het sturen van pakjes.

Wij haalden in de oorlog elke dag melk bij de boeren; daarvoor hadden we verschillende adressen. Elke dag naar Kruisselbrink, daarnaast twee keer per week naar Mien Geesink in Kotten, één keer naar vrouw Wibbels, ook in Kotten en twee keer naar een boer waarvan ik de naam vergeten ben vlakbij de grens. Bovendien af en toe naar van Eerden in Corle. We bleven wel in superconditie op die manier. Dat melk halen kwam neer op vader en mij. Mijn zusje was te jong en moeder deed de huishouding. Dat was geen punt van bespreking. Die melk was voor beide grootouderparen en voor onszelf.

Op de boerderijen werden de melkflessen gevuld via een trechter, zo vanuit de melkbus. We hadden dubbele fietstassen en in elke pasten 4 flessen. Om ze te beschermen tegen stuk rammelen, deden we er een oude (dikke) kous omheen, die op het laatst meer gat dan kous was. Bij boer Kruisselbrink hadden ze veel onderduikers en als het druk was met melkhalers, (hij verkocht al zijn melk aan de dorpelingen), hielpen die de klanten wel eens. Eén van hen (een ex-Duitser), had het dan over “de zondagse kousen van Frau Vandenberg”.

Een fiets was van levensbelang. De mijne – of beter gezegd, die van moeder – heeft de hele oorlog trouw dienst gedaan. We hadden wat banden in voorraad en onze fietsenmaker zorgde er voor, dat-ie in goede conditie bleef. Ik werd expert in het plakken van banden. Een paar keukenlepels deden dienst als bandenwippertjes en dat ging prima.

k herinner me een ijskoude morgen in de winter van, ik denk, 43/44. Ik moest melk halen bij de boer vlakbij de Duitse grens. Eerst de grote weg richting Duitsland tot je de douanegebouwen zag en dan linksaf een smal paadje in langs de akkers. Er was de laatste dagen veel sneeuw gevallen, het vroor dat het kraakte, het paadje lag laag, de akker hoog, en de sneeuw had alles geëgaliseerd. Je zag niet meer waar de ene ophield en de andere begon. Mijn fiets liep vast in een halve meter sneeuw en ik kon alleen nog maar duwen. Heel zwaar en bijna niet te doen. Ik kreeg zo’n verschrikkelijk medelijden met mezelf, dat ik de fiets liet vallen, in de sneeuw ging zitten en heel hard heb zitten huilen. Dat vader en moeder me dit aandeden!  
“Dit mocht ik niet en dat mocht ik niet, maar wel je kind zo’n klus laten opknappen”. Ik voelde me vreselijk zielig.

Na een poosje kwam ik tot de slotsom, dat daar blijven zitten huilen ook niks oploste. Teruggaan zonder melk was mijn eer te na, dus ik liet de fiets liggen waar hij lag, gespte de tassen los en ging lopend naar de boer. Toen ik thuiskwam heb ik alleen maar verteld, dat het heel moeilijk geweest was en dat ik daar niet meer naar toe ging zolang er sneeuw lag.

Ik heb wel eens uitgerekend, dat vader en ik in de oorlog meer dan 7000 liter melk hebben gehaald. Om te drinken, pap te maken (oorlogsbrood was bijna niet te eten, zo vies) en vooral om te karnen. Opa had een apparaat in elkaar geknutseld, dat een boterkarn moest voorstellen. Een houten deksel met een gat in het midden, dat paste op een flinke pan. Door dat gat stak je een steel met onderaan een schijf met gaatjes. In die pan ging de room van de boerenmelk. Die melk, vers van de koe, schonk moeder in een grote schaal en liet hem een dag staan. Bovenop vormde zich dan een laagje room, dat je er afschepte. De oogst aan room van een paar dagen ging in een pan met de deksel van de door Opa gemaakte constructie erop en door minstens een half uur te “plonderen” , d.w.z. de gaatjesschijf met de hand op en neer te bewegen, ontstond vanzelf een klont boter. De melk werd intussen karnemelk. Daarvan kookte moeder roggepap voor het ontbijt. Op zich best te eten, als er maar niet honderden vliesjes van de alleen maar gedorste rogge in zaten. Het was geen doen om die er van te voren uit te vissen en mijn zus en ik aten de pap dan ook vaak buiten op, bij slecht weer staande onder het glazen afdak achter ons huis. Zo konden we de vliesjes lekker makkelijk in het rond spugen.

Winterswijk werd vanaf september 1944 bijna elke dag gebombardeerd door Engelse jabo’s (jachtbommenwerpers), die het gemunt hadden op het spoorwegemplacement, op kruispunten en wegen. Bovendien dreunden regelmatig eskaders van wel 1000 Amerikaanse bommenwerpers over Winterswijk richting Ruhrgebied of verder Duitsland in. Het was een spectaculair gezicht , achter elkaar in een onafzienbare rij groepen van wel 50 of meer vliegtuigen, waarachter dikke condensstrepen uitwaaierden. Ze hadden het dan wel niet op ons gemunt, maar soms kwamen er Duitse jachtvliegtuigen, er ontstonden luchtgevechten en bommenwerpers in nood gooiden nog wel eens hun bommen lukraak weg, omdat ze daardoor lichter werden en beter konden manoeuvreren. Er zijn dan ook in Winterswijk en omstreken heel wat bommen terechtgekomen en daarbij zijn ook mensen gedood en gewond.

Ook ’s nachts vlogen honderden geallieerde vliegtuigen over Winterswijk richting Ruhrgebied. Voordat zo’n geweldige armada verscheen kwam nog wel eens even een Duitse jager de zaak verkennen, maar zodra de Engelse vliegtuigen in de buurt kwamen, was de Duitser verdwenen. De Winterswijkers noemden hem “De nachtzuster”.

We brachten heel wat tijd door in de schuilkelder van mijnheer S. Dat was een bezienswaardigheid. Veel mensen met een tuin hadden een schuilkelder gegraven, waarin je enigszins beschermd was tegen rondvliegende scherven en kogels. Dit was echter een bouwsel bovenop de grond, omdat mijnheer S. geen trappen kon lopen. Heel wat bouwvakkers waren er op los gelaten en het resultaat was een soort kazemat met muren en dak van 75 cm dik. Binnen waren banken en er konden ongeveer 12 mensen in. Genoeg voor onze beide families. In de schutting, die onze tuinen scheidde, was een deur gezet.

Op een nacht kwamen er weer honderden bommenwerpers over in de richting van het Ruhrgebied. Je hoorde ze al van ver aankomen en zodra ze over ons dorp vlogen leek het of de wereld verging. Honderden vliegtuigen, alles dreunde. Zoeklichten in de omgeving en verderop in Duitsland flitsten aan en soms zag je een kist gevangen in het licht daarvan. Wij holden de achterdeur uit naar de schuilkelder. Er was een luchtgevecht aan de gang en het gelijkmatig brommen van de vliegtuigen, die met hun zware bommenlast onverstoorbaar doorvlogen werd afgewisseld met het giererende geluid van een duikvlucht. Je zag niks, alleen lichtflitsen. Hulzen van mitrailleurs ratelden over de dakpannen, af en toe klonk het luide dreunen van het boordgeschut. Plotseling, rennend naar de schuilkelder voelde ik een ruk aan mij  jas. Later bleek, dat daar een gat in zat. Er was een kogel langs gegaan, maar mij mankeerde niks. Toen vader de volgende dag ons huis en dat van de buren inspecteerde, bleken er veel kogelgaten in de daken te zitten en overal vond je de hulzen.

Vader was dan zenuwachtig, gejaagd, rusteloos. Was hij bang en wilde hij dat niet laten merken? Ik vermoed het, maar weet het niet zeker. Ik was zelf doodsbenauwd, maar moeder was als altijd kalm en hield de moed erin. “Maak je maar niet druk, ‘t komt allemaal wel goed, ik weet het zeker”, zei ze dan. Zij was in feite het rustpunt in ons gezin en in de hele familie.

Af en toe kreeg vader een waarschuwing van “goede” landgenoten: “Jan,  je kunt maar beter een poosje verdwijnen”, waarop vader naar Kotten fietste, een buurtschap bij Winterswijk, waar in een bos een primitief hol met een dakje erop was. Hij verdween daarin dan een paar dagen en werd intussen verzorgd, zeg maar gerust verwend, door vrouw Wibbels, een boerin uit de buurt en een bijzonder aardig mens, bij wie ik elke week eieren en melk haalde en soms ook als extraatje een stukje spek kreeg.  Dan vloog ik naar huis. “Kijk eens, wat ik van vrouw Wibbels gekregen heb!!”

Elke keer als er in Winterswijk bommen gevallen waren, fietste ik de 8 km naar vrouw Wibbels, zodat zij vader kon geruststellen dat wij allemaal nog in leven waren. (Zelf mocht ik niet naar hem toe, want zijn schuilplaats was strikt geheim).

Ik ben ontelbare keren naar Kunnert, zo heette de boerderij, gefietst, soms wel 2x op een dag, maar dat was geen straf, want ik ging er graag heen. De mensen waren erg gastvrij en als ik er kwam, altijd onverwacht, leek het wel of ze die dag speciaal op mij hadden zitten wachten. De boerin was een klein wijffie met een lief gezicht, waarin een bruin en een blauw oog je vriendelijk aankeken.  Kunnert was een van de oudste boerderijen van Winterswijk. Stromend water was er niet, evenmin als gas en riolering, water moest je halen bij de put. Je plonsde een emmer aan een lange ketting naar beneden  en haalde hem vol water weer op. De vloer van het woongedeelte bestond uit kleine keitjes, die zaterdags, als het werk was gedaan, bestrooid werd met fijn schelpzand in mooie patroontjes. Zodra je er overheen liep, was het weer een rommelige zandige vloer, maar dat gaf kennelijk niet. Elke zaterdag strooien!

Toen ik er weer eens was voor melk en als het kon een paar eieren, zei vrouw Wibbels:”Ik heb een kip voor je. Ze is van de leg, die mag je van me hebben. Wacht, ik zal haar even voor je pakken”. Nou, dat was wat. Thuiskomen met een kip! Ik zag al helemaal voor me, hoe de familie zou staan te juichen. Maar hij moest nog wel even gevangen worden. Ik wist uit ervaring, dat dat niet makkelijk was. Denk je, dat je zo’n beest te pakken hebt, schiet-ie toch weer de andere kant op. Maar voor vrouw Wibbels was het een fluitje van een cent. Ze nam een stuk staaldraad, boog het uiteinde in een bocht, zocht de goede kip en trok die met dat gebogen draadeinde zo van de sokken. Hebbes!  Ze pakte de kip bij de poten, greep in het voorbijgaan een bijl, legde het beestje met de kop op de stronk van een afgezaagde boom en hakte met één haal de kop eraf. Kip fladderde zonder kop nog even rond en viel toen om. “Alsjeblieft, laat moeder er maar een lekker soepje van koken”.

Nu zou ik het niet leuk gevonden hebben om dit te zien, maar toen was ik vast minder teerhartig. Kip moest dood en het ging zo snel, dat ze het vast niet gemerkt heeft. Ik at toch ook met smaak het konijn, dat ik het hele jaar verzorgd had en dat voor de Kerstdagen het loodje legde…… nou dan…..

Thuis werd ik als een heldin ontvangen.  Nadat het beestje aan alle kanten bewonderd was, werd hij mij in de handen gestopt:”Nou, jij gaat haar wel even plukken hè?” De soep was hemels.

In de laatste oorlogswinter hadden we, zoals veel Winterswijkers, een door een smid gemaakt kacheltje in de kamer staan.  Het had in het midden een heel klein vuurpotje met daar bovenop een grote kookplaat. Zo sloeg je drie vliegen in één klap. Je kon er zuinig op koken, de kamer werd meteen verwarmd en moeder hoefde niet in de koude keuken te staan. Elektriciteit was er niet meer, en we hebben een tijd de achterkamer verlicht met een gaslamp. Maar we woonden niet ver van het ziekenhuis, dat nog wel stroom had; vader had connecties en “ritselde” wat, zodat wij de laatste maanden van de oorlog bevoorrecht waren en weer elektrisch licht hadden.

In maart 1945 voelde iedereen, dat de oorlog snel op z’n eindje liep. De Duitsers  waren verslagen bij het Ardennenoffensief in de winter van 1944/45 en de Amerikanen hadden de oever van de Rijn in Duitsland bereikt. Bovendien trokken ze vanuit Duitsland richting Nederlandse grens.  Winterswijk kreeg steeds vaker met bombardementen van de Engelsen te maken om het de Duitsers, die aan het terugtrekken waren, moeilijk te maken. Langs de weg, waar wij woonden, zagen we ze langskomen, de moffen. Terug naar Duitsland. Niet in gloednieuwe tanks en pantserauto’s, zoals ze gekomen waren, maar lopend naast buitgemaakte (zeg maar rustig: gestolen) boerenwagens of karretjes met hun spullen erop. Het was voor ons een hemels gezicht.

Omdat het aan onze weg erg onveilig werd, regelde vader voor ons vanaf midden maart 1945 een verblijfplaats bij een boer, die een kilometer verderop woonde. Daar wemelde het al van de onderduikers en mensen uit het dorp, die net als wij een rustiger plekje hadden opgezocht, wachtend op de bevrijding. We sliepen met z’n allen op een rijtje op de deel. Vader bleef overdag op zijn kantoor en kwam ’s avonds op de fiets naar ons toe.

Op een dag kwam hij tegen het eind van de middag terug op de boerderij en vertelde, dat Emmy van Santen, een vriendinnetje uit mijn klas, samen met haar vader en moeder bij een bombardement die dag gedood was. Ze was een van mijn beste vriendinnen en we hadden samen in een vriendinnenclubje gezeten, dat elke zaterdagavond bij één van ons bij elkaar kwam, totdat dat niet meer ging wegens de avondklok. Die avondklok wilde zeggen, dat iedereen na 8 uur ’s avonds niet meer buiten mocht zijn. Werd je gesnapt, dan gold het standrecht, wat betekende, dat je ter plaatse doodgeschoten kon worden. Maar veel tijd om toen bij Emmy’s dood stil te staan was er niet, want er gebeurde van alles.

Eerst de beschieting met granaten, die rondom de boerderij insloegen. Maar gelukkig werd niemand geraakt, al was het heel angstig. Je hoorde die rotdingen aan komen gieren en dan was het met kloppend hart in spanning afwachten waar de klap zou vallen.

Toen kreeg de boerderij bezoek van een terugtrekkende Duitse luchtdoelbatterij. De bijbehorende soldaten waren behoorlijk dronken, en schoten een paar granaten af, volgens henzelf op een kruispunt bij Borken, volgens vader in het wilde weg. Gelukkig vertrokken ze weer gauw. Terug naar de Heimat!  De mannelijke tijdelijke bewoners van de boerderij zagen nog wel kans om de moffen een paar flessen “foezel” afhandig te maken. Goed om op de overwinning te drinken!

Daarna kwamen er een paar Duitse soldaten, die de paarden van de boer “vorderden”. Een eufemisme voor gewoon jatten en de boer speelde het spelletje mee. Hij deed net of hij ze de paarden wilde laten zien. Toen de soldaten de paardenstal inliepen, sloeg hij de deur achter hen dicht en sloot hen op. “Het duurt niet lang meer voordat de Amerikanen komen. Tot zo lang blijven jullie hier”. De Duitsers maakten niet eens erg veel kabaal en leken het wel best te vinden. Waarschijnlijk hadden ze ook schoon genoeg van de oorlog. Ze kregen een bos stro en een bord eten en dat was dat. Niks om je druk over te maken. Sommige mensen lieten zich door niets van de wijs brengen en deze boer behoorde ook tot dat soort.

Niemand ging die nacht slapen. We hoorden heel in de verte het dreunen van kanonnen, dat steeds dichterbij kwam. Het schieten duurde uren en toen………… opeens……. werd het stil. Doodstil. Griezelig stil. Iedereen luisterde gespannen en na een poos hoorden we, ver weg en nauwelijks hoorbaar, een zacht gebrom, dat steeds sterker werd. Amerikaanse tanks! Die morgen verdwenen de laatste Duitsers uit ons dorp, terwijl de Amerikanen van de andere kant binnenreden.

Iedereen probeerde zo snel mogelijk naar het dorp te komen, want daar was het  feest, de “Tommies” werden omhelsd en op straat werd gedanst en gehost.  Ik ging naar Mily, een vriendinnetje, dat met haar familie uit Vlissingen was geëvacueerd en nu bij iemand in huis woonde. De hele familie was in de keuken, waar het fornuis brandde met hout, dat in de afgelopen weken verzameld was in het bos. Opeens een geweldige knal en het leek alsof het fornuis ontplofte. Een ijzeren ring vloog door de lucht, gelukkig zonder iemand te raken. De reactie was, dat iedereen hard begon te lachen: “Nou, dat is goed afgelopen, we hebben geluk gehad”.  Wat kun je gek reageren in ongewone situaties.

Het Amerikaanse leger trok diezelfde 31e maart 1945 verder en juist over de weg, waaraan de boerderij van de familie P. lag. Het duurde 2 dagen en 2 nachten voordat de colonne tanks, jeeps en vrachtwagens (samen een hele divisie vormend) voorbij was. Het wegdek zag er daarna uit als een omgeploegde zandweg.

Wij stonden natuurlijk te kijken en te juichen. Af en toe stopte de colonne om te eten en te tanken. Ik heb toen een grote stommiteit begaan. Tijdens zo’n pauze kwam een Amerikaanse soldaat naar me toe met een grote lap stof. Meterslang en breed. Prachtige zijde van een parachute. Ongelofelijk! “Hier, dit is voor jou”. Maar ik wou het niet hebben, want de stof was aan één kant een beetje vies. Achteraf spijt als haren op mijn hoofd. Wat voor schitterende dingen had moeder daarvan kunnen maken.

Winterswijk werd eind maart 1945 door de Engelsen bevrijd, maar omdat ook zij na het vertrek van de Duitsers onze school in gebruik namen, duurde het tot september voordat de leerlingen weer terug konden komen.

Lees verder