oudwwijk
Digitaal erfgoed

Beroemde emigranten-nazaten

Hieronder een greep uit emigranten dan wel nazaten die later bekend zijn geworden. Dit is slechts een selectie.

Evert John Blekkink. Geboren op 26-5-1858 te Oostburg. Wisconsin, zoon van Jan Willem Blekkink en Aleida C. Hesselink die in 1846 emigreerden. Evert werd Professor of Systematic Theology aan het Western Theological Seminary te Holland Michigan.
Uit ,,Hollanders who helped built America”- B.H.M.Vlekke

Bernard Lynn Hijink. Geboren op 5 april 1913 in Hawarden, Sioux Co, Iowa. Zoon van Bernard John Hijink, geboren op 14-7-1888 te Milwaukee, Wisconsin en Inez Vera Lynn, geboren op 22-10-1889 te Hawarden, Sioux Co, Iowa
President California State Univ. Sacramento , 1970-1973.
President National Cooperative Education Association 1960-1961.
Prof. Political Science University of Southern California, 1949-1960.

Albertus John Rooks werd op 17 januari 1869 in East Holland geboren als zoon van Jan Rooks en Clara Mulder. Hij wordt Professor of Latin and Roman Culture aan Calvin College te Grand Rapids. 
Uit ,,Hollanders who helped built America”- B.H.M.Vlekke
Abbe Livingston Warnshuis werd op 22 november 1877 in Clymer geboren als zoon van Jan Willem Warnshuis. Jan Willem was de zoon van Jan Hendrik Warnshuis die in 1845 naar Clymer vertrok. Jan Willem werd dominee voor de Reformed Church. Hij bouwde de gemeenten in Marion, New York en Clymer, New York op en pioneerde in Sioux Co, Iowa en stichtte een kerk in Alton, Louisiana. Hij trouwde Hendrika Johanna Oonk (geboortedatum onbekend). Hij woonde van 1888 t/m. 1890 in New York City en ving Nederlandse emigranten in Castle Garden op.
Zijn zoon, Abbe Livingston, studeerde af aan Hope College te Holland, Michigan. Hij ontving de doktersgraad in 1916. Hij deed zendingswerk in China. Voor het zendingswerk verrichtte hij bestuurswerk in China. Later werd hij secretaris van de Internationale Zendingsraad in Londen (1920-’24), daarna in NY en later in het Verre Oosten (’30-’31). Diverse andere functies, o.a vice president van de Generale Synode van de Reformed Church of America in 1909 en 1934-36. 
Uit ,,Hollanders who helped built America”- B.H.M.Vlekke

Garret Droppers, geboren in 1860. Zijn grootvader emigreerde naar Wisconsin. Studeerde economie aan de Harvard Universiteit en de Universiteit van Berlijn. Hij gaf negen jaar colleges economie aan de Universiteit van Tokyo en was van 1898-1906 president van de Universiteit van Zuid Dakota. Tevens vervulde hij andere burgerlijke en academische posities.
In 1914 werd hij door de President Woodrow Wilson tot hoofd-diplomaat in Griekenland benoemd. Deze functie vervulde hij tot en met 1920.


Bruce Charles Heezen werd op 11 april 1924 geboren in Vinton, Iowa en was een zoon van Charles C. Heezen en Esther Schirding. Op zesjarige leeftijd verhuisde hij naar Muscatine, Iowa. In 1948 haalde hij zijn B.A. graad in de geologie. Later behaalde hij zijn M.S. en Ph.D aan de Columbia Universiteit. Hij was een erkend oceanograaf die de bodem van de oceanen in kaart bracht. In 1999 werd een onderzoekschip van de Amerikaanse marine naar hem vernoemd.


John Te Strake uit Ripley bij Clymer was piloot bij de TransWorldAirlines (TWA). Toen zijn vliegtuig werd gekaapt door terroristen kwam hij in het wereldnieuws. Dagen achtereen stond het vliegtuig gegijzeld op het vliegveld van Beiroet.

Lees verder

Burgeroorlog

DE BURGEROORLOG EN ‘WINTERSWIJKSE DEELNAME”

In 1860 schreef G.J. Droppers al dat er een ‘binnenlandsen oorlog” was. In januari 1863 schreef hij de familie Vardink in Kotten.

‘Toch wij zijn ook niet bij elkander, de eenen hier, de andere daar. Mijn zusster Janna haar man is ook in dienst gegaan. En mijn vrouw broer, ook zij zijn vrijwillig in dienst gegaan. Zij krijgen goede betaling., ik geloof 20 dollars in de maand. Ja zwager schrijft dat hij nog 40 cent boven zijn geld per dag verdiend want hij is een timmerman. Want de vijand had de bruggen al afgebroken. Die gaan zij weer opbouwen. Gij zult wel weten dat Zuiden en Noorden tegen elkander in oproer zijn. Ja, Janna haar man schrijft dat zij bewoners waren van de vijanden paleizen. Ja het gaat er erg toe. Hij schrijft van eenen slag toen was de vijand haar aangevallen. Die had in een korenveld gezeten van tien akkers. Dat koren groeid gewoonlijk vijf tot acht voet lang. Ja hij schrijft hij had het niet langer kunnen zien. Dat gekerm, want de grond was nat van het bloed geweest. Van de rebellen waren vijftien duizend gedood en gesneveld. Van onzer zijn vijftien honderd van die slag. En zoo het zeggen is dan zijn ze er al weer voor genezen. En mijn zwagers zijn nog maar pas weg. De eenen is nog ver van de anderen verwijderd. Ja vrienden, gij kunt begrijpen dat het er erg uit ziet.’

De grote groep Winterswijkse mannen die bij de Burgeroorlog betrokken raakten, al dan niet vrijwillig, zullen niet in alle gevallen hebben begrepen waar het om ging. In z’n algemeenheid hingen de Winterswijkers de Verenigde Staten aan en waren tegen de slavernij. Bij uitzondering kon een dienstplichtige zich vrijkopen van de dienstplicht. Hoewel de meesten het Engels konden verstaan, kwamen ze meestal uit een omgeving waar het dialect uit de Achterhoek nog volop werd gesproken. Een aantal van deze ‘jongens” zagen hun familie niet meer terug! Zo overkwam Jan te Kulve, geboren in 1841 op ’t Ros in het Woold. Volgens het rapport van de Civil War Records diende Jan in de D-compagnie van het 112e Regiment Infanterie NY. Hij diende onder kolonel Drake die omkwam in de slag om Gold Harbor, Virginia. Jan zijn eerste kampement was, nadat hij 2 september 1862 dienst nam, bij Suffolk, Virginia. Vervolgens diende hij negen maand op Folly Island buiten de kust bij Jacksonville; staat Carolina. Hierna ging hij de Jamesrivier op om j onder generaal Smith bij de slagen van Richmond en Petersburg te vechten. Op 1 juni sloot hij zich aan bij het leger van de Potomoc. Hier vond een man tot man gevecht plaats met 153 slachtoffers in het 112e regiment. Jan zal bij de slachtoffers hebben gehoord, want hij kwam in juli en augustus in het ziekenhuis van Point of Rocks, Virginia terecht. Hij viel ten prooi aan typhys. Uiteindelijk werd hij begraven in Albany, staat NY. Een jonge emigrant liet het leven voor zijn nieuwe vaderland. 
Het 112e regiment Infanterie werd het ‘Dutch Regiment” genoemd. Een Amerikaanse generaal zei ‘All I need with them Dutch boys is a bugler who can sound the advance. They do not retreat anyway and what I myself have seen of them I am sure they were good”. Hij had alleen een trompetter nodig om het aanvalsein te geven, ze gaven nooit op, schrijft Jan Graaskamp in ‘Iets over Clymer’.

Van Jan Antoni Wilterdink, geboren op 10-9-1839 op het Wilterdinkhuisje in Kotten, zijn vele brieven bewaard gebleven. Aan de hand van deze brieven aan familie en bekenden is goed af te leiden hoe hij de oorlog ervoer. Tijdens de oorlog kwam hij in Louisville, Kentucky een Winterswijker tegen. Op 1 december 1862 schreef Jan een brief aan zijn vader. Hij schreef: 

‘Gisteren kwam ik een oude bekende van jullie tegen in Louisville. Het was onze landsman Willem Wiggers. Ik botste tegen zijn kind aan in het gekrioel. Hij is oud-Winterswijker. Ik rookte een sigaar en zat op een stoel en ik genoot van goed kopje koffie en boter en brood. Als je kunt voorstellen hoe het voelt om thuis te zijn. Ik wist niet wat me overkwam. Het leven in de tenten is zo anders…. Wiggers is nu zeven jaar in Amerika, in Louisville. Hij kent alle Wilterdinks, Hesselinks, Rensinks, Esselink, Pa, Bloemers, Elferdinks, C. Shoemaker en Renskers. Te veel om hier op te noemen. Jij kunt mij vertellen wat voor een Winterswijker hij is.’

Jan sprak met Berend Willem Wiggers (19-3-1823) die in 1854 emigreerde van de boerderij Brasgeurden in het Woold. Het wereldje bleek toch klein te zijn.
In ieder geval was het voor Jan een plezierige onderbreking van zijn soldatenbestaan. Jan kwam op 14 augustus 1862 als vrijwilliger bij de I-Compagnie van het 25ste Michigan Volunteer Infantry met vrijwilligers uit Ottawa County, Michigan. Blijkbaar maakte de oorlog een geweldige indruk op hem, want hij schreef vele brieven naar het thuisfront. Hij verzocht bijna in elke brief om terug te schrijven en gaf aan welke brieven hij had ontvangen. Om zich staande te houden speelde het geloof een grote rol.

Merkwaardig is het verhaal van de gebroeders Rooks. Jan Hendrik Rooks, geboren 1818 te Winterswijk en Gerrit Jan Rooks, geboren 1827 gingen in 1844 samen naar het grote Amerika. Vanuit de plaats Lorain in Ohio gingen ze elk hun eigen weg. Van Jan Hendrik heeft de familie nooit meer iets vernomen, terwijl Gerrit Jan verder trok naar Macon in Missouri. Zijn boerderij lag te midden in het strijdgewoel van de Zuidelijken tegen de Noordelijken. Hij koos voor de Noordelijken, maar hij moest zich constant schuil houden in de bossen en korenvelden. Terwijl hij in het Noordelijke leger zat, kwam hij in contact met soldaten uit Holland, MI. Na afloop van de oorlog reisde hij naar Holland en trof tot zijn eigen verbazing zijn hele familie aan. Zij waren elf jaar later dan hem vertrokken, maar sinds 1844 had hij geen contact met hen gehad (1).
G.W. Bloemers schrijft vanuit Gibbsville, Wis. in januari 1865 het volgende aan Della te Selle – ten Damme op de boerderij Fokkink in Kotten: ‘ ok is het dag loon veel hoger, dan in vroeger jaren, Waant er is al 4 jaren in maart oorlog geweest en dat brengt veel kosten mede, en het veel ok tot armoede waant gij zult zeker wel gehoort hebben dat zij hier moeten loten, en de laatste, reis dat zij hier geloot hebben is Tobijas er ok in geloot, en hij is met veel, moeite na dat hij 23 dagen van ons is gewest er af gekomen, van wegens dat hij nu en dan bloet Spude anders helbt, het niet of zij veel kienderen hebben of oude mensen, daar woort niet na gezien  
de laatste lotieng zijen er vijefmaal hondert duijzent geloot en, nu moeten er weer driemaal hondert duijzent zijen en nog genieten wij hier vele, voorregten, 
alles in het Zuijden, daar alles wort verwoest en verbraant, 
zij moeten hijer loten van de 45 vertig tot de 02 en dan en dan kunnen zij ok kopen onder en boven die jaren, en daan kosten zij zo van 1 tot 8 hondert doolaar en dat voor een jaar gelifde wat zal ik hijer meer van schriven, gij weet wat de Here daar van zeegt in zijn woort, een huis of laant dat tegen hem zelf verdeelt is woort verwoest, en dat is hier ok zo, wat zal ik u meer schriven, van de orloog waar zou ik beginnen, en waar zou ik eidigen, mij Wens is dat het haar tot bidden en smeken mogt brengen, voor den troon der Genade!’
Op 6 juni 1865 vervolgde hij zijn verhaal.
‘en verder laat ik u weten dat Gerrit Jan ten dollen ok is in den loting gevallen, maar hij heeft gekogt voor 7 hondet en tien dollaar gekost, en dat voor een jaar en Aleida haar broeder die is ok onder dienst, maar de geloten die komen gau wer te huis waant het Zuiden heeft zig overgegeven, en de zuidelike prezedent die hebben ze gevangen genomen en de mordenars van de nordelik prezedent die hebben ze ok  zo dat het nu schint dat het wel gau vrede zal worden  die orlog die heeft wat mensenleven gekost Waant de verbittering was groort.
waant zo ze schriven, en getuigen dan zijn er duizent en duizenden van honger om gekomen in het Zuiden die daar gevangen zaten en wat die orlog gekost heeft daar junt gij u geen denkbeet van maken en het wort ok in jaren nog niet weder overwonnen waant het Zuiden hat ter zig op voorbereit en het noerden moest toen alles nog erst bijeen verzamelen en daar bij was de noordelike prezedent van een zagten art zo dat hij erst nog veel dingen wilde sparen en wierde de woede nog groter doen gingen zij an branden en verwoesten en zo heeft het de Here behat dat ter een eide is an gekomen.’


Er dienden nogal wat emigranten in de Burgeroorlog. In het jubileumboek van het honderdjarige bestaan van Cedar Grove lezen we de namen van oud-Winterswijkers.
Nader onderzoek wijst uit dat een betrekkelijk groot aantal Winterswijkse ‘jongens” in de Burgeroorlog terecht kwam. Zover bekend vochten ze allen aan de zijde van de Noordelijken (de zogenaamde Union), terwijl een Rooks aan de zijde van Zuidelijken (Confederate) vocht.
Om hier inzicht in te krijgen komt het volgende lijstje. Hoewel hier en daar nog vragen zijn en mogelijk nog niet iedereen erop staat, kun je stellen dat het aantal de omvang van deze Burgeroorlog (1861-1865) duidelijk maakt.


Lijst van Winterswijkse emigranten in de Burgeroorlog (2)
Arnink, John – 3rd Regiment, New York Infantry geboren 8-9- 1845 wonende op Tiggeloven – Dorpbuurt en verliet Winterswijk op 1-7-184. en ging naar Lima, Wis.
Abbink, Gerhard – Provisional Permanent Battalion, Camp Randall (Madison, Wisconsin) en 9th Regiment, Wisconsin Infantry Jan H. Abbink geboren 1833 te Winterswijk en als wever van Dorp 135 vertrokken.
Balink, Hermann -12th Regiment, Veteran Reserve Corps geboren 21-3-1835 – winkelbediende in Dorp – RK
Bennink Cornelis Gerrit Hendrik. Geboren 27-10-1842 woonde op Leemkuil in het Woold, emigreerde in 1846 naar Cambridge, Massachusetts. Hij bezocht openbare scholen in Cambridge en op de leeftijd van 18 jaar sloot hij zich aan bij het Massachusetts Infantry onder Captain Richardson. Hij diende 4 jaar waarvan er drie zeer goed zijn gedocumenteerd middels brieven en een dagboek. Deze zijn te vinden in het museum van Cambridge, Massachuetts.

Bloemers, Tobias – wel opgeroepen, maar niet ingedeeld – Wisconsin; geboren 10-12-1822, was knecht op Honders in Kotten, emigreerde 1846 naar Gibbsville, Wis.
Brethouwer, Barend – 34th Regiment, Wisconsin Infantry (Militia). Heet eigenlijk Jan Berend, geboren 7-7-1845 op Broekman in het Woold en emigreerde in 1847 naar Sheboygan.
Brummels, John – 14th Regiment, Wisconsin Infantry. Geboren op 25 februari 1831 volgens een Amerikaans document, maar volgens de gemeente Winterswijk in 1829. Hij, Gerrit Jan te Brummelstroete is vertrokken in 1847 als knecht van het Mentinkhuisje en diende in de G – compagnie van het 14e Wisconsin Volunteers Bataljon. In oktober 1865 was hij weer uit de oorlog.

Damcott, John – 9th Regiment, New York Cavalry – Jan Derk geboren 18-12-1840 op Guldenhuis in Henxel ging met de Harstein in 1858 naar Amerika (Clymer?).
Gerrit Jan Dunnewold geboren op 14-6-1843 op Kobus Picker in het Woold was een zoon van Jan Willem de dominee. Gerrit Jan diende in het 112th Reg. NY. Inf.
Esselink, John -112th Regiment, New York Infantry – Clymer? Gesneuveld bij Ford Fisher. Herkomst nog onduidelijk. Het kan ook gaan om Esselinkpas.
Grooters Gerrit Jan – 35th Iowa Infantry en sneuvelde in de slag om Tupelo, MS. Hij werd geboren 2 juli 1836 en kwam met zijn ouders van Dorp 35. Emigreerde 1844 met de Hoop.

Gossink, Garret W. -14th Regiment, Wisconsin Infantry – geboren op 19-1-1831 op Gossink in Henxel en in 1848 geëmigreerd naar Holland twp. (Sheboygan, co). Gesneuveld.
Gossink, John – 45th Regiment, Wisconsin Infantry – 7-3-1833 op Gossink in Henxel geboren en in 1848 geëmigreerd naar Alto in Wis. 
Ter Haar, Henry – 31st Regiment, Wisconsin Infantry – Gerrit Hendrik ? geboren 6-7-1844 op Haverland in het Woold en in 1849 naar Gibbsville, Wis. vertrokken.
Derk ter Haar geboren op 3-11-1843 op Haverland in het Woold dient in het 9e Cavalarie Reg. van New York. Hij woonde in township Mina en vermoedelijk is de genoemde Joseph ter Haar Jan Willem ter Haar geboren op 26-11-1845. Ook hij diende in het 9e cavalerie regiment.
Ten hagen, Garrett – 56th Regiment, New York Infantry – geboren 4-11-1841, woonde op Dorp 477 ging naar Wis.?
Hesselink, Gerrit J. – 25th Regiment, Michigan Infantry; geboren 25-1-1842 in Kotten op Stroeterhaar en vertrok in 1846 naar Holland, Mi.
Hesselink, Gerrit J. – 28th Regiment, Michigan Infantry 
Hesselink, Henry J. – 45th Regiment, Iowa Infantry (100 days, 1864) 
Hesselink (Hessling), William H. (Gerrit Willem.), Westfield, kwam van Dorp 249 en was geboren op 19-9-1844.
Hyink, Henry -1st Regiment A compagnie, Iowa Infantry (3 months, 1861). Hij kwam van de Stegge in Dorpboer en werd krijgsgevangen gemaakt in Atlanta, Georgia. Hij overleed op weg naar huis aan de gevolgen van zijn gevangenschap. Hij was in 1854 geëmigreerd.
Hyink, Herman – 9th Regiment, Iowa Cavalry. Geboren op de Stegge in Dorpbuurt , emigreerde juli 1863, nam in september 1863 dienst en werd op 28 februari 1866 in Little Rock, Arkansas ontslagen.
Immink, Henry – 150th Regiment, Illinois Infantry (1 year, 1865) – geboren op 3-12-1840, vertrok 1847 van Dorpbuurt 19
Korschot, Derk J.- 32nd Regiment, Wisconsin Infantry – geboren 27-11-1840 van Roerdinkpoorthuis in het Woold, via Clymer naar Wisconsin getrokken.
Meerdink Gerrit – 112th Reg NY. Inf. – identiteit is moeilijk vast te stellen, daar deze waarschijnlijk ouder is.
Meerdink, Brent – 44th Regiment, Wisconsin Infantry 
Mensink, William – 112th Regiment, New York Infantry – Berend Willem geboren 16-12-1839 op Mensink in Ratum en in 1847 naar township Mina vertrokken.
Mentink, Hendrik – 1st Regiment, Wisconsin Infantry – geboren 17-2-1844 op Maathuis in Huppel en vertrokken in 1847.
Mentink, Henry J. – 1st Regiment, Wisconsin Infantry 
Nijenhuis / Newhouse

Onnink, Charles J.- 74th Regiment, New York Infantry National Guard (30 days, 1863) – Harmanus? Geboren 7-1-1837 – Hijinkkamp Woold – 1847
Oonk, J. G.- 153rd Regiment, Ohio Infantry (National Guard) 
Oonk, John -1st Regiment, Wisconsin Infantry G.J. Oonk. 
Oonk, William -14th Regiment, Wisconsin Infantry – Jan Willem 10-1-1821?
Rauwerdink, Jan H.- 27th Regiment, Wisconsin Infantry – geboren 21-2-1837 Boveld Nijhuis te Woold en in juli 1857 geëmigreerd.
William Reslink (Reuselink) – korporaal in 112th Regiment, New York Infantry – begraven in Clymer. Hij was geboren op 17 april 1839 en emigreerde met zijn familie vanaf de boerderij Walienspas in 1845 naar French Creek bij Clymer.
Rooks, … 1st Regiment, Missouri Cavalry 
??? , geboren 1841, Winterswijk, Gelderland, NL, kwam op in Oshkosh, Wisconsin op 25 september 1862, voor 32e Regiment Wisconsin Infantry en verlies Wisconsin op 30 oktober 1862. Gerrett overleed in een military hospital in Memphis, Tennessee op 27 september 1863 aan keelontsteking.
Roerdink, Gerit W. – 32nd Regiment, Wisconsin Infantry – Gerrit Willem geboren 22-12-1838 VeenhuisNijhuis Woold in 1856 en naar township Lima in Wisconsin vertrokken. Hij overleed in een legerhospitaal.
Rospas, Garrett Jan -15th Regiment, G-compagnie New York Engineers (New), 50th Regiment, New York Engineers – Gerrit Jan geboren 7-5-1839 komende van Rospas in het Woold – in 1845 naar Clymer geëmigreerd.
Gerrit Willem Rospas – soldaat in 112th NY infanterie op 1 september 1862 en sneuvelde in de slag bij Fort Fisher, North Carolina op 10 januari 1865. Hij was verloofd met Anna Gesiena Esselink en zijn aanstaande zwager Jan Esselink werd fataal verwond in dezelfde slag. Gerrit Willem is in 1845 naar Clymer geëmigreerd en een broer van Garrett Jan.
Gerrit Willem Schreurs – geboren 17 september 1839 en komende van het Horsterhuisje in de Brinkheurne kwam hij met zijn familie in 1846 naar de V.S. en kwam in het 7th I.V.I. A compagnie en diende onder generaal Rice. Hij werd twee keer gewond in de slag bij Belmont en maakte vele slagen mee. Uiteindelijk diende hij drie jaar.
Schoemaker, John – 5th Regiment, Iowa Cavalry – Jan Derk geboren 31-10-1833 – Dorp 299 – 1855 naar Muscatine, Ia.
Sywassink, Bernard – 64th Regiment, New York Infantry – Jan Berend kwam uit het Dorp en is in 1846 vertrokken.
Slotboom, John A. – 112th Regiment, New York Infantry – Jan Albert geboren 22-5-1841 van Hoijtinkhuisje in de Brinkheurne; in 1846 vertrokken naar Clymer.
Slotboom, John A. -2nd Battalion, Veteran Reserve Corps , 12th Regiment, Veteran Reserve Corps begraven op Clymer Hill.
Slotboom, John W. – 112th Regiment, New York Infantry begraven op Holland in Clymer
Verink, William M.- 2nd Regiment, Iowa Cavalry – Berend Willem 20-6-1838 afkomstig van Hijinkschoppe en in 1847 naar Muscatine vertrokken.
Voskuil Willem Christiaan geboren op 20-12-1840 op Voskuil in Miste en in 1847 naar Cedar Grove, Wis vertrokken.
Wiggers, William – 54th Regiment, New York Infantry – Jan Willem geboren 26-8-1830, afkomstig van Mentinkberg Dorpbuurt en in 1847 naar Clymer vertrokken.
Wilterdink, John A .- 25th Regiment, Michigan Infantry – Jan Antoni geboren 10-9-1839 op Wilterdinkhuisje in Kotten en in 1846 naar Holland, Mi vertrokken.
Tewinkel John – 112th Reg. NY. Inf. begraven op Holland in Clymer.
Tewinkel, Wm. – 112th Regiment, New York Infantry – Berend Willem geboren 7-12-1840.

Te Kulve, Jan geboren 31-10-1845 op Ros in het Woold en die met vader Hendrikus en de rest van de familie in 1847 naar Clymer, NY emigreerde, raakte in 1862 betrokken bij de Amerikaanse Burgeroorlog, zoals meerdere emigranten. Jan kwam bij het 112e Regiment, D compagnie. Overleed aan verwondingen.
Het hospitaalverslag luidt als volgt: Jan overleed aan chronische diarree in het US. General Hospital in Albany, NY. op 14 oktober 1864. Hij is begraven op Albany Rural Cemetary.

Rond vijftig geboortige Winterswijkers hebben in de Amerikaanse Burgeroorlog meegevochten, of werden opgeroepen, waarvan een kwart in het 112e regiment infanterie NY. diende.


Bronnen:
⦁ Dagboek Antoni Wilterdink – Michigan
⦁ Stamboom Rooks.
⦁ Bron Civil War register

Lees verder

Verenigde Staten

CLYMER

HOLLAND LAND COMPANY
In het Westelijke deel van de Staat New York hadden Amsterdamse financiërs van Eeghen en Willink in 1793 3,5 miljoen acres in de handen gekregen. In het totaal besloeg dat gebied acht counties. Een zekere Joseph Elicot trad op als agent om het land te verkopen aan de eerste pioniers. De Seneca-indianen werden met 100.000,- dollar afgekocht (8). De Willinks waren van oorsprong een Winterswijkse familie. Hendrik Willink, geb. 6-6-1735 in Winterswijk en Bernardus Willink geboren 3-10-1728. Mogelijk dat de band van deze Willinks met Winterswijk de Winterswijkse emigranten richting het westelijke deel van New York dreef (1).
Er wordt beweerd dat in 1842 ‘ een jonge dochter die in 1842 uit Winterswijk te Buffalo aangekomen is, en als dienstmeid daar diende per brief goede berichten naar Winterswijk gezonden heeft” (2).
Christiaan Naves (van de Tiggeloven uit het Vosseveld) en Gerrit Jan (Jan Willem)? Lomans (Velthoen – Meddo) waren de eersten die in 1844 naar het gebied Clymer in het westelijk deel van de staat New York trokken op aanraden van een Duitser, Butterwiese, agent van de Holland Land Company. Ook wordt ene Patterson genoemd. Het gebied was toen nog een grote wildernis. Zij ontmoetten waarschijnlijk tijdens hun reis in Buffalo een makelaar. Van hem hoorden ze dat in Clymer de boeren zaten te springen om arbeidskrachten en dat er goedkope grond was. In het Westen (Michigan, Wisconsin) moesten ze helemaal in het woud beginnen. De makelaar stuurde de Winterswijkse heren naar een zekere Cooper Lodge in Westfield aan het Eriemeer. Westfield was een aanlegplaats en Cooper bood nachtlogies en voedsel. Hij zal wel enthousiast gesproken hebben, want met paard en wagen bracht hij Lomans en Naves via Sherman over een planken weg naar Clymer (3). 
Van meet af aan was het hardwerken: bomen vellen, blokhutten bouwen, graan en aardappelen verbouwen en de hele sociale structuur van kerk en school opbouwen. De eerste gemeenschap telde 18 leden die in een schoolgebouw bij elkaar kwamen. Jan Willem Bekerink staat tegen 15 Dollar een kwart acre grond af om daarop de Clymer Hill Church te bouwen. Op 13 september 1854 wordt de kerk ingewijd en gemeente groeide tot 60 leden.




Bron: Flickr – collectie Yvette Hoijtink
De Nekkers-familie (Neckers) in Clymer.

CLYMER ONTSTAAN VAN DE KERK ALS MIDDELPUNT
In het kerkelijke denken ontstond er al spoedig een liberale richting en een orthodoxe richting zoals we in de Historische Schets uit Clymer lezen. Kennelijk waren er nogal wat emigranten waarbij de godsdienst geen leidraad was om te emigreren. Deze richting bleek niet echt te zijn georganiseerd, maar ging in Clymer rond 1855 op in de orthodoxe kerk.
In het begin bleek de emigratie voor vele emigranten een teleurstelling te zijn (4) en hiermee was er een voedingsbodem voor het geloof. Volgens emigrant J.H. Warnshuis ‘toen wij hier kwamen waren wij zoo dood als een pier”. Naast het harde werken op de werkdagen werd er op de zondag gerust en in de namiddag kaartgespeeld. Onder aanvoering van de Aaltenaar Adolph Hesselink ontstond de eerste gemeente, maar de vraag was bij wie en wat aan te sluiten. Op 8 juni 1847 werd bij de Congretional Consociation te Versailles N.Y. een verzoek voor een predikant ingediend. Na een bezoek door een commissie van deze kerk, welke de gemeente oprichtte, ondervroegen ze een aantal gemeenteleden. Na de ondervraging werd Adolph Hesselink aangesteld als voorganger. De eerste leden waren: Jan Hendrik Warnshuis, Chris Nabes, Hendrikus ter Haar, Wander Willink, Jan en Derk Willink (zonen van Wander), G. J. Loomans, J. D Grotenhuis, Jan Bekerink, J.W Bekerink en Abraham Bekerink. Geen enkele familie behoorde in Winterswijk tot de Afgescheidenen. Kennelijk is er een stroming die van liberaal , maar door de omstandigheden ingegeven orthodoxer in het geloof is geworden.
Voorganger Hesselink vertrok in 1849 naar Muscatine in Iowa. Hieruit bleek dat er duidelijke contacten waren tussen emigranten die in de verschillende gebieden terechtkwamen. J.H. Warnshuis vertelde: ‘Sommigen onzer hadden gehoord of herinnerden zich dat een zekere Pikkers Jan Willem, die altijd te Winterswijk in de groote Kerk met den schouders ten den grooten pillaar had staan leunen, en altijd zoo aandachtig was in zijn luisteren, en van hem hadden zij gehoord dat hij dominie wilde worden.’ Brieven gingen naar Winterswijk, maar Jan Willem was (omstreeks 1846) al op de boot gestapt. Via eigen contacten ontdekte men dat Dunnewold in Milwaukee vertoefde. Hij had zich aangesloten bij een groep Achterhoekse emigranten die op de Hollandse Berg woonde en werkte in een steengroeve. De kerk in Clymer kon hem geen salaris bieden en Dunnewold vertrouwde zich de prediking nog niet toe. Uiteindelijk ging hij en aanvaardde de taak van ouderling/voorganger in Clymer. Hij werd als zeer geschikt beschouwd, want Dunnewold bleef tot in 1868. In de Historische Schets van Clymer schrijft men:

‘Hier was een bijzondere toestand, maar hier was ook een bijzondere man; over de wereld henen was er geen ander man die juist zoo geschikt was voor dit werk. Een Winterswijker onder de Winterswijkers; arm gelijk zo zij ook waren, ook niet geleerd, die niet veel salaris vroeg, maar bereid om met de handen te werken, en begeerig om het Evangelie te verkondigen, en vurig om zielen te winnen. Een man ook met een gezond oordeel en goede menschen kennis; en daarbij hebbende een wonderee gaave om met eenvoudige menschen te spreken in hun eigen taal over de groote werken God’s. Hij was geen groote kansel-redenaar.’

Clymer Hill Church


Dunnewold moest wel les nemen bij de dominee in het naburige Sherman. Op 8 oktober 1851 werd hij officieel bevestigd en er waren 38 leden (volgens Jan Willink uit Clymer waren het er 43).
De volgende personen waren lidmaten: Jan Hendrik Warnshuis en zijn vrouw Johanna Konings, Hendricus Ter Haar en zijn vrouw Hanna te Winkel, Jan Bekerink en Hanna W te Winkel, Wander Damkot en Janna Geertrui Oonk, Chris Nabes en vrouw, Hendrik Jan Meerdink en vrouw Janna Loomans, Berend Willem Meerdink en Aaltje te Kulve, Jan Willem Kortschot en Beerneken Beskers, Derk Willink en Geertruida te Kulve, Jan H Schreurs en Janna Geertruid Oonk, Gerrit Jan Meerdink en vrouw, Engelbartus Damkot en Mina te Kempel, Gerrit Jan Loomans, Jan Hendrik Willink, Geziens Slotboom (geboren Hoijtink), Wilhelmina Meerdink, Johanna Neckers, Christina Nabes (Navis), Geziena Kobus, Geziena te Kulve geboren Oonk, Mina te Kolstee en Dora ten Hulzen – Konings.
Hiermee zijn lang niet alle immigranten lid van deze kerk. Volgens de gegevens moeten 180 personen in de eerste jaren tot en met 1850 naar Clymer zijn gekomen. De nederzetting kreeg daarmee levensvatbaarheid vanuit Nederlandse, in dit geval vanuit het Winterswijkse oogpunt.
Hendricus ter Haar en G.J. Loomans waren de afgevaardigden voor Clymer in de Consociation van kerken (5).

WILDE WARNSHUIS
Hendrik Jan Warnshuis was in tegenstelling tot zijn broer Jan Hendrik Warnshuis van een ander snit. De Clymers noemden hem ‘Wild John Warnshuis” en hij werd geboren in 1829 op de boerderij Kortschot in Huppel. Hij was degene die vaak voor de wet moest vluchten, want hij stal boter, dakpannen en alles wat niet vast zat. Onze ‘brave”’ broeder moest dan regelmatig in het gevang, maar wist ook onderweg tijdens het vervoer te vluchten. Zo wist hij door het raam van het hotel te vluchten en om de bewakers op een dwaalspoor te brengen, liet hij de broek achter…….. Hendrik Jan was drie keer getrouwd. Zijn tweede vrouw Anna C Meerdink) bezocht haar ouderlijke woning op een avond door een bouwland en bos te doorkruisen. Zij kwam echter nooit bij haar ouders aan. Later vonden ze haar bevroren op het land. Velen geloofden niet dat ze stierf aan een natuurlijke dood. Zijn eerste vrouw , Carolina Meerdink (geboren in 1836 eveneens afkomstig van Kortschot te Henxel) stierf eveneens onder vreemde omstandigheden. Zij was met de baby en Hendrik Jan naar het bos gegaan waar hij aan het kappen was. Het schijnt dat er een boom op haar terecht is gekomen en haar doodde (6).

Bronnen:

⦁ Netherlanders in America pagina 25 –Immigration to the U.S. and Canada, 1789-1950 – Henry S. Lucas
⦁ Nederlands Patriciaat, 1989 73e jaargang
⦁ Historische Schets van de Clymerhillkerk –pag 4
⦁ Van der Schaaf – Clymer
⦁ Historische Schets van de Clymerhillkerk
⦁ Thelma Heil – Clymer


CLYMER van 1850 -1875
Het aantal Winterswijkers dat voor Clymer koos in deze periode lag rond de 200 personen (tussen 1851 tot en met 1890). Jan Albert Kortschot (Roerdinkpoorthuis – Woold) en zijn Frederika kwamen in 1854 naar Clymer en woonden een tijdlang bij de Supervisor van township Clymer Hercules Rice. Op 1 april 1862 verkreeg het echtpaar voor 200 dollar een half acre land in de township Harmony, maar ze verkochten dat in 1863 met verlies van 50 dollar. In 1869 bleken ze veertig acre in bezit te hebben (1). Hun naam veranderde in Crosscutt. 
Winterswijkse namen veranderden dan geleidelijk in Amerikaanse schrijfwijzen mede gespeend om echt als Amerikaan te worden beschouwd. Voorbeelden van verandering zijn: 
⦁ DamkotDamcott,
⦁ DeunkDuink,
⦁ HesselinkHeslink,
⦁ Hietkamp Hitcome
⦁ Konings King
⦁ Legters Lectus, Lictus
⦁ LuikenhuisLookenhouse,
⦁ NekkersNeckers,
⦁ Nijenhuis Newhouse,
⦁ ReuselinkReslink en Ruslink,
⦁ RospasRaspas
⦁ SchreursSchruirs, Schrears, Schruirs, Schruers
⦁ Ten Bokkel Tenbuckle
⦁ Te KronnieTecroney,
⦁ Te KulveTeCulver
⦁ Te Winkel Tewinkle
⦁ WoordesWardes

De Clymerhill Church wordt door de nazaten van de emigranten beschouwd als de moederkerk. Als in 1868 Jan Willem Dunnewold naar Gibbsville in Wisconsin vertrekt, werd er op zijn aanraden de naam van Gerrit Jan Renskers als opvolger genoemd. Renskers werd op 3 november 1818 geboren in Winterswijk en was op dat moment dominee in Zeeland, Michigan. Dunnewold leerde hem kennen bij de Afgescheiden Gemeente in Winterswijk, want hij had een twist over de afscheiding. Hij was al in 1846 naar Amerika gekomen. Het viel Dunnewold op dat hij een sterke tegenstander was van Dunnewolds beginselen. Onder leiding van Renskers groeide de Clymer Hill Church van 141 naar 187 leden. In 1868 werd de kerk in zijn geheel gereformeerd. Mensen sloten zich aan en werden na onderzoek door de kerkenraad aangenomen.
Door de groei van het aantal emigranten en dus gelovigen, ontstond er een tweede kerk. Dit gaf nogal wat beroering in de kleine gemeenschap. Achttien leden vertrokken naar de Village. Aanvankelijk was het nog een schuur en het werd later de Presbyteriaanse kerk. Deze werd omgedoopt in Reformed Church of Clymer Village. Dit was in 1869. De Amerikaanse bevolking moest echt wennen aan het feit dat de Hollanders op klompen en zwarte kleding naar de kerk kwamen. De Amerikanen verdwenen geleidelijk aan naar andere kerken……. Dertig families vormden met in totaal 83 lidmaten deze kerk (2). 
Bronnen:
⦁ Lois Parker – The Kortschots of the Netherlands and the USA.- Olympia WA.
⦁ Historische Schets van de Clymerhillkerk – pag 26, 27

WISCONSIN


In ieder geval zwierf Aaltenaar Hendrik te Kolstee al in Wisconsin rond voordat de grote massa kwam. Een grote stroom Achterhoekers wisten hem te vinden.
In 1845 reisde een groepje Winterswijkers via de grote meren door naar Milwaukee, Wis.. Mathias Wenink was als de eerste Winterswijker de groep voor gegaan. De broer van Gerrit Jan Lomans, Jan Willem trok met Alexander Hallerdijk (brief – zie boek Ligterink) en Albertus Meenk naar wat men later noemde ‘de Hollandse Berg”. Zij vestigden zich aan de noordwestelijke rand van het centrum van Milwaukee langs de rivier de Milwaukee. Deze mensen worden gezien als voortrekkers van de Nieuwe Immigratie die Brummelkamp en van Raalte in beweging bracht. De mensen die er later bij kwamen, waren vergelijkbaar arm (1). Van Albertus Meenk is bekend dat hij doortrok naar Alto, Wisconsin. Jan Willem Dunnewold, de latere dominee, kwam ook in Milwaukeer terecht. Zijn reis wordt beschreven in de Historische Schets van de Clymerhillkerk. 
‘Den 4 den Dec. 1846 kwam hij met zijn huisgezin te Boston aan en vertrok dadelijk naar Albany. Maar nu ondervond hij groote teleurstelling. In Nederland op reis wat het zijne gedachte geweest, dat hij door de helft van zijn tijd te werken, de andere helft zou kunnen gebruiken voor studie. Maar het eerste dat hij kreeg, bracht hem naar 25 cents daags, van 6 uur in den morgen tot 6 uur ’s avonds. Nadat dit werk hem ontzegd werd, toen aan het takkebosschen halen van vier mijlen buiten de stad, helft voor eigen gebruik en de andere helft verkocht voor 12 cents. Zijne vrouw trachte ook te doen wat doen kon en verkocht brewerw yeast, waarmee zij ook 12 cents daags verdiende. De tijden werden echter nog slechter, zoodat er bij bijna gebrek kwam. Ware het niet een rijken Hollander geweest die hen hielp, zij waren in het grootste gebrek gekomen. Waarlijk een ander school dan deze discipel zich had voorgesteld. In April ’47 vertrok hij naar Milwaukee. Daar ging het beter. De stroom der emigratie begon toen in volle gang.’

Nadat ze een beetje geld hadden verdiend, gingen ze een stukje noordwaarts naar Sheboygan County en Fond du Lac.
In ieder geval leefden de Saugatuck-indianen van het voorjaar tot het najaar nog in het gebied. Ze kwamen voor de vruchtbare gronden, de grote hoeveelheid wild en de rijke visgronden, maar als ware nomaden trokken ze bij het kouder worden weer naar het zuiden (Kentucky) (2). De mensen die zich vestigen in Cedar Grove, Oostburg, Hingham waren eenvoudige mensen, maar gelovig. Zij practiseerden het geloof consequent, lazen de bijbel en volgden getrouw de catechisatie, maar de groep was ‘losser in de opvatting van het geloof” dan de emigranten, merendeels Afgescheidenen, in Michigan. Vanaf het begin ontstonden er kerken. De First Reformed Church in Oostburg ontstond in 1850. In 1856 waren er al 230 lidmaten. 
In 1852 schreef de Sheboygan Press over de lokale bevolking: de indianen. ‘Er waren verschillende Indiaanse dorpen, Chippewa en Menomee-stammen leefden vredevol en gelukkig tussen de immigranten. Hun wigwams waren gemaakt van schors en in sommige gevallen (wintertijd) werden ze bedekt met brem en huid. Ze gebruikten geen vuurwapens, maar ze waren tussentijds met vlijmscherpe pijlen buitengewoon op hun hoede. Er werden regelmatig schietwedstrijden gehouden. Iemand bracht een penny op een stronk of boom aan en degene die de munt er afschoot had gewonnen. Op 20 stappen misten de Indianen zelden het markeringspunt. Indiaanse dansen werden vaak in Sheboygan gehouden. De indianen, mannen, vrouwen en kinderen verzamelden zich in grote kringen en dansen op de monotone slag van de tom-tom. Jonge dappere schilderden in hun vrolijke kleur en dekten het af met stroken van veren. Een waar indrukwekkend gezicht. Hun ponys werden ook grootse gedecoreerd met gekleurde veren en leren strips. De indianen waren stil en onderdanig. We hadden nooit geen moeilijkheden met hen. Een groot aantal uit de dorpen brachten vooral in de lente hun esdoornsuiker voor de handel. Ze verbouwden hun eigen mais en aardappelen, schoten hun eigen wedstrijd en leefden apart.’
Winterswijkse emigranten kwamen ook oog in oog te staan met de indianen. Toen de eerste emigranten uit de Achterhoek aankwamen, waren er overal nog kampementen langs de kust van het Michiganmeer. De zoon van emigrant Hendrik Jan Vervelde uit het Woold, Gerrit, speelde met indanenkinderen. Deze indianen sloegen elk voorjaar hun kamp op daar waar de Verveldes zich hadden gevestigd. In het algemeen waren de relaties met de indianen goed. Eigenlijk, waren ze nieuwsgierig en bedelden ze om voedsel. Als het kouder werd dan trokken de indianen weer zuidwaarts naar Kentucky. Hoewel de indianen officieel per overeenkomst met de staat het land in 1833 hadden opgegeven, bleven ze nog tot in de jaren zeventig van de negentiende eeuw komen. Eén van hen was Old Solomon en als hij kwam dan vertelde hij dat hij het land en zijn oude visgronden controleerde ( 3).
Bronnen:
⦁ Netherlanders in America pagina 200 –Immigration to the U.S. and Canada, 1789-1950 – Henry S. Lucas
⦁ Oostburg in Wisconsin Haven of Hope in a new land ( 2001). 
⦁ Oostburg in Wisconsin Haven of Hope in a new land ( 2001).

MILWAUKEE

Jan Willem Dunnewold van de boerderij de Pikker werd in 1847 ouderling onder de door Ds. Zonne gestichte kerkgemeente Milwaukee. Jan Hendrik Hijnk van Blekkink uit het Woold kwam in 1847 in Sheboygan, Wis. aan en verhuisde in 1848 naar Milwaukee. De stad had toen al meer dan 14.000 inwoners. In 1849 ging hij terug naar Sheboygan, maar in 1850 keerde hij weer terug naar Milwaukee om in 1863 door te trekken naar Sioux Co in Iowa. Jan Bernard, zijn twee jaar oudere broer, was hem al een week eerder voorgegaan. Opmerkelijk was dat de twee Wooldsen Dunnewold en Hijink elkaar opzochten. Oude contacten uit het moederland speelden een rol in het kiezen van de woonplek. Op de Hollandse berg zaten een aantal andere emigranten van Achterhoekse origine (Rademaker, Veldhorst, Beernink) (1). G.J. Droppers van de Stroete uit het Woold kwam daar bij en schreef:

‘Daar kwamen wij aan Daar kwam bij picker J.W. Dunnewold, die Zeide wij konden wel bij Hem in ’t huis komen en dat deed ik en daar zijn wij wel 6 Weken bij geweest. Dit huis daar heeft verleden winter Haartman in gewoond en hij is nu van December naar het (onleesbaar) gegaan daar had hij al een huys gebouwd en daar heeft hij ook al grond gekocht……..J.W. Dunnewold vertrekken in Haartman zij huis. Wij zijn hierin gebleven. Ik heb ook grond gekocht 120 Akker de akker kost mij 19 schellingen Hier hebben de meeste Hollanders grond gekocht en wij hebben hier alle Zondags tweemaal Nederduitsche predicatie en ook cagicaci voor de Jonge lieden en ook eenmaal predicacie en vergadering. De predikand zijn naam is Dominheer De Zon en die heeft ook grond gekocht en hij heeft ook veel menschen meegenomen die zijn daar ook die heeft hij grond gegeven om daarop te werken en moesten zij Hem dan in het vervolg betalen en daar word ook een kerk gebouw en Hij laat eer zich ook een huis bouwt (onleesbaar deel)…….Hier woont ook nog een boel Hollanders. Wij hebben de grond daar ook bij en wenschen indien wij gezondheid hebben om er ook in het …jaar henen te trekken en dan een huis te bouwen. De levensmiddelen zijn niet duur. De 100 fijn witweiten meel kost 5 gulden en de 10 pond. Varkensvlless kost 7 en een halve gulden en het rundvlees de 100 5 gulden en het fijne boekweitenmeel kost de 100 pond ook 5 gulden de bussel erwten kosten 2 en een halve gulden, de bussel is 5 pond. En de bussel aardappelen kost five stuivers. De thee en koffie zoo als bij u, de beesten zoo ongeveer als bij u. Een goede koe en ’t kalf kost 30 gulden. De kinderen kunnen hier voor niets naar de school gaan om het Engels te leren; en dan is er de Zondag school; daar kunnen heengaan groten en kleine mensen. Maar nu, het is hier in den winter noch al veel werk met houtzage. In de stad hier is de gewoonte om te stoken in kachels. Daar kan men 4 potten tegelijk op koken. Zoo heb ik er ook een gekocht. Die koste mij met de potten 37 in Hollandse gulden. Die zijn zo gemaakt dat men het brood, die het meel heeft, er heerlijk in bakken kan en de brood hebben wij voor niets. De jongens gaan ook naar de stad en zagen ook hout mar de verdiensten zijn toch niet heel groot want hier zijn er te vee.. Want hier trekken veel mensen op toe.’

Bron: 
⦁ Hyink Family A Documentary and Pictorial Genealogy, Vol. 1; edited and compiled by Lawrence Hyink



SHEBOYGAN/CEDAR GROVE/ OOSTBURG


In 1849 kwam er in Sheboygan een eerste kerk. Het hout werd verkregen door de tamarack-bomen in het moeras te vellen en te verslepen. Op een gegeven moment konden twee personen de bomen niet verslepen. Een ander werd zo kwaad dat hij het alleen deed. 
Het gebied waar de Winterswijkers zich vestigden werd in de beginjaren Township Holland genoemd. 



Sheboygan County tussen 1850 – 1875
Het waren niet altijd opwekkende berichten die naar Winterswijk werden verzonden. G.J. Droppers, geboren 1829 op de Stroete in het Woold schreef op 5 maart 1860 vanuit Town of Holland, Wis (Oostburg/Cedar Grove) aan de familie Vardink in Kotten, dat zijn vader was overleden.

‘heden den 2 Maart ’s morgens tussen 2 en 3 uren vader is overleden in den ouderdaom van 68 jaren. Vader heeft al in de voorwinter gezegt dat hij wel niet meer beter zou worden. Hij heeft zoo een afgaande ziekte gehad. De dokter zij dat het boswater was. Ik weet het niet. Vader is niet benauwd of pijnlijk geweest. Vader heeft ook wel gezegd dat hij ook niet verlangde om weer beter te wordn. Hij zeide: ‘De wil des Heren geschiedde”. Vader is in Amerika altijd wel en gezond geweest. Vlug…naar ziel en lichaam. Het ging hem altijd goed naar zijn zin. Hij handelde vriendelijk met ons, zoals een goed huisvader behoord te wandelen om tot voorbeelden te zijn voor zijn gezin en familiekring…..’

Deze brief moet voor de familie in Kotten geruststellend zijn geweest en men schreef tot in details om ze deelgenoot te maken wat daar op verre afstand was gebeurd..

‘Een uur voor de scheiding van ons zeide hij dat hij benauwd was en toen zeide hij dat hij wel niet weer van bed zou komen. En toen legde hij zich recht uit en heeft geen handen of voeten meer beweegt. En is van tijd tot tijd zo zachtjes uit gegaan, ja zachter als een lamp. Dit strekte ons eenerzijds nog meer tot blijdschap.’

Even verder op blijkt in de brief dat het geloof de emigranten rust gaf. ‘Als onze ziel in Christus geborgen is dan is de dood een blijde tijding om ons over te leveren in die rust die er over blijft voor het volks Gods”.

De familie woonde op dat moment “in het bos vijftien uren van Milwaukee. Daar zijn wij in het begin van April heengereisd. Daar hebben wij een huis gebouwd. Toen woonden wij zolang bij onzen buurman te huis. Die woont hier vijf minuten van ons af. Dat zijn goede buurlui, die komen van Zutphen en daar wonen hier nog meer Hollandsche mensen hier bij ons. ”

Zijn zusters Geziena, Alijda en broer Jan Derk woonden in Milwaukee en die verdienden goed.

‘Alijda twee en halve gulden in de week en Derk woont bij een suikerbakker en verdient vijftien gulden in de maand. Daar heeft hij het goed. Hier is wel wat te verdienen die Engels kan verstaan.”.

Huwelijksadvertentie uit de Nieuwsbode in Sheboygan. Gerrit Willem Gossink was in 1848 met zijn ouders van het Gossink in Henxel vertrokken. Familie was elkaar ook wel eens kwijt getuige de onderste advertentie.

Het reizen ging toen al wat gemakkelijker. Vanaf 1872 was Cedar Grove per spoor bereikbaar vanuit Milwaukee. Op dat moment ging Cedar Grove groeien en het westwaarts gelegen haventje Amsterdam kwijnde weg.
In Oostburg diende Jan Willem te Winkel uit Clymer en hij was zojuist afgestudeerd aan het Western Seminary te Holland Michigan. Tussen 1869 en 1871 diende hij de First Reformed Church in Oostburg.
Jan Willem werd op 2-3-1823 in Corle geboren en kwam van de Bessink. Hoewel velen in Nederland de Staatskerk aanhoorden, zag men dat men in het nieuwe land overstapte. Zo werden Hendrik Vervelde en Jan Kortschot lid van de First Christian Reformed Church die duidelijke banden hebben en hadden met de Afgescheidenen in Michigan (1).


Berend werd geboren op 2 augustus 1828 en hij was knecht op Hijink in het Woold. In 1854 emigreerde hij naar Lima, Wis. Hier leerde hij Janna Berendina te Kronnie kennen. Zij emigreerde als dienstbode vanaf Roerdinkschoppe in het Woold in 1847. Ze hebben elkaar voordien al gekend. 

Bron:
⦁ Diamond Jubilee, First Christian Reformed Church Oostburg

WAUPUN / ALTO


Rond 1845 was het Albertus Meenk die een man uit Alto, Fond du Lac County in Wisconsin leerde kennen. Deze persoon nam hem mee en hij kon de omgeving en vooral de grond daar verkennen. Hij was onder de indruk van de vruchtbaarheid. Jan Willem Looman (uit Meddo) kwam via Milwaukee in deze omgeving terecht. Er volgden families als Duven, Straks, Lemmenes, Glieuwen… Mogelijke Meddose connecties die hier een rol speelden.
Jan Straks, geboren op 11 mei 1820 te Winterswijk en wonende op Dorp 108 kwam in 1847/1848 naar het grote land. Zijn dochter Johanna Boom Straks vertelde dat ze samen met haar zwager Matthias Duven in Waterville bij Milwaukee woonden en dat ze daarna doortrokken naar Alto. Jan Straks leerde in Waupun het smidsambacht. Op 2 juni 1851 trouwde Jan met Johanna van Weechel. Ze woonden in een blokhut op anderhalve kilometer ten zuiden van Alto. Het echtpaar had geen meubels dan alleen de dekenkisten die ze uit Nederland hadden meegebracht. Een tafel werd gemaakt door een brede plank aan het raam vast te spijkeren en er aan het einde twee poten onder te plaatsen. De bedden bestonden uit gedeelten in de muur (de bedstee).


 
De eerste kerk van Alto, Wis.; gemaakt door Willem Gijsbers op aanwijzing van zijn oom Gerrit Hendrik Gijsbers die in 1858 vanaf Dorp 333 naar Alto emigreerde.

De levensomstandigheden waren niet gemakkelijk, want Johanna vermeldde dat haar vader één keer per week met een span ossen naar Milwaukee moest om graan voor diverse winkels te halen. Al met al was zijn week hiermee gevuld. Tijdens de nachten sliep hij onder de wagen, want om ergens te overnachten was er niets. De familie had in de buurt nogal wat contacten met Lomans, Lemmenes ( alle Meddonaren) (1).

MICHIGAN


Degene die voor Michigan kozen zijn aanhangers van de Afgescheiden Ds. Van Raalte. G.W. Wilterdink werd zelfs de buurman van Van Raalte.

AANSLUITEN BIJ VAN RAALTE
Een klein aantal families uit de Achterhoek sloot zich aan bij Ds. Van Raalte. Hieronder bevonden zich de families van Harmen Jan Rooks geboren op …te Winterswijk en …..Esselinkpas, Wilterdink, J.W. Koyers, G. J.Rensink, Bloemers en H.J. Hesselink en enkele Wilterdinks. Agenten charterden de landverhuizers. Ds. A. Brummelkamp kwam regelmatig in Winterswijk. Vanuit Arnhem zetten ze een netwerk op om de emigratie te stimuleren.
De familie Rooks hielp mee met de bouw van de school in Holland, MI. (1). Het aandeel van Winterswijkers dat naar Michigan trok bleef klein. De Rooks familie vertrok naar Michigan. Jan Hendrik Siebelink van Veenhuis in Corle ging in 1856 naar Graafschap. Vermoedelijk samen met de familie van Jan Albert Willink die in augustus van het Bonenhuis in Huppel vertrok. Ze reisden met de George F.Patton vanuit Rotterdam. Jan Lamers (Dorp 341 – wever) reisde met drie personen naar Olive, Ottawa Co.

Bron:
⦁ Genealogie van Harmen Jan Rooks

MUSCATINE, IOWA


Een minderheid van de Winterswijkse emigranten koos voor Iowa. Van deze groep kozen de meesten voor Muscatine en omstreken.
In 1847 emigreerde Chr. Schoemaker (geboren 1818 te Winterswijk) naar Amerika en arriveerde op 5 februari in St. Louis. Met een lagere schoolopleiding toog hij in het nieuwe land onmiddellijk aan de studie. Onder begeleiding wist hij zich in twee jaar tijd tot dominee op te werken. Op 23 april 1849 was hij klaar en op 30 april 1850 zoekt hij via de Volksvriend zijn neef.

In 1850 kwam zijn moeder als gevolge van cholera te overlijden. In 1852 werd hij beroepen voor de First German Baptist Church in Buffalo, N.Y., maar in 1856 kwam hij naar Muscatine om zijn kerk Holland Baptist Church op te zetten aan de Fifth Street. G.J. Nijenhuis was er diaken. Ouderlingen waren J. Schoemaker, G.J. Nijenhuis (van Brinkheurne de Horst), J.W. Rauwerdink (van Stemerdinkhuisje in de Brinkheurne) en J.H. Verink (van Hijinkschoppe in Meddo). Een kleine groep Winterswijkers bleef bij elkaar (1). Vijf jaar later werd Chr. Schoemaker wederom beroepen te Buffalo om daarna in 1866 terug te keren. Door de westwaartse vestiging van immigranten kwam hij in 1872 in Concordia, Montana terecht. Na veertien jaar was hij weer terug in Muscatine om daar in 1906 te overlijden (2).
Herman J. Rauwerdink afkomstig van het Stemerdinkhuisje in de buurtschap Brinkheurne kwam terecht in Muscatine en bleef daar. Hij pleegde zelfmoord na een ruzie met de buurvrouw, omdat zijn kippen bij haar in de tuin liepen……(26 augustus 1906).
Willem Maas kwam in 1846 naar Muscatine (township Bloomington). Hendrika (zijn echtgenoot) overleed gedurende de bootreis over de Oceaan. 
HerManus Verink van de Hijinkschoppe uit Meddo volgt met zijn familie deels een eigen weg. In ieder geval verlieten ze Winterswijk in 1846 en bivakeerden in 1850 een jaar lang in Clymer, maar hij kwam in 1851 in township Lake uit; county Muscatine Iowa. 
Met zocht elkaar ook wel eens:

Op 17 december 1854 schreef H.J. Nijenhuis vanuit Muscatine: ‘Christiaan is aan het schrijnwerken en verdiend zoo ongeveer 1 dollar. En Willem en Jan Berend, die helpen Gerrit Jan toch timmeren. Wij zijn met een huis aan het opbouwen in de stad en Willem verdiend 1 dollar in de week en de kost, en Jan Berend 2 ½ in de week en de kost.’
Even verderop schreef hij: ‘Christiaan en Jan Berend hebben zich beiden een lot gekocht met een huis daarop, de groote van 60 voet breed en 40 voet lang, en dat kost 800 dollars, maar daar hebben zij een koe met een kalf bij , en drie zwijnen en om de 30 hoenders. Het is in de stad en hij woont er al in. En G. Jan, die heeft 2 koeijen en drie jonge ossen en nog 2 zwijnen en een paard. Dat heeft hij onlangs gekocht voor 50 dollars en dat was goedkoop, en een gewoon werkpaard kost 100 dollars.’

Het is opvallend dat ze al vrij snel tot een bepaalde welvaart geraken. Kennelijk trok dit meer Winterswijkers, want Nijenhuis schreef: ‘ dat is ten Steeg, Willem Rauwerdink, en H.J te Strake, die zijn vrouw is afgestorven, en nu is hij weer gehuwd met ter Steeg zijn dochter – en C. Resink en J. Freers…..Meerdink en ….J.H. Stemerdink en J.A. Schreurs en J. Schoemaker. En J.H. Veerink en nog alle eenige meer en dan de Hollanders die met ons zijn gekomen, en het gaat haar alle zeer goed, en zij wonen alle kort bij ons. ‘
Het feit dat ze steun bij elkaar konden vinden, telde kennelijk zwaar.
Op 20 juli 1856 werd de Holland Baptist Church opgericht aan de Fifth Street in Muscatine (3).


Bron: Flickr – collectie Yvette Hoijtink
Familie Schoemaker

Bronnen:
⦁ Roots Muscatine – City Directory)
⦁ Muscatine Journal d.d……
⦁ Muscatine Journal d.d. 17-11-1906



Muscatine tussen 1850 – 1875
In juli 1855 trok Christiaan Heesen vanuit de boerderij Wiggers in Ratum met zijn familie naar Muscatine in Iowa. Kennelijk ging het hem goed, want hij schreef op 1 maart 1866 zijn broer Gerrit Willem.

‘Wij hebben verleden zomer in elf uur 42772 voet dennenplanken gezaagd. Ik had per dag 175 cent, laatsten zomer verdient 361 dollar.’

Op 16 maart 1870 schreef hij zijn broer wederom. Na een aantal wetenswaardigheden over de uitbreidingen in de familie schreef hij over de weersomstandigheden..
‘Verleden zomer is hier veel vruchten gewas en wij hebben veel nat weer gehad en dus de kwaliteit over het algemeen niet stik zoo goed. Ik heb 20tig bussel wijte gekocht van J.W. Bekerink voor 31 cent per bussel, dat is 60 pond. Die had veel aan de grond gelegen, ik heb die laten maien voor de koei en varkens. Ik heb vier varkens geslacht en eene halve koe bijgekocht voor 7 cent het pond, de varkens hier schoon 10 cent. ….prijs wijten meel 1 ½ cent; boekwijten 5 cent en boter 25 cent het pond. Aardappelen 25 cent den bussel als bij u Over het algemeen wordt hier meer vlees en spek gebruikt en vet. 
Hier is deze winter niet veel werk geweest. De vette varkens worden hier veel zoo met spoorwaagens weggestuurd; dat is veel schade hier voor de werkmensen, en de pakhuizen hier al enige jaren niet veel mee gedaan.’
Het was hardwerken voor Christiaan Heesen. Het was dan prettig dat hij in die omstandigheden een beroep kon doen op oude bekenden als Jan Willem van Gent die in 1868 was over gekomen. Christiaan meldt dat Jan Willem van Gent hem zeven dagen heeft geholpen met het maken van kachelhout. Jan Willem woonde op de Vossevelder in de Dorpsbuurt (red. nu Vosseveld). Martinus van Gent die op dezelfde boerderij als Christiaan had gewoond was in 1864 al gearriveerd. Christaan meldde in zijn brief: ‘M. Van Gent werkt hier in een winkel; hij brengt de winkelwaren rond met een paard en wagen. Hij is nog bij mij in kost en zuster Elsjen doet nog mijn huiswerk, en mijne kinderen beginnen ook al wat mede te helpen tussen schooltijd. Zij leren goed en wassen goed op.’

Zijn loon was toen 1,75 dollar per dag naar twee dollar gestegen. Technisch vermeldde Christiaan nog de volgende zaken.
‘Onze zaagmolen is al zoveel verbeterd wat wij in elf uur tijds al 55000 voet in planken en bestekhout hebben gezaagd. Dat was de beste dag. Gewoonlijk zagen wij 40 tot 45000 voet per dag dennen hout. Daar zagen 86 zagen tegelijk op en neer in enne minuut, maar dat te gauw; die brak zo vaak en wordt nu weer veranderd.’

Later trok hij naar Vesper in Wisconsin.
Er moest via correspondentie van alles worden geregeld o.a. een erfenis.

Brief C Schoemaker

‘Muscatine, 15 maart 1871


Zeer geachte zwager en zwagerin en uwe Kinderen.
Onze bede is dat u deze letteren in evengelijken welstand mogen aantreffen asl zij ons verlieten. Ik twijfel niet of gij zult niet vragen GJ Nijenhuis brief gezien te hebben hoe of het ons nog ging en dat onze Famielije weder met een zoon vergroot is dat mij mijne vrouw op de 11. September 1870 geboren heeft. Al onze Kinderen, 7 in getal, 6 jongens en een meisje doen en zijn allen wel. Ook de overige Famielij als vader en Moeder Nijenhuis zoo ook de broer en Zusters en Kinderen zijn wel. De Reden waarom ik juist ……….is wel bijzonder daarom. Er is hier een man AB Carpenter genaamd wiens vrouw voorouders uit Holland afstammen. Deze man heeft vernomen dat zijn vrouws overgrootvader, Lambartus Scheely genaamd in Amsterdam woonachtig geweest zijnde, en voor ongeveer 30 35 jaar overleden zijde, eenige duizende (eene groote som geld) gedeponeerd heeft. Het Gouvernement van Holland bij Testament nalten voor zijn Famielij hier die uit zeven en nog levende Erfgenamen bestaat. Deze Erfgenamen mogten weten of dat geld werkelijk daar is, en welke weg zij moeten inslaan om dit geld te verkrijgen. Wilt gij Zwager de goedheid hebben en vragen een bij een Notaris bij u na wat er gedaan kan worden voor nadere wetenschap van verzegeldeTestament en nalatenschap en erlangen of dat de Notaris zelfs daarnaar mogt onderzoeken. JB. Carpenter is gewillig en ook vermogend de daarop komende onkosten te betalen. Wilt gij zoo goed zijn laten mij zoo spoedig mogelijk antwoord op dezen toekomen. En eens wat deze Erfgenamen hier mochten weten si
⦁ hoe groot de Som is
⦁ hoe lang het op Intrest gestaan heeft
⦁ Wat voor hun de beste weg is het te verkrijgen.
De naam des Testateurs in Amsterdam woonachtig zijnde is Lambartus Scheely van deze Scheely´s zijn er hier namelijk 7 broeders en zusters, wier overgrootvader hij (nl. Lambartus Scheely) moet zijn geweest. D
Nu aangaande onze eigene zaken. Moeder was juist dezen namiddag nog hier aan ons huis en zei zij hadden gehoopt met Nieuwjaar al een brief weer van u gehad te hebben maar tot nog toe gen – ook van Simmelink, wat is toch de reden. Geliefde broeders en zuster ik mocht alleen in het voorbijgaan nog opmerken dat gij ons een groot genoegen doen zoudt ons spoedig te antwoorden en terwijl ik besluit mogt u op een woord der Heilige Schrift aanwijzen ter uwer ernstige overdenking namelijk Joh:3:7 vraag waar ben ik wedergeboren? God geve en licht en genade te hooren en te verstaan tot Zaligheid. Amen.
U hartelijk groetend van de geheele famielij – en bijzonder van vader en moeder – van mijne vrouw, kinderen verblijf ik u hoogachtend in uw in liefde gedenken
Zwager en vriend C Schoemaker.

Met br J.D. Heezen en Famielij van ons allen.’


Opvallend zijn de familieconnecties met Winterswijkse achtergrond.

NEBRASKA


DE VERDERE TREK NAAR NEBRASKA 
Vanuit Wisconsin sprongen een aantal Winterswijkers verder naar het Westen en wel naar Holland in Lancaster County, Nebraska, waaronder Jan Willem Leefferdink die in 1847 was vertrokken van Nienhuis in Meddo. In de begintijd werden de kerkdiensten bij Leefferdink gehouden. In 1870 werd de Classis van Wisconsin benaderd om Jan Willem Dunnewold te beroepen. Deze kwam op 25 juni 1870 om de kerk verder op poten te zetten. Christiaan Gijsbers en E.B. Reimes (Jan Albert van het Ganzenhuis in Corle; emigreerden in 1867) werden ouderling en Leefferdink diaken. De gemeente bestond uit 41 leden. Dunnewold zette alles wel op, maar wilde niet als permanente voorganger functioneren. Vervolgens werd Jan Willem te Winkel benaderd. Er moest een gebouw komen en Derk Obbink die in 1866 van Hanenhuis in Corle was geëmigreerd naar Sheboygan County, haalde met een ossenspan het nodige materiaal. En zo kwam er een tweede Dutch Reformed Church in Holland, Nebraska.
Te Winkel ging de gemeente vier en een half jaar voor en in die tijd werden er twee kerken en een dominee’s huis gebouwd. Te Winkel werd als een leider gezien van deze kerk in de nieuwe kolonie. Jan Willem te Winkel kocht 160 acre land van de spoorwegmaatschappij. Te Winkel ging uiteindelijk terug naar Clymer (1).
Het is opvallend dat ook hier de oude contacten van Winterswijkers werkten om vooral nieuwe emigranten te kunnen steunen.

Bron:
⦁ Historische Schets van de Clymerhillkerk

IOWA – SIOUX COUNTRY

De trek naar Orange City; Sioux County, Iowa kwam in 1869 op gang. De gemeenschap in Sioux Center ontstond vooral door de doortrekkers. H.W. Rensink, Antonie Rensink, Gerrit Wesselink, D.H. Wesselink, G. Kempers, die kwamen van Greenleafton in Minnesota. Weliswaar zijn dit namen uit Aalten en Dinxperlo, maar het geeft een goed inzicht in hoe men reisde. De groep was drie weken onderweg. Een persoon had een span paarden, maar de rest had ossen. Verder dreven ze vee met daarbij een aantal melkkoeien. De voorraad bestond uit heel veel gedroogd brood, vlees en ander voedsel. De koeien gaven veel melk na het begrazen van de prairie. ’s Zondags werd er gestopt om de rustdag te vieren. H.W. Beernink kwam per trein met vrouw en twee kinderen uit het oostelijke deel van Wisconsin (1). Het waren allemaal homesteaders, die in een gebied kwamen waarin 1871 nog slachtingen van indianen hadden plaatsgevonden (2).

Bron:
⦁ Written by Gustav Adolph Bade
Lincoln, Nebraska, July 8, 1938 – hoofdstuk 5
⦁ Charles Dijke – The Story of Sioux County, Iowa

CLEVELAND EN CINCINNATTI

ROOMS KATHOLIEKE ENCLAVE IN CLEVELAND
Rond 44 personen uit Winterswijk emigreerden met meerdere katholieken uit de omliggende plaatsen in de Achterhoek naar Cleveland. Zij sloten zich aan bij de St Stephens Church. Volgens Swierenga hielden de Nederlanders zich tezamen door middel van hun geloof en niet zoals in andere delen door nationaliteit. In Cleveland trokken de katholieke Achterhoekers naar de Duits getinte St Stephens parochie (tussen 1835 en 1865). De familie van Hermanus Bernardus Wamelink uit Aalten mag beschouwd worden als een pionierfamilie die zich vestigde aan de zuidoostzijde tegen de zuidelijke centrum grens van Woodland Avenue (1). De groei van de Nederlandse katholieke gemeenschap kwam vanaf 1849 toen een groep van 37 mensen uit Winterswijk arriveerde. We vinden deze emigranten terug bij de St Stephen’s Church in Cleveland, want daar komen we huwelijken en dopen tegen met een hoog Oost Geldersgehalte.
De familie Bekmans arriveerde al in 1845 en vestigde zich in East Cleveland. Harmanus Holkenborg van de Voorde uit Meddo volgde in 1846 met zijn moeder en zijn broer Hendrik Jan.
Volgens Prof. Swierenga werd deze groep geleid door ene hoefsmit Gerrit Jan ten Pas. Dit lijkt mij niet aannemelijk, want ten Pas is in Winterswijk een protestantse familie en een hoefsmit met de naam ten Pas komt in de emigrantenlijst van de gemeente niet voor. Deze RK-groep groeide later aan tot plusminus 86 personen. We komen namen tegen als Wessing, Haverdil, Hageney, Hones, ter Woord en Plekenpol.
Ze hadden geen contact met de protestantse Achterhoekers, die vanaf 1846 aankwamen en zich eveneens vestigden in de buurt van de katholieke streekgenoten. Hendrik Jan Roosen met zijn gezin was één van de eersten. Met name in 1866 kwam er een betrekkelijke groep van 14 protestanten uit Winterswijk aan (Nijenhuis, Konings). Rond 1870-71 kwam zelfs een grotere groep uit de Achterhoek als gevolge van de oorlogsdreiging die de Duits-Franse oorlog had veroorzaakt. Rond deze tijd was de helft van de Nederlandse emigranten in deze grote stad afkomstig uit de Achterhoek. 
De groepen vinden we hoofdzakelijk in het westelijke deel van Cleveland tussen respectievelijk West 14th (Jennings) and West 25th (Pearls); langs de Holmden Avenue en meer westwaards dat ‘Wooden Shoe Alley” werd genoemd (langs Lorain Ave vanaf West 54th (Courtland ) to West 65th (Gordon) Streets. Hier waren winkels en zaken om de Nederlandse bevolking te voorzien (2).


Bronnen:
⦁ Prof. P Swierenga – Faith and Family – Dutch Immigration and Settlement in the United States, 1820-1920.
⦁ Prof. P Swierenga – Faith and Family – Dutch Immigration and Settlement in the United States, 1820-1920.



Lees verder

Brieven van emigranten

De Nederlandse taal

Vanaf 1917 toen de V.S. aan de Eerste Wereldoorlog gingen deelnemen, werden de Duitse en Nederlandse taal daar verboden. Kinderen moesten vanaf dat moment Engels leren. In de First Christian Reformed Church te Oostburg werd de laatste dienst in 1942 nog in het Nederlands gehouden (Diamond Jubilee van de kerk).De contacten gingen toen langzamerhand over in het Engels. Soldaten die na de Wereldoorlogen hun roots opzochten, maar ook de toeristische reizen vingen aan.
Natuurlijk bleven er hier en daar contacten, want niet iedereen gooide brieven weg.

Een mooi voorbeeld komt van Calvin Kortschot uit Lafayette in Indiana. Hij schrijft in zijn boek ,,A Lifetime Of Investing” hoe hij als nazaat van de Korschots uit Clymer in 1954 zijn verre verwanten op Rensink Kortschot in Miste opzocht:
,,Doordat geen van de familieleden Engels kon spreken, vergezelde een leraar voortgezetonderwijs ons naar het huis. Het was blijkbaar een grote gebeurtenis in het leven van deze mensen. Zij hadden werkelijk geen idee wie ik was en wat ik kwam doen. Later vertelden zij mij dat toen ze me voor het eerst zagen met het U.S. Navy-uniform dat ze dachten dat ik een lid was van het Nederlands Koninklijk Huis”. 
Natuurlijk zijn er diverse mensen in Winterswijk die contacten blijven onderhouden met hun verre verwanten in de States. Een hoogtepunt in het contact waren de uitwisselingen van de Clymer Kotten Connection in 1981. Een groep van rond de vijftig personen uit Clymer kwam naar Kotten. Zes jaar later kwam er nogmaals een groep.

Lees verder

The Phoenix-disaster

The Phoenix-disaster, November 21, 1847

Text: Bep Godthelp-Boeijink, Winterswijk – Henk te Kulve, Winterswijk
Translation: Wietske Veenhuis, Edinburgh

Due to the bad economic conditions throughout Europe, thousands of Dutch immigrated to America in the 19th century.
In August 1847, 84 citizens from Winterswijk, including 48 children, said their goodbyes to family, friends and acquaintances and visited their churches, schools and the cemeteries for the last time.
On 6th November 1847, after a journey of 7600 km full of hardship, they were only a mere 6 kilometres from their final destination. But suddenly there was a loud explosion on the ship when one of the kettles caught fire. 166 Emigrants, including 86 children, perished in the fire and the freezing water of the Michigan Lake. Only (ten) citizens from Winterswijk survived the disaster. Let’s we forget.

In the 19th century thousands of citizens of Winterswijk left for America, especially in the years between 1841 and 1847. In 1846, 32% of Dutch emigrants were from Winterswijk. In 1847, 357 citizens, including the later victims of the Phoenix, left.
Why did they leave home, family and friends for an unseen future?
Some people already had family across the ocean and were inspired by the enthusiastic letters and calls to come to America. Others had friends just across the border in Germany who had emigrated.

Life in Winterswijk in those years was hard. There wasn’t much work and the harvests had recently failed. The government raised high taxes causing food prices, like bread, meat, but also beer, wine and gin, to drastically go up. Also other taxes were repeatedly increased, such as tax on property, the so-called verponding. Some of the emigrants were from separated Christian Churches. A few ministers, Rev. Brummelkamp and Rev. Van Raalte, were very much loved in this group. They wrote a brochure in 1846: ‘Land Relocation, or why do we promote the Land Move to North America and not to Java?’
This writing was widely read and made a great impression. These reverends set up the Christian Association for Land Relocation and funds were formed, allowing the poor to leave for the Promised Land.

The many farmers from Winterswijk heard that in America after five years work you could own your own farm (Homestead Act – after 1862).
Due to emigration, the countryside was partially depopulated in Winterswijk.
Large groups of Winterswijkers said goodbye to their relatives who remained, knowing that they would probably never see each other again. The emigrants visited their neighbours, friends and acquaintances before they left and would go and see familiar places, such as the school, the church and the cemetery where relatives were buried. They sold the belongings they did not needed anymore or could bring along. They bought a lot of food for the long journey and the necessary tools for their future stay.

After the difficult farewell, the emigrants left with all their belongings on a horse drawn cart to Arnhem and then by boat to Rotterdam, where they bought a ticket for the crossing.

The voyage across the ocean was not without danger: fog, storm, fire and fights due to lack of privacy could make the trip more difficult. Many accidents happened and ships perished at sea. Contagious diseases, bad food and spoiled water caused people to die on board. Their problems were not over yet on arrival in New York. In the overcrowded city they had to deal with scammers who offered accommodation and transportation at ridiculous prices.

Of course there were thieves, around so that some emigrants were left penniless within a couple of days. Work was hardly available for the Dutch farmers, wage workers and weavers, so it took a long time to finally reach the intended final goal of Clymer, N.V., Michigan, Wisconsin or Iowa. The long trip to Buffalo over land, sometimes plagued by heat or batters, but also by snow, hail and ice proved to be another challenge. In Buffalo, they boarded a ship for the last part of the trip: across Lake Huron and Lake Michigan.

In November 1847, 84 emigrants from Winterswijk traveled on board the two-year-old steamship Phoenix to their final destination Sheboygan in Wisconsin. The ship had a heavy load and there were probably too many passengers. Most travelers tried to sleep a little, despite bad weather, storm and high waves. The captain had retired in his cabin because of a painful leg. A few more hours to go and they would be at their destination.

After a while some passengers heard strange noises and smelled a strange smell coming from the boiler room and warned the crew. The crew told them to mind their own business and don’t interfere. 
Suddenly an explosion was heard in the engine room, after which a fire broke out. The passengers panicked and ran to the lifeboats. However, there were not enough and the ship sank fast. People jumped into the freezing waters and drowned by the suction of the sinking ship. A girl quickly ran back inside to take clothes for her baby sister and burned. Another child screamed, “Oh mother, help me!”

Among the casualties were 15 crew members and 163 passengers, including 74 citizens from Winterswijk. A disaster had taken place, in sight of the port!

Later, when trying to investigate the cause of the sinking of the Phoenix, eyewitnesses reported that some crew members were drunk the evening of the accident, others said that passengers had been careless with their cooking appliances. Months later, Winterswijk received a message of this terrible accident. During the church services in Winterswijk money was collected for the survivors, a total of 70 guilders and 35 cent.

Lees verder

Phoenixramp


De ramp met de Phoenix, 21 november 1847

Tekst: Bep Godthelp-Boeijink, Winterswijk – Henk te Kulve, Winterswijk

In de 19e eeuw vertrokken duizenden Winterswijkers naar Amerika, vooral in de jaren 1841 t/m
1847. In 1846 waren 32 % van de Nederlandse emigranten afkomstig uit Winterswijk. In 1847 vertrokken 357 Winterswijkers, waaronder de latere slachtoffers van de Phoenix.
Waarom verlieten zij huis en haard, familie, vrienden en kennissen voor een ongewisse toekomst?
Sommige mensen hadden reeds familie aan de overzijde van de oceaan en kregen enthousiaste
brieven en oproepen om naar Amerika te komen. Anderen hadden vrienden net over de grens in
Duitsland, die geëmigreerd waren.
Het leven in Winterswijk in die jaren was moeilijk en zwaar in die jaren. Er was weinig werk, (en) de
oogsten waren slecht. De regering hief hoge belastingen waardoor de prijzen van levensmiddelen,
zoals brood, vlees, maar ook bier, wijn en jenever, drastisch omhoog gingen. Ook andere belastingen
werden keer op keer verhoogd, zoals belasting op bezit, de zgn. verponding. Een deel van de Winterswijkse emigranten waren Christelijk Afgescheidenen. Een paar predikanten, ds. Brummelkamp en ds. Van Raalte, waren zeer geliefd in deze groep. Zij schreven in 1846 een brochure: ‘landverhuizing, of, waarom bevorderen wij de landverhuizing wel naar Noord-Amerika en niet naar Java?’ 
Dit geschrift werd veel gelezen en maakte grote indruk. Deze dominees richtten de Christelijke Vereniging voor landverhuizing op en er werden fondsen gevormd waardoor ook de armen konden vertrekken naar het beloofde land.
De vele Winterswijkse pachtboeren hoorden dat men in Amerika na vijf jaar werken een eigen
boerderij kon krijgen (Homestead Act – na 1862).
Door de emigratie raakte het platteland van Winterswijk gedeeltelijk ontvolkt.
Grote groepen Winterswijkers namen afscheid van hun familieleden die achterbleven, in de wetenschap dat ze elkaar waarschijnlijk nooit terug zouden zien. De emigranten bezochten voor hun
vertrek hun buren, vrienden, bekenden en gingen nog even naar bekende plekjes, zoals de school, de
kerk en de begraafplaats waar familieleden begraven lagen. Ze verkochten hun spulletjes die ze niet
meer nodig hadden of konden meenemen. Zij kochten veel voedsel voor de lange reis en het nodige
gereedschap voor hun toekomstige verblijf.
Na het moeilijke afscheid vertrokken de emigranten met hun hebben en houden, veelal per
boerenwagen naar Arnhem en vervolgens per binnenschip naar Rotterdam, waar ze een kaartje kochten voor de overtocht.
De reis over de oceaan was niet zonder gevaren: mist, storm, vuur, ruzies door gebrek aan privacy, er gebeurden veel ongelukken en schepen vergingen met man en muis. Door besmettelijke ziekten, slecht voedsel en bedorven water stierven mensen aan boord voor ze aan de overkant van de oceaan waren
gearriveerd. Hun problemen waren bij aankomst in New York nog niet voorbij. Men kreeg soms te
maken met oplichters die tegen woekerprijzen logies en vervoer aanboden. 
Natuurlijk liepen er ook zakkenrollers rond zodat sommige emigranten snel platzak waren. Werk was er vervolgens nauwelijks te vinden voor de Winterswijkse landbouwers, loonwerkers en wevers, zodat het lang duurde voor men eindelijk naar het voorgenomen einddoel Clymer, N.V., Michigan, Wisconsin of Iowa kon trekken. Want er volgde nog een lange reis naar Buffalo over land, soms geteisterd door hitte of slagregens, maar ook door sneeuw, hagel en ijzel. In Buffalo scheepte men zich in voor het laatste gedeelte van de tocht: over Lake Huron en Lake Michigan.
In november 1847 reisden 84 Winterswijkse emigranten aan boord van het twee jaar oude
stoomschip Phoenix naar hun eindbestemming Sheboygan in Wisconsin. Het schip was zwaar
beladen en er waren veel passagiers. De meeste reizigers probeerden nog een beetje te slapen, ondanks het slechte weer, storm en hoge golven. De kapitein had zich in zijn kajuit teruggetrokken wegens een pijnlijk been. Nog enkele uren te gaan en men zou op de plaats van bestemming zijn. 
Na een tijdje hoorden enkele passagiers rare geluiden en roken vreemde luchtjes in het ruim bij de ketel en waarschuwden de bemanning. Die zeiden dat ze zich met hun eigen zaken moesten
bemoeien. Plotseling hoorde men een ontploffing bij de machinekamer, waarna er brand uitbrak. De reizigers raakten in paniek en renden naar de reddingsboten. Er waren er echter niet genoeg en het schip zonk snel. De mensen doken het ijskoude water in en verdronken door de zuiging van het zinkende schip. Een meisje rende snel naar het ruim om kleertjes te halen voor haar babyzusje en verbrandde. Een ander kind gilde: ‘O mooder, help mi-j toch!’
Totaal kwamen er 15 bemanningsleden om en 163 passagiers, waaronder 74 Winterswijkers. Een
ramp in het zicht van de haven!
Later werd geprobeerd de oorzaak van de ondergang van de Phoenix te onderzoeken. Ooggetuigen
meldden dat sommige bemanningsleden dronken zouden zijn, anderen zeiden dat passagiers
onvoorzichtig waren geweest met hun kooktoestelletjes.
Maanden later kreeg men in Winterswijk bericht van dit verschrikkelijke ongeluk. Tijdens de
kerkdiensten in Winterswijk waren er collectes voor de overlevenden: opbrengst 70 gulden en 35
cent.

Op 21 november 1847 deed zich op het Michiganmeer voor Winterswijk een ongekende scheepsramp voor die bekend staat onder de Phoenixramp. Hierbij kwamen vele Winterswijkers om het leven. Van de 74 Winterswijkse slachtoffers kwamen er 25 uit de buurtschap Kotten. Preciezer gezegd: uit de Plantenhoek . Ze maakten deel uit van de Afgescheidenen. In totaal kwamen er 151 mensen. Zie link Phoenix
Om dit enigszins op te vangen, vertrok men natuurlijk het liefst met vrienden, bekenden, buren enz. In augustus 1847 vertrokken op deze manier ook een vijftal naobers uit de Plantenhoek. Ze reisden met Afgescheidenen uit Ratum, Miste en Het Woold naar Rotterdam en scheepten zich daar in en voeren naar Engeland. Over land reisde men naar Liverpool om vandaar de oversteek te wagen naar New York.
Van hieruit ging men verder en ze moesten tenslotte met hun schamele bezittingen met een veerboot het Michiganmeer oversteken.

`s Nachts deelden enkele Nederlanders , die niet slapen konden aan de bemanning van deze veerboot ‘Phoenix’ mee dat ze iets branderigs roken. De blijkbaar onder invloed van drank-verkerende bemanning antwoordde, dat dit normaal was. Dat was het helemaal niet, want slechts enkele kilometers uit de kust Sheboygan brak brand uit. Het aantal reddingssloepen was veel te klein en in het ijskoude water, het was eind november, kwamen een paar honderd mensen om. Veel van deze passagiers kwamen uit de Plantenhoek.





De Stroete:
Hendrik Jan Siebelink geb. 23 – 8 – 1806
echtgen. Johanna ten Broeke geb. 17 – 5 – 1803
kind. Janna Geertruid geb. 7- 1 – 1835
Gerrit Jan geb. 17 – 9 – 1838
knecht: Jan Hendrik Oonk geb. 28 – 11 – 1828
H 11 Slotboom_ Joosthuis: 
Jan Willem Oonk* geb. 8 – 7 – 1795
echtg. Janna Gesiena Damkot geb. 19 – 4 – 1796
Jan Willem geb. 10 – 1 – 1821
Johanna* geb. 1 – 9 – 1825
Harmina* geb. 19 – 1 – 1832
Janna Hendrika* geb. 17 – 2 – 1835
Steven Jan. geb. 23 – 4 – 1838
H 12 Wilterdink: 
Derk Jan Wilterdink geb. 2 – 3 -1806
Hanna Theodora Verink geb. 11 – 11 -1815
Anna Willemina geb. 7 – 5 -1842
Gerrit Hendrik geb. 24 – 7 -1845
H 12a Wilterdink – Huisje
Gerrit Jan Oonk geb.10 – 12 -1814
echtg. Harmina Hesselink geb.22 – 8 -1806
kind. Jan Willem geb.26 – 8- -1841
Gerrit Jan geb. 9 – 5 -1844
H 14 Aalberink: 
Teunis Koffers geb.15 – 1 -1795
echtg. Berendina Damkot geb. l6 – 6 -1793
kind. Gerrit Jan geb.18 – 1 -1820
Tobias (vertrekt wel apart) geb.26- 3 -1823
Janna Berendina geb. 6 – 2 -1826
Johanna Hendrika geb.25 – 5 -1835
Tevens zijn vermoedelijk meegereisd: 
H11 
Janna Geertruida Oonk (meid) geb.13 – 7 -1828
Gerrit Jan Grevers (knecht geb.16 – 2 -1821
H 12 Wilterdinkhuisje 
Wed, Anna Willemina Wilterdink geb. 17 5 – 1778
(moeder van. Derk Jan Wilterdink) 
Pelkwijkhuisjen, Dorpbuurt 10 
Jan Albert Sikkink Geb. 19 11 1811
Aleida Weenink Geb. 8 01 1806
Tobias Geb. 24 02 1835
Johanna Hendrika Geb. 3 07 1837
Jan Derk Geb. 7 04 1839
Jan Berend Geb. 17 09 1842
Janna Aleida Geb. 18 04 1846
Meid: Theodora Willemina Dulmers Geb. 30 04 1817
Onninkhuisjen, Ratum 14 
Hendrik Willem Onnink Geb. 24 02 1818
Hendrika ten Haken Geb. 3 08 1823
Janna Geertruida Geb. 13 04 1843
Hendrik Jan Geb. 2 06 1844
Berendina Willemina Geb. 21 02 1845
Knecht: Jan Reessink Geb. 20 01 1828
Gribbroek, Huppel 7 
Gerrit Jan Geurkink (vrouw overleden 1844) Geb. 11 05 1805
Janna Willemina Geb. 19 01 1826
Stijntjen Geb. 6 12 1827
Janna Berendina Geb. 3 02 1836
Jan Hendrik Geb. 16 06 1838
Jan Willem Geb. 21 02 1841
Heemink, Huppel 21 
Hendrik Willem Kooyers Geb. 6 02 1801
Janna Berendina Wilterdink Geb. 27 01 1800
Engelina Johanna Geb.25 03 1835
Berend Willem Geb. 27 07 1836
Vonderhuis, Miste 25 
Hendrik Jan Nijweide Geb. 16 03 1811
Dora Gesiena Voskuil Geb. 12 11 1811
Janna Hendrika Geb. 1 08 1837
Jan Willem Geb. 24 12 1839
Berendina Geb. 25 02 1842
Engelbarts Geb. 11 11 1843
Christina Gen. 18 10 1845
Lammershuisjen, Woold 84 
Johanna Berendina ten Pas (echtgenoot Jan Berend Esselinkpas overleed gedurende de overtocht met de France) Geb.9 03 1809
Steven Jan Geb. 6 11 1836
Hendrika Geb. 14 12 1837
Janna Geertruid Geb. 4 08 1840
Willemina Geb. 12 02 1842
Jan Hendrik Geb. 13 03 1844
Smalbraak, Huppel 6 
Hendrik Jan Wilterdink * Geb. 19 05 1812
Janna Willemina Meenink Geb.31 03 1813
Gerrit Jan Geb. 29 02 1836
Janna Gesiena Geb. 19 04 1838
Jan Albert Geb. 4 04 1840
Berend Willem Geb. 23 12 1844
Jan Hendrik Geb. 3 05 1846
Meid: Willemina ten Dolle* Geb. 25 07 1829
Willink-Kempe, Ratum 
Tobias Hendrik te Winkel Geb.31 05 1840
Gerrit Jan Geb.16 01 1842
Janna Geertruida Geb.5 04 1844
Gerrit Willem Geb.10 10 1846
Meid: Berendina ten Haken (neemt de bovenstaande kinderen mee; ouders worden genoemd in de census van 1860 te Holland,Wis.) Geb. 11 10 1820
Hijink-pas, Woold 11 
Geertruid ten Haken Geb. 1 11 1828
Maathuis, Kotten 82 
Hendrik Jan Esselinkpas* Geb. 22 12 1812
Haverkamp, Kotten 80 
Berendina Willink* Geb. 5 04 1811
Meerdink-Nijhuis, Woold 55 
Harmen Jan Reuselink* Geb. 4 09 1815
Voskuil, Miste 57 
Dirk Antony Voskuil* Geb. 11 05 1817

Lees verder

Scheepslijsten

Emigratieschepen met Winterswijkers
Waar verder geen plaatsen zijn vermeld is Rotterdam de haven van vertrek en de New York de haven van de aankomst. De vermelde datum is de datum van aankomst. Namen zijn niet altijd geschreven zoals we in het Nederlands gewend zijn. Soms is het verbasterd, of wordt het zelfs fonetisch weergegeven. Er zijn ook personen die wel uit Winterswijk kwamen, maar worden aangeduid als zijnde afkomstig uit bijv. Bavaria. Dit verschijnsel zien we vaker


⦁ Hoop 27-7-1844
⦁ Fanny 25-6-1845
⦁ Chesapeak 1845
⦁ Caledonia 3-10-1845
⦁ Caledonia 16-7-1846 Boston
⦁ Chesapeak 14-3-1846 New Orleans
⦁ Scotia 2-4-1846 New Orleans
⦁ Hector 17-9-1846
⦁ Garonne 18-9-1846 Baltimore
⦁ Herald 18-9-1846
⦁ Amicitia (Antwerpen) 12-9-1846
⦁ Suberb (A’dam) 18-9-1846
⦁ Fanie 7-1-1847 
⦁ Chesapeak 20-1-1847
⦁ Johan Jacob 24-4-1847 Baltimore
⦁ Ceres 7-7-1847 of sept?
⦁ Hoop 27-7-1847
⦁ Manchester of Philadelphia 9-8-1847
⦁ Rose Standish -9-1847
⦁ Fanny 7-10-1847
⦁ Wenham 9-10-1847
⦁ Audobon (Londen) 11-10-1847
⦁ France 26-10 1847
⦁ Angelique (A’dam) 29-5-1848
⦁ Wallace of Boston 19-8-1848 Boston
⦁ Creslo of Bremen 25-6-1849 Philadelphia
⦁ Protheus Nieuwdiep 6-7-1849
⦁ Elisa Denison 29-10-1849
⦁ Rhine 9-7-1851
⦁ Victoria 30-3-1852
⦁ Cotton Planter 29-9-1852
⦁ Mississippi of Demarara 12-5-1854
⦁ Leila 30-9-1854
⦁ J.E. William 25-6-1855
⦁ Cumberland 24-8-1855
⦁ Alexander 24-9-1855
⦁ Revenu 12-6-1856
⦁ South Carolina 22-7-1856
⦁ George F Patton 29-9-1856
⦁ Richard Morse (Antwerpen) 29-9-1856
⦁ Edwina 16-10-1856
⦁ E Bulkley 2-4-1857
⦁ Arnold Boninger 2-7-1857
⦁ E Bulkley 4-9-1857
⦁ John H Ryerson (Antwerpen) 10-9-1857
⦁ Casilda 30-10-1857
⦁ Harsteijn (Antwerpen) 15-9-1858
⦁ David Steward 2-7-1860
⦁ Austrian (Liverpool) 13-7- 1860 (New Orleans
⦁ Antoinette 12-10 1860
⦁ Duisburg 16-6-1866
⦁ Agnes (Antwerpen) 16-7-1866
⦁ Arnold Boninger 11-9-1866
⦁ Ericson (Antwerpen) 17-10-1866
⦁ Nestorian 15-5-1867
⦁ Acadia of Glasgow 27-5-1867
⦁ Philadelphia (Liverpool) 31-8-1867
⦁ Louisiana (Liverpool) 7-6-1869
⦁ Nestorian 19-7-1869 (Quebec)
⦁ Siberia of Glasgow (Liverpool) 26-7-1869
⦁ Tripoli of Glasgow 1869
⦁ Austria (Liverpool) 9-5-1871 Quebec
⦁ Prussian 8-1871 Montreal
⦁ Italy (Liverpool) 23-4-1872
⦁ Batavia (Liverpool) 31-6-1872
⦁ Maas 12-8-1873
⦁ Castor 9-5-1873
⦁ Rotterdam 20-5-1873
⦁ Minnesota 9-7-1873
⦁ Nevada (Liverpool) 23-6-1874
⦁ Wyoming (Liverpool) 4-11-1876
⦁ W.A. Scholten 2-4-1877
⦁ Schiedam 8-5-1879
⦁ P Caland 19-7-1879
⦁ P Caland 14-6-1880
⦁ Amsterdam 9-7-1880
⦁ Stella (A’dam) 6-2-1881
⦁ Pollux (A’dam) 11-7-1881 Buffalo
⦁ Castor 8-1881
⦁ Amsterdam (A’dam) 28-8-1881
⦁ Schiedam (A’dam) 30-5-1882
⦁ Amsterdam 3-7-1882
⦁ Zaandam 30-3-1883
⦁ Zaandam 23-7-1883
⦁ Leerdam (A’dam) 27-8-1883
⦁ Edam 8-7-1884
⦁ Pollux (A’dam) 11-7-1884 
⦁ Edam (A’dam) 21-6-1886
⦁ Noordland (Antwerpen) 23-11-1887
⦁ Obdam 1889

Lees verder