oudwwijk
Digitaal erfgoed

Zuid-Amerika

Emigratie naar Zuid-Amerika

De emigratie naar Zuid-Amerika is voor Winterswijk slechts een fractie op de ruim 2600 die tussen 1839 en 1890 naar de V.S. emigreerden. Rond deze tijd vertrokken er uit het naburige Münsterland de nodige emigranten. In 1834 was Daniel Reesa uit Südlohn vertrokken en in 1845 de timmerman Heinrich Wiechers met vrouw en kinderen uit Rhede. Voor hen was Brazilië het doel. Daar kregen ze 100 tot 150 hectare aan oerwoud om te ontginnen.
Wat we hebben aan gegevens over de Winterswijkse emigranten naar Zuid-Amerika is gefragmenteerd. In 1858 was er al een groep van plusminus 17 personen uit Winterswijk vertrokken. Lijst emigranten van Winterswijk naar Zuid Amerika (bron: Swieringa). De Arnhemse Courant van 18 september 1858 spreekt van 58 personen (afkomstig uit meerdere gemeenten in de buurt).
J.B. Boeijink (37 jaar), Ga WD Bolthof, 47 jaar, Digterink 28 jaar en RK, J.A. Geerdes 36 jaar, D.W. Lammers landbouwer 47 jaar met zeven personen, D.Z. Loobeek 25 jaar, Meinen, 28 jaar, W.A. Nekkers, 21 jaar vrouw, Reimers, wever, H.J. Rooks 24 jaar, A.C. Schoemaker 26 jaar arbeidster, J.A. te Giffel, 19 jaar en landbouwster, J.W. ten Pas 53 jaar arbeider, A.A te Winkel arbeidster 52 jaar, R.H. Tigelaar arbeidster 38 jaar, M.H.W. Willemsen wever en 2 kinderen. Deze groep behoorden duidelijk tot de armere klasse. In de Arnhemse Courant van 18 september 1858 worden ze nog gewaarschuwd voor oplichting door hun agent en andere beloftes. Er verschijnt op 7 december 1859 de volgende verklaring in het Algemeen Handelsblad van reisagent Bolwerk…..

Bron: 7 december 1859 Algemeen Handelsblad

J.W. ten Pas uit het dorp kwam terecht in de omgeving van Porto Alegre, Brazilië. Nazaten hebben nog contact met Winterswijk. Opvallend is dat deze groep arm was en waarschijnlijk zijn verleid door een goedkope overtocht en mooi praatjes. Zijn achterkleinzoon verwoordt:
Eduardo Tenn-Pass Hallo, mijn overgrootvader Wilhelm Ten Pas geboren 10 augustus 1844 in Winterswijk, emigreerde naar het zuiden van Brazilië in 1858 samen met enkele familie. Ze kwamen in “Porto Alegre” op 3 december 1858, van de Agatha schip, afkomstig uit de haven van Antwerpen waar ze vertrokken op 5 oktober 1858. Hierna vestigden ze zich in de kolonie “Santa Maria de Soledade”, vandaag de stad “São Vendelino”. Hier vestigden zich meerdere immigrantengezinnen, voornamelijk Duits. De familie ten Pas heeft hier verspreid over het zuiden van Brazilië en hadden we een aantal wijzigingen in de laatste naam (Tenn-Pass, Tempass), maar ze hebben allemaal dezelfde oorsprong. We maken ook deel uit van de familie die emigreerde naar de Verenigde Staten.
De bijgevoegde foto is het graf van mijn overgrootvader Wilhelm begraven in de stad “Estrela”.

Bron: foto Eduardo Tenn Pass

Familie Gunther was begin 20e eeuw naar Chili (Tranvaal Colony Gorbea) geëmigreerd en ze worden in 28 februari 1906 overvallen waarbij zijn vrouw en een zoon worden vermoord. Een dochter raakt zwaargewond.


.
Begin 20e eeuw kwam er initiatief vanuit Winterswijk richting Argentinië.
In 1910 werd de Landbouw Maatschappij “Tubantia” te Winterswijk opgericht met als doel grond aan te kopen in Argentinië, ontginning, exploitatie, verhuring en verkoop van die gronden, aan- en verkoop van vee, landbouwproducten en – werktuigen.
Er waren bijna 75 deelnemers , waaronder Abraham Willink , Jan Hendrik Willink, Johan Gerhard ten Houten , Jan Berend Roelvink en Albert Scholten uit Winterswijk.
Het maatschappelijk kapitaal bedroeg 2.000.000,– gulden, verdeeld in 800 aandelen, ieder aandeel groot 2500,– gulden . Bij de aanvang van de vennootschap waren 170 hele en 6 halve aandelen geplaatst.
In de statuten d.d. 9 maart 1910 wordt zeer uitvoerig beschreven wat wel en niet mag en kan en wie de commissarissen zijn . Tot directeur werd Abraham Willink benoemd. In artikel 33 worden de onkosten beschreven: De door de oprichters in verband met de oprichting gemaakte kosten, waaronder begrepen die van overtocht van dhr. en Mevr. De Geus en de heer Willem Carel Pieter Willink en hunne reis- en verblijfkosten in Argentinië, worden ten laste van de vennootschap als oprichterskosten geboekt. Het eerste jaar is er een winst van f 31862,95 geboekt. Eind 1911 was er 8264 hectare in bezit, waarvan een groot deel was verhuurd aan kolonisten en een ander deel nog in cultuur moest worden gebracht. Eind 1912 is het grondbezit gegroeid tot 10.330 hectare.
In de krant van 13 maart 1912 wordt verteld dat P. Buisman en dhr. Gerritsen naar Argentinië zijn vertrokken om werkzaam gesteld te worden in het boerenbedrijf der ontginning van de vereeniging Tubantia. Het bedrijf La Welna komt steeds meer in bedrijf met 1400 hectare aan alfalfa, 830 fokkoeien en 400-stuks eenjarig of tweejarig vee. Op het andere bedrijf denkt men op ongeveer 1000 hectare 500 tot 600 stuks vee te plaatsen. Ondertussen zijn er bouwgronden bij Mendoza gekocht. Rond de Eerste Wereldoorlog wordt emigratie naar Argentinië ontmoedigd vanwege de economische crisis.
In 1925 staat in het Handelsregister dat de NV Landbouw Mij Tubantia te Winterswijk is opgeheven met ingang van 16 januari 1925. In 1927 vertrekt H.K. Jansma. Hierna volgen berichten uit de Nieuwe Winterswijkse Courant zoals Jansma deze schreef.
In 1937 zijn de berichten niet positief over Argentinië. Een kans van slagen had je als harde wilde werken en zuinig leefde.

Bron: Nieuwe Winterswijkse Courant 15 juli 1927.

In 1936 schrijft Jansma over zijn ervaringen in Argentinië

Brief die Jansma vanuit Argentinië naar de Nieuwe Winterswijkse Courant inzond. Geplaatst 20 november 1936 – collectie Bep Godthelp.

Lees verder

Verenigde Staten

CLYMER

HOLLAND LAND COMPANY
In het Westelijke deel van de Staat New York hadden Amsterdamse financiërs van Eeghen en Willink in 1793 3,5 miljoen acres in de handen gekregen. In het totaal besloeg dat gebied acht counties. Een zekere Joseph Elicot trad op als agent om het land te verkopen aan de eerste pioniers. De Seneca-indianen werden met 100.000,- dollar afgekocht (8). De Willinks waren van oorsprong een Winterswijkse familie. Hendrik Willink, geb. 6-6-1735 in Winterswijk en Bernardus Willink geboren 3-10-1728. Mogelijk dat de band van deze Willinks met Winterswijk de Winterswijkse emigranten richting het westelijke deel van New York dreef (1).
Er wordt beweerd dat in 1842 ‘ een jonge dochter die in 1842 uit Winterswijk te Buffalo aangekomen is, en als dienstmeid daar diende per brief goede berichten naar Winterswijk gezonden heeft” (2).
Christiaan Naves (van de Tiggeloven uit het Vosseveld) en Gerrit Jan (Jan Willem)? Lomans (Velthoen – Meddo) waren de eersten die in 1844 naar het gebied Clymer in het westelijk deel van de staat New York trokken op aanraden van een Duitser, Butterwiese, agent van de Holland Land Company. Ook wordt ene Patterson genoemd. Het gebied was toen nog een grote wildernis. Zij ontmoetten waarschijnlijk tijdens hun reis in Buffalo een makelaar. Van hem hoorden ze dat in Clymer de boeren zaten te springen om arbeidskrachten en dat er goedkope grond was. In het Westen (Michigan, Wisconsin) moesten ze helemaal in het woud beginnen. De makelaar stuurde de Winterswijkse heren naar een zekere Cooper Lodge in Westfield aan het Eriemeer. Westfield was een aanlegplaats en Cooper bood nachtlogies en voedsel. Hij zal wel enthousiast gesproken hebben, want met paard en wagen bracht hij Lomans en Naves via Sherman over een planken weg naar Clymer (3). 
Van meet af aan was het hardwerken: bomen vellen, blokhutten bouwen, graan en aardappelen verbouwen en de hele sociale structuur van kerk en school opbouwen. De eerste gemeenschap telde 18 leden die in een schoolgebouw bij elkaar kwamen. Jan Willem Bekerink staat tegen 15 Dollar een kwart acre grond af om daarop de Clymer Hill Church te bouwen. Op 13 september 1854 wordt de kerk ingewijd en gemeente groeide tot 60 leden.




Bron: Flickr – collectie Yvette Hoijtink
De Nekkers-familie (Neckers) in Clymer.

CLYMER ONTSTAAN VAN DE KERK ALS MIDDELPUNT
In het kerkelijke denken ontstond er al spoedig een liberale richting en een orthodoxe richting zoals we in de Historische Schets uit Clymer lezen. Kennelijk waren er nogal wat emigranten waarbij de godsdienst geen leidraad was om te emigreren. Deze richting bleek niet echt te zijn georganiseerd, maar ging in Clymer rond 1855 op in de orthodoxe kerk.
In het begin bleek de emigratie voor vele emigranten een teleurstelling te zijn (4) en hiermee was er een voedingsbodem voor het geloof. Volgens emigrant J.H. Warnshuis ‘toen wij hier kwamen waren wij zoo dood als een pier”. Naast het harde werken op de werkdagen werd er op de zondag gerust en in de namiddag kaartgespeeld. Onder aanvoering van de Aaltenaar Adolph Hesselink ontstond de eerste gemeente, maar de vraag was bij wie en wat aan te sluiten. Op 8 juni 1847 werd bij de Congretional Consociation te Versailles N.Y. een verzoek voor een predikant ingediend. Na een bezoek door een commissie van deze kerk, welke de gemeente oprichtte, ondervroegen ze een aantal gemeenteleden. Na de ondervraging werd Adolph Hesselink aangesteld als voorganger. De eerste leden waren: Jan Hendrik Warnshuis, Chris Nabes, Hendrikus ter Haar, Wander Willink, Jan en Derk Willink (zonen van Wander), G. J. Loomans, J. D Grotenhuis, Jan Bekerink, J.W Bekerink en Abraham Bekerink. Geen enkele familie behoorde in Winterswijk tot de Afgescheidenen. Kennelijk is er een stroming die van liberaal , maar door de omstandigheden ingegeven orthodoxer in het geloof is geworden.
Voorganger Hesselink vertrok in 1849 naar Muscatine in Iowa. Hieruit bleek dat er duidelijke contacten waren tussen emigranten die in de verschillende gebieden terechtkwamen. J.H. Warnshuis vertelde: ‘Sommigen onzer hadden gehoord of herinnerden zich dat een zekere Pikkers Jan Willem, die altijd te Winterswijk in de groote Kerk met den schouders ten den grooten pillaar had staan leunen, en altijd zoo aandachtig was in zijn luisteren, en van hem hadden zij gehoord dat hij dominie wilde worden.’ Brieven gingen naar Winterswijk, maar Jan Willem was (omstreeks 1846) al op de boot gestapt. Via eigen contacten ontdekte men dat Dunnewold in Milwaukee vertoefde. Hij had zich aangesloten bij een groep Achterhoekse emigranten die op de Hollandse Berg woonde en werkte in een steengroeve. De kerk in Clymer kon hem geen salaris bieden en Dunnewold vertrouwde zich de prediking nog niet toe. Uiteindelijk ging hij en aanvaardde de taak van ouderling/voorganger in Clymer. Hij werd als zeer geschikt beschouwd, want Dunnewold bleef tot in 1868. In de Historische Schets van Clymer schrijft men:

‘Hier was een bijzondere toestand, maar hier was ook een bijzondere man; over de wereld henen was er geen ander man die juist zoo geschikt was voor dit werk. Een Winterswijker onder de Winterswijkers; arm gelijk zo zij ook waren, ook niet geleerd, die niet veel salaris vroeg, maar bereid om met de handen te werken, en begeerig om het Evangelie te verkondigen, en vurig om zielen te winnen. Een man ook met een gezond oordeel en goede menschen kennis; en daarbij hebbende een wonderee gaave om met eenvoudige menschen te spreken in hun eigen taal over de groote werken God’s. Hij was geen groote kansel-redenaar.’

Clymer Hill Church


Dunnewold moest wel les nemen bij de dominee in het naburige Sherman. Op 8 oktober 1851 werd hij officieel bevestigd en er waren 38 leden (volgens Jan Willink uit Clymer waren het er 43).
De volgende personen waren lidmaten: Jan Hendrik Warnshuis en zijn vrouw Johanna Konings, Hendricus Ter Haar en zijn vrouw Hanna te Winkel, Jan Bekerink en Hanna W te Winkel, Wander Damkot en Janna Geertrui Oonk, Chris Nabes en vrouw, Hendrik Jan Meerdink en vrouw Janna Loomans, Berend Willem Meerdink en Aaltje te Kulve, Jan Willem Kortschot en Beerneken Beskers, Derk Willink en Geertruida te Kulve, Jan H Schreurs en Janna Geertruid Oonk, Gerrit Jan Meerdink en vrouw, Engelbartus Damkot en Mina te Kempel, Gerrit Jan Loomans, Jan Hendrik Willink, Geziens Slotboom (geboren Hoijtink), Wilhelmina Meerdink, Johanna Neckers, Christina Nabes (Navis), Geziena Kobus, Geziena te Kulve geboren Oonk, Mina te Kolstee en Dora ten Hulzen – Konings.
Hiermee zijn lang niet alle immigranten lid van deze kerk. Volgens de gegevens moeten 180 personen in de eerste jaren tot en met 1850 naar Clymer zijn gekomen. De nederzetting kreeg daarmee levensvatbaarheid vanuit Nederlandse, in dit geval vanuit het Winterswijkse oogpunt.
Hendricus ter Haar en G.J. Loomans waren de afgevaardigden voor Clymer in de Consociation van kerken (5).

WILDE WARNSHUIS
Hendrik Jan Warnshuis was in tegenstelling tot zijn broer Jan Hendrik Warnshuis van een ander snit. De Clymers noemden hem ‘Wild John Warnshuis” en hij werd geboren in 1829 op de boerderij Kortschot in Huppel. Hij was degene die vaak voor de wet moest vluchten, want hij stal boter, dakpannen en alles wat niet vast zat. Onze ‘brave”’ broeder moest dan regelmatig in het gevang, maar wist ook onderweg tijdens het vervoer te vluchten. Zo wist hij door het raam van het hotel te vluchten en om de bewakers op een dwaalspoor te brengen, liet hij de broek achter…….. Hendrik Jan was drie keer getrouwd. Zijn tweede vrouw Anna C Meerdink) bezocht haar ouderlijke woning op een avond door een bouwland en bos te doorkruisen. Zij kwam echter nooit bij haar ouders aan. Later vonden ze haar bevroren op het land. Velen geloofden niet dat ze stierf aan een natuurlijke dood. Zijn eerste vrouw , Carolina Meerdink (geboren in 1836 eveneens afkomstig van Kortschot te Henxel) stierf eveneens onder vreemde omstandigheden. Zij was met de baby en Hendrik Jan naar het bos gegaan waar hij aan het kappen was. Het schijnt dat er een boom op haar terecht is gekomen en haar doodde (6).

Bronnen:

⦁ Netherlanders in America pagina 25 –Immigration to the U.S. and Canada, 1789-1950 – Henry S. Lucas
⦁ Nederlands Patriciaat, 1989 73e jaargang
⦁ Historische Schets van de Clymerhillkerk –pag 4
⦁ Van der Schaaf – Clymer
⦁ Historische Schets van de Clymerhillkerk
⦁ Thelma Heil – Clymer


CLYMER van 1850 -1875
Het aantal Winterswijkers dat voor Clymer koos in deze periode lag rond de 200 personen (tussen 1851 tot en met 1890). Jan Albert Kortschot (Roerdinkpoorthuis – Woold) en zijn Frederika kwamen in 1854 naar Clymer en woonden een tijdlang bij de Supervisor van township Clymer Hercules Rice. Op 1 april 1862 verkreeg het echtpaar voor 200 dollar een half acre land in de township Harmony, maar ze verkochten dat in 1863 met verlies van 50 dollar. In 1869 bleken ze veertig acre in bezit te hebben (1). Hun naam veranderde in Crosscutt. 
Winterswijkse namen veranderden dan geleidelijk in Amerikaanse schrijfwijzen mede gespeend om echt als Amerikaan te worden beschouwd. Voorbeelden van verandering zijn: 
⦁ DamkotDamcott,
⦁ DeunkDuink,
⦁ HesselinkHeslink,
⦁ Hietkamp Hitcome
⦁ Konings King
⦁ Legters Lectus, Lictus
⦁ LuikenhuisLookenhouse,
⦁ NekkersNeckers,
⦁ Nijenhuis Newhouse,
⦁ ReuselinkReslink en Ruslink,
⦁ RospasRaspas
⦁ SchreursSchruirs, Schrears, Schruirs, Schruers
⦁ Ten Bokkel Tenbuckle
⦁ Te KronnieTecroney,
⦁ Te KulveTeCulver
⦁ Te Winkel Tewinkle
⦁ WoordesWardes

De Clymerhill Church wordt door de nazaten van de emigranten beschouwd als de moederkerk. Als in 1868 Jan Willem Dunnewold naar Gibbsville in Wisconsin vertrekt, werd er op zijn aanraden de naam van Gerrit Jan Renskers als opvolger genoemd. Renskers werd op 3 november 1818 geboren in Winterswijk en was op dat moment dominee in Zeeland, Michigan. Dunnewold leerde hem kennen bij de Afgescheiden Gemeente in Winterswijk, want hij had een twist over de afscheiding. Hij was al in 1846 naar Amerika gekomen. Het viel Dunnewold op dat hij een sterke tegenstander was van Dunnewolds beginselen. Onder leiding van Renskers groeide de Clymer Hill Church van 141 naar 187 leden. In 1868 werd de kerk in zijn geheel gereformeerd. Mensen sloten zich aan en werden na onderzoek door de kerkenraad aangenomen.
Door de groei van het aantal emigranten en dus gelovigen, ontstond er een tweede kerk. Dit gaf nogal wat beroering in de kleine gemeenschap. Achttien leden vertrokken naar de Village. Aanvankelijk was het nog een schuur en het werd later de Presbyteriaanse kerk. Deze werd omgedoopt in Reformed Church of Clymer Village. Dit was in 1869. De Amerikaanse bevolking moest echt wennen aan het feit dat de Hollanders op klompen en zwarte kleding naar de kerk kwamen. De Amerikanen verdwenen geleidelijk aan naar andere kerken……. Dertig families vormden met in totaal 83 lidmaten deze kerk (2). 
Bronnen:
⦁ Lois Parker – The Kortschots of the Netherlands and the USA.- Olympia WA.
⦁ Historische Schets van de Clymerhillkerk – pag 26, 27

WISCONSIN


In ieder geval zwierf Aaltenaar Hendrik te Kolstee al in Wisconsin rond voordat de grote massa kwam. Een grote stroom Achterhoekers wisten hem te vinden.
In 1845 reisde een groepje Winterswijkers via de grote meren door naar Milwaukee, Wis.. Mathias Wenink was als de eerste Winterswijker de groep voor gegaan. De broer van Gerrit Jan Lomans, Jan Willem trok met Alexander Hallerdijk (brief – zie boek Ligterink) en Albertus Meenk naar wat men later noemde ‘de Hollandse Berg”. Zij vestigden zich aan de noordwestelijke rand van het centrum van Milwaukee langs de rivier de Milwaukee. Deze mensen worden gezien als voortrekkers van de Nieuwe Immigratie die Brummelkamp en van Raalte in beweging bracht. De mensen die er later bij kwamen, waren vergelijkbaar arm (1). Van Albertus Meenk is bekend dat hij doortrok naar Alto, Wisconsin. Jan Willem Dunnewold, de latere dominee, kwam ook in Milwaukeer terecht. Zijn reis wordt beschreven in de Historische Schets van de Clymerhillkerk. 
‘Den 4 den Dec. 1846 kwam hij met zijn huisgezin te Boston aan en vertrok dadelijk naar Albany. Maar nu ondervond hij groote teleurstelling. In Nederland op reis wat het zijne gedachte geweest, dat hij door de helft van zijn tijd te werken, de andere helft zou kunnen gebruiken voor studie. Maar het eerste dat hij kreeg, bracht hem naar 25 cents daags, van 6 uur in den morgen tot 6 uur ’s avonds. Nadat dit werk hem ontzegd werd, toen aan het takkebosschen halen van vier mijlen buiten de stad, helft voor eigen gebruik en de andere helft verkocht voor 12 cents. Zijne vrouw trachte ook te doen wat doen kon en verkocht brewerw yeast, waarmee zij ook 12 cents daags verdiende. De tijden werden echter nog slechter, zoodat er bij bijna gebrek kwam. Ware het niet een rijken Hollander geweest die hen hielp, zij waren in het grootste gebrek gekomen. Waarlijk een ander school dan deze discipel zich had voorgesteld. In April ’47 vertrok hij naar Milwaukee. Daar ging het beter. De stroom der emigratie begon toen in volle gang.’

Nadat ze een beetje geld hadden verdiend, gingen ze een stukje noordwaarts naar Sheboygan County en Fond du Lac.
In ieder geval leefden de Saugatuck-indianen van het voorjaar tot het najaar nog in het gebied. Ze kwamen voor de vruchtbare gronden, de grote hoeveelheid wild en de rijke visgronden, maar als ware nomaden trokken ze bij het kouder worden weer naar het zuiden (Kentucky) (2). De mensen die zich vestigen in Cedar Grove, Oostburg, Hingham waren eenvoudige mensen, maar gelovig. Zij practiseerden het geloof consequent, lazen de bijbel en volgden getrouw de catechisatie, maar de groep was ‘losser in de opvatting van het geloof” dan de emigranten, merendeels Afgescheidenen, in Michigan. Vanaf het begin ontstonden er kerken. De First Reformed Church in Oostburg ontstond in 1850. In 1856 waren er al 230 lidmaten. 
In 1852 schreef de Sheboygan Press over de lokale bevolking: de indianen. ‘Er waren verschillende Indiaanse dorpen, Chippewa en Menomee-stammen leefden vredevol en gelukkig tussen de immigranten. Hun wigwams waren gemaakt van schors en in sommige gevallen (wintertijd) werden ze bedekt met brem en huid. Ze gebruikten geen vuurwapens, maar ze waren tussentijds met vlijmscherpe pijlen buitengewoon op hun hoede. Er werden regelmatig schietwedstrijden gehouden. Iemand bracht een penny op een stronk of boom aan en degene die de munt er afschoot had gewonnen. Op 20 stappen misten de Indianen zelden het markeringspunt. Indiaanse dansen werden vaak in Sheboygan gehouden. De indianen, mannen, vrouwen en kinderen verzamelden zich in grote kringen en dansen op de monotone slag van de tom-tom. Jonge dappere schilderden in hun vrolijke kleur en dekten het af met stroken van veren. Een waar indrukwekkend gezicht. Hun ponys werden ook grootse gedecoreerd met gekleurde veren en leren strips. De indianen waren stil en onderdanig. We hadden nooit geen moeilijkheden met hen. Een groot aantal uit de dorpen brachten vooral in de lente hun esdoornsuiker voor de handel. Ze verbouwden hun eigen mais en aardappelen, schoten hun eigen wedstrijd en leefden apart.’
Winterswijkse emigranten kwamen ook oog in oog te staan met de indianen. Toen de eerste emigranten uit de Achterhoek aankwamen, waren er overal nog kampementen langs de kust van het Michiganmeer. De zoon van emigrant Hendrik Jan Vervelde uit het Woold, Gerrit, speelde met indanenkinderen. Deze indianen sloegen elk voorjaar hun kamp op daar waar de Verveldes zich hadden gevestigd. In het algemeen waren de relaties met de indianen goed. Eigenlijk, waren ze nieuwsgierig en bedelden ze om voedsel. Als het kouder werd dan trokken de indianen weer zuidwaarts naar Kentucky. Hoewel de indianen officieel per overeenkomst met de staat het land in 1833 hadden opgegeven, bleven ze nog tot in de jaren zeventig van de negentiende eeuw komen. Eén van hen was Old Solomon en als hij kwam dan vertelde hij dat hij het land en zijn oude visgronden controleerde ( 3).
Bronnen:
⦁ Netherlanders in America pagina 200 –Immigration to the U.S. and Canada, 1789-1950 – Henry S. Lucas
⦁ Oostburg in Wisconsin Haven of Hope in a new land ( 2001). 
⦁ Oostburg in Wisconsin Haven of Hope in a new land ( 2001).

MILWAUKEE

Jan Willem Dunnewold van de boerderij de Pikker werd in 1847 ouderling onder de door Ds. Zonne gestichte kerkgemeente Milwaukee. Jan Hendrik Hijnk van Blekkink uit het Woold kwam in 1847 in Sheboygan, Wis. aan en verhuisde in 1848 naar Milwaukee. De stad had toen al meer dan 14.000 inwoners. In 1849 ging hij terug naar Sheboygan, maar in 1850 keerde hij weer terug naar Milwaukee om in 1863 door te trekken naar Sioux Co in Iowa. Jan Bernard, zijn twee jaar oudere broer, was hem al een week eerder voorgegaan. Opmerkelijk was dat de twee Wooldsen Dunnewold en Hijink elkaar opzochten. Oude contacten uit het moederland speelden een rol in het kiezen van de woonplek. Op de Hollandse berg zaten een aantal andere emigranten van Achterhoekse origine (Rademaker, Veldhorst, Beernink) (1). G.J. Droppers van de Stroete uit het Woold kwam daar bij en schreef:

‘Daar kwamen wij aan Daar kwam bij picker J.W. Dunnewold, die Zeide wij konden wel bij Hem in ’t huis komen en dat deed ik en daar zijn wij wel 6 Weken bij geweest. Dit huis daar heeft verleden winter Haartman in gewoond en hij is nu van December naar het (onleesbaar) gegaan daar had hij al een huys gebouwd en daar heeft hij ook al grond gekocht……..J.W. Dunnewold vertrekken in Haartman zij huis. Wij zijn hierin gebleven. Ik heb ook grond gekocht 120 Akker de akker kost mij 19 schellingen Hier hebben de meeste Hollanders grond gekocht en wij hebben hier alle Zondags tweemaal Nederduitsche predicatie en ook cagicaci voor de Jonge lieden en ook eenmaal predicacie en vergadering. De predikand zijn naam is Dominheer De Zon en die heeft ook grond gekocht en hij heeft ook veel menschen meegenomen die zijn daar ook die heeft hij grond gegeven om daarop te werken en moesten zij Hem dan in het vervolg betalen en daar word ook een kerk gebouw en Hij laat eer zich ook een huis bouwt (onleesbaar deel)…….Hier woont ook nog een boel Hollanders. Wij hebben de grond daar ook bij en wenschen indien wij gezondheid hebben om er ook in het …jaar henen te trekken en dan een huis te bouwen. De levensmiddelen zijn niet duur. De 100 fijn witweiten meel kost 5 gulden en de 10 pond. Varkensvlless kost 7 en een halve gulden en het rundvlees de 100 5 gulden en het fijne boekweitenmeel kost de 100 pond ook 5 gulden de bussel erwten kosten 2 en een halve gulden, de bussel is 5 pond. En de bussel aardappelen kost five stuivers. De thee en koffie zoo als bij u, de beesten zoo ongeveer als bij u. Een goede koe en ’t kalf kost 30 gulden. De kinderen kunnen hier voor niets naar de school gaan om het Engels te leren; en dan is er de Zondag school; daar kunnen heengaan groten en kleine mensen. Maar nu, het is hier in den winter noch al veel werk met houtzage. In de stad hier is de gewoonte om te stoken in kachels. Daar kan men 4 potten tegelijk op koken. Zoo heb ik er ook een gekocht. Die koste mij met de potten 37 in Hollandse gulden. Die zijn zo gemaakt dat men het brood, die het meel heeft, er heerlijk in bakken kan en de brood hebben wij voor niets. De jongens gaan ook naar de stad en zagen ook hout mar de verdiensten zijn toch niet heel groot want hier zijn er te vee.. Want hier trekken veel mensen op toe.’

Bron: 
⦁ Hyink Family A Documentary and Pictorial Genealogy, Vol. 1; edited and compiled by Lawrence Hyink



SHEBOYGAN/CEDAR GROVE/ OOSTBURG


In 1849 kwam er in Sheboygan een eerste kerk. Het hout werd verkregen door de tamarack-bomen in het moeras te vellen en te verslepen. Op een gegeven moment konden twee personen de bomen niet verslepen. Een ander werd zo kwaad dat hij het alleen deed. 
Het gebied waar de Winterswijkers zich vestigden werd in de beginjaren Township Holland genoemd. 



Sheboygan County tussen 1850 – 1875
Het waren niet altijd opwekkende berichten die naar Winterswijk werden verzonden. G.J. Droppers, geboren 1829 op de Stroete in het Woold schreef op 5 maart 1860 vanuit Town of Holland, Wis (Oostburg/Cedar Grove) aan de familie Vardink in Kotten, dat zijn vader was overleden.

‘heden den 2 Maart ’s morgens tussen 2 en 3 uren vader is overleden in den ouderdaom van 68 jaren. Vader heeft al in de voorwinter gezegt dat hij wel niet meer beter zou worden. Hij heeft zoo een afgaande ziekte gehad. De dokter zij dat het boswater was. Ik weet het niet. Vader is niet benauwd of pijnlijk geweest. Vader heeft ook wel gezegd dat hij ook niet verlangde om weer beter te wordn. Hij zeide: ‘De wil des Heren geschiedde”. Vader is in Amerika altijd wel en gezond geweest. Vlug…naar ziel en lichaam. Het ging hem altijd goed naar zijn zin. Hij handelde vriendelijk met ons, zoals een goed huisvader behoord te wandelen om tot voorbeelden te zijn voor zijn gezin en familiekring…..’

Deze brief moet voor de familie in Kotten geruststellend zijn geweest en men schreef tot in details om ze deelgenoot te maken wat daar op verre afstand was gebeurd..

‘Een uur voor de scheiding van ons zeide hij dat hij benauwd was en toen zeide hij dat hij wel niet weer van bed zou komen. En toen legde hij zich recht uit en heeft geen handen of voeten meer beweegt. En is van tijd tot tijd zo zachtjes uit gegaan, ja zachter als een lamp. Dit strekte ons eenerzijds nog meer tot blijdschap.’

Even verder op blijkt in de brief dat het geloof de emigranten rust gaf. ‘Als onze ziel in Christus geborgen is dan is de dood een blijde tijding om ons over te leveren in die rust die er over blijft voor het volks Gods”.

De familie woonde op dat moment “in het bos vijftien uren van Milwaukee. Daar zijn wij in het begin van April heengereisd. Daar hebben wij een huis gebouwd. Toen woonden wij zolang bij onzen buurman te huis. Die woont hier vijf minuten van ons af. Dat zijn goede buurlui, die komen van Zutphen en daar wonen hier nog meer Hollandsche mensen hier bij ons. ”

Zijn zusters Geziena, Alijda en broer Jan Derk woonden in Milwaukee en die verdienden goed.

‘Alijda twee en halve gulden in de week en Derk woont bij een suikerbakker en verdient vijftien gulden in de maand. Daar heeft hij het goed. Hier is wel wat te verdienen die Engels kan verstaan.”.

Huwelijksadvertentie uit de Nieuwsbode in Sheboygan. Gerrit Willem Gossink was in 1848 met zijn ouders van het Gossink in Henxel vertrokken. Familie was elkaar ook wel eens kwijt getuige de onderste advertentie.

Het reizen ging toen al wat gemakkelijker. Vanaf 1872 was Cedar Grove per spoor bereikbaar vanuit Milwaukee. Op dat moment ging Cedar Grove groeien en het westwaarts gelegen haventje Amsterdam kwijnde weg.
In Oostburg diende Jan Willem te Winkel uit Clymer en hij was zojuist afgestudeerd aan het Western Seminary te Holland Michigan. Tussen 1869 en 1871 diende hij de First Reformed Church in Oostburg.
Jan Willem werd op 2-3-1823 in Corle geboren en kwam van de Bessink. Hoewel velen in Nederland de Staatskerk aanhoorden, zag men dat men in het nieuwe land overstapte. Zo werden Hendrik Vervelde en Jan Kortschot lid van de First Christian Reformed Church die duidelijke banden hebben en hadden met de Afgescheidenen in Michigan (1).


Berend werd geboren op 2 augustus 1828 en hij was knecht op Hijink in het Woold. In 1854 emigreerde hij naar Lima, Wis. Hier leerde hij Janna Berendina te Kronnie kennen. Zij emigreerde als dienstbode vanaf Roerdinkschoppe in het Woold in 1847. Ze hebben elkaar voordien al gekend. 

Bron:
⦁ Diamond Jubilee, First Christian Reformed Church Oostburg

WAUPUN / ALTO


Rond 1845 was het Albertus Meenk die een man uit Alto, Fond du Lac County in Wisconsin leerde kennen. Deze persoon nam hem mee en hij kon de omgeving en vooral de grond daar verkennen. Hij was onder de indruk van de vruchtbaarheid. Jan Willem Looman (uit Meddo) kwam via Milwaukee in deze omgeving terecht. Er volgden families als Duven, Straks, Lemmenes, Glieuwen… Mogelijke Meddose connecties die hier een rol speelden.
Jan Straks, geboren op 11 mei 1820 te Winterswijk en wonende op Dorp 108 kwam in 1847/1848 naar het grote land. Zijn dochter Johanna Boom Straks vertelde dat ze samen met haar zwager Matthias Duven in Waterville bij Milwaukee woonden en dat ze daarna doortrokken naar Alto. Jan Straks leerde in Waupun het smidsambacht. Op 2 juni 1851 trouwde Jan met Johanna van Weechel. Ze woonden in een blokhut op anderhalve kilometer ten zuiden van Alto. Het echtpaar had geen meubels dan alleen de dekenkisten die ze uit Nederland hadden meegebracht. Een tafel werd gemaakt door een brede plank aan het raam vast te spijkeren en er aan het einde twee poten onder te plaatsen. De bedden bestonden uit gedeelten in de muur (de bedstee).


 
De eerste kerk van Alto, Wis.; gemaakt door Willem Gijsbers op aanwijzing van zijn oom Gerrit Hendrik Gijsbers die in 1858 vanaf Dorp 333 naar Alto emigreerde.

De levensomstandigheden waren niet gemakkelijk, want Johanna vermeldde dat haar vader één keer per week met een span ossen naar Milwaukee moest om graan voor diverse winkels te halen. Al met al was zijn week hiermee gevuld. Tijdens de nachten sliep hij onder de wagen, want om ergens te overnachten was er niets. De familie had in de buurt nogal wat contacten met Lomans, Lemmenes ( alle Meddonaren) (1).

MICHIGAN


Degene die voor Michigan kozen zijn aanhangers van de Afgescheiden Ds. Van Raalte. G.W. Wilterdink werd zelfs de buurman van Van Raalte.

AANSLUITEN BIJ VAN RAALTE
Een klein aantal families uit de Achterhoek sloot zich aan bij Ds. Van Raalte. Hieronder bevonden zich de families van Harmen Jan Rooks geboren op …te Winterswijk en …..Esselinkpas, Wilterdink, J.W. Koyers, G. J.Rensink, Bloemers en H.J. Hesselink en enkele Wilterdinks. Agenten charterden de landverhuizers. Ds. A. Brummelkamp kwam regelmatig in Winterswijk. Vanuit Arnhem zetten ze een netwerk op om de emigratie te stimuleren.
De familie Rooks hielp mee met de bouw van de school in Holland, MI. (1). Het aandeel van Winterswijkers dat naar Michigan trok bleef klein. De Rooks familie vertrok naar Michigan. Jan Hendrik Siebelink van Veenhuis in Corle ging in 1856 naar Graafschap. Vermoedelijk samen met de familie van Jan Albert Willink die in augustus van het Bonenhuis in Huppel vertrok. Ze reisden met de George F.Patton vanuit Rotterdam. Jan Lamers (Dorp 341 – wever) reisde met drie personen naar Olive, Ottawa Co.

Bron:
⦁ Genealogie van Harmen Jan Rooks

MUSCATINE, IOWA


Een minderheid van de Winterswijkse emigranten koos voor Iowa. Van deze groep kozen de meesten voor Muscatine en omstreken.
In 1847 emigreerde Chr. Schoemaker (geboren 1818 te Winterswijk) naar Amerika en arriveerde op 5 februari in St. Louis. Met een lagere schoolopleiding toog hij in het nieuwe land onmiddellijk aan de studie. Onder begeleiding wist hij zich in twee jaar tijd tot dominee op te werken. Op 23 april 1849 was hij klaar en op 30 april 1850 zoekt hij via de Volksvriend zijn neef.

In 1850 kwam zijn moeder als gevolge van cholera te overlijden. In 1852 werd hij beroepen voor de First German Baptist Church in Buffalo, N.Y., maar in 1856 kwam hij naar Muscatine om zijn kerk Holland Baptist Church op te zetten aan de Fifth Street. G.J. Nijenhuis was er diaken. Ouderlingen waren J. Schoemaker, G.J. Nijenhuis (van Brinkheurne de Horst), J.W. Rauwerdink (van Stemerdinkhuisje in de Brinkheurne) en J.H. Verink (van Hijinkschoppe in Meddo). Een kleine groep Winterswijkers bleef bij elkaar (1). Vijf jaar later werd Chr. Schoemaker wederom beroepen te Buffalo om daarna in 1866 terug te keren. Door de westwaartse vestiging van immigranten kwam hij in 1872 in Concordia, Montana terecht. Na veertien jaar was hij weer terug in Muscatine om daar in 1906 te overlijden (2).
Herman J. Rauwerdink afkomstig van het Stemerdinkhuisje in de buurtschap Brinkheurne kwam terecht in Muscatine en bleef daar. Hij pleegde zelfmoord na een ruzie met de buurvrouw, omdat zijn kippen bij haar in de tuin liepen……(26 augustus 1906).
Willem Maas kwam in 1846 naar Muscatine (township Bloomington). Hendrika (zijn echtgenoot) overleed gedurende de bootreis over de Oceaan. 
HerManus Verink van de Hijinkschoppe uit Meddo volgt met zijn familie deels een eigen weg. In ieder geval verlieten ze Winterswijk in 1846 en bivakeerden in 1850 een jaar lang in Clymer, maar hij kwam in 1851 in township Lake uit; county Muscatine Iowa. 
Met zocht elkaar ook wel eens:

Op 17 december 1854 schreef H.J. Nijenhuis vanuit Muscatine: ‘Christiaan is aan het schrijnwerken en verdiend zoo ongeveer 1 dollar. En Willem en Jan Berend, die helpen Gerrit Jan toch timmeren. Wij zijn met een huis aan het opbouwen in de stad en Willem verdiend 1 dollar in de week en de kost, en Jan Berend 2 ½ in de week en de kost.’
Even verderop schreef hij: ‘Christiaan en Jan Berend hebben zich beiden een lot gekocht met een huis daarop, de groote van 60 voet breed en 40 voet lang, en dat kost 800 dollars, maar daar hebben zij een koe met een kalf bij , en drie zwijnen en om de 30 hoenders. Het is in de stad en hij woont er al in. En G. Jan, die heeft 2 koeijen en drie jonge ossen en nog 2 zwijnen en een paard. Dat heeft hij onlangs gekocht voor 50 dollars en dat was goedkoop, en een gewoon werkpaard kost 100 dollars.’

Het is opvallend dat ze al vrij snel tot een bepaalde welvaart geraken. Kennelijk trok dit meer Winterswijkers, want Nijenhuis schreef: ‘ dat is ten Steeg, Willem Rauwerdink, en H.J te Strake, die zijn vrouw is afgestorven, en nu is hij weer gehuwd met ter Steeg zijn dochter – en C. Resink en J. Freers…..Meerdink en ….J.H. Stemerdink en J.A. Schreurs en J. Schoemaker. En J.H. Veerink en nog alle eenige meer en dan de Hollanders die met ons zijn gekomen, en het gaat haar alle zeer goed, en zij wonen alle kort bij ons. ‘
Het feit dat ze steun bij elkaar konden vinden, telde kennelijk zwaar.
Op 20 juli 1856 werd de Holland Baptist Church opgericht aan de Fifth Street in Muscatine (3).


Bron: Flickr – collectie Yvette Hoijtink
Familie Schoemaker

Bronnen:
⦁ Roots Muscatine – City Directory)
⦁ Muscatine Journal d.d……
⦁ Muscatine Journal d.d. 17-11-1906



Muscatine tussen 1850 – 1875
In juli 1855 trok Christiaan Heesen vanuit de boerderij Wiggers in Ratum met zijn familie naar Muscatine in Iowa. Kennelijk ging het hem goed, want hij schreef op 1 maart 1866 zijn broer Gerrit Willem.

‘Wij hebben verleden zomer in elf uur 42772 voet dennenplanken gezaagd. Ik had per dag 175 cent, laatsten zomer verdient 361 dollar.’

Op 16 maart 1870 schreef hij zijn broer wederom. Na een aantal wetenswaardigheden over de uitbreidingen in de familie schreef hij over de weersomstandigheden..
‘Verleden zomer is hier veel vruchten gewas en wij hebben veel nat weer gehad en dus de kwaliteit over het algemeen niet stik zoo goed. Ik heb 20tig bussel wijte gekocht van J.W. Bekerink voor 31 cent per bussel, dat is 60 pond. Die had veel aan de grond gelegen, ik heb die laten maien voor de koei en varkens. Ik heb vier varkens geslacht en eene halve koe bijgekocht voor 7 cent het pond, de varkens hier schoon 10 cent. ….prijs wijten meel 1 ½ cent; boekwijten 5 cent en boter 25 cent het pond. Aardappelen 25 cent den bussel als bij u Over het algemeen wordt hier meer vlees en spek gebruikt en vet. 
Hier is deze winter niet veel werk geweest. De vette varkens worden hier veel zoo met spoorwaagens weggestuurd; dat is veel schade hier voor de werkmensen, en de pakhuizen hier al enige jaren niet veel mee gedaan.’
Het was hardwerken voor Christiaan Heesen. Het was dan prettig dat hij in die omstandigheden een beroep kon doen op oude bekenden als Jan Willem van Gent die in 1868 was over gekomen. Christiaan meldt dat Jan Willem van Gent hem zeven dagen heeft geholpen met het maken van kachelhout. Jan Willem woonde op de Vossevelder in de Dorpsbuurt (red. nu Vosseveld). Martinus van Gent die op dezelfde boerderij als Christiaan had gewoond was in 1864 al gearriveerd. Christaan meldde in zijn brief: ‘M. Van Gent werkt hier in een winkel; hij brengt de winkelwaren rond met een paard en wagen. Hij is nog bij mij in kost en zuster Elsjen doet nog mijn huiswerk, en mijne kinderen beginnen ook al wat mede te helpen tussen schooltijd. Zij leren goed en wassen goed op.’

Zijn loon was toen 1,75 dollar per dag naar twee dollar gestegen. Technisch vermeldde Christiaan nog de volgende zaken.
‘Onze zaagmolen is al zoveel verbeterd wat wij in elf uur tijds al 55000 voet in planken en bestekhout hebben gezaagd. Dat was de beste dag. Gewoonlijk zagen wij 40 tot 45000 voet per dag dennen hout. Daar zagen 86 zagen tegelijk op en neer in enne minuut, maar dat te gauw; die brak zo vaak en wordt nu weer veranderd.’

Later trok hij naar Vesper in Wisconsin.
Er moest via correspondentie van alles worden geregeld o.a. een erfenis.

Brief C Schoemaker

‘Muscatine, 15 maart 1871


Zeer geachte zwager en zwagerin en uwe Kinderen.
Onze bede is dat u deze letteren in evengelijken welstand mogen aantreffen asl zij ons verlieten. Ik twijfel niet of gij zult niet vragen GJ Nijenhuis brief gezien te hebben hoe of het ons nog ging en dat onze Famielije weder met een zoon vergroot is dat mij mijne vrouw op de 11. September 1870 geboren heeft. Al onze Kinderen, 7 in getal, 6 jongens en een meisje doen en zijn allen wel. Ook de overige Famielij als vader en Moeder Nijenhuis zoo ook de broer en Zusters en Kinderen zijn wel. De Reden waarom ik juist ……….is wel bijzonder daarom. Er is hier een man AB Carpenter genaamd wiens vrouw voorouders uit Holland afstammen. Deze man heeft vernomen dat zijn vrouws overgrootvader, Lambartus Scheely genaamd in Amsterdam woonachtig geweest zijnde, en voor ongeveer 30 35 jaar overleden zijde, eenige duizende (eene groote som geld) gedeponeerd heeft. Het Gouvernement van Holland bij Testament nalten voor zijn Famielij hier die uit zeven en nog levende Erfgenamen bestaat. Deze Erfgenamen mogten weten of dat geld werkelijk daar is, en welke weg zij moeten inslaan om dit geld te verkrijgen. Wilt gij Zwager de goedheid hebben en vragen een bij een Notaris bij u na wat er gedaan kan worden voor nadere wetenschap van verzegeldeTestament en nalatenschap en erlangen of dat de Notaris zelfs daarnaar mogt onderzoeken. JB. Carpenter is gewillig en ook vermogend de daarop komende onkosten te betalen. Wilt gij zoo goed zijn laten mij zoo spoedig mogelijk antwoord op dezen toekomen. En eens wat deze Erfgenamen hier mochten weten si
⦁ hoe groot de Som is
⦁ hoe lang het op Intrest gestaan heeft
⦁ Wat voor hun de beste weg is het te verkrijgen.
De naam des Testateurs in Amsterdam woonachtig zijnde is Lambartus Scheely van deze Scheely´s zijn er hier namelijk 7 broeders en zusters, wier overgrootvader hij (nl. Lambartus Scheely) moet zijn geweest. D
Nu aangaande onze eigene zaken. Moeder was juist dezen namiddag nog hier aan ons huis en zei zij hadden gehoopt met Nieuwjaar al een brief weer van u gehad te hebben maar tot nog toe gen – ook van Simmelink, wat is toch de reden. Geliefde broeders en zuster ik mocht alleen in het voorbijgaan nog opmerken dat gij ons een groot genoegen doen zoudt ons spoedig te antwoorden en terwijl ik besluit mogt u op een woord der Heilige Schrift aanwijzen ter uwer ernstige overdenking namelijk Joh:3:7 vraag waar ben ik wedergeboren? God geve en licht en genade te hooren en te verstaan tot Zaligheid. Amen.
U hartelijk groetend van de geheele famielij – en bijzonder van vader en moeder – van mijne vrouw, kinderen verblijf ik u hoogachtend in uw in liefde gedenken
Zwager en vriend C Schoemaker.

Met br J.D. Heezen en Famielij van ons allen.’


Opvallend zijn de familieconnecties met Winterswijkse achtergrond.

NEBRASKA


DE VERDERE TREK NAAR NEBRASKA 
Vanuit Wisconsin sprongen een aantal Winterswijkers verder naar het Westen en wel naar Holland in Lancaster County, Nebraska, waaronder Jan Willem Leefferdink die in 1847 was vertrokken van Nienhuis in Meddo. In de begintijd werden de kerkdiensten bij Leefferdink gehouden. In 1870 werd de Classis van Wisconsin benaderd om Jan Willem Dunnewold te beroepen. Deze kwam op 25 juni 1870 om de kerk verder op poten te zetten. Christiaan Gijsbers en E.B. Reimes (Jan Albert van het Ganzenhuis in Corle; emigreerden in 1867) werden ouderling en Leefferdink diaken. De gemeente bestond uit 41 leden. Dunnewold zette alles wel op, maar wilde niet als permanente voorganger functioneren. Vervolgens werd Jan Willem te Winkel benaderd. Er moest een gebouw komen en Derk Obbink die in 1866 van Hanenhuis in Corle was geëmigreerd naar Sheboygan County, haalde met een ossenspan het nodige materiaal. En zo kwam er een tweede Dutch Reformed Church in Holland, Nebraska.
Te Winkel ging de gemeente vier en een half jaar voor en in die tijd werden er twee kerken en een dominee’s huis gebouwd. Te Winkel werd als een leider gezien van deze kerk in de nieuwe kolonie. Jan Willem te Winkel kocht 160 acre land van de spoorwegmaatschappij. Te Winkel ging uiteindelijk terug naar Clymer (1).
Het is opvallend dat ook hier de oude contacten van Winterswijkers werkten om vooral nieuwe emigranten te kunnen steunen.

Bron:
⦁ Historische Schets van de Clymerhillkerk

IOWA – SIOUX COUNTRY

De trek naar Orange City; Sioux County, Iowa kwam in 1869 op gang. De gemeenschap in Sioux Center ontstond vooral door de doortrekkers. H.W. Rensink, Antonie Rensink, Gerrit Wesselink, D.H. Wesselink, G. Kempers, die kwamen van Greenleafton in Minnesota. Weliswaar zijn dit namen uit Aalten en Dinxperlo, maar het geeft een goed inzicht in hoe men reisde. De groep was drie weken onderweg. Een persoon had een span paarden, maar de rest had ossen. Verder dreven ze vee met daarbij een aantal melkkoeien. De voorraad bestond uit heel veel gedroogd brood, vlees en ander voedsel. De koeien gaven veel melk na het begrazen van de prairie. ’s Zondags werd er gestopt om de rustdag te vieren. H.W. Beernink kwam per trein met vrouw en twee kinderen uit het oostelijke deel van Wisconsin (1). Het waren allemaal homesteaders, die in een gebied kwamen waarin 1871 nog slachtingen van indianen hadden plaatsgevonden (2).

Bron:
⦁ Written by Gustav Adolph Bade
Lincoln, Nebraska, July 8, 1938 – hoofdstuk 5
⦁ Charles Dijke – The Story of Sioux County, Iowa

CLEVELAND EN CINCINNATTI

ROOMS KATHOLIEKE ENCLAVE IN CLEVELAND
Rond 44 personen uit Winterswijk emigreerden met meerdere katholieken uit de omliggende plaatsen in de Achterhoek naar Cleveland. Zij sloten zich aan bij de St Stephens Church. Volgens Swierenga hielden de Nederlanders zich tezamen door middel van hun geloof en niet zoals in andere delen door nationaliteit. In Cleveland trokken de katholieke Achterhoekers naar de Duits getinte St Stephens parochie (tussen 1835 en 1865). De familie van Hermanus Bernardus Wamelink uit Aalten mag beschouwd worden als een pionierfamilie die zich vestigde aan de zuidoostzijde tegen de zuidelijke centrum grens van Woodland Avenue (1). De groei van de Nederlandse katholieke gemeenschap kwam vanaf 1849 toen een groep van 37 mensen uit Winterswijk arriveerde. We vinden deze emigranten terug bij de St Stephen’s Church in Cleveland, want daar komen we huwelijken en dopen tegen met een hoog Oost Geldersgehalte.
De familie Bekmans arriveerde al in 1845 en vestigde zich in East Cleveland. Harmanus Holkenborg van de Voorde uit Meddo volgde in 1846 met zijn moeder en zijn broer Hendrik Jan.
Volgens Prof. Swierenga werd deze groep geleid door ene hoefsmit Gerrit Jan ten Pas. Dit lijkt mij niet aannemelijk, want ten Pas is in Winterswijk een protestantse familie en een hoefsmit met de naam ten Pas komt in de emigrantenlijst van de gemeente niet voor. Deze RK-groep groeide later aan tot plusminus 86 personen. We komen namen tegen als Wessing, Haverdil, Hageney, Hones, ter Woord en Plekenpol.
Ze hadden geen contact met de protestantse Achterhoekers, die vanaf 1846 aankwamen en zich eveneens vestigden in de buurt van de katholieke streekgenoten. Hendrik Jan Roosen met zijn gezin was één van de eersten. Met name in 1866 kwam er een betrekkelijke groep van 14 protestanten uit Winterswijk aan (Nijenhuis, Konings). Rond 1870-71 kwam zelfs een grotere groep uit de Achterhoek als gevolge van de oorlogsdreiging die de Duits-Franse oorlog had veroorzaakt. Rond deze tijd was de helft van de Nederlandse emigranten in deze grote stad afkomstig uit de Achterhoek. 
De groepen vinden we hoofdzakelijk in het westelijke deel van Cleveland tussen respectievelijk West 14th (Jennings) and West 25th (Pearls); langs de Holmden Avenue en meer westwaards dat ‘Wooden Shoe Alley” werd genoemd (langs Lorain Ave vanaf West 54th (Courtland ) to West 65th (Gordon) Streets. Hier waren winkels en zaken om de Nederlandse bevolking te voorzien (2).


Bronnen:
⦁ Prof. P Swierenga – Faith and Family – Dutch Immigration and Settlement in the United States, 1820-1920.
⦁ Prof. P Swierenga – Faith and Family – Dutch Immigration and Settlement in the United States, 1820-1920.



Lees verder