oudwwijk
Digitaal erfgoed

Beroemde emigranten-nazaten

Hieronder een greep uit emigranten dan wel nazaten die later bekend zijn geworden. Dit is slechts een selectie.

Evert John Blekkink. Geboren op 26-5-1858 te Oostburg. Wisconsin, zoon van Jan Willem Blekkink en Aleida C. Hesselink die in 1846 emigreerden. Evert werd Professor of Systematic Theology aan het Western Theological Seminary te Holland Michigan.
Uit ,,Hollanders who helped built America”- B.H.M.Vlekke

Bernard Lynn Hijink. Geboren op 5 april 1913 in Hawarden, Sioux Co, Iowa. Zoon van Bernard John Hijink, geboren op 14-7-1888 te Milwaukee, Wisconsin en Inez Vera Lynn, geboren op 22-10-1889 te Hawarden, Sioux Co, Iowa
President California State Univ. Sacramento , 1970-1973.
President National Cooperative Education Association 1960-1961.
Prof. Political Science University of Southern California, 1949-1960.

Albertus John Rooks werd op 17 januari 1869 in East Holland geboren als zoon van Jan Rooks en Clara Mulder. Hij wordt Professor of Latin and Roman Culture aan Calvin College te Grand Rapids. 
Uit ,,Hollanders who helped built America”- B.H.M.Vlekke
Abbe Livingston Warnshuis werd op 22 november 1877 in Clymer geboren als zoon van Jan Willem Warnshuis. Jan Willem was de zoon van Jan Hendrik Warnshuis die in 1845 naar Clymer vertrok. Jan Willem werd dominee voor de Reformed Church. Hij bouwde de gemeenten in Marion, New York en Clymer, New York op en pioneerde in Sioux Co, Iowa en stichtte een kerk in Alton, Louisiana. Hij trouwde Hendrika Johanna Oonk (geboortedatum onbekend). Hij woonde van 1888 t/m. 1890 in New York City en ving Nederlandse emigranten in Castle Garden op.
Zijn zoon, Abbe Livingston, studeerde af aan Hope College te Holland, Michigan. Hij ontving de doktersgraad in 1916. Hij deed zendingswerk in China. Voor het zendingswerk verrichtte hij bestuurswerk in China. Later werd hij secretaris van de Internationale Zendingsraad in Londen (1920-’24), daarna in NY en later in het Verre Oosten (’30-’31). Diverse andere functies, o.a vice president van de Generale Synode van de Reformed Church of America in 1909 en 1934-36. 
Uit ,,Hollanders who helped built America”- B.H.M.Vlekke

Garret Droppers, geboren in 1860. Zijn grootvader emigreerde naar Wisconsin. Studeerde economie aan de Harvard Universiteit en de Universiteit van Berlijn. Hij gaf negen jaar colleges economie aan de Universiteit van Tokyo en was van 1898-1906 president van de Universiteit van Zuid Dakota. Tevens vervulde hij andere burgerlijke en academische posities.
In 1914 werd hij door de President Woodrow Wilson tot hoofd-diplomaat in Griekenland benoemd. Deze functie vervulde hij tot en met 1920.


Bruce Charles Heezen werd op 11 april 1924 geboren in Vinton, Iowa en was een zoon van Charles C. Heezen en Esther Schirding. Op zesjarige leeftijd verhuisde hij naar Muscatine, Iowa. In 1948 haalde hij zijn B.A. graad in de geologie. Later behaalde hij zijn M.S. en Ph.D aan de Columbia Universiteit. Hij was een erkend oceanograaf die de bodem van de oceanen in kaart bracht. In 1999 werd een onderzoekschip van de Amerikaanse marine naar hem vernoemd.


John Te Strake uit Ripley bij Clymer was piloot bij de TransWorldAirlines (TWA). Toen zijn vliegtuig werd gekaapt door terroristen kwam hij in het wereldnieuws. Dagen achtereen stond het vliegtuig gegijzeld op het vliegveld van Beiroet.

Lees verder

Emigratie 1800-1900 Winterswijk

DE EERSTE EMIGRATIEGOLF TOT EN MET 1850
SITUATIE IN WINTERSWIJK
Vanuit Winterswijk en omstreken kwam er een golf op gang. In 1844 vertrokken 38 personen uit de gemeente Winterswijk. Het betrof een groep personen uit met name Dorpsbuurt, Meddo en Henxel. In 1845 werd het al een groep van 187 personen, waarbij het opvalt de relatieve hoge vertegenwoordiging uit de buurtschappen Henxel, Huppel, Meddo en Dorpbuurt. Miste en Corle kenden tot dan toe nog amper emigranten!


Bron: 7 mei 1845, Arnhemsche Courant

Uit de buurtschap Kotten emigreerden tussen 1845 en 1850 148 personen op een geschatte bevolking van 600 personen. Alleen al in de eerste drie jaar keerden 102 personen de buurtschap Kotten de rug toe, waaronder de meeste Afgescheidenen in deze buurtschap (1).

 19 Augustus 1846 schreef de Arnhemsche Courant.

Te Winkel schreef op 8 januari 1848 in zijn dagboek: ‘ Den 8 januari 1848 kregen een brief van mijn broer Gerrit van Buffalo uit Amerika waaruit bleek alle zijne 4 kinderen benevens verscheiden van zijne reisgenoten reeds dood waren. Verder dat de stoomboot waarmede de andere afgescheidenen naar West – Consin wilden varen gesprongen is zodat er weinig van zijn geredt”. Hij vervolgt: ‘Den 1 februari 1848 Tans hoorde men ook dat onze afgescheidenen die in Augustus naar Amerika zijn vertrokken daar meest alle verongelukt zijn. De …van hier en Bredevoort lieten het in de Courant zetten en er kwam op f 40,35 naderhand nog f 30,-.’

Deze berichten moeten een verpletterende indruk hebben gemaakt op de achterblijvers.
In 1848 durfde slechts een enkele Kottenaar na de enorme Phoenix-ramp op het Michiganmeer het ruime sop te kiezen, waar nogal wat buurtgenoten bij betrokken waren. Uit de gemeente Winterswijk vertrokken desondanks nog 78 personen. Waarschijnlijk waren een aantal al onderweg eer het slechte nieuws Winterswijk bereikte. Velen vertrokken in de zomer en nazomer.
Dit had tot gevolg dat met name in het jaar 1847 een aantal huizen leeg kwamen te staan

2.2 KRITIEK OP EN AANJAGEN VAN DE LANDVERHUIZING
In 1846 verscheen het boekje ‘Landverhuizing, of waarom bevorderen wij de landverhuizing wel naar Noord-Amerika en niet naar Java?”. De overheid zag een uittocht naar Java niet zitten. De schrijvers waren twee Arnhemse Afgescheiden predikanten A.C van Raalte en A. Brummelkamp. Zij beïnvloedden met dit boekje zeker de Achterhoek. 
De Arnhemse Courant constateerde op 12 januari 1847.

‘Niettemin rigt zich de Nederlandse landverhuizing, welke in deze dagen bedenkelijke toeneemt, met opoffering van vele voordelen, hoofdzakelijk naar Amerikaansche vrijstaten.’

De krant bracht in het nummer van 7 juli enige verfijning in haar mening. ‘De zucht tot verhuizing naar Noord-Amerika zich hoe langer zoo meer ontwikkelde, en steeds wordende aangewakkerd door de van tijd tot tijd in de gemeente ontvangen gunstigen berichten van verhuisden. Zoo, is het te voorzien, dat de vermindering van bevolking in dit gewest (Gld.) aanzienelijk zal worden. Geen middel kan baten, om deze overdreven neiging te keer te gaan.……De godsdienst daarenboven door sommigen tot middel gebruikt om hunne geloofsgenoten tot de overtocht naar het vrije Amerika aan te sporen heeft krachtig bijgedragen om die zucht tot verhuizing te verspreiden en vele ligtvaardiglijk doen besluiten om den vaderlandschen bodem vaarwel te zeggen.’

In Winterswijk lijkt dit beeld te worden bevestigd, want het aantal lidmaten van de Christelijke Afgescheidene Gemeente nam van 1844 t.m. 1847 met 76 personen toe. Hiervan waren zestig leden binnen een beperkt aantal jaren geëmigreerd (2). Echter, de grootste groep van emigranten waren geen Afgescheidenen en voor hen moest er andere doorslaggevende redenen zijn geweest om te emigreren. Economische redenen lagen dan voor de hand gezien de situatie in Winterswijk .

Rond 1847 werd de spotgedreven met de landverhuizers

Bronnen:
⦁ Emigrantenlijst tussen 1839 en 1890 – Winterswijk 2006 – Henk te Kulve 
⦁ Naamregister van de leden der Christelijke Afgescheidene Gemeente te Winterswijk – 1841


SITUATIE IN WINTERSWIJK TUSSEN 1850 EN 1875
Volgens het gemeenteverslag van 1853 tastte een hagelbui op 8 juli de oogst aan. Vooral Ratum, Henxel, Kotten, Brinkheurne, Dorp, Dorpsbuurt en het Woold hadden hieronder te lijden. De totale schadepost werd op 64.196,85 gulden geraamd. De gemeente besloot om behoeftigen te ondersteunen (Gemeenteverslag 1853). In 1854 vertrokken 131 personen naar de V.S. en in 1855 gingen 81 personen. Ook de Krimoorlog veroorzaakte een verhoging van het prijspeil. In 1856 was de oogst gunstig en daardoor konden de boeren hoge prijzen betaald krijgen (1). Echter, in 1856 en 1857 vertrokken respectievelijk 101 en 60 personen. Met het schip de South Caroline vertrokken een groot aantal personen. De meeste emigranten bleven in groepen reizen. 
De weerslag op de lokale economie als gevolge van de emigratie moet in die tijd gigantisch zijn geweest. Tussen 1851 en 1860 daalde het inwonersaantal van Winterswijk van 7647 naar 7377 als gevolge van een vertrekoverschot (2). Huizen en boerderij stonden leeg, terwijl de huizenprijzen met een tiental procenten daalde.
In Winterswijk noopte dit in 1864 tot maatregelen om onder andere een plaatselijke afdeling van de Geldersche-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw op te richten (3). Dit was het begin van een krachtenbundeling.
In Amerika was toen de Homestead Act aangenomen, waarbij emigranten 125 acre land konden krijgen, mits ze er minstens vijf jaar op woonden, ontgonnen en de grond bewerkten (4). Dit klonk bij vele pachters als muziek in de oren, want de druk op grondbezit nam in Winterswijk toe. In 1830 hadden volgens het kadaster 829 eigenaren de grond inclusief de markegronden in hun bezit, terwijl in 1880 dat er 1791 eigenaren waren.
In 1865 regeerde Koning Winter met strenge hand tot en met april. De maanden mei en juni waren te koud door de vele nachtvorst. Het gevolg was dat er veel schade was aan de boekweit en aardappelen. De opbrengst van vruchtbomen was ‘bijna niets’ volgens het gemeenteverslag van dat jaar. Een hagelbui, aardappelziekte en konijnenoverlast maakten het de boeren in 1866 niet gemakkelijker. In 1868 bracht nachtvorst opnieuw veel schade toe aan de aardappelen en de boekweit met het gevolg dat de hele oogst mislukte (5). Ene Gerrit Lammers (van Mekers Dorpbuurt) kwam vanuit East Oostburg, Wisconsin terug om in Aalten en Winterswijk een groep te charteren (6). Het slechte weer en de overtuiging van Lammers deed een grote groep Winterswijkers besluiten om naar met name Wisconsin te trekken, vooral in Kotten en Woold richtte men zich hierop. Het aantal van 212 personen vertrok.



Het emigrantengezin van Jan Willem Boeijink dat in eind juni 1869 met een groep naar Wisconsin vertrok. Eerste rij v.l.n.r.: Jan Willem Boeijink, Harmina Boeijnk (dochter) en echtgenote Johanna Catharina Sikkink.
Tweede rij v.l.n.r.: Janna Renskers, Jan Hendrik Renskers en Johanna Catharina Boeijnk


In Kotten pakten in 1869 een aantal families naar aanleiding hiervan de koffers, nl. Sikkink (Bemers), Renskers (Hondersmaat), Plekenpol(Honderslo), Boeijink (Oossink), Rensink (Kuper), Dulmus (Hesselink/Broeder). Zij scheepten zich via Liverpool in op de Nestorian. Met een grotere groep reisden zij af naar Wisconsin.
In 1871 mislukte de rogge- en aardappeloogst. Er was genoeg woeste grond voorradig, maar een gebrek aan meststof hield de productieverhoging in Winterswijk tegen (7).

Bronnen:
⦁ Gemeenteverslagen Winterswijk van 1851 en 1860 
⦁ Gemeenteverslagen Winterswijk van de jaren 1853, 1854 en 1856
⦁ Honderd jaar Gelderse Maatschappij van Landbouw Winterswijk; 1966
⦁ Homestead Act
⦁ Gemeenteverslagen Winterswijk van 1865, 1866, 1868
⦁ Oostburg Haven of Hope in a new land;pagina 11)
⦁ Gemeenteverslag Winterswijk van 1871

Lees verder

Emigratie Winterswijkers

DE AFSCHEIDING IN WINTERSWIJK

Protesten tegen de al te verlichte invloeden in de kerk, nadat de Kerk na 1816 ondergeschikt was geworden aan het Staatsgezag versterkten de onrust in het land. Binnen de kerk was altijd al een spanning tussen het orthodoxe deel en de meer liberale tak van de kerk. Naast de godsdienstige redenen was er onvrede in de sociale onderlaag van de bevolking. In 1834 veroorzaakte Ds. De Cock in Ulrum een scheuring in de Nederduits Gereformeerde Kerk (de Staatskerk). Op andere plaatsen gingen predikanten voor in de strijd. 
Her en der in het land kreeg de Afscheiding aanhang. In het Gelderse vonden Ds. Van Raalte en Ds. Brummelkamp de nodige aanhangers in de Achterhoek. In Gelselaar-Geesteren kwamen in het geheim al spoedig een groep Afgescheidenen bijeen. Uit Winterswijk waren daar Evert de Roos en Aleida ter Raa (1) aanwezig. Geleidelijk aan organiseerden zij geheime bijeenkomsten in Winterswijk. 
Op de boerderij Honders (Kotten) van Evert de Roos had de Afscheiding echt wortel geschoten. De drie oudste kinderen uit het eerste huwelijk van Aleida ter Raa met wijlen Jan Esselink (1774-1826) verspreidden het geloof. Door de tochten van Evert de Roos en Aleida ter Raa naar Gelselaar leerde Johanna Geertruida Esselink (geboren 1821) de Fabrikant van spinnewielen en weefgetouwen Jan Meengs kennen en huwde op 1-9-1842 te Geesteren (Gld.). Het echtpaar emigreerde in 1871 met het schip Nevada naar de VS en vestigde zich in New Vriesland, staat Michigan. 
Jongere zus Anna Margaretha Esselink had toen al kennis gekregen aan Ds. J.W. te Bokkel (2). Hij was een leerling van Ds. Van Raalte, die in 1846 naar Holland, Michigan trok. Ds. J.W. Ten Bokkel werd op 16 juni 1844 lidmaat van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Winterswijk. Op 10 november hield hij zijn afscheidspreek en vertrok naar Ommen.
De jongste zoon Gerrit Esselink (geb. 1825) kwam op de boerderij Wissink te Geesteren terecht.
Kennelijk had de Afscheiding voldoende aanhang in Winterswijk. Vanuit Varsseveld 1837 de eerste impulsen richting Winterswijk gegeven. Ds. Brummelkamp was daar al regelmatig te prediken. Echter bijeenkomsten met meer dan 20 personen waren in die tijd verboden en in Varsseveld overtrad men dit regelmatig. Van heinde en ver kwam men naar Varsseveld en de predikant moest in 1837 en 1838 flinke boetes betalen. De Afgescheiden Gemeente betaalde hem 243,89 gulden terug. Vanaf 1841 kwam pas de vrijheid van vergadering. De eerste genotuleerde bijeenkomst van de Afgescheiden Gemeente in Winterswijk was op 12 december 1840, waarbij als ouderlingen uit Varsseveld Rademaker en A. Colenbrander aanwezig waren. Hierbij waren verder aanwezig G.W. Hesselink, G.J. Lieverdink, J.A. Wilterdink, G.W. Wilterdink, J.B. Oonk, H.J. Hesselink, E. de Roos, G. Elferink, J.A. Loomans, J.B. Sikkink, J.A. Sikkink, H.J. ter Borg, H.J. Ormel, A. Hesselink, G.J. Oonk en H.J. Wilterdink (3). 
K. Wildeboer uit Varsseveld stichtte op 6 april 1841 de Christelijk Afgescheiden Gemeente te Winterswijk, hoewel de notulen der Kerk hierover niets vermelden.
In januari 1842 werden de volgende personen gekozen om uit naam van de Gemeente te vergaderen. Zij waren E. de Roos, J.A. Wilterdink, G.W. Hesselink, J.B. Oonk en G.J. Oonk uit Kotten en H.J .Hesselink. G.W. Wilterdink was toen al diaken en G. Elferdink ouderling. Opvallend was de sterke vertegenwoordiging uit Kotten. In 1842 werden zelfs de bijeenkomsten gesplitst in een Kotten-bijeenkomst bij J.A. Wilterdink en een andere in Winterswijk.
Ten tijde van de oprichting kent de Gemeente 32 leden (4). In 1842 kocht E. de Roos een stuk grond genaamd ‘Zonnebrink’ tegen 235 gulden en in een clausule werd opgenomen ‘ dat hij het perceel voor zich en afgescheidene medeleden van de Hervormde Gemeente te Winterswijk had aangekogt, doch zich personeel voor den inhoud dezes contracts verbond en aansprakelijk stelde.’ Al spoedig werd er door Evert de Roos geld ingezameld om de bouw van een kerkgebouw te bekostigen. Met vereende krachten van een groot aantal leden kwam de bouw in 1842 tot stand (5). Een groot deel van de eerste leden kwam uit de buurtschap Kotten.
Op 17 september 1842 predikte Ds. Brummelkamp voor de eerste maal in de nieuwe Afgescheiden kerk(6).

Lees verder