oudwwijk
Digitaal erfgoed

Peuter en Kleuter

0p  maandagavond 6 Oktober 1930, ’s avonds om 9 uur werd ik geboren in Winterswijk. Ik woog 9 pond, dus een gezonde baby mag je wel zeggen. De lengte werd toen blijkbaar nog niet gemeten, want daarvan heb ik nooit iets gehoord. Maar gezien mijn lengte van nu (1.85m), zal dat wel behoorlijk zijn geweest.

Ik was het eerste kind in de kleine familie van mijn moeder.  In een ander verhaaltje heb ik vast al wel eens de namen van die familieleden genoemd, maar doe het nog maar eens. Ze hebben tenslotte een heel groot stempel gedrukt op mijn jeugd en die van mijn zusje Gerda.

Moeder was geboren in 1904. als de jongste van 3 dochters, Haar oudste zus, tante Cor, was onderwijzeres en woonde bij haar ouders, mijn Opoe en Opa, ongeveer 100 meter bij ons vandaan.  De tweede zuster was tante Fien, getrouwd met oom Jan, zij hadden geen kinderen. Oom Jan werkte bij de Spoorwegen en zoals dat daar gaat waren ze al ontelbare malen verhuisd naar een andere “standplaats”. Ik herinner me, dat ze in Coevorden, Tilburg, Breda en ten slotte in Utrecht woonden.

Een van mijn eerste herinneringen is, dat moeder en ik aan het eind van de middag hand in hand naar Opoe en Opa liepen. Opoe had altijd wel wat “kliekjes” over van het middagmaal, want warm eten deed je “tussen de middag”. Ik was dol op eten, net zoals Opa, en we smikkelden samen de opgewarmde restjes op. Heerlijk! En ik vond het helemaal niet erg, toen Opoe eens een overgebleven bord snert door een kliekje zuurkool roerde. 
“ Apart smaakt het goed, dus door elkaar gaat ook best”, vond ze, “…..en bovendien, waar het komt is het ook zo mooi niet”. Het werd een gevleugeld woord.

Langs de weg, waaraan wij woonden stonden vrijstaande huizen, de meeste gebouwd in de dertiger jaren. Het eind van de bebouwing  werd gevormd door Het Rusthuis: nieuw, licht, modern en de trots van de Winterswijkers. Iedereen, die daar zijn oude dag kon, nee, mocht doorbrengen was bevoorrecht, vond men.

Ik herinner me Mijnheer Sipsma, oud-gemeentesecretaris, die een van de bewoners was. Elke morgen liep hij naar het centrum om bij Hotel de Klok in de serre kranten te lezen en een borreltje te drinken. Als hij langswandelde en ik achter het hekje van onze voortuin  speelde, had hij altijd een snoepje bij zich. Later hielp hij me om sigarenbandjes te sparen.

Ik was links, waarschijnlijk geërfd van Opa van vaders kant.  Maar links mocht niet. Ik hoor moeder nog zeggen: “Rietje, denk erom, alleen je mooie handje geven.” Ik heb lang gedacht, dat de grote mensen mijn linkerhand lelijk vonden, terwijl ik er toch niks bijzonders aan zag. Hoogstens een beetje vuil, maar dat was normaal. 
Iedereen bemoeide zich met mijn linksigheid en Tante Cor, die een flinke vinger in de pap had als het om opvoedingszaken ging, vond, dat ik alles rechts moest doen, ook tekenen en schrijven. De hele dag was het: “Denk eraan, je mooooie handje!!! ”Het gevolg was dat ik 1. ging stotteren en 2. op mijn tenen ging lopen. Of dat laatste er iets mee te maken had, weet ik niet. Allebei  “afwijkingen” zijn na een poosje vanzelf weer verdwenen. Maar het gevolg is wel, dat ik nu half links en half rechts ben. Schrijven rechts, een bal gooien links. aardappels schillen rechts, haar kammen links. Ik kan er mee leven……niet de moeite waard om over te zeuren.

Toen ik vier was ging ik naar de “bewaarschool”. Van ’t Nut.  Ik kan me er weinig van herinneren. We speelden winkeltje met houten appels en peren, we zongen veel, de juffrouw las elke dag voor en er was een Sinterklaasfeest bij Van de Riet, een café met zaal voor bruiloften en partijen. Het zijn alleen flarden, beelden, die geen verband hebben met elkaar. Ik ben er alles bij elkaar misschien twee weken geweest. De rest van de tijd was ik ziek.

Ik had astma vanaf mijn geboorte. Onze oude huisarts van Schothorst (zijn kleinzoon is nu onze huisarts, hoe bestaat het!) kwam bijna elke week en ik beschouwde hem als een gezellige opa. Vooral zijn  horloge aan een grote ketting vond ik bijzonder indrukwekkend. 
Antibiotica bestonden nog niet, evenmin als pufjes, en dus moest de benauwdheid overgaan met een dropdrankje, priesnitzverbanden om mijn hals en in bed blijven tot de koorts gezakt was tot onder de 37.5 graden.

Van de bewaarschool heb ik dus weinig meegemaakt en ook tot de vijfde klas van de lagere school was ik vaak ziek. Ik heb nog wel rapporten uit die tijd, waarop alleen is ingevuld: geen rapport wegens ziekte.

Dat ik toch redelijk bij bleef op school kwam door tante Cor, die mij  bijwerkte. Zij was trouwens degene, die er voor zorgde dat ik mijn eerste schooldag in de tweede klas (nu groep 4)  beleefde. Dat zat zo. Vroeger en misschien nu nog wel bestond de regel: Vóór 1 oktober moest je 6 jaar zijn, voordat je naar school mocht. Ik was dus net een week te jong (6 oktober) en moest een jaar wachten.

Maar tante Cor wist de oplossing.

Ze bracht een leesplankje met aap, noot, mies en een doosje letters voor me mee en gaf me elke dag les. Als ze na  4 uur uit school kwam, kreeg ik rekenen, taal, lezen en schrijven. En toen ik een jaar later (bijna 7) wel naar school mocht, kwam ik meteen in de tweede klas, gelukkig weer bij Tineke, mijn vriendinnetje. Het was wel raar. Voor mij was het de eerste schooldag en dus heel bijzonder, voor de rest van de klas was school al ouwe koek.

Op 20 mei 1936 werd mijn zusje geboren. Toen de dag van de bevalling dichterbij kwam, ging ik logeren bij Opoe, Opa en tante Cor. Samen met haar op haar mooie kamer slapen, het leek me een feest. Maar toen ik ’s avonds in bed lag, kreeg ik heimwee en wilde alleen maar naar moeder en vader.
Toen onze kleindochter eens bij ons logeerde kreeg ze ook vreselijk heimwee. Ze moest en zou naar huis. Ik kon me zo goed voorstellen hoe dat voelde.

Toen kwam Vader me halen en in pyama droeg hij me naar huis. Onderweg zei hij: ”We hebben een grote verrassing, je raadt het nooit”. Hij zette me onderaan de trap neer: “Ga maar eens kijken op onze slaapkamer”. Ik holde naar boven; daar lag moeder in bed en naast haar stond een wieg met een prachtige baby, mijn zusje Gerda. Ik was dolgelukkig, maar dat moeder nou net ziek moest worden en in bed lag…….

Eén voorval uit die tijd is me heel erg bijgebleven.

In die eerste weken na de geboorte van mijn zusje was een nicht uit Hengelo(O) gekomen om de huishouding te laten marcheren.  Ze was best een aardig mens, maar ik vond het toch niet plezierig. Ik zal dan ook vast een vervelend kind zijn geweest, maar toen was ik me van geen kwaad bewust. “Doe je broekje eens naar beneden en draai je dan eens om”, zei moeder, die nog in bed lag. Ik snapte er niks van, maar deed wat moeder vroeg. “Buk je eens”, en toen kreeg ik een paar tikken op m’n billen. “Zo, en nu ga je naar tante Riek en zegt tegen haar dat je nooit meer stout zult zijn”.

Ik zal best iets uitgespookt hebben, maar wat weet ik niet meer. Maar die paar tikken vergeet ik nooit. Het was trouwens de enige keer, dat ik een klap(je) kreeg.

Achteraf denk ik wel eens, dat mijn familie me zo’n beetje doodknuffelde. Een aantal jaren was ik het enige kind in een familie, waarin altijd alles met elkaar bepraat werd. Alles wat ik zei of deed, werd besproken en goed of verkeerd gevonden. Iedereen bemoeide zich er altijd mee.  Ik mocht nooit zonder jas naar buiten, of de mussen moesten zowat dood van het dak vallen van de hitte; ik moest rechtop lopen en bij kou mijn  mond dicht houden, anders werd ik ziek; ik mocht niet met vreemden praten en moest altijd op tijd thuis zijn. Vooral ’s avonds moest ik om half zes thuis zijn voor het eten. Dat lukte vaak niet en mijn afleidingsmanoeuvre was om een boeketje bloemen te plukken, voor moeder, “Mooi he, ja, ’t is daardoor een beetje later geworden…” Stel je voor, dat ik zoek zou raken. Wat dan? Daar was wat op gevonden. Als iemand me zou vragen hoe ik heette, moest ik zeggen: “Rietje van den Berg, Kottenseweg 39, Winterswijk. 
Later leerde vader me om te zeggen: “Rietje van den Berg, zonder erg, zonder ziel of zaligheid, doet in de broek van narigheid”. Ik vond het heel gek, dat veel mensen, die aan me vroegen:”Hoe heet jij?” daar dan
heel hard om moesten lachen. Ik begreep niet wat er te lachen viel.

Als ik weer eens iets gedaan had wat niet mocht, zei moeder of vader:”Pas maar op, als je nog eens stout bent, geef ik je mee aan de vuilnisman”. Het gevolg was, dat ik een panische angst had voor de vuilophalers. Als ik de wagen maar in de verte zag, holde ik naar huis en verstopte me in het portiek bij onze voordeur.

Zoals ik al zei: Het was een hecht familieclubje: Opoe, Opa, tante Cor, moeder en vader en elk week-end tante Fien en Oom Jan uit Utrecht.  Ze  logeerden dan bij ons en zaterdagavond was het huis gezellig vol met familie.

Elk week-end kende hetzelfde patroon. Zaterdagmiddag werden oom en tante van de trein gehaald en ze gingen naar Opoe en Opa. Moeder was druk in de keuken met het maken van allerlei lekkers voor ’s avonds, want dan kwam iedereen bij ons. Zondagmorgen wandelden oom en tante naar de andere kant van het dorp om de familie van Ome Jan te bezoeken. Ze waren tegen een uur of 3 weer terug, en stapten aan het begin van de avond in de trein naar huis.

Als ik dit zo nog eens nalees, was het toch eigenlijk wel een verschrikkelijk saai gedoe. Er gebeurde nooit eens iets leuks of bijzonders. Elke week was hetzelfde. Maar de mensen leefden vroeger zo, tenminste in Winterswijk; zonder opwinding of bijzondere dingen. Alles ging altijd op dezelfde manier en iedereen vond dat toen normaal.

Als er eens iets bijzonders gebeurde, werd er weken over gepraat. Bijvoorbeeld over de brand van een grote textielfabriek.

Maar ’t was wel een heel geborgen en veilig leventje.

Daaraan kwam een eind op 10 mei 1940, hoewel wij kinderen na de eerste hectische weken, gewoon weer ons vroegere leventje oppakten

Riet Addink-van den Berg

Lees verder

Dokter Bakker

Als oud-Winterswijkse leek het mij een leuk idee een bijdrage te leveren aan de historie van Winterswijk in de periode 1924-1947. In die tijd was mijn vader D.J.Bakker, huisarts in Winterswijk en tevens schoolarts. Mijn vader kocht de praktijk van de weduwe van Dr.Koch, die een praktijk had op de Markt 13, dus daar waar nu een groot filiaal van Blokker is gevestigd. Het was een dokterspraktijk met apotheek. In april 1925 trouwden mijn ouders en betrokken het enorme elf kamers grote huis twee kamers waren voor de praktijk bedoeld, nl. een als spreekkamer en een als apotheek, die tegelijk als wachtkamer dienst deed.


Voor een jongeman van 27 jaar en zijn vrouw van 23  was dat een groot avontuur.
Mijn vader kwam uit Friesland en studeerde medicijnen in Groningen en mijn moeder kwam uit Haarlem. Dat was heel erg wennen. Mijn moeder was zo verstandig geweest om een opleiding voor apothekersassistente te volgen. In de eerste jaren was het sappelen, want als je voorganger is overleden en er is geen ander voor in de plaats gekomen gaan patiënten naar een andere huisarts.
Toen mijn ouders pas in Winterswijk woonden was het de gewoonte om kennis te maken met andere ‘notabelen’. Daartoe “ontvingen’ ze mensen op een dag, een soort “open huis”.
Vaak werden ze teruggevraagd en die bezoekjes aan vreemden waren niet gemakkelijk.

In het begin van vaders loopbaan had hij alleen een fiets om zijn patiënten te bezoeken. Iedereen weet dat Winterswijk een enorm buitengebied heeft met alle buurtschappen en de afstand die tussen de ene en de andere patiënt moest worden afgelegd, was groot.
Soms gebeurde het, dat er in de tijd, dat hij weg was, een patiënt aan de deur kwam vragen of de dokter even kon komen kijken en dan was de dokter net in die buurt geweest. Omdat bijna niemand telefoon had, werden de visites aangevraagd aan de deur. Ook werden op zondag vaak medicijnen opgehaald als mensen uit de kerk kwamen.
Voor de oorlog hadden dokters geen weekenddiensten en alleen vakantie als ze zelf voor een vervanger zorgden. Ik herinner me dat mijn ouders voor het eerst op vakantie gingen in 1939, naar Texel. De vervanger werd ziek, dus vader weer terug.
In 1931 werd mijn oudste broer Kees geboren; in 1936 mijn broer Bram en ikzelf in 1934. Kees is vorig jaar (2010) overleden.

Dr.Bakker (links) met zijn gezin in de tuin aan de markt 13



In het begin van mijn vaders loopbaan werden de bevallingen nog door de huisartsen gedaan. Dat was soms lang wachten bij de kraamvrouw. Omdat het te omslachtig was om nog even naar huis terug te gaan, legde hij soms een kaartje met de vader in spe. In de winter, als de pomp bevroren was, moest er sneeuw geschept worden in een emmer en die werd op het kolenfornuis gezet totdat er eindelijk gekookt water was. Ook lag de kraamvrouw dikwijls in een bedstedde, wat niet bepaald handig was voor de dokter.Kiezen werden in die tijd ook nog door de huisarts getrokken, maar dat was maar voor korte tijd.

De apotheek werd afwisselend door mijn moeder of door een assistente gerund, maar de dokter had altijd de eindverantwoordelijkheid. Om mijn vriendinnetjes een plezier te doen, vroeg ik mijn moeder vaak of ze “zwart op wit” poeders wilde maken. Soms deed ze dat en ging ik met enkele “zwart op wit” poeders naar school. Voorraden voor de apotheek werden door vrachtrijders afgeleverd in soms grote mandflessen, die in de steeg tussen drogist Liedermooy (nu ijssalon Talamini) boven de garage op een vliering werden gehesen.
De hijsbalk zit er nog. In de tijd van Dr.Koch was de schuur de stal voor het paard en de koets. Op de vliering lag het hooi.In de apotheek was veel te doen. Bijna alle medicijnen werden zelf gemaakt uit de ingrediënten die daarvoor in de apotheek stonden. Het was dus echt handwerk. Als de lege flessen van drankjes werden teruggebracht werden ze goed gespoeld met kokend water en soda en daarna nagespoeld met kokend water.
De kurken werden uitgekookt. Heerlijk vond ik het om daarmee te helpen, net zo leuk als poeders vouwen of pillen draaien.
De apotheek was het domein van mijn moeder. Dat de apotheek tegelijk ook wachtkamer was had voor- en nadelen.
Voordeel was dat mijn moeder veel hoorde van wat de wachtenden elkaar te vertellen hadden, nadeel was, dat ze soms een mening moest geven. Dat wilde ze niet; ze probeerde zich er dan uit te redden.
In de koude winters tijdens de oorlog zaten er ook wachtenden die niet bij de dokter moesten zijn. Dat zat zo: In de wachtkamer werd gestookt en men kwam binnen voor een praatje en voor de warmte.
Vlak na mijn 6e verjaardag op 10 mei stonden er Duitse legertrucks op het marktplein. De oorlog was een feit. Wij als kinderen waren niet zo betrokken, maar merkten wel de spanning bij de ouderen. Bommen die voor het Ruhrgebied bestemd waren vielen bij ons neer omdat de “Tommies”, de Engelsen werden aangevallen door Duitse jagers en zonder lading sneller weg konden komen.
Wat de oorlog voor mij ouders betekende heb ik later pas goed begrepen.
Aan alles was gebrek; ook aan de ingrediënten voor de medicijnen.
Mijn vader, die inmiddels met een auto de patiënten bezocht, raakte zijn auto kwijt. Hij had hem verstopt onder een hooiberg bij een boer, maar dat werd verraden en zo gebeurde het dat de auto enkele uren later luid toeterend en geheel gecamoufleerd langs ons huis reed.
Mijn vader was zo woedend dat we bang waren dat hij een hartaanval zou krijgen.
Hierna was het dus weer terug naar af en moest hij weer op de fiets naar de patiënten.
Tegen het einde van de oorlog waren het houten banden die om de wielen zaten, wat helemaal niet prettig was. In die tijd had mijn vader een “kristalontvanger” in zijn verlostas; een primitieve radio waarmee hij de Engelse zender probeerde te ontvangen, omdat het gewone nieuws, als je al een radio bezat, niet betrouwbaar was. De huisartsen werden ook belast met het keuren van jongemannen die voor de “Arbeitseinsatz” naar Duitsland werden gestuurd.
Vaak werden de mannen afgekeurd, hoewel ze best konden werken. De artsen wilden daar niet aan meewerken. Mijn vader is opgepakt en in de politiecel gezet, omdat hij verdacht werd van deze fraude. Gelukkig betrof het deze keer werkelijk een man die niet kon werken en werd vader na bijna 24 uur weer vrijgelaten.
Winterswijk telde meer huisartsen, zoals dr.ter Haar, dr. Bijlsma en dr.Jagerink. Dr. Jagerink woonde in de Wooldstraat, waar nu een boeken- en tijdschriftenzaak is gevestigd, tegenover de vroegere school C. Dr. Jagerink werd getipt dat hij bij een razzia zou worden opgepakt. Toen ze voor zijn deur stonden is hij hem gesmeerd door het WC-raampje, dat op een steegje uitkwam. Vermomd als non (die kleren had hij bij zich)is hij bij een boer tot het eind van de oorlog ondergedoken. Zijn vrouw en zoontje Frits van 4 jaar, moesten direct het huis verlaten. Mijn ouders hebben mevrouw Jagerink en Frits opgenomen en ze hebben vrij lang bij ons gewoond.
Op 31 maart 1945 werden wij bevrijd. Dat was nog heel spannend want er werd op grote tegenstand van de Duitsers gerekend. De Doopsgezinde pastorie lag op een strategisch punt, zodanig dat besloten werd ds. Eelman en haar  huishoudster mej.v.d. Kolk bij ons te laten schuilen. Het waren spannende dagen. Gelukkig kenden we de dominee heel goed, want mijn moeder was Doopsgezind en wij kinderen gingen naar de zondagschool.
Het lentefeest dat ieder jaar voor de kinderen werd gehouden was heerlijk en het kerstfeest met de grote kerstboom zal ik me altijd blijven herinneren.
Het is niet te beschrijven wat oorlog met je doet. Zelf was ik erg bang tijdens de vele keren dat er luchtalarm was. Mijn broers bleven er onverschillig onder. Zo nu en dan kwamen er mensen uit het westen om eten te halen. Mijn ouders konden niet weg en dus werden wij erop uitgestuurd om met hen de boer op te gaan. Als dan het alarm afging was dat vreselijk.
Mijn vader was naast huisarts ook schoolarts. Hij onderzocht de kinderen en verzorgde ook de nodige inentingen, die op school plaatsvonden. Ik herinner me dat ik injectienaalden naar Weenink moest brengen, waar ze geslepen werden. Daarna werden ze thuis gesteriliseerd en hergebruikt.
Na de oorlog was mijn vader opgebrand. Hij had de nodige gezondheidsproblemen en wilde het kalmer aan doen. Hij verkocht de praktijk aan dr.Renken en de apotheek was hij verplicht over te doen aan apotheek Koen.
Volgens de wet mochten er geen apotheekhoudende artsen meer komen. Hij solliciteerde naar een baan als schoolarts en slaagde eri om in Heemstede benoemd te worden.
Daar heeft hij tot zijn pensioen gewerkt; gelukkig voor hem telden de jaren als schoolarts in Winterswijk mee voor zijn pensioen. Hij overleed in 1978 op 79-jarige leeftijd.

Leidschendam, Mei 1911
Paulien Kam-Bakker
Freriks nieuws, september 2011

Lees verder

Janus Dagelinckx De Koster

Janus Dagelinckx Koster
Het huis met het trapgeveltje

Janus bij zijn nieuwe huis



Adrianus Johannes (Janus) Dagelinckx is geboren in Bergen op Zoom op 16 november 1880 en was de zoon van Josephus Franciscus Dagelinckx en Maria Margaretha Raps.
Hij was de derde uit een gezin van 12 kinderen.
Hij was kleermaker, een beroep dat in de geschiedenis tot in generaties binnen de familie is uitgevoerd. Rond 1903 is hij naar Winterswijk vertrokken, omdat hij binnen deze plaats koster kon worden in de Sint Jacobuskerk aan de Misterstraat. Het heeft ons altijd verbaasd dat een katholiek man uit Bergen op Zoom, een rasechte bourgondier, naar het behoudende protestante Winterswijk is vertrokken. Zijn drijfveren zijn ons niet altijd duidelijk geweest.

Janus Dagelinckx



Opa Dagelinckx heeft eerst gewoond in de Misterstraat nr.6, op het uiteinde van de Bosschesteeg. In deze Bosschesteeg woonde mijn oma Anna Carolina (Lina) Schmidt, toendertijd samen met haar moeder Maria Geertruida Schmidt-Iking, haar zus Johanna Berendina Catharina (Anna) Schmidt die later getrouwd is met de smid Bernardus Johannes Hendrikus (Bennie) ter Hart aan de Misterstraat (pand Oxener), en haar broer Franziscus Josephus (FRans) Schmidt die later getrouwd is met Geertruida Paulina Maria Appelboom.
Oma’s vader Jozef Schmidt was reeds in 1893 op 35-jarige leeftijd overleden.
Hij was blauwverver en hij was door de heer Willink van de Batavier in Winterswijk vanuit Hausach in Baden (Dld.) naar Winterswijk gehaald, omdat Jozef Schmidt als blauwverver specialist was in het ontwerpen van nieuwe en vooral blauwe verfkleuren. Als gevolg van het werken met de verfstoffen is Jozef psychisch verward geraakt en opgenomen in de psychiatrische inrichting te Rosmalen waar hij is overleden. 

Zijn vrouw bleef met drie kinderen achter; de jongste, mijn oma, was nog maar vijf jaar oud. Weduwe Schmidt-Iking is in die periode voor andere mensen gaan wassen.

Janus met misdienaars

Het schijnt dat Janus Dagelinckx en Lina Schmidt elkaar hebben leren kennen door het feit dat ze zo dicht bij elkaar woonden. Zij trouwden op 17 januari 1908 op 27-jarige resp.19-jarige leeftijd en zij kwamen te wonen in de Misterstraat 62, het huis met de trapgevel. Dit huis was in eigendom van de R.K.Kerk, dat eveneens in de Misterstraat gelegen was.
In oktober 1908 is het eerste zoontje geboren: Josephus Franciscus (Jozef) Dagelinckx. De tweede zoon Bernardus Johannes Maria (Bennie) Dagelinckx wordt op 25 mei 1910 geboren, maar hij overlijdt na vier maanden.
Mijn moeder Geertruida Johanna Maria (Truida) Dagelinckx wordt als derde kind geboren op 5 juni 1912. Een maand later overlijdt plotseling de oudste zoon Jozef.
Het volgende artikel verscheen op 27 juli 1912 in de Winterswijksche courant:

“Een hoogst treurig ongeluk is Dinsdagmiddag om circa 5 uur hier gebeurd. Het 4 jarig zoontje van den kleermaker D.in de Misterstraat stond voor het ouderlijk huis. Een knaapje, dat aan de overkant stond, riep het aardig ventje, juist op het ogenblik dat een dubbele, zwaar beladen houtwagen voorbij ging.Toen de eerste wagen gepasseerd was, wilde de kleine, die op een andere wagen geen erg had, overloopen. Het knaapje struikelde en zonder dat men het kon verhoeden, ging het rad van den wagen over schouder en rug, zoodat de gehele borstkas werd ingedrukt. De moeder kwam op het gegil aanloopen, nam de kleine op, doch merkte al spoedig, dat het leven bijna geweken was. De ijlings ontboden geneesheer kon geen hulp meer aanbrengen. Een laatste snik…. en de lieve jongen was niet meer.
Dat de ouders ontroostbaar zijn over het verlies van hunner lieveling valt te begrijpen. Het geval heeft algemeen deernis bij onze bevolking verwekt. Naar wij vernemen heeft de voerman geen schuld aan het ongeval. Minder te verdedigen is het echter, dat vooraan bij de tweede wagen geen geleider liep. Het ongeluk ware dan te voorkomen geweest “

Foto van latere tijd van het huis met het trapgeveltje



In oktober 1917 wordt geboren Maria Margaretha Carolina (Marie) Dagelinckx.
En op 11 mei 1920 Anna Margaretha Maria (Anna) Dagelinckx. Het laatste dochtertje overlijdt na 8 maanden.


Het huis met de trapgevel dateert van 1878. Aanvankelijk was het een gewoon woonhuis, maar opa Dagelinckx is er een sigarenhandel begonnen.
“Het Wapen van Winterswijk” , waar ook de voetbaluitslagen voor de etalageraam kon worden bekeken.

Janus Dagelinckx links vooraan


Opa was een actief man: hij zat in diverse verenigingen, was de jaarlijkse Sinterklaas in het dorp, was lid van de vrijwillige brandweer, beroepsmatig kleermaker, sigarenhandelaar, maar vooral koster.
Er bestaan talrijke foto’s genomen rondom de R.K.Kerk, waarop hij staat afgebeeld in functie als koster.


Met zijn postuur heeft hij indruk gemaakt, zodanig, dat hij in 1967 door Ben Bekker, wordt beschreven in zijn streekroman “Chrisjan de Krummele”.

“Alle kerken in ons dorp hadden een koster. Al die kosters waren ordentelijke en waardige mannen. Er was niet dat op aan te merken. Aan het hoofd van de begrafenisstoet trokken ze jaar in jaar uit door de straten van Winterswijk. Maar alle kosters en de burgers bovendien, waren het erover eens dat Janus Schrijnemakers, de koster van de roomse kerk, een klasse apart was”.



Hoe statig de andere kosters ook voor hun begrafenisstoet uit liepen, het bleef lopen!
Janus schreed, waarbij hij zijn voeten op een onnavolgbare wijze lichtelijk naar buiten zette. Nu had hij, dat moet nadrukkelijk worden vermeld, zijn figuur mee. Hij bescjikte over een indrukwekkende omvangrijke buik, die een rechtstreekse, min of meer dwingende en balancerende invloed had op zijn gang. Boven de massieve romp torste Janus een groot hoofd met blozende wangen en een grote fraaie snor. Dit gezicht behield ook op de plechtige momenten iets van een sluimerende opgewektheid en goedheid.
‘t Was als het ware een symbool van het geloof in de wederopstanding.

En wanneer de trieste plechtigheid op het kerkhof ten einde was, dan wendde Janus zich tot de aanwezigen, voegde hun met een luid galmende stem enkele woorden toe waar zelden iemand iets van verstond om steeds te eindigen met dezelfde zin
“namens de familie zeg ik u dank voor de betoonde belangstelling. Geliefde mij te volgen” .
Dan draaide hij zich resoluut om, zette met een weids gebaar de hoge hoed weer op en ging de genodigden voor naar het sterfhuis of naar een cafe waar de groeve (begrafenismaal)  gehouden werd.

Janus Schrijnemakers had alles om een gelukkige koster te zijn, indien zijn traktement niet zo schriel was geweest. Nu was het in de dertiger jaren een doodgewone zaak dat bijna iedereen onderbetaald werd, maar bij Janus had dat, vond hij, een aanwijsbare oorzaak.
Als je een pastoor had, die ieder dubbeltje niet tien maar twintig keer omdraaide, die een nacht niet sliep als hij een kwartje extra had uitgegeven en zich ronduit zondig vond van pure verkwisting als hij een gulden moest besteden, ja, dan was je als koster nergens.
En omdat Janus van jongs af aan in zijn Brabantse stamland was voorgehouden dat je nooit bij de pakken neer moest zitten, was hij een boekhandeltje begonnen. Dat gaf natuurlijk extra werk en extra zorg.
Eigenlijk had Janus nu een dubbele taak: koster en winkelier. Deze dubbele last had echter geen nadelige invloed op zijn gewicht en humor.
Ik durf te beweren dat Ben Bekker zijn roman op ware feiten heeft gebaseerd en er vervolgens een spannend verhaal van heeft gemaakt.
Ware feiten, want dat verhaal over de zuinigheid van de pastoor, dat komen we later opnieuw tegen.

Mijn moeder, Truida Dagelinckx, was als meisje in betrekking aanvankelijk bij dokter Bakker aan de Markt en aansluitend bij notaris Roelvink. In 1934 heeft zij tijdens de onthulling van het Alfons Ariënsbeeld in Enschede kennis gemaakt met mijn vader Johannes Bernardus (Johan) Drubers.
Deze familie “Drubers in ‘t veld” was een goed katholieke familie hetgeen een pre was voor de familie Dagelinckx-Schmidt. Mijn ouders zijn in 1939 in Winterswijk getrouwd en ze zijn vervolgens in Enschede gaan wonen.
Hier zijn de eerste kinderen geboren. Toen opa Dagelinckx in 1943 ziek werd is mijn moeder teruggekomen naar Winterswijk om voor hem te zorgen. Na het overlijden van opa Dagelinckx is het gezin Drubers verhuist naar Winterswijk en nam mijn vader de baan van koster alsmede de sigarenzaak over. In de daaropvolgende 7 jaar werden drie kinderen geboren. Mijn broers en zussen hebben goede herinneringen aan hun kindertijd in Winterswijk.



Mijn ouders daarentegen veel minder. De kosterswoning annex sigarenzaak waar het gezin woonde had eind veertiger jaren nog steeds grote oorlogsschade. Herstelwerkzaamheden bleven uit. Er ontstond een conflict met de verhuurder. Mede door invloed van mijn moeder heeft mijn vader werk aangeboden gekregen in Enschede en in 1951 is het gezin opnieuw verhuisd naar Enschede, waar ik een jaar later ben geboren. Het pand met trapgevel werd later aan de firma Timmerhuis verkocht, die het karakteristieke pand omstreeks 1960 probleemloos liet slopen.

Jos Drubers

Freriks Nieuws, maart 2008
Foto’s: van nazaten Janus dagelinckx

Lees verder

Het Kerkhof



B.Stegeman, 1927

Toen door het jarenlange begraven in de kerk daar bijkans geen plekje meer over was, moest natuurlijk de grond rondom de kerk ook als doodenakker in gebruik genomen worden. Gedeeltelijk door een muur of hekwerk van de publieke straat gescheiden lag ons kerkhof daar als een werkelijke hof te midden van de ouderwetsche houten gevels, die in wijden boog op hem uitzagen. Een plaatsje voorwaar, wel getuigend van hoogen zinnebeeldigen ernst; rondom het eeuwenoude kerkje, op het door de vaderen gewijde plekje gronds, dat de levenden des Zondags betraden om op te gaan naar het bedehuis, waarboven de grijze toren zoo ernstig omhoog wees naar het eeuwige blauw; “Hier beneden is het niet”. Maar met die verheven gedachte had dan ook de materieele zorg voor onzen godsakker wel in overeenstemming behooren te zijn, – en dit liet helaas nog al te wenschen over. Vooral tegen het einde der achttiende eeuw moet de toestand, waarin hij verkeerde, allerbedroevendst zijn geweest. Een uit die dagen (1798) dateerend bericht, schetst ons den Winterswijkschen doodenakker als een ” ware ruine”.
Toezicht of regelmaat bij ’t begraven schijnt er niet geweest te zijn, daar dit – bij gemis van een vasten doograver – veeltijds zoo slordig geschiedde, dat de honden gemakkelijk de bovenliggende aarde konden loswoelen, om de ondiep liggende kisten geheel bloot te leggen. ’t Aantal kuilen en oneffenheden was dan ook legio en hier en daar kwam zelfs door ’t plotseling inzinken der onsoliede kisten de half vergane inhoud aan de oppervlakte, zoodat de niets ontziende jeugd van die dagen zich daar op recht aanschouwelijke wijze in de anatomie van den mensch onderrichten kon, en ……. dat ook werkelijk deed. 
De brave jongens van dien tijd (men klaagt wel eens over de verwildering onzer hedendaagsche jeugd, doch vergeet geheel en al, hoe ’t wel met het jonge volkje van vroegere eeuwen gesteld was) – ze zagen er zelfs niet tegen op de doodsbeenderen van het kerkhof te halen, om er elkander mee om de ooren te werpen, of wel, om ze als griezelige curiositeiten aan Jan en alleman ten toon te stellen.
Wel teeekend voor den toestand was, dat zelfs een “Bot-op-lezer” aangesteld was, wiens vaste taak het was de losgewoelde beenderen bijtijds te verzamelen en in het z.g. “BOTHUUSKEN” te werpen. Dat bothuusken stond vlak tegen den kerkmuur, waar thans het gemeetelijk aanplakbord geplaatst is en lag vol met grijnzende doodshoofden en dergelijke lugubere zaken, die van de straat afduidelijk zichtbaar waren. het “memento mori”, dat ze U toeriepen,was wel in staat U tevens de bange vrees op het lijf te jagen, dat eenmaal wellicht ook Uw gebeente, daar bij dien somberen chaos verzameld zou worden, maar de Winterswijkers van die dagen wisten niet beter of het hoorde zoo.
Geen groeve kon er gedolven worden, of er kwam een gansche verzameling van half vergane, maar deels ook nog uiterst gave skeletdeelen te voorschijn, die dan bleven liggen tot de Bot-op-lezer ze achterloos over het hek van het knekelhuis geworpen had, of wel, tot de lieve jeugd, die er veeltijds nog het eerst bij was, ze reeds als welkom speeltuig weggekaapt en in beslag genomen had. En wee, zoo dit laatste het geval was. “Weerzinwekkend was het dan soms te zien” – zooals een oogetuige Mr.W.A.Roelvink) ons nog te vertelen wist – ” hoe sommige knapen er blijkbaar vermaak in konden scheppen de doodshoofden stuk te slaan of de langste doodsbeenderen (bovenarm of dijbeen) uit te zoeken om ze met een touw om het middel te binden, ze als een sabel aan de zij te doen bungelen en er tenslotte elkander mee te lijf te gaan.



Lees verder

MOORD OP VISCHEDIJK

Ru Wever, 1994

Geweldsmisdrijven zijn in de annalen van de Winterswijkse politie niet erg talrijk. Het zal wel te maken hebben met de aard van de bevolking. Maar er is een incident, dat, hoewel het al een kleine halve eeuw oud is, nog steeds in veler geheugen voortleeft; de moord op Visschedijk. Een onopgeloste moord. De journalist Bill Bilderbeek schreef de volgende reconstructie aan de hand van het politiedossier P.V.1.752.31 terzake misdrijven tegen het leven gericht. Een verhaal vol drama, familievetes en onbeantwoord gebleven vragen; over tientallen verhoren, een reeks aanhoudingen, zelfs een halve bekentenis; over verlinking vanuit de cel en sterke aanwijzingen, zelfs van de paragnost Croiset. Maar uiteindelijk zonder dader voor de rechter.

DE MOORD OP VISCHEDIJK BLEEF EEN ONOPGELOST RAADSEL

Het was een stille herfstmorgen, die woensdag de 23ste oktober 1946. In de toch altijd al rustige 2e Gasthuisstraat leek alle leven uitgeblust. De vrouw van melkboer te Gussinklo slofte de hoek van de Leliestraat om, op weg naar Vischedijk, de oude, alleen wonende man op nummer 32, die zij af en toe een litertje melk bezorgde. Al op enige afstand zag zij de voordeur op een kier staan en dat verbaasde haar. Ze klopte aan en toen er geen reactie kwam deed ze de deur verder open en keek ze naar binnen. Citaat uit het proces-verbaal van de agenten J.F.Pouw en H.A.Tammer, d.d. 31 oktober 1946. “…..zag ik Vischedijk met een geheel bebloed hoofd, direct achter die deur languit in het portaaltje van zijn woning liggen. Hij lag met het hoofd in de richting van de voordeur en met zijn benen in de gang achter het portaaltje. Na dit gezien te hebben schrok ik erg en dacht ik, dat Vischedijk zich aan zichzelf had vergrepen. Ik liep direct weg om hulp te halen.” 
Ze alameerde meteen de naaste buren; metselaar Bloemers, de huisbaas van Vischedijk, stoelenmatter Gotink, stoker Van Doorn, schilder Oberink en Wevers, ook schilder. Oberink zag bij Vischedijk nog tekenen van leven, maar kreeg geen woord meer van hem. De politie werd gewaarschuwd, dokter Jagerink en natuurlijk de kinderen van Vischedijk; dochter Anna, de oudste, en de zoons Willem en FRans. Toen die in de 2e Gasthuisstraat verschenen was daar al een oploopje. De ziekenauto kwam aanrijden, en Vischedijk werd naar het r.k.ziekenhuis overgebracht.

De agenten Pouw en Tammer zagen al gauw dat er van zelfmoord geen sprake was. Vischedijk was op het hoofd geslagen met een fietspomp en wel zo hard dat die in onderdelen op de vloer verspreid lag. Woon- en slaapkamer waren overhoop gehaald, de inhoud van ladekasten lag her en der in het rond. In het portaaltje vonden zij vele bloedsporen. Zij vroegen de zwaar gewonde Vischedijk verscheidene malen: “Wie heeft dat gedaan?”, maar hij kreunde slechts, opende nog wel de ogen, maar antwoordde niet. Dat antwoord kwam ook niet meer – Vischedijk stierf ’s middags, omstreeks vijf uur, zonder nog tot bewustzijn te zijn gekomen; hij was 68 jaar.

DAG VAN ONDERTROUW

Het onderzoek ging over in handen van de rechercheurs Gerkes en Tangena. Zij stonden voor een kolossale taak. Er moesten vele betrokkenen worden gehoord, buren en familieleden en wie verder nog van belang zouden blijken te zijn.
In de eerste verhoren was er een facet, dat centraal kwam te staan. Buren wisten te vertellen, dat deze woensdag voor Vischedijl een feestdag had moeten worden. Hij zou namelijk in ondertrouw gaan met een aanzienlijk jongere vrouw uit de Eibergse buurtschap Hupsel. En de buren wisten ook, dat de kinderen van Vischedijk faliekant tegen die huwelijksplannen waren, evenals familieleden van de bruid in kwestie. Reden te over om ook deze vrouw eens aan een verhoor te onderwerpen. 
De 42-jarige Johanna Kl.G.bleek Vischedijk een week of zes te kennen en bevestigde dat er trouwplannen waren; zij hadden zich op 13 oktober verloofd. Afgelopen zondag hadden zij de laatste voorbereidingen getroffen, sindsdien had zij Vischedijk niet weer gezien. Johanna woonde met twee broers op de boerderij en deed de huishouding.
Beide broers wilden van geen trouwplannen weten, vooral de jongste, Jan, was er fel tegen. Zij vonden, dat Johanna nog best een jongere partner kon vinden. Toen zij er haar bevreemding over uitsprak, dat Vischedijk woensdag niet was komen opdagen, voor de ondertrouw in Eibergen, vertelden de twee Winterswijkse politiemannen haar wat Vischedijk was overkomen. De 33-jarige grondwerker Jan Kl.G. zei, dat de hele familie tegen de trouwplannen van Johanna was en dat zelfs de pastoor was ingeschakeld om haar tot andere gedachten te brengen. Gevraagd waar hij dinsdagavond en- nacht was geweest, zei hij de avond bij de buren te zijn geweest en de hele nacht thuis te hebben geslapen. De buren bevestigden zijn verklaring.

De rechercheurs namen enkele kledingstukken, die hij de bewuste avond had gedragen, mee, voor onderzoek op bloedsporen. De rechercheurs volgden het spoor dat in de richting Eibergen wees. Buurman Bloemers had namelijk meegedeeld dat, op de zondagmiddag voor de moord een hem onbekende man naar Vischedijk had gevraagd. Die was toen niet thuis en de man in kwestie had willen weten wie die Vischedijk eigenlijk was, wat hij voor de kost deed en of Bloemers hem niet even toegang tot de woning wilde verlenen. Hij zijn een neef van Vischedijks verloofde te zijn en, net als andere familieleden, niets in het huwelijk te zien. Bloemers had hem niet in Vischedijks woning gealten, had nog wel een tijdje met hem gepraat, maar daarna was de man weggefietst.
De man in kwestie was vrij snel gevonden; de 30-jarige landbouwer J.W.P.in Eibergen, inderdaad een neef van Johanna Kl.G. Hij bevestigde bij verhoor het verhaal van Bloemers en had een alibi voor dinsdagavond de 22ste oktober tot ongeveer half elf, het tijdstip waarop hij naar bed ging. Zowel deze P. als Jan Kl.G. zaten een paar dagen in Winterswijk in voorarrest, maar werden, nadat hun verklaringen waren onderzocht, dinsdag 5 november op vrije voeten gesteld. Het Eibergse spoor, berustend op een denkbaar motief, bleek dood te lopen.

FAMILIEVETES

Inmiddels hadden de verhoren van de naaste familieleden van Vischedijk ook heel wat mogelijke motieven opgeleverd. De verhoudingen bleken namelijk in de familiekring allesbehalve vredig te zijn. Zoon Frans, 34 jaar, wever van beroep, toen werkzaam als militair bewaker in een kamp voor politiekgedetineerden in Ampsen, had geruime tijd bij zijn vader ingewoond. Hij had weet van de minder goede verstandhouding tussen broer Willem en zijn vader, de laatste tijd nog verslechterd door diens trouwplannen. Citaat uit het proces-verbaal: “Mijn vader vroeg mij nog of ik bij zijn huwelijk getuige wilde zijn. Ik zei hem dat ik dit niet wenste te zijn, waarover hij zich nogal ergerde. Hij zeide onder andere, dat hij mijn broer ook hetzelfde al gevraagd had en dat die ook had geweigerd, zodat hij dan wildvreemden moest vragen om te getuigen.” 
De zondag voor de moord had hij voor het laatst thuis geslapen. Toen had een vrouwelijke kennis zijn vader geholpen met het plaatsen van een tweepersoonsledikant. Bij die gelegenheid had Frans gezegd dat hij, als vader zijn trouwplannen zou doorzetten, niet meer thuis zou overnachten. Op de dag van de moord had Frans dienst gedaan in Ampsen, wat gemakkelijk was te verifieren. Volgens Frans was de verhouding tussen zijn broer Willem en vader helemaal niet goed, maar nog slechter was die met schoonzoon Johan, getrouwd met zuster Anna. De laatste paar jaar was het (citaat uit het P.V.)” een keer of drie voorgekomen dat zijn vader en Johan ter M.in mijn bijzijn een dreigende houding tegenover elkaar aannamen.” Vader was van meet af tegen dat huwelijk geweest. Of hij een spaarpot of bankrekening had wist Frans niet, wel dat zijn vader erg zuinig was. Zoon Willen, 37 jaar, schilder, maar tijdelijk bewaker in kamp Vosseveld, ontkende ten stelligste iets met de gewelddadige dood van zijn vader te maken te hebben. Hij gaf wel toe sterk tegen het hertrouwen van hem te zijn geweest en dat de verhouding tot zijn vader zeer gespannen was; diens karakter omschreef hij als wonderlijk en nogal wispelturig. Een week tevoren had hij hem “het huis ontzegd” en daarna had hij hem niet weer gesproken. De bewuste dinsdagavond was hij al om negen uur naar bed gegaan en die nacht had hij het huis niet meer verlaten. Verdenking uitte Willem jegens zijn zwager Johan, “een driftig persoon” die een nog slechtere verhouding met vader had; die was van meet af gekant geweest tegen het huwelijk met Anna. Willem had zijn vader nogal kwalijk genomen, dat hij de laatste tijd omgang had met vrouwen van gedetineerde NSB-ers. Ook zinde het hem niet, dat hij huwelijksadvertenties plaatste en dat hij de brieven die daarop kwamen door de buren liet voorlezen.

AANHOUDING

Johan ter M. werd vrijdag de 25e oktober aangehouden en voorgeleid en meteen aan een langdurig verhoor onderworpen. Hij bevestigde, dat er door zijn huwelijk met Anna een slechte verhouding tot zijn schoonvader bestond, wiens karakter hij omschreef als “lastig, driftig en opvliegend”. Die dinsdag was hij ’s middags met een broer naar Aalten gefietst voor familiebezoek, tegen negen uur thuisgekomen en om kwart over tien naar bed gegaan (zijn vrouw sliep toen al); ’s nachts had hij het huis niet verlaten. Gevraagd waarom een flanellen broek, die hij die dinsdag zou hebben gedragen, ’s woensdags met spoed door zijn vrouw gewassen moest worden (dus na het ontdekken van de moord), zei ter M.dat hij zijn vrouw dat al eerder had gevraagd; die broek zat namelijk onder de vlekken. De verbalisanten wezen Ter M. erop, dat in het Rijks-laboratorium was vastgesteld, dat daar ook bloedvlekken bij waren. Daarvoor had hij een verrassende verklaring.

Citaat uit het P.V.:” Voor enige weken heb ik namelijk een gedeelte van een varken (2 zijden spek) tussen mijn kleren van Aalten naar Winterswijk vervoerd. Dat spek was afkomstig van een clandestiene slachting. De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat daarvan bloedsporen op mijn kleren zijn achtergebleven.” Hoewel Ter M. pertinent bij zijn ontkenning bleef werd hij ’s zaterdags in verzekering gesteld; ’s maandags werd de detentie met wtee dagen verlengd. Woensdag werd hij in Zutphen voorgeleid, maar meteen weer naar Winterswijk teruggebracht. Zijn detentie duurde tot maandag 4 november; toen moest hij bij gebrek aan bewijs worden vrijgelaten. Een dag later gebeurde dat ook met de Eibergenaren P.en Kl.G., die kort in voorarrest hadden gezeten en wier alibi bleek te kloppen.

Dezelfde week nog was er een nieuwe verdachte. Winterswijkers meldden namelijk de politie dat zijn Vischedijk de dinsdagavond voor de moord in Groenlo op de Markt hadden zien praten met de Winterswijkse scharenslijper G., een kennis van hem. Deze werd aangehouden, maar bleek zich van die ontmoeting niet veel te herinneren. Citaat uit het P.V.: ” De mogelijkheid is namelijk niet geheel uitgesloten dat ik op dat moment in staat van dronkenschap verkeerd.” Toen het door de 65-jarige G. opgegeven alibi bleek te kloppen werd hij een paar dagen later eveneens in vrijheid gesteld. het onderzoek zat vast als een muur. Gerkes en Tangena hadden de tijd om alles nog eens op een rijtje (en op papier) te zetten. Op 8 december 1946 sloten zij hun proces-verbaal af. Drie dagen later werd de verzegelde woning van Vischedijk door officier van justitie mr.Stam vrijgegeven.

NIEUW DWAALSPOOR

Ruim een maand later ging het dossier weer open. Er was een nieuwe verdachte, althans…..Een telefoontje met de politie in Oldenzaal meldde, dat daar was aangehouden de 38-jarige varensgezel H.S.uit Enschede, die maar liefst achttien fietsendiefstaalen had bekend en die ook in Winterswijk had rondgezworven. Rechercheur Vaags nam hem in het huis van bewaring in Almelo een langdurig verhoor af. Daarin bleek plotseling S.niet alleen van de zaak-Vischedijk af te weten maar er ook, naar zijn zeggen, op een of andere manier direct bij betrokken geweest. Eind oktober 1946 zou hij namelijk met twee andere zwervers ook in de Achterhoek rond gestruind hebben; hier en daar een fietsje gepikt en verhandeld, koffie gesmokkeld e.d.De ene was een zekere A.B., de andere werd Evert genoemd; beiden kende hij niet. In Winterswijk zouden B. en Evert iets bij Vischedijk hebben willen opknappen en, nadat ze zich wat moed hadden ingedronken, zou dat in de nacht van 22 op 23 oktober ook zijn gebeurd. De twee zouden bij Vischedijk zijn binnengedrongen, terwijl S. bij de fietsen op wacht had gestaan. Heel gedetailleerd vertelde S.aan Vaags, dat hij daarna alleen verder was gegaan, waar hij in het hooi had overnacht, dat hij daar een lege (whisky) fles had achtergelaten, dat hij B. daarna nog enkele keren had ontmoet, dat hij helemaal niet wist  dat Vischedijk vermoord was en dat daarover met B. ook niet was gesproken. S. werd voor verder onderzoek meegenomen naar Winterswijk. Hij wees er de schuur aan, waar hij de bewuste nacht zou hebben geslapen; een lege fles werd niet gevonden. De eerste twijfel over de geloofwaardigheid van S. rees toen hij uit vijf hem voorgelegde foto’s niet die van A.B.aanwees.

Een paar dagen later ging heel het fantasieverhaal van S. in rook op. De directeur van de psychopateninrichting in Avereest deelde twee ingeschakelde rijksrechercheurs mee, dat S. de bewuste oktobernacht helemaal niet in Winterswijk geweest kon zijn, om de eenvoudige reden dat hij toen in Avereest verbleef. De directeur verklaarde (citaat uit het P.V.):”S.is een zeer typisch hysterisch psychopaat. Hij fantaseert, wil gewichtig doen en wil gaarne op transport worden gesteld, teneinde de gelegenheid te krijgen om te ontvluchten.” S. gaf daarop heel laconiek toe, dat het hele verhaal verzonnen was. Op 30 januari werd hij teruggebracht naar zijn cel in Almelo. Inmiddels was de opsporing in gang gezet naar de door S. genoemde A.B., die hij overigens uit Avereest kende en die bij justitie als crimineel bekend stond. B., afkomstig uit Apeldoorn maar meestal zwervend (als hij niet vast zat), bleek namelijk familie in Winterswijk te hebben en er goed bekend te zijn. Op 17 november werd de 36-jarige Arie B. in het Franse Rijssel aangehouden en in Utrecht opgesloten.

Daar werd hij op 12 december door rechercheur Vaags verhoord. Hij beweerde met zijn getrouwde neef Bennie Z. bij Vischedijk te zijn geweest, omdat hij nog geld van hem tegoed had. In de nacht van de moord zei B. te hebben geslapen  in het logement van Tante Dien aan de Kromme Rijn in Utrecht. Wat er waas was van die verklaring bleef dubieus: Bennie Z. ontkende met Arie B. bij Vischedijk te zijn geweest en in het register van Tante Dien stond Arie B. niet genoteerd op 22 en/of 23 oktober 1946.

Op 11 februari 1948 werd Arie B. van Utrecht naar Winterswijk overgebracht om daar nog eens aan de tand te worden gevoeld. Nieuwe gezichtspunten leverde dat niet op. In zijn (aanvullend) proces-verbaal van 25 februari 1948 concludeerde Vaags (citaat):”….hoewel het bewijs niet geleverd kan worden dat Arie B. op 22 oktober 1946 in Winterswijk is geweest of iets met de moordzaak-Vischedijk heeft uit te staan, blijkt toch wel heel duidelijk dat hetgeen door Arie B. en Bennie Z. is verklaard, geen grond van waarheid bevat.”
Arie B. kwam op vrije voeten, maar niet lang. Eind juni 1948 zat hij al weer in het huis van bewaring in Zutphen, verdacht van een nieuwe reeks diefstallen. Hij zou ook de hand hebben gehad in de heling van een horloge, dat Vischedijk zou hebben toebehoord, maar ook dat onderzoek leverde niets positiefs op. Vier jaar later dook de naam van Arie B. andermaal op in het justitiele archief. Een medegevangene tipte de officier van justitie in Zutphen, dat B. tegenover hem en andere gedetineerden bekend zou hebben, dat hij Vischedijk had vermoord. B.lachte erom en ook de officier zag het meer als een “gewichtdoenerij”, hij had zoiets van B. al vaker gehoord.

VINDPLAATSEN

Begin december 1949 liet S. weer van zich horen. Hij was weer eens gedetineerd, nu in Nijmegen. Daar “bekende” hij, na de moord op Vischedijk, in de buurt van Grave een kistje met aldaar buitgemaakte voorwerpen plus twee bankbiljetten van f 1000,- (dit was de buit van een inbraak in Doetinchem) te hebben begraven. Een paar dagen later mocht hij met een rechercheur de plek aanwijzen en toen dat niet lukte bekende hij, dat ook dat weer was gefantaseerd. Nog eenmaal kreeg hij de kans dat kunstje te vertonen. Een paar dagen later wilde hij, “nu echt”, de plek aanwijzen, namelijk ergens op het strand bij Zierikzee. Het werd hetzelfde liedje – na het uitstapje bekende S. andermaal alles te hebben gefantaseerd. In de zaak Vischedijk was zijn rok uitgespeeld. Het laatste proces-verbaal in het dossier- Vischedijk is gedateerd op 28 juli 1952, opgemaakt door brigadier-rechercheur H.W.Stemderink. Het gaf het verhoor weer van de gevangene, tegenover wie Arie B. te kennen had gegeven, dat hij de moord op Vischedijk zou hebben gepleegd. De “zaak-Vischedijk” was daarmee definitief gesloten. In de annalen van de Winterswijkse politie liet ze een witte vlek achter. En een gevoel van onvrede.

Ru Wewer

Lees verder

SCHOOLTIJD

Willem Hulscher

Wat zou ik graag mijn vroegere meesters nog een keer terugzien. Vooral meester Kappers, die me vier jaar lang op school C een gelukkige tijd heeft bezorgd. Vier jaar inderdaad, want eind jaren veertig gingen op mijn school de meesters bij de overgang met hun klas mee. School C bestaat niet meer, maar ik zie alles nog voor me. Als nieuwkomers in Winterswijk kregen mijn ouders aanvankelijk een woning toegewezen aan het begin van de Wooldstraat naast het huis van Wanda Meijerink, ongeveer waar nu c&A is. 
Als ik de achtertuin uitliep, stond ik meteen op het schoolplein.

Het schoolplein

Het schoolplein was eigenlijk het belangrijkste deel van de school en daar moet ik het dus eerst over hebben.
De helft was betegeld en de andere helft bestond uit gewoon zand. Dat laatste was geschikt voor ‘landrovertje’. dat speelde je met zijn tweeen: je tekende een blok af met een lijn in het midden – voor ieder de helft – en dan mikte je om de beurt met je zakmes in het zand van je tegenstander om van hem een stuk land te veroveren.
Ook het knikkeren deden we op het zand; we riepen zo hard mogelijk “tut maor hiiier, heupke van viiier!” 
Je had een lijn getrokken en vanaf daar mocht iedereen proberen jouw hoopje van vier knikkers om te gooien. Of je ging zelf mikken op de knikkers van een ander. Die knikkers waren van leem, maar je bewaarde een enkele glazen ‘stuiter’ als een kostbaar kleinood in de knikkerzak, die je moeder voor je had genaaid. Soms bezat je meer dan een stuiter, soms wel vijf of zes. 

Wanneer we ‘jagebal’ speelden – alleen met jongens, want meisjes deden niet mee aan wilde spelletjes – renden we over het hele schoolplein en eigenlijk was dat nog maar nauwelijks groot genoeg. Als je werd geraakt door de bal, was je ‘erbij’, maar je mocht de bal afweren met je vuisten of je kon schuilen achter een boompje aan de rand van het plein. Andere balspelen deden we in twee partijen en je beste vrienden speelden altijd in jouw partij. Nooit zou je ‘mekaar verraden’!  (Wat we met verraden bedoelden wisten we zelf niet, maar het voelde goed, het was een soort eed van trouw.)
Gevoetbald werd er niet op het schoolplein. Misschien mocht dat niet of misschien had in die tijd nog niemand een grote bal. 
Om het schoolplein heen liep een gemetseld muurtje met daarbovenop een soort railing, waarop je samen met een vriendje kon zitten. 
De meisjes waren altijd aan het hinkelen of touwtjespringen of ze deden ‘kaatsebal’ met drie ballen tegelijk. Dat deden ze op het betegelde gedeelte van het schoolplein. Meisjes waren gemeen, die knepen in je arm, zo venijnig dat het echt pijn deed.  
En je mocht ze niet eens een klap teruggeven, want het waren meisjes.


Alleen de kringspelletjes deden we met jongens en meisjes samen. Zoals ‘Zakdoekje leggen’ en de ‘Driekusman’ of was het de ‘Mosselman’? 
Ik herinner me die keer dat een meisje tegen me zei: “Vraag mij nu ook eens, want jullie vragen alleen maar de knappe meisjes”. Oef! Wij jongens hielden inderdaad een rangorde bij over wie de knapste meisjes waren naar ons idee. 
Haarlengte en kapsel speelden daarbij een belangrijke rol.
Aftellen deden met het riedeltje “Op- de- Groen- lo- se  weg,     waai- en- al- le- bo-men weg”.
Vermoedelijk werd dit nergens buiten Winterswijk zo gedaan, maar daar hadden we geen weet van, want we leefden in ons eigen wereldje. Ik denk achteraf dat ik op het schoolplein minstens evenveel heb geleerd als in de klas. Wanneer het speelkwartier voorbij was, ging de bel. Dan stelden we ons op bij de deur: de meisjes in de rij links, de jongens in de rij rechts. 

De meesters en de juffrouwen
Wie waren dat toen, die meesters en juffrouwen van school C? Meester meinen natuurlijk (het hoofd van de school), mijn meester Kappers (de langste van allemaal), meester Langendijk en meester Rooke. De jufffrouwen herinner ik me niet meer. Die hoorden bij de kleintjes van de eerste en tweede klas en die waren niet interessant. Maar met de meisjes uit de hogere klassen deden die juffrouwen wel ‘handwerken’ (iets met naald en draad); de jongens kregen diezelfde tijd ‘handenarbeid'(iets met hamer en spijkers) . Mooi toch, die rolvastheid! 

Het huis van meester Meinen stond tegenover de school waar nu de Wheme is; meester Kappers woonde aan de Groenloseweg en meester Langendijk aan de Morgenzonweg. Dat wisten we, want ze waren de belangrijkste mensen van het dorp en we zagen hoog tegen ze op. 

Tijdens het speelkwartier ijsbeerden de meesters en de juffrouwen in een brede rij naast elkaar over het betegelde gedeelte van het plein. Daarbij hielden ze ons in de gaten. 
Maar als je echt iets had te verhapstukken met een andere jongen – of hij met jou – dan gebeurde dat rechtsachter het schoolgebouw bij de fietsenstalling. Daar konden de meesters je niet zien. Na een paar rake klappen probeerde je in een verwoede worsteling je vijand op de grond te werken om bovenop hem te gaan zitten met een houdgreep, waardoor hij zich moest overgeven. Dan had je gewonnen. Om het gevecht heen vormde zich een kring jongens die luidkeels hun favoriet aanmoedigden; sommigen waren voor jou, anderen waren voor je tegenstander. 

De klas
Het klaslokaal, dat was natuurlijk ook best wel van belang. Houten schoolbankjes voor twee, maar vaak zaten we met zijn drieen in zo’n bankje, want we waren met 48 kinderen in de klas en soms zelfs meer. 
Een groot zwart schoolbord hing vooraan tegen de muur en aan de wanden opzij hingen’schoolplaten’ waarop veel was te zien. 
Met meester Kappers hebben we vaak gezongen – daar hield meester kennelijk van en wij ook -; die ouderweyse kinderliedjes die tegenwoordig niemand meer kent. Maar ook het mooie’Sikkels klinken, sikkels blinken’, dat hebben we zelfs driestemmig geleerd. Dat was best moeilijk! We leerden vast ook wel wat andere dingen, dat moet haast wel: aardrijkskunde en hoofdrekenen en zo. En schrijven, maar we moesten zuinig zijn met papier, want dat was duur.

Huiswerk kregen we niet en strafwerk ook niet, tenminste niet dat ik me herinner. Als je in de klas niet dwarslag, kreeg je voor gedrag en vlijt altijd een 8 op je rapport. 
Maar het meest opwindend in de klas waren de briefjes die van hand tot hand gingen, van de ene bank naar de andere. Op zo’n briefje stond bijvoorbeeld “Marianne wil met je gaan”.
Het briefje was dichtgevouwen, maar op de buitenkant stond een kruis. Dat betekende “ik hou van jou” en bij het doorgeven hadden je klasgenoten heus wel gezien wat er binnenin stond. 
Dan kreeg je een vuurrode kop en als je niet een briefje terugschreef met “ik niet met jou”, dan was het ‘aan’.  Dat hield in dat je met Marianne ‘ging’ en daarna stuurde je nog heel veel briefjes met heel veel kruisjes  naar elkaar, want Marianne was een leuk meisje! 
Maar verder gebeurde er helemaal niets. Het uitverkoren zijn op zich voelde al spannend genoeg. Tegenwoordig twitteren de jongelui hun gunsten naar elkaar, maar in mijn tijd bestonden de ‘sociale media’ uit handgeschreven briefjes. 

Het was in die tijd dat ik een partijtje pingpong speelde met een neefje in Almelo. Hij was een jaar ouder dan ik.
‘Doen ze bij jullie veel aan liefde?’ vroeg hij opeens.
‘Eh, nou, een beetje’ antwoordde ik onzeker.
‘Bij ons ontzettend veel’ zei hij met een verzalige blik, terwijl hij uithaalde voor een geweldige smash.

Verder had je natuurlijk ook het gymlokaal. Daar wil ik het niet over hebben, want daar kwam de schoolarts om ons inentingen te geven – met een naald stak hij door je arm! – en dan deed die man ook nog of dat de gewoonste zaak van de wereld was. Meisjes holden gillend weg en jongens klommen in de wandrekken om te ontsnappen. Nu ja, sommigen, want de meesten van ons waren dapper en hielden zich groot.

Levenslessen
Een speciale herinnering heb ik aan meester kappers, een herinnering die hem siert. Hij sprak ons toe om te vertellen dat er morgen een nieuwe jongen bij zou komen in de klas.
Die jongen had een probleem met zijn ene voet, waardoor hij niet zo goed kon lopen en die voet zag er raar uit. Daar kon die jongen niets aan doen en we moesten hem niet plagen (pesten) vanwege zijn voet, want dat was naar voor hem. Beloofd?  Ja meester, beloofd. Dit was ruim 60 jaar voordat het onderwerp ‘pesten’een belangrijk thema werd in onze maatschappij. Meester had een goed hart en dat droeg hij aan ons over. 

Ook aan meester Meinen heb ik een speciale herinnering. We noemden hem Meintje. Hij gaf les in de zevende klas die een paar jaar heeft bestaan in opdracht van de wethouder, mevrouw Ter Haar, omdat de overgang van de lagere school naar de HBS anders te moeilijk zou zijn. Toen haar zoon eenmaal veilig en wel op de middelbare school zat, is die extra klas weer afgeschaft. 
Meintje vertelde over het begin van de oorlog. Op een ochtend – de school was aan en hij stond voor de klas – was opeens een Duitse legerofficier binnengestapt. Die zei (in het Duits): “We komen jullie bevrijden”. Door de ironische manier waarop Meintje dit vertelde ging er een wereld voor me open. 
En ja, er was die aardige meester Rooke die zo goed kon tekenen, maar helaas geen orde kon houden in de klas en daar zelf onder leed. 
Aan meester langendijk heb ik geen speciale herinnering, maar wel later aan zijn dochter Nettie, met wie ik heel veel getennist heb. Maar toen zaten we al op de middelbare school.

Verleden tijd
Helaas, school C bestaat niet meer, evenmin als die andere prachtige schoolgebouwen, zoals school O aan de Vredenseweg, de Wilhelminaschool aan de Vredensestraat, school M aan de Haitsma Mulierweg (die leerlingen noemden we de schoolemmers), de keizerschool  bij de Parallelweg en de Jan Ligthartschool , waar we heen liepen voor de lessen handenarbeid, in de buurt die nu Sleeswijk heet. 

Uit: Museum Nieuws, Juni 2015

Willem Hulscher

Lees verder

De boerderij

Frans Tolsma

Het boerderijtje in Ratum

René Jansen en ik wilden in de warme zomer van 1967, de zomer van de flower power en sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band iets ondernemen waar we plezier aan zouden kunnen beleven, een soort Winterswijkse flower power. René, die de eerste disco in Winterswijk had, de disco chez René aan de Vredenseweg, kwam op het idee om een feestboerderij te beginnen. Hij kende een boer in Vragender die een kleine boerderij had in Ratum die leeg stond en we bezochten hem met als doel om zijn boerderijtje te lenen. De reden was dat we een tijdelijk onderkomen zochten voor oudere verkenners. Dat was goed want hij had ook bij de verkennerij gezeten net als wij en zo gingen we welgemoed aan de slag om het boerderijtje feestklaar te maken.

Ik had een krakkemikkige Volkswagen waarvan de remmen het niet meer zo goed deden zodat ik altijd op de motor moest afremmen maar René wilde de auto wel kopen want hij wilde hem ombouwen tot een racewagen. En zo reed ik op een zaterdagochtend van Nijmegen waar ik studeerde, naar Winterswijk om de auto bij hem aan de Vredenseweg af te leveren. Hij had er zes flessen sherry en zes flessen vermout voor betaald want die had hij nog op voorraad want bij disco chez René beperkte men zich tot bierestafettes.

Toen het boerderijtje klaar was, konden we het openen met een beginfeest eind mei. Alhoewel mijn bandrecorder met rock and roll muziek er al stond, wist René een band uit kamp Vosseveld te strikken, dat waren Molukse jongens die hij kende. Toen ze kwamen namen ze plaats op een grote kar die we hadden opgesteld in de feestdeel. Hun familie, bestaande uit opa’s en oma’s, ouders en kinderen, nam plaats voor de kar en de band begon te spelen. Ze speelden op voorwaarde dat hun familie mee kwam. Nog nooit heb ik zoveel Molukkers op één deel gezien. Dat ze goed waren in muziek, wist ik maar dat ze perfecte rock and roll konden spelen wist ik niet. Ik dacht dat ze dat alleen in den Haag konden.

Er kwamen ook jongens bij uit Eibergen, de gebroeders Odink (Gerrit en Hendrik), de gebroeders Nijhuis ( Rob en Hennie), en Herman van der Beek. De gasten die geen vervoer hadden konden zich om acht uur ’s avonds verzamelen bij het Postkantoor waarna de gebroeders Odink hen met een busje van de zaak naar het boerderijtje reden. Zij timmerden ook een bar in het boerderijtje want het werd allengs drukker, de mensen kwamen niet alleen meer uit Winterswijk maar ook uit de omtrek en zelfs uit de Randstad. Het was zo’n zomer waarin van alles kon gebeuren en het gebeurde in Ratum waar men altijd al vredelievend was maar love and peace waren toch iets anders, temeer omdat toen de pil op de markt kwam.

Het boerderijtje was gehuld in een sfeer van geheimzinnigheid die afstraalde op de aanwezigen. Men sprak over belendende feesten in Winterswijk en Eibergen, het leek alsof de halve Achterhoek in een sfeer van euforie beland was. En dat was het ook. Het was in mijn beleving de meest fabuleuze zomer uit de jaren zestig.

Gerrit Odink kreeg nadien een auto ongeluk met zijn Amerikaanse slee op de weg van Groenlo naar Eibergen. Hij was er niet best aan toe en toen de pastoor op bezoek kwam en vroeg of hij nog wat wilde, zouden zijn laatste woorden geweest zijn: do mie maor een kummeke koffee.

Op de laatste feestavond op een zaterdag in augustus kwam burgemeester Vlam om twaalf uur ’s nachts aanfietsen, stapte van de fiets, zette hem tegen het boerderijtje, ik vergezelde hem naar binnen en toen sprak hij op laconieke toon de gedenkwaardige woorden dat het de laatste keer geweest was want we hadden geen vergunning.

Frans Tolsma

Lees verder

Mijn Jeugd



Frans Tolsma

Mijn jeugdjarenWinterswijk was een klein dorp in de Achterhoek waar ik in september 1944 geboren werd, in een tijd van de boterham met tevredenheid en de lepel levertraan voor het naar bed gaan. Het was de tijd van spaarzaamheid, de sokken die gestopt werden en de schoenen die beslagen waren met ijzers zoals men dat ook bij paarden deed waardoor ze minder snel sleten. Het zondagse pak van de oudere broer werd geschikt gemaakt voor de jongere en wanneer de gaslantaarns op straat in de winter werden aangestoken kroop je als jongetje naar boven om aan het haakje te trekken waardoor ze weer uitgingen. Dat was spannend want kreeg je ze niet op tijd weer aan, dan wachtte je een pak slaag. En de straat waar je aan woonde was bekend en vertrouwd, alsof de huizen nooit weg waren geweest, een straat zoals je die alleen op het platteland ziet, rustig en bedaard met zo nu en dan een voorbijtrekkende kar want auto’s waren er nog niet en soms de voorbijkomende begrafenisstoet die werd voorafgegaan door enkele zwarte rijtuigen die glommen alsof ze pas opgepoetst waren met daarachter mensen met gebogen hoofden die zich aan de tred van de langzaam stappende paarden aangepast hadden. Ook de dood was vertrouwd

De kinderen gingen eerst naar de Kleuterschool, ook wel Bewaarschool genoemd, en vervolgens naar de Grote School, de Sint Jozefschool die ernaast stond. Tussen de scholen stond een hek waardoor de kleuters konden gluren naar de bezigheden op het schoolplein zoals knikkeren, tollen en hoepelen, spelletjes die op mysterieuze wijze uit het niets kwamen en na een tijdje daarin weer verdwenen. Zo raakten ze vertrouwd met de nabije toekomst. De katholiciteit van de Sint Jozefschool bleek vooral uit twee punten: de gezamenlijke gang van de klas naar de kerk om te biechten en het schoolrapport waarop het aantal keren vermeld was dat de leerling naar de ochtendmis geweest was in verhouding tot het aantal keren dat hij had kunnen gaan. De leerlingen leerden de Catechismus uit hun hoofd. Op de katholieke MULO ging men nog een stapje verder. Daar werden de vakken “godsdienstleer” en “Bijbelse geschiedenis en literatuur” onderwezen hetgeen resulteerde in een echt godsdienstdiploma. Uit mijn schoolrapporten uit die tijd zie ik nog een bijzonder hoog percentage vermeld van bezochte missen. Ik moet toen behoorlijk katholiek geweest zijn.

Winterswijk was in die tijd verzuild: katholieken kochten bij katholieken, protestanten bij protestanten. De socialistische zuil was sterk vertegenwoordigd door het grote aantal textielarbeiders. De kinderen van de socialisten hadden hun dansavond bij Flora, de katholieke jongeren gingen naar de Instuif in het Parochiehuis. De burgemeester kwam van de PvdA. Wat wel gemeenschappelijk gevierd werd, was het Volksfeest, zowel in het Feestgebouw als bij Dé van de Riet van sociëteit de Eendracht. En wat men ook gemeenschappelijk had was wat de Engelsen een decent society noemen. Het ging er allemaal nogal netjes aan toe.

Meester Commandeur
Aan het eind van de Grote School wachtte er een beslissing: de keuze voor welke vervolgopleiding. Voor de ouders was deze doorgaans traditioneel bepaald onder het motto: als je geboren bent voor een dubbeltje wordt je geen kwartje. Deze traditie werd doorbroken door meester Commandeur, die hoofd der school was. Hij bezocht ouders waarvan hij dacht dat hun kind een andere, hogere, vervolgopleiding verdiende dan de traditie bepaalde en doorbrak daarmee deze traditie. Waar vroeger je afkomst bepaalde of je na de Lagere School aan het werk ging of naar de MULO, Ambachtsschool, Gymnasium of HBS, kon je nu verder leren en zelfs naar de universiteit gaan. Dat was eind jaren vijftig, begin jaren zestig een doorbraak van jewelste die voorbereid werd door de roomse meester Commandeur en de rooie schoolmesters zoals meester Hemelrijk. Zij waren de exponenten van de katholieke en socialistische emancipatiebewegingen die in Winterswijk tot uiting kwamen in de samenwerking tussen KVP en PvdA, niet in het minst omdat de KVP nauw verwant was aan de KAB, de Katholieke Arbeidersbeweging.

’s Ochtends liepen we naar school, tussen de middag liepen we naar huis om te eten en na afloop van de schooldag liepen we weer naar huis. We hadden zonder dat we dat wisten een goede conditie. De fiets was nog voor weinigen weggelegd. Spelen bij een ander aan de andere kant van het dorp betekende lopen, spelen en weer terug lopen. Soms werden we uitgescholden voor roomse papen maar een vechtpartij klaarde de lucht op. Er waren echter ook bleekneusjes die naar een katholieke vakantiekolonie werden gestuurd op Schiermonnikoog. Ik was ook zo’n bleekneusje en had een erbarmelijke tijd op dat eiland want de havermoutse pap driemaal daags zat vol klonten die ik niet door mijn keel kon krijgen, zelfs niet als ik daartoe werd aangespoord door arglistige zusters met een voorliefde voor het vernederen van kleine jonge jongetjes. De hel op aarde? Die bevond zich op Schiermonnikoog. Maar ik heb het overleefd.

Tussen de middag werd er warm gegeten, het avondeten bestond uit boterhammen waaronder de boterham met tevredenheid, een boterham zonder beleg. Er was melk bij die ’s ochtends door de melkboer geleverd werd met een kar met daarop een grote glanzende bak met een hendel waaraan de melkboer een halve slag gaf zodat er melk uit de tuit kwam. Na het avondeten speelden de kinderen op straat. Een bekend spel was “piefverstoppen”, de aangewezene telde, met de handen voor de ogen tot dertig waarna hij speurde naar diegenen die zich verstopt hadden.
De mooiste tochten die ik in die tijd heb meegemaakt waren de broodbezorgingen van buurman bakker Scholtz aan de boeren in de buurt. Dat gebeurde ’s avonds met een koets met aan weerszijden kaarslantaarns, getrokken door een paard. De eerste boer zat in ’t Bönnink en de tocht ging verder tot aan boer Scholtz die een boerderij aan de beek had aan de Vredenseweg waar de reis via de Jachthuisweg naar de Waliënsestraat begon. Deze tochten hadden een magisch karakter. Ik zat naast de bakker en keek mijn ogen uit want het licht van de lantaarns verborg veel.

Het Stenen Bruggetje
Een bekende speelplek voor kinderen van alle gezindten was het Stenen Bruggetje, dat achter de Huininkmaat lag, toentertijd een plaats waar afval werd gestort. Er werd op stekelbaarsjes gevist met behulp van een oude nylonkous die aan een ijzerdraad bevestigd was. De tocht ernaartoe was al spannend, je liep omzichtig langs de beek om er niet in te vallen en was je bij het Stenen Bruggetje, dan had je de grens bereikt tussen het bekende, het dorp, en het onbekende, de drassige landerijen die als verboden terrein werden beschouwd. Het was een magische grens, zorgvuldig bewaakt door oplettende plattelandsengelen want die waren gezonden om je op te laten groeien in een kleine wereld van behaaglijkheid.

Wanneer ik ’s avonds terugkwam van het spelen bij het Stenen Bruggetje, moest ik over een altijd stil pad, het Weeninkpad, voorbij het lijkenhuisje op het kerkhof. Dat doemde dan, onder een grote, begerige gele maan wat wittig voor me op en dreigend, alsof de lijken naar mij op zoek waren. Rond het huisje meende ik dan vale geesten te ontwaren, gestorven zielen die vergeefs zochten naar hun lichaam, alsof ze uit het vagevuur kwamen om vergiffenis te vragen, angstaanjagend en beklagenswaardig. Als ik het huisje gepasseerd was en terug op de Singelweg, kwam ik weer bij zinnen.

Wat op mij een onuitwisbare indruk heeft gemaakt, is het Winterswijkse landschap. Toen wist ik natuurlijk niet dat het belangrijk was, het hoorde er gewoon bij. En omdat je na de oorlog alles lopend deed, zowel naar het zwembad als naar de ijsbaan het Schoten, of naar Meddo, het Woold of de verkennerij in het Rommelgebergte, het was altijd aanwezig, op de achtergrond, als een soort vertrouwdheid die je eigen ik verre overstijgt maar waarvan je wel deel uitmaakt, als een deel binnen een vriendschappelijk geheel. En zoveel jaar later, vijftig jaar tijdens het schrijven van dit stukje, kwam dit gevoel weer bij me terug toen Hans Hendriks en ik een boek over het Winterswijks Landschap maakten waarvoor hij de foto’s verzorgde en ik de tekst. Er leek in de tussentijd helemaal niets veranderd te zijn, het landschap was nog steeds de oude vertrouwde vriend van de gemeenschap.

Douchen was in die tijd onbekend bij de gewone man. De kinderen werden gewassen in een teil met warm water waarbij meerdere kinderen gebruik konden maken van het warme water. Waren ze wat ouder geworden, dan gingen ze naar het gemeentelijk badhuis.

De oriëntatie in tijd was gebonden aan een vaste regelmaat: Kerstmis, Vasten, Pasen, een beetje Koninginnedag, Hemelvaart, de zomervakantie, het Volksfeest, Advent en Kerstmis waarmee de cirkel gesloten werd. Een beetje Koninginnedag omdat katholieken niet zoveel hadden met Oranje, dat was meer iets voor protestanten.
In dit rijtje komt het Carnaval niet voor want dat werd in Winterswijk niet gevierd, hooguit in Groenlo in de Pelikaan. De twee algemene feesten, Koninginnedag en het Volksfeest komen er wel in voor, deze feesten waren voor de gehele bevolking. Ze werden gevierd in het Feestgebouw, plaatselijke cafés en sociëteit de Eendracht met uitzondering van de textielfabrikanten want die zaten in smoking in hotel Stad Munster. Er waren toen nog rangen en standen.

Het Bisschoppelijk Mankement
De belangrijkste media met de wereld buiten Winterswijk waren in de eerste helft van de jaren vijftig de radio en de krant. In de tweede helft kwam daar de televisie bij. Aangezien weinig mensen een televisie hadden, werden deze bezocht door degenen in hun kennissenkring die geen televisie hadden. De krant was bij ons de Volkskrant, die toen nog katholiek was en de Nieuwe Winterswijkse Courant, ook wel aangeduid als het “sufferdje”, de radio werd afgestemd op de populaire uitzendingen zoals de bonte dinsdagavondtrein van de AVRO dat na de oorlog tot 1957 werd uitgezonden. Het Bisschoppelijk Amendement in 1954 maakte daar geen eind aan. Alhoewel in dat amendement een voorkeur werd uitgesproken voor deelname aan katholieke organisaties en met name deelname aan socialistische partijen werd verboden, maakte het weinig indruk, zeker niet op katholieke arbeiders die eerder affiniteit hadden met hun “rode” collega’s in de fabriek dan met hun bisschoppen. Het werd dan ook wel aangeduid als het Bisschoppelijk Mankement.

Was voor de jongens de verkennerij op de zaterdagmiddag een van de mogelijkheden van het verenigingsleven naast de voetbalvereniging Fortuna, voor de wat oudere jongens en meisjes was er de mogelijkheid om ’s zondagsavonds naar de Instuif te gaan in het Parochiehuis waar gedanst kon worden. Dansschool Meijler had de jongeren daar al op voorbereid door een wekelijkse lesavond voor katholieke jongeren in de dansschool. Middenstandsjongeren werden lid van de KJMV, de Katholieke Jonge Middenstandsvereniging. Natuurlijk gold in deze tijd: twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen. Maar niet alleen het geloof speelde een belangrijke rol, ook de stand, een dochter van een fabrikant zou niet snel trouwen met een zoon van een arbeider.

Mijn broer en ik werkten medio jaren vijftig in de zomervakanties bij Lange Meijerink die een textielfabriek had aan de Beuzenes. Toen ik eens in volle vaart met een zware bakfiets over het fabrieksterrein denderde en per ongeluk een betonnen loods in elkaar ramde, kwam Lange Meijerink net toevallig langs en ontsloeg me op staande voet. Ik meen dat hij het jaar daarop failliet ging.
’s Zaterdags werkte ik ook wel bij de Grolsch Brouwerij in Groenlo en in dezelfde plaats zat ik op de HBS Marianum waar we les kregen in barakken. Voor de barakken stond aan de weg een villa waarin de paters woonden waaronder de leraar Nederlands, pater Spaaij die mij attent maakte op de gedichten van Jan Hendrik Leopold want hij wist dat ik belangstelling had voor poëzie. En wat eind jaren vijftig in zicht kwam was de vijfdaagse werkweek die in 1960 geleidelijk aan werd ingevoerd. Toen gingen de tijden echt veranderen.

Discussievereniging Sint Christoffel en de Skinny Binny Club

Toen ik in de vijfde klas van de HBS een club oprichtte met de naam Discussievereniging Sint Christoffel die haar bijeenkomsten hield in hotel de Klok, heb ik pater Spaaij ook eens uitgenodigd voor een lezing. Ik haalde hem op in de auto van mijn vader die hem voor dat doel bereidwillig had afgestaan en bracht hem na de lezing weer terug naar de villa in Groenlo waarna we naar het etablissement van Willy Op den Akker gingen. Deze discussievereniging mondde uit in de Skinny Binny Club, een verbastering van het liedje Skinny Minny van Bill Haley uit 1958, die haar bijeenkomsten hield in het Parochiehuis. Toen de beheerder erachter kwam dat er tijdens de bijeenkomsten, die het karakter van gezellige avonden hadden aangenomen, drank geschonken werd, moest ik de sleutel teruggeven aan het kerkbestuur want de beheerder wenste geen concurrentie. Daarna ging ik op zoek naar een ander onderkomen en vond dat in de kelder onder de Muziekkapel waarvoor de gemeente na bemiddeling van de vader van Jos Spaen die directeur van Gemeentewerken was, veertig gulden per jaar huur vroeg. Renée Jansen zorgde ervoor dat de muren op een hippie achtige manier beschilderd werden door een bevallige jongedame uit Groenlo waarbij de vader tijdens het schilderwerk aanwezig was om wellustige Winterswijkse jongelui in de gaten te houden. Voor werkzaamheden die vervoer vereisten stond Hans Veldkamp paraat want hij beschikte over een auto. Maar toen de jukebox die ik uit het parochiehuis had gehaald en voorlopig bij meubelfabriek Knook had geparkeerd, naar het keldertje moest worden verplaatst kreeg ik de beschikking over een busje van veehandelaar Overmars waarmee dat geregeld kon worden. Naast de jukebox stonden twee oliekachels want hij deed het alleen maar goed als hij verwarmd werd.

In die tijd waren we ook meer politiek dan religieus geëngageerd, lang voordat linkse studenten op dat idee kwamen. Zo herinner ik me, dat Raymond Driessen, van de textielfabrikant Driessen uit Aalten die aan de Wilhelminastraat woonde, en ik op een nacht na een bezoek aan de kapelaan huiswaarts keerden en langs het huis van burgemeester Vlam kwamen waarop een aanplakbiljet voor de PvdA bevestigd was. Dat kon niet. We gingen naar mijn huis, haalden daar aanplakbiljetten van de KVP en plakten die op het huis van burgemeester Vlam en nabijgelegen bomen. Om acht uur ’s ochtends werd ik wakker gemaakt door mijn vader die een telefoontje had gekregen van de burgemeester. En zo ging ik naar Raymond en verwijderden we om een uur of negen de KVP biljetten. Dat vonden we niet erg, we hadden ons punt gemaakt.

In mijn jeugdjaren werd ik opgevoed in de katholieke traditie van mijn ouders. Rond mijn zestiende sloeg de twijfel toe en begon de traditie knellend te worden. Ik viel niet zozeer van mijn geloof af maar van de traditie. Nu besef ik dat daarvoor geen andere traditie in de plaats is gekomen en dat je in de wereld staat als een individu. Die ontwikkeling begon in de jaren zestig en heeft sindsdien geleid tot een wereld van eenlingen. Dat lijkt me nu ondanks alle voordelen een uiteindelijk tragische ontwikkeling want nu vraagt menigeen zich af waar zijn identiteit eigenlijk ligt. Die is er niet meer. Met de traditie is ook de identiteit verdwenen.

Aan Marianum bewaar ik de beste herinneringen. De HBS bestond toen uit barakken, daarvoor stond een villa waarin de paters Maristen woonden. Toen het nieuwe schoolgebouw klaar was werd er een Sinterklaasavond gehouden waar Lenie Overmars, van de veehandelaar Overmars, verkleed als Sinterklaas in een kruiwagen ging zitten en ik haar, vermomd als Zwarte Piet, de feestzaal binnenreed. Toen ik een tweetal decennia later in Oldenzaal woonde, kwam ik erachter, dat de oude rector, pater van Benthem, in een klooster tussen Losser en Glanerbrug zijn oude dag doorbracht en ik heb hem daar eens opgezocht. Hij wist zich nog te herinneren dat ik in de pauzes met een stok op mijn rug over het schoolplein moest lopen want de paters vonden dat ik te snel groeide en daardoor krom zou kunnen gaan lopen.

De eerste officiële bijeenkomst in het keldertje was eind december 1962 waarvoor ik de handgeschreven uitnodigingen, want ik had geen typemachine, lopend afleverde in het dorp. Dat werd een succes maar ik heb Gerrit Komrij nog eens voor twee weken geschorst omdat hij een glas bier op het schoolterrein had laten vallen. Dat kon niet want ik had van meester Langendijk, hoofd van School C, de sleutel van de school gekregen voor gebruik van de toiletten op voorwaarde dat het er netjes aan toe ging. Dat ging het ook maar ik had weleens de indruk dat er in school C niet alleen geplast werd maar dat er zich ook andere zaken afspeelden van meer erotische aard. Ik heb Komrij nadien niet meer gezien maar wel gelezen.

Hij beschrijft Winterswijk als een verwoest Arcadië maar dat was het helemaal niet. Het was een plattelandsgemeenschap met de in die tijd gebruikelijke opvattingen over de vrouw, seksueel anders geaarde mensen, rangen en standen maar ook de vertrouwdheid van de Gemeinschaft, een woord dat je alleen maar met een ander Duits woord kon vergelijken, de Heimat waar Freddy Quinn zo gevoelig over zong. Je had in die tijd het gevoel, zonder dat je er daar van bewust was, er bij te horen. Komrij dacht dat hij er niet bij hoorde en daaruit trok hij de conclusie dat hij er niet bij wilde horen. Was hij in het Winterswijk uit mijn jeugd niet de eerste voorloper der eenlingen? Dat lijkt me tragisch.

De discussievereniging St. Christoffel was nog katholiek en beschikte daarmee over een moderator in de vorm van een kapelaan die toezicht diende uit te oefenen op de goede zeden. De Skinny Binny Club was eigenlijk als vanzelfsprekend algemeen en ik werd daarom op het matje geroepen bij de pastoor Lutz die me op het onbetamelijke ervan wees, hij had ook al op de kansel gewaarschuwd voor ongeoorloofde samenscholingen in het keldertje van katholieken en ongelovigen. Zijn vermaningen hielpen niet, hij had niet in de gaten dat de tijden echt aan het veranderen waren, zelfs in Winterswijk. De kapelaan, ik meen dat hij Schuurman heette, trad af als moderator en trad na enige jaren toe tot het snel groeiende legioen van ongelovigen.

Daarmee was de tweede doorbraak een feit. Niet alleen je afkomst of geloof bepaalde van welke clubs je lid werd, maar je eigen interesse. Deze standenboorbraak begon, evenals de genoemde doorbraak op het terrein van de studiekeuze, medio jaren vijftig en niet, zoals wel gezegd wordt, in de turbulente jaren zestig. Toen kwam pas de omvang aan het licht van wat in de jaren vijftig op bescheiden wijze gevormd werd, een sociale verandering die zijn weerga niet kende, getoonzet door het besef dat je je eigen leven kon maken en in 1964 op gevoelige wijze werd vertolkt door de Rolling Stones met hun liedje you can make it if you try.

Patat
Nadat men jaren gewend was om op zondag een ijsje te kopen op de markt, verrees er aan de andere kant van de markt bij School C een patatkraam. Patat was opmerkelijk maar nog opmerkelijker waren de jongelui die zich daar verzamelden, sommigen met een brommer en gehuld in een spijkerbroek terwijl toch vrijwel iedereen nog liep met een manchester broek en met die ijzerbeslagen schoenen. Ze werden aangeduid als nozems en later als “proven” een plaatselijke verbastering van provo’s. De uitdrukking “dat bunt proven” was neerbuigend bedoeld: het waren geen nette jongens net zoals de Halbstarken die uit Duitsland kwamen. Maar achter de uitdrukking ging ook een gevoel van jaloezie schuil. Deze jongens waren vergelijkbaar met de jongens die ’s zondagsochtends bij de laatste mis achter in de katholieke kerk in de kapel een sigaret rookten zodat kerkgangers op de achterste banken zich omdraaiden en verontrust het hoofd schudden. De voorste banken werden verhuurd, naarmate men meer betaalde zat men dichter bij het altaar en daardoor dichter bij God.
Het opmerkelijke was echter dat er geld beschikbaar was voor patat en brommers, zij het voor weinigen. Het was de eerste flikkering van het einde van de wederopbouw waarin alleen gewerkt werd, niet geconsumeerd. De boterham met tevredenheid werd belegd en op de transistorradio was Elvis Presley te horen met “Hound Dog” en niet alleen jongens maar ook meisjes kregen de kriebels tijdens het luisteren naar “Rock around the clock” van Bill Haley en zijn Comets, een liedje dat gespeeld kon worden op een jukebox in de plaatselijke cafés, zonder enige twijfel de belangrijkste muzikale uitvinding in deze tijd want je luisterde niet alleen, je keek ook met ontzag naar dat vreemde, glanzende en mysterieuze apparaat dat uit Amerika kwam en over mechaniekjes beschikte die op curieuze wijze het juiste zwarte plaatje tevoorschijn toverde wanneer je een dubbeltje in een gleuf had gegooid. Het was wel duidelijk, er hing iets in de lucht dat er voorheen niet hing, geen spruitjesgeur, maar wat dan wel?

In september 1962 ging ik werken bij de Nederlandsche Handel Maatschappij in Winterswijk en enkele maanden later vertrok ik naar het hoofdkantoor aan de Vijzelstraat in Amsterdam. De generatie van 1944 was achttien geworden en er diende zich een nieuwe generatie aan die zou opgroeien in een tijd van welvaart, een tijd die bekend zou worden als de roemruchte jaren zestig met de opkomst van de Beatles en de Rolling Stones, een tijd van hooggespannen verwachtingen over de toekomst.

Frans Tolsma

Lees verder

Normaal predikt het nieuw evangelie

Dolf Ruesink

Normaal op de kansel, dat is vloeken in de kerk. Wat kan ik me nog goed een van de allereerste optredens van de spraakmakende boerenrockband herinneren. We schrijven 1975 en het verhaal speelt zich af in mijn geboorteplaats Winterswijk. Voor wie het niet precies weet: een aan drie zijden door Duitsland omgeven grensgemeente in de Gelderse Achterhoek. Een groot uitgevallen dorp, waar alleen kunstschilder Piet Mondriaan, zanger Daniel Sahuleka en dichter Gerrit Komrij het tot bekende Nederlanders wisten te schoppen. Maar dan wel, nadat ze Winterswijk verlaten hadden.

Het is de tijd van grote culturele, politieke en maatschappelijke veranderingen. Vooral in familiekring, onderwijs, religie, arbeidsmarkt en uitgaansleven wordt dat zichtbaar. Ik behoor tot de groep langharige jongeren, die niets moet hebben van discotheek, stijldansen en de ‘middle-of-the-road’ van ABBA en consorten. Tijdens mijn weinig omvattende vierjarige hbo-verblijf aan de Sociale Academie in Enschede ontmoet ik de eveneens uit de Achterhoek afkomstige studiegenoot Jan Manschot. Het is het begin van een langdurige en hechte band met het fenomeen Normaal.

Met enkele vrienden lukt het me om in Winterswijk een open-jongerencentrum van de grond te krijgen. We noemen het Eucalypta, de gelijknamige heks uit de sprookjesverhalen rond Paulus de Boskabouter. Het is een knipoog naar het voorbije kaboutertijdperk en tegelijk een prikkelende naam van een heks, die het brave Winterswijk zal wakker schudden. Een voormalig parochiehuis wordt het onderkomen, maar voordat het zover is, moet het een flinke verbouwing ondergaan. Eucalypta heeft in 1975 een tijdelijke behuizing nodig. Een leegstaande kerk lijkt de ideale oplossing.

De kerk als poptempel. Het klinkt me als muziek in de oren. Voor mijn ouders is het even schrikken. Als trouwe gelovigen bezoeken ze wekelijks een dienst in de Nederlands-Hervormde kerk. Meestal gaan mijn vader en moeder afwisselend, want thuis moet iemand voor mij en mijn drie jongere broertjes zorgen. Vanaf de basisschoolleeftijd gaan we mee ter kerke. Of moeten we mee, zoals ik het beleef. Het is een uur vol bijbelspreuken, psalmen en gezangen, een preek, orgelspel en niet te vergeten de rondgang van de collectezak, waar we als arbeiderskinderen een stuiver of dubbeltje in mogen stoppen.

In het begin van de jaren zestig – ik zit dan nog op de lagere school – gebeurt er op een zondagochtend iets vreselijks, dat me nog jarenlang zal achtervolgen. Met mijn vader ben ik onderweg naar de Hervormde Kapel. Ik zit op de bagagedrager van de fiets. Vlakbij de kerk horen we ineens het geluid van remmende auto’s en dan een enorme dreun. In een zijstraatje tegenover het kerkgebouw stapt mijn vader af en drukt me op het hart bij de fiets te blijven staan. Hij loopt snel naar de kruising, iets verderop, waar een auto zich in een bus heeft geboord. Ik mag absoluut niet mee, het beeld van een zwaar ongeval moet me als kind bespaard blijven.
Het wachten duurt lang. Na een tijdje hoor ik sirenes van de naderende hulpdiensten. Wat zou er toch gebeurd zijn, wat doet mijn vader op die plek en waar blijft hij toch ? Even overweeg ik om richting de kerk te lopen en stiekem een kijkje te nemen richting de ongevalsplek. Ik durf het niet en blijf naar het rijwiel van mijn vader staren. Als we naar huis fietsen, is de kerkdienst als begonnen. Mijn vader zwijgt. Hij was als een van de eersten op de rampplek om hulp te verlenen. De aard en de details van het dodelijk ongeval, waarbij de inzittenden van de personenauto geplet worden, krijg ik pas later via anderen te horen. Ik kan de straat en de kerk nooit meer los zien van de botsing op zondagochtend.

Uitgerekend in deze kerk, waar ik menig predikant hoorde bulderen, maak ik nu een rentree als jongerenwerker en organisator van popconcerten. Koffie en pepermuntjes maken plaats voor bier en broodjes braadworst. Het domein van de dominee verandert in een kleedkamer voor artiesten. Even bestaat nog de gedachte om alle aanpassingen stapsgewijs te doen. De psalmen en gezangen vervangen door soul en gospel. Het zou wellicht kunnen helpen bij de overgang van bedehuis tot rocktempel. Protestante dorpsbewoners wachten met spanning af wat er zich in hun oude vetrouwde kapel gaat afspelen. 
Op Hemelvaartsdag 1975 maak in bij de jaarlijkse Popmeeting in het openluchttheater van Lochem voor het eerst kennis met Normaal. Ik moet er even aan wennen. Het dialect van Bennie Jolink, het rauwe karakter van de muziek, de oude pakken waarin de musici zijn gestoken en het voortdurende opzwepen van het publiek. Dit heb ik niet eerder gezien en beleefd. Ben ik gegrepen door deze farmersrock, voel ik me aangesproken door de opruiende songteksten of heb ik de nieuwe Rolling Stones van het Gelderse platteland ontdekt ? Op de terugweg naar huis mijmer ik over Normaal. De band klonk ronduit amateuristisch en de teksten waren af en toe amper te verstaan. En toch werd ik gegrepen. Het was geen bewondering, maar opperste verbazing.

Wat veertig jaar na het legendarische optreden als eerste weer boven komt is het nummer ‘Drieteri-je Blues’. Boers, banaal en brutaal. ‘Ondanks alle vrolijkheid hebben zelfs opgewekte normale boeren wel eens de blues, de bokse vol blues’. Het is Normaal op zijn best. Er gaat een schok door het publiek als Jolink begint te zingen. ‘Ik zat laatst te schijten op de plee, ik perste als een idioot, maar het duurde wel een uur of twee. Eindelijk kwam er een grote kottel stront en die stonk zo afschuwelijk…… het procelein van de pot knapte bijna aan diggelen.’ 
Geen optreden van Normaal kan zonder de klassieker ‘Drieter-je Blues’. Tekst, muziek, ritme en timing, de anhangers kunnen het allemaal dromen. Het nummer leent zich uitstekend voor het succesvolle live-album ‘Springleavend’, dat begin 1971 wordt opgenomen tijdens concerten in Arnhem, Ruinerwold en Lichtenvoorde. Alan Gaiscoigne heeft dan inmiddels de plaats ingenomen van Ferdy Jolij. Zijn gitaarsolo in deze meedeiner wordt door Jolink passend aangekondigd. ‘He Gaspiepe, loat um es effen lekker stinken!’

Bennie Jolink en Jan Manschot hebben net als ik een aantal jaren in Enschede gestudeerd. Beter gezegd : we hebben er zo goed en kwaad als het kan een opleiding gevolg. Jolink op de kunstacademie AKI, Manschot en ik op de R.K. Sociale Academie. Vier lange jaren onder het juk van praatgroepen, evaluatienota’s en discussiegroepen. ‘Voor dat soort opleidingen bestaat maar een remedie’, zegt Bennie later eens, ‘benzine, poetskatoen en een lucifer er bij!’ Het afsluiten van de studie in de voormalige textielstad, die in de jaren zestig en zeventig veel verloederde buurten kent, is een verademing. Terug naar de vertrouwde Achterhoek. Dat is feest !

Tijd om naar de kerk te gaan. Joost Carlier heeft wel oren naar een optreden van Normaal in Winterswijk. De manager van Normaal is een creatieve jongen met een uitstekend gevoel voor publiciteit. We spreken af dat de band op zaterdag 28 juni om 20.00 uur een concert geeft in de voormalige kapel aan de Spoorstraat in Winterswijk. De afgesproken gage is vijfhonderd gulden, aangevuld met voldoende bier voor de bandleden. Ik laat posters drukken, waarin de groep wordt aangeduid als ‘de Achterhoekse popsensatie Normaal’ . Als ondertitel: ‘Alles wurd plat espeuld !’. Om het entreebedrag hoef je dit concert niet te laten lopen. Een kaartje kost drie gulden.

Normaal zal tijdens deze eerste ‘tour’ twaalf optredens verzorgen. Die zijn achtereenvolgens in Doetinchem, Winterswijk, Harreveld, Lichtenvoorde, Amsterdam, Aalten, Eibergen, Keyenborg, Langerak, Borculo, Leeuwarden en Enschede. De band beurt maximaal tussen de vijf- en zeshonderd gulden per concert, maar vaak wordt dit bedrag niet gehaald. Borculo is een dieptepunt met slechts tweeennegentig gulden. De muziekinstallatie, publiciteit, verzekeringen, autohuur, brandstof en kantoorartikelen zorgen ervoor dat de uitgaven ( 4.823 gulden) in het eerste jaar hoger zijn dan de inkomsten (4.363 gulden). Een tekort van 460 gulden, constateert manager Carlier.

De muzikanten meten zich bijnamen aan. Die zijn op het platteland heel gewoon. Om de Normaal-cultus wat extra inhoud te geven, stelt Jolink voor om allemaal een toepasselijke bijnaam te nemen. Zelf gaat hij eerst als Boozin Bennie, later als Buizen (zuipen) Berend door het leven. Ferdy Jolij heet eventjes Fast Fender Fucker, dan Frekie of Frederik Puntdroad (prikkeldraad). Willem Terhorst, plaatsvervanger van de eerste bassist Willem van Dijk (De Ploeg), neemt de naam van zijn moeder over en heet vanaf dat moment Wimke van Diene. Drummer Jan Manschot wordt bekend als Brekken Jan Schampschot.

De avond voor de ‘verschijning’ van Normaal in de kerk, krijg ik het een tikkeltje benauwd. Zou er wel publiek zijn voor deze nieuwe lichting rockers ? Drinken die muzikanten echt zoveel en bestaat de kans dat deze avond uitloopt op een ordinaire zuip- of vechtpartij ? Ook mijn ouders zijn er kennelijk niet gerust op. Daar waar nog niet zo lang geleden de orgelklanken van Johannes de Heer klonken, zullen nu de snerpende gitaarsolo’s van Ferdy Jolij langs de kerkwanden opstijgen. Wat zal dit een wereld van verschil zijn. Bennie Jolink als de nieuwe voorganger. Morgen geen stichtelijke boodschap vanaf de kansel, maar helse rock & roll voor het volk. Thuis zwijgt iedereen wijselijk.

Winterswijk krijgt die zaterdag een primeur. De band treedt namelijk op in een nieuwe samenstelling. Willem van Dijk (bas) en Jan Kolkman (gitaar), die vanaf augustus 1974 hebben meegespeeld, zijn na een recent concert in Amphion (Doetinchem) vervangen. Willem Terhorst (bas) en Paul Kemper (gitaar) maken in de kapel hun debuut. Ik ken beide muzikanten niet. Dat zal in de daaropvolgende jaren veranderen. De boomlange Terhorst is een rustige vent, die zich ontwikkelt tot een vaste waarde binnen de band. Hij doorstaat alle stormen, blijft te allen tijde loyaal aan boegbeeld Jolink en componeert een aantal aardige songs.

Paul is een van de twee muzikale telgen uit de familie Kemper. Broer Dick zal bekendheid vergaren als bassist van de rockband Vandenberg, die ook buiten Nederland van zich doet spreken. Met deze nieuwe gitarist van Normaal krijg ik in de loop der jaren als journalist nog vaak te maken. Paul Kemper is een vrolijke vent, een goed geschoold gitarist en bepaald niet op zijn mondje gevallen. Dat blijkt als Jolink in 1996, tot groot verdriet van de fans, de stekker uit de band trekt. De zanger zegt oververmoeid te zijn. De groep wordt daarop ontbonden, de apparatuur verkocht en het personeel ontslagen.

Wanneer er na een half jaar  verrassenderwijs een doorstart wordt gemaakt met Normaal zijn de rapen gaar. Met name Kemper is verbolgen over de nieuwe opzet en rolverdeling. In feite zijn Bennie Jolink en Dick van Berkum – een registeraccountant uit Barchem – vanaf nu de nieuwe eigenaren van de band. Normaal is niet langer een collectief of boerencooperatie, maar een commercieel bedrijf waarin twee personen het voor het zeggen hebben. De andere leden van de band doen mee op basis van een vergoeding per optreden. Paul Kemper pikt het niet. Hij wil niet als een uitzendkracht worden behandeld. Het zal resulteren in een langslepende rechtzaak, die hem uiteindelijk niets oplevert.

Kemper en Terhorst beleven een onvergetelijke debuutavond. Hoewel ze slechts een paar keer kort hebben gerepeteerd met Jolink, Joly en Manschot zijn er weinig aanpassingsproblemen bij dit eerste concert. Mijn angst op een financieel debacle blijkt ongegrond. Er komen zo’n tweehonderd bezoekers af op Normaal en die zorgen voor voldoende inkomsten. De verkoop van bier levert zelfs een bescheiden plusje op. Het is de avond dat het ‘piepke’ – het bekende pijpje bier van Grolsch – zijn opmars maakt in het kerkgebouw. Het is nu het bier dat aanbeden wordt. Omdat de vloer licht naar beneden afloopt, rollen de lege bierflesjes allemaal richting het podium. Daar verdwijnen ze onder de houten buhne.

Sommige bezoekers beleven een soort wedergeboorte. ‘Als baby ben ik in deze kerk water water gedoopt’, realiseert een van mijn broers zich. ‘Vanavond werd ik opnieuw gedoopt, nu met een regen van bier.’ Normaal introduceert enkele attributen, die in de daaropvolgende jaren regelmatig als sfeerelement terugkeren. Zo worden er een paar balen stro binnen gebracht. Het publiek begint er in te trekken. Binnen de kortste keren lijkt de zaal op een veestal. Ook de greep en hooivork maken hun opwachting in Winterswijk. Ze worden op het podium in de houten vloer gestoken. Het gereedschap moet het boerenimago van Normaal versterken.

Dolf Ruesink

Lees verder