oudwwijk
Digitaal erfgoed

Familie ten Houten


De Bankiersfamilie

Jan Gerard ten Houten

Geb:27-08-1766 Amsterdam
Ovl.18-03-1809 Winterswijk
Echtg: 14-02-1788 Amsterdam
Elisabeth Anna Kuijlenburgh
Ged.01-04-1768 Amsterdam
Ovl.23-08.1804 Winterswijk
Kinderen:w.o.
1.Cornelis Pieter ten Houten 1801-1870
2.Jan Gerrit Kraak ten Houten
3.Sara Jacomina ten Houten

Wooldstraat 7
Kruidenier ten Houten
1875: wisseltransatie’s Kantoor ‘Twentse Bank’
01-01-1917 Geldersche Overijsselsche Bankvereniging
1931; Twentse Bank

Singelweg
Villa Engelbartus Frederik Meerdink (1784-1880) en Sara Jacomina ten Houten (1804-1885)
Zij woonden hier met hun zoon Hendrik Jan (1829-1910) en dochter wed.Henriette van der Horst-Meerdink (1833-1887)

Links villa Engelbartus Meerdink en Sara ten Houten in een latere periode

TWEEDE GENERATIE

1. Cornelis Pieter ten Houten

Geb: 29-01-1801 Amsterdam
Ovl: 15-07-1870 Winterswijk
Winkelier

Echtg: 21-04-1830 Winterswijk
Johanna Josina Vaags
Geb: 06-01-1811 Aalten
Ovl: 17-07-1832 Winterswijk (21 jr.)
Kinderen: 1

Echtg: 13-11-1833 Winterswijk
Johanna Pieternella van Dijk
Geb:04-10-1813 Kedichem
Ovl: 01-10-1898 Winterswijk
Kinderen: 9

2.Jan Gerrit Kraak ten Houten

Geb: 29-01-1801 Amsterdam
Ovl: 18-05-1852 Slenkemer, Albanij – Amerka
1847 naar Noord-Amerika
Echtg: 23-03-1826 Aalten
Dela Buenk
Geb: 03-06-1801 Aalten
Ovl: 06-02-1887 Aalten
Kinderen:1

3.Sara Jacomina ten Houten

Geb: 11-05-1804 Bredevoort
Ovl: 25-12-1885 Winterswijk
Echtg: 13-02-1828 Winterswijk
Engelbartus Frederik Meerdink
Winkelier
Geb: 31-12-1784 Winterswijk
Ovl: 06-04-1880 Winterswijk
Kinderen: 6

Links Villa J.G.ten Houten van……… tot 1922 (daarna ‘Doktershuis’)
Voorheen villa Hendrik Scholten (1789-1883)
Rechts-Twentse Bank (sinds 1875) – Fam. ten Houten



DERDE GENERATIE

De kinderen van Cornelis Pieter ten Houten

1.1. Jan Gerhard ten Houten 1831-1833
1.2. Johanna Elisabeth ten Houten 1835-1847
1.3. Engelina Geertruida ten Houten 1836-1841
1.4. Elise Anna ten Houten 1838-1842
1.5. Pieternella ten Houten 1840-1898
1.6. JOHAN GERARD TEN HOUTEN 1843-1922
1.7. Engelina Geertruida ten Houten 1845-1847
1.8. Elibertus Antoon ten Houten 1847-1848
1.9. ENGELBERTUS FREDRIK TEN HOUTEN 1849-1934
1.10.CORNELIS PIETER TEN HOUTEN -Apotheker 1853-1884

Graf Kinderen Cornelis Pieter ten Houten en Johanna Josina Vaags
J.G.ten Houten1843-1922

JOHAN GERARD TEN HOUTEN 1843-1922

O.a
-Lid Provincial Staten 1874-1907
-Wethouder Winterswijk 1889-1913
-Lid Gemeenteraad Winterswijk 1879-1913
-Oprichter/Eerelid Vereeniging Volksfeest
-President Kerkvoogd Hervormde Gemeente W’wijk, sinds 1905

RECHTS
Witte huis (naast ingang Katholieke kerk)
E.F.ten Houten (1849-1934)
C.P. ten Houten (1853-1884)
Apotheker -Wooldstraat 28
Later Apotheker Hes van Zweden, weer later Apotheker-huisarts C.van Schothorst.
Later schoonzoon J.H.Koen, verhuisde naar Wooldstraat 18

1.6. JOHAN GERARD TEN HOUTEN 1843-1922
Geb: 07-03-1843 Winterswijk
Ovl: 19-03-1922 Winterswijk
Wooldstraat 8 -tevens Wethouder
Ridder in de Orde van Oranje Nassau sinds 08-09-1909
Echtg: 31-07-1872 Winterswijk
Hermana Helena ter Pelkwijk
Geb: 06-08-1844 Winterswijk
Ovl: 03-04-1918 Winterswijk
Kinderen: 5
1.6.A. CORNELIS PIETER TEN HOUTEN (1873-1919) -Bankier
Misterstraat 21 (‘Toren’)
1.6.B. Albertus Theodorus ten Houten (1874-1874)
1.6.C  Johanna Peternella ten Houten
1.6.D. ALBERTUS THEODORUS TEN HOUTEN (1877-1933) -Bankier
Wilhelminastraat 29- Villa ‘Ceres’
1.6.E. JOHAN GERRIT TEN HOUTEN (1880-1946) -Bankier
Wilhelminastraat 34-Hoek Prins Hendrikstraat

Fam. Johan Gerard ten Houten(1843) en Hermana Helena ter Pelkwijk (1844)
Staand v.l.n.r.: J.G.ten Houten Jr.(1880), Jetske Wigersma, C.P.ten Houten (1873), Maria Hijink, Herman Dunnewold (1871-1936), Johanna ten Houten (1875-1930), A.Th.te Houten (1877)en Suzanna Boers
Herman Dunnewold was makelaar in Bussum
Links Villa Johan Gerard ten Houten (1843-1922)
Rechts Twentse Bank -Fam.ten Houten
Links met Toren
C.P.ten Houten (1873-1919) gekocht in 1905
Voorheen Marechaussee kazerne
Rechts: Bankier E.F.ten Houten (1849-1934)
Villa Wilhelminastraat J.P. ten Houten (1880-1946)
Later F.T.J.M van Eekelen (Notaris)

VIERDE GENERATIE

1.6.A. CORNELIS PIETER TEN HOUTEN
Geb: 25-06-1873 Winterswijk
Ovl: 02-06-1919 Arnhem
Bankier -Vz.comite Kanaalverbinding
Misterstraat 21 (‘Toren’)
Echtg: 21-05-1902 Winterswijk
Maria Wesselina Margaretha Hijink
Geb: 10-10-1878 Winterswijk
Ovl:27-06-1942 Winterswijk
Kinderen: 4

1.6.D. ALBERTUS THEODORUS TEN HOUTEN
Geb: 27-01-1877 Winterswijk
Ovl: 12-03-1933 Winterswijk
Bankier-Advocaat-Natuurbeschermer
Wilhelminastraat 29- Villa ‘Ceres’
Echtg: 16-06-1910 Zuidland
Suzanna Boers
Geb: 30-05-1873 Nieuw Leusen
Ovl: 10-01-1916 Winterswijk (42 jr.)
Kinderen: 2

Echtg: 06-08-1919 Winterswijk
Hillegonda Albarta Kouwenaar
Geb: 20-02-1866 Brummen
Ovl: 10-03-1948 Winterswijk
Kinderen: 0

29-04-1938
Mr.A.Th.ten Houtenbank
Mevr.ten Houten, J.Th.Overweg (commissie). Aron van Dam (wethouder)
De Mr.A.Th. ten Houtenbank stond eerst bij de Steengroeve, onthuld 28-04-1934

Er is ook een Mr.A.Th. ten Houtenlaan

1.6.E. JOHAN GERRIT TEN HOUTEN
Geb:29-02-1880 Winterswijk
Ovl: 04-12-1946 Winterswijk
Bankier
Wilhelminastraat 34-Hoek Prins Hendrikstraat
Echtg: 22-05-1906 Leeuwarden
Jetske Wigersma
Geb: 05-01-1881 Leeuwarden
Ovl: 11-04-1956 Enschede
Kinderen: 2

TWEEDE GENERATIE

2. Jan Gerrit Kraak ten Houten (1801-1852)
en Dela Buenk (1801-1887) -Geemigreerd Amerika
Kinderen:1

Derde generatie


De kinderen van Jan Gerrit Kraak ten Houten

2.1. Gerritdina Catharina ten Houten 1833 Aalten-
echtg: Martinus Lambertus Lintum (1822-) Bakker
Beide geemigreerd naar Amerika in 1866

 TWEEDE GENERATIE

3. Sara Jacomina ten Houten
Engelbartus Frederik Meerdink (1784-1880)
en Sara Jacomina ten Houten (1804-1885)
Kinderen: 6

Derde generatie

De kinderen van Sara Jacomina ten Houten

3.1.Hendrik Jan Meerdink 1829-1910 -ongehuwd
3.2.Jan Gerhard Meerdink 1831-1921- echtg: Anna Gerritzen
Kinderen:10
3.3.Henriette Meerdink 1833-1887 -echtg: Willem Arnold van der Horst
Kinderen: 0
3.4.Eliebartus Antoon Meerdink 1835-1892 -echtg: Ida Anna Geziena Bouwmeester
Kinderen: 2
3.5.Susanna Catharina Meerdink 1839-1891-echtg: Cornelis Matthias Temminck 
Kinderen: 0
3.6 Jan Philip Meerdink 1842-1842

Lees verder

De Familie Roelvink



De Notarissen

Jan Berent Roelvink

Rentmeester der Domeinen Prins Willem IV van Oranje Nassau benoemt Jan Berend Roelvink tot Rentmeester van de Kroondomeinen in Bredevoort en de Buenense Hienden, in het rechtsambt Doesburg, Doetinchem en Hummel

Geb: 30-07-1706 Vreden
Ovl: 19-05-1748 Bredevoort
Echtg: 30-07-1726 Vreden
Anna Aleida Satink
(Aleijda Anna was de dochter van Johan Satinck-Bocholt)
Geb:31-10-1705 Winterswijk
Ovl: 01-07-1780 Bredevoort
Kinderen:
1.Harmen Otto Roelvink (02-03-1727 – 09-09-1791) Echtg: E.M.T. Witten
2.Johan Roelvink (23-05-1728 Aalten -29-03-1750 W’wijk)
3.Bernhard Andries Roelvink (12-02-1730 Aalten-1730)
4.Isabella Mechteld Roelvink (30-12-1731 W’wijk- 01-05-1744 W’wijk)
5.BERNARD ANDREAS ROELVINK (28-06-1733-1809) .Echtg: Harmina Abbink
6.Arnold Brochard Roelvink (26-02-1735 W’wijk- 16-07-1746 W’wijk)
7.Willem Jacobus Roelvink (13-01-1737 – ovl.01-03-1812 W’wijk)

Aantekening:
Johan werd daarna Rentmeester tot zijn dood 1750, daarna Harmen die minder geschikt hiervoor was en al snel opgevolgd werd door Bernard Andreas in 1768.


Kleinzoon: Jan Berent Roelvink

EERSTE NOTARIS Winterswijk
Keizerlijk Notaris
Dorp: nr.239
Geb: 10-05-1780 Bredevoort
Ovl: 19-12-1867 Bredevoort
Ouders: BERNARD ANDREAS ROELVINK en Harmina Abbink
Echtg: 07-10-1812
Catharina Becking
Geb: 12-06-1792 Winterswijk
Ovl: 11-12-1860 Winterswijk
Kinderen:8

Foto: Hans Tenbergen

EERSTE HUIS: NAAST R.K.KERK (Tegenover ‘Villa Hesselink’)
Eerst sinds 1729:
Jan Berend Roelvink (1706-1748) en Aleijda Anna Satink
Daarna zoon: Bernard Andreas Roelvink (1733 -1809)
Daarna zijn zoon:
Jan Berent Roelvink (1780-1867)
Hij betrekt omstreeks 1820 ‘Villa Hesselink’)

Omstreeks 1820 bewoond door Jan Berent Roelvink (1780-1867)
Misterstraat
Misterstraat -Achterzijde
Achterste gedeelte woonde Dokter Satink
Het voorste gedeelte is aangebouwd in 1800 (waarschijnlijk 1846)
Ook Notaris Roelvink zou hier nog gewoond hebben ( in onderzoek)



TWEEDE GENERATIE

Kinderen Jan Berent Roelvink en Catharina Becking

1. Harmina Arnolda Roelvink 1813
2. Bernard Andreas Roelvink 1814
3. Henriëtta Everharda Roelvink 1817
4. Anna Johanna Roelvink 1817
5. Wilhelm Arnold 1820 -1820
6. Wilhelm Arnold Roelvink 1821
7. Gesiena Helena Leonarda Roelvink 1823
8. N.N. (23-04-1928)

1. Harmina Arnolda Roelvink

Geb: 25-04-1813 Winterswijk
Ovl: 16-07-1863 Utrecht
Echtg: 18-10-1841 Winterswijk
Louis Réné van Ouwenaller (later getrouwd mat Anna Johanna)
Geb: 11-02-1810 Amsterdam
Ovl: 01-05-1871 Utrecht
Kinderen:6
Joan Bernard Rene van Ouwenaller (07-08-1842 Winterswijk)
Henric Frans Rene van Ouwenaller (31-05-1844 Tiel)
Christine catharine van Ouwenaller (06-02-1846 Vianen)
Maria Henrietta Anna v. Ouwenaller (01-12-1847 Breda-12-02-1848 Breda)
Maria Henrietta Anna van Ouwenaller (17-02-1849 Nijmegen)
Frans Louis Rene van Ouwenaller (08-09-1854 Leiden)

2.Bernard Andreas Roelvink

Geb: 20-10-1814 Winterswijk
Ovl: 22-05-1893 Winterswijk
President Rechtbank Zutfen.
Ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw
Echtg: 06-07-1850 Zupthen
Barbara Sara van Doorninck
Geb: 12-01-1820 Deventer
Ovl: 30-01-1892 Zutphen
Kinderen:5
A.Jan Berend Roelvink (28-12-1852 Zutphen-
B.Catharina Anna Roelvink (09-05-1854 Zutphen-
C.Christina Roelvink (05-08-1855 Zutphen-
D.Adam Roelvink (15-10-1856 Zutphen -Pres.Twentse Bank -echtg: Christine Willink
E. Wilhelmina Elisabeth Mechteld Roelvink (04-01-1858 Zutphen-

3. Henriëtta Everharda Roelvink

Geb: 05-05-1817 Winterswijk
Ovl: 13-12-1888 Hilversum
Echtg: 10-06-1836 Winterswijk
Benjamin Willem Blijdenstein
Geb: 18-02-1811Enschede
Ovl: 22-05-1866 Enschede
Kinderen:3
Anna Catharina Blijdenstein (25-03-1837 Enschede)
Benjamin Willem Blijdenstein (20-07-1939 Enschede)
Hermina Blijdenstein (13-10-1842 Enschede)

4. Anna Johanna Roelvink

Geb: 05-05-1817 Winterswijk
Ovl: 26-07-1876 Zwitserland
Echtg: 22-10-1864 Winterswijk
Louis Réné van Ouwenaller (eerder getrouwd met Harmina)
Geb: 11-02-1810 Amsterdam
Ovl: 01-05-1871 Utrecht
Kinderen: 0

6.Wilhelm Arnold Roelvink

TWEEDE NOTARIS Winterswijk
Officier in de Orde van de Eikenkroon
Geb: 26-10-1821 Winterswijk
Ovl: 02-05-1917 Winterswijk

Echtg: 02-08-1854 Winterswijk
Anna Catharina Willink
Dochter Abraham Willem en Christina ten Cate
Geb: 11-10-1829 Winterswijk
Ovl: 08-01-1867 Winterswijk (37 jr.)
Kinderen: 2
A. JAN BEREND Roelvink (1857-1932) – Notaris Winterswijk
B. Abraham Roelvink (1859-1921)

Echtg: 22-04-1869 Enschede
Eva Magdalena ter Kuile
Dochter Hendrik ter Kuile, predikant en Cornelia Wilhelmina Lamberts
Geb: 14-06-1839 Oldenzaal
Ovl: 08-03-1929 Winterswijk (89 jr.)
Kinderen: 3
C. Harrij Roelvink (1871-1961) -echtg: Geertruida Wilhelmina Stroink
D. Herman Willem Roelvink (1872-1909)
E. Bernard Andreas Roelvink (1879-1937)

AANTEKENINGEN:
-03-09-1850: Statenlid -42 jaar lang
-Jan.1854 notaris te Winterswijk, tevens (Rentmeester tot 1889)
-Tot 1891 notaris, daarna zijn zoon

Foto: Hans Tenbergen

7. Gesiena Helena Leonarda Roelvink

Geb: 24-11-1823 Winterswijk
Ovl: 06-05-1905 Winterswijk (Misterstraat 17)
Echtg: 04-08-1846 Winterswijk
Herman Jacob Roelvink (Doctor)
Zoon van Arnoldus Florentinus Roelvink en Lisabe Maria Theodora ten Cate
Geb: 13-03-1820 Aalten
Ovl: 21-03-1869 Aalten
Kinderen: 5
A.Maria Catharina Theodora Roelvink (1847-1859)
B.Theodoor Roelvink  (1849-1884)
C.CATHARINA ROELVINK (1855-1931)-echtg.WILLEM PASCHEN (1846 – 1909)
D.Jan Floris Roelvink (1858-1938) – M.A.Willink
E.Henrietta Eva Roelvink (1862-1956) -echtg: Johann Peter August de Vries


DERDE GENERATIE


2.D.

Adam Roelvink
President Twentse Bank
Geb:15-10-1856 Zutphen
Ovl: 087-10-1927 Oploo
Echtg: 01-06-1881 Winterswijk
Christiena Margaretha Willink
Geb: 28-06-1855 Winterswijk
Ovl: 16-10-1919
Kinderen: 5
Bernard Andreas Roelvink (27-06-1882 Amsterdam
Herman Christinaan Roelvink (24-09-1883 Amsterdam-1957)
Eva Wilha Roelvink (1886)
Irma Christine Roelvink (02-09-1889 Amsterdam)
Wilhelmina Elisabeth Machteld Roelvink (16-01-1891 Amsterdam)

6.A.

DERDE NOTARIS Jan Berend Roelvink
Notaris Winterswijk
Geb: 12-04-1857 Winterswijk
Ovl: 22-06-1932 Winterswijk
Ongehuwd

7.C.

Catharina Roelvink
Geb: 06-05-1855 Winterswijk
Ovl: 14-03-1931 Winterswijk
Echtg: 06-08-1874 Winterswijk
Willem Paschen
Directeur Batavier
Geb: 18-07-1846 Winterswijk
Ovl: 04-04-1909 Monte Carlo

7. D.

Jan Floris Roelvink
Burgemeester van Hardinxveld 17-06-1887 tot 15-10-1892
Geb: 12-10-1858 Winterswijk
Ovl: 08-11-1938 Zonnemaire
Echtg: 12-10-1887 Winterswijk
Margaretha Anna Willink
Geb: 14-02-1863 Winterswijk
Ovl: 15-02-1911 Winterswijk (48 jr.)
Kinderen: o.a.
Herman Jacob Roelvink (30-09-1889 – 23-05-1967 Zeist) (wonende Misterstraat 17)
Burgemeester Zonnemaire
Echt: 17-02-1920: Krijna Helena Johanna Verseput
Geb:24-07-1895 Zonnemaire -ovl.

Margaretha Helena Roelvink (06-01-1891 Hardinxveld)
Arnoldus Florentinus Roelvink (28-10-1892 Hardinxveld)

Woonhuis Jan Floris Roelvink en Margaretha Anna Willink
en zoon Herman Jacob Roelvink
Villa links, rechts staande van ‘Villa Hesselink’
Later Dr.Bijlsma

LATER MEER

Lees verder

De Grimmelt’s

Wie bleven er in Winterswijk?
De hotelhouder, de manufacturier, de slijter en de blauwverver.

Met dank aan Genealogie -Erna Kortschot

Vanuit Gescher kwamen naar Winterswijk de gebroeders:
Bernardus Ferdinandus Josephus Grimmelt (geb:1800) en
Frans Anton Theodoor Grimmelt (Geb:1902)

Beide zonen van Franciscus Otto Grimmelt  en Maria Francina Oostendorp
Sinds 1780 Hotelhouder – Zur Krone in Gescher (en nog steeds-2022)

EERSTE GENERATIE

Bernardus Ferdinandus

Bernardus (koopman) trouwt in 1825 met Johanna Schreven.
Zij krijgen samen 5 kinderen:
1.Gerhardus Franciscus
2.WILHELMUS FRANCISCUS
3.CHRISTIAAN HENDRIK
4.BERNARD THEODOOR
5.Martha Catharina

Frans Anton

Frans Anton Theodoor Grimmelt trouwt in 1825 met Anna Geertruij Grootmeijer.
Zij krijgen samen 1 kind:
1.Johann Heinrich (1829 Gescher – 1907)

Anna Geertrij was de dochter van Hotel ‘De Groene Klok’

TWEEDE GENERATIE

De kinderen van Bernardus Ferdinandus

1.Gerhardus Franciscus Ferdinandus (1826-1837) wordt slechts 10 jaar oud.
2.WILHELMUS FRANCISCUS (1827-1907) wordt koopman en trouwt (1858) met Giesberta Johanna Antonia Balink
3.CHRISTIAAN HENDRIK THEODOOR (1831-1903) wordt HOTELHOUDER en trouwt (1860) met Johanna Catharina Fredrika Brummer
4.BERNARD THEODOOR (1834-1906) wordt WINKELIER MISTERSTRAAT en trouwt (1875) met Johanna Fredrieka Threzia Lipman
5. Martha Catharina (1836-1903) wordt religieuse.

De kinderen van Frans Anton

1. Johann Heinrich Anton Eduard Grimmelt (1829-1907) – ongetrouwd.

De kinderen van Bernardus Ferdinandus

Wilhelmus Franciscus Grimmelt

Geb: 07-12-1827 Winterswijk
Ovl: 11-12-1907 Winterswijk
Echtg: 03-11-1858
Giesberta Johanna Antonia Balink
Geb: 08-08-1834 Winterswijk
Ovl: 03-09-1873 Winterswijk
Kinderen:7

Echtg: 09-09-1879 Turnhout
Arnoldina Maria Barbara van Eupen
Geb: 04-12-1843 Eindhoven
Ovl: 22-08-1917 Eibergen
Kinderen: 3

Christiaan Hendrik Theodoor Grimmelt

Geb: 25-05-1831 Winterswijk
Ovl: 22-11-1903 Winterswijk
Echtg: 16-10-1860 Gemen
Johanna Catharina Fredrika Brummer
Geb: 01-10-1840 Gemen
Ovl: 27-06-1878 Winterswijk
Kinderen:11

Echtg: 09-01-1880 Vreden
Charlotte Theodora Holscher
Geb: 04-05-1846 Rheine
Ovl: 00-11-1897
Kinderen: 0

Bernard Theodoor Grimmelt

Geb: 21-10-1834 Winterswijk
Ovl: 09-01-1906 Winterswijk
Echtg: 20-10-1875
Johanna Fredrieka Threzia Lipman
Geb: 14-11-1842 Deventer
Ovl: 15-12-1912 Lochem
Kinderen: 7


DERDE GENERATIE

De kinderen van Wilhelmus Franciscus Grimmelt

1. Bernard Ferdinand Theodoor Grimmelt (1859-1859)
2. Johanna Everdina Theodora Grimmelt (1861-1944) trouwt (1893) met  Johannes Wilhelmus Homan (kunstverver)
3. Anna Maria Josepha Grimmelt (1863-1863)
4. Gerhard Ferdinand Grimmelt (1865-1865)
5. GERHARD FERDINAND GRIMMELT (1866-1918) MANUFACTURIER -trouwt (1897) met Maria Elisabeth Remmers
6. Christiaan Hendrik Theodoor Grimmelt (1870-1937) – ongetrouwd
7. Gijsberta Anna Josepha Grimmelt (1873- ) trouwt (1898) Johannes Beekmans

1.Henricus Wilhelmus Daniel Grimmelt (1880)
2.JOSEPHUS GERHARDUS MARIA GRIMMELT (JOS)(1881-1957) trouwt (1911) Elisabeth Catharina Johanna Augustina van Piere
3.Alphons Michael Charles Grimmelt (1884-1951) trouwt 1910 Anna Maria Cartharina Spoorenberg

De kinderen van Christiaan Hendrik Theodoor Grimmelt

1. Johanna Carolina Antonia Grimmelt (1861-1911) -religieuze
2. Ferdinand Antoon Theodoor Grimmelt (1863-1886)
3. Gijsbertha Fredrika Wilhelmina Grimmelt (1864)
4. Berendina Wilhelmina Alexandrina Grimmelt (1867-1872)
5. Wilhelmus Johannes Maria Grimmelt (1869-1944) – Pastoor
6. Frans Otto Grimmelt (1870-1913) – Pater
7. Matilda Franciska Maria Grimmelt (1872-1874)
8. BERNARD THEODOOR JOSEPH GRIMMELT (1873-1962)-HOTELHOUDER -trouwt (1900) met Anna Geertruida Lamberta Ellerbeek
9. Johanna Maria Odilia Grimmelt (1875-1876)
10.Carel Frederik Joseph Grimmelt (1876-1877)
11.Maria Gerharda Johanna Grimmelt (1877-1878)

De kinderen van Bernard Theodoor Grimmelt

1. Bernardus Ferdinandus Josephus Grimmelt (1876-1947) trouwt (1902) met Grada Wilhelmina Willemsen -elders
2. Xeno Ignatius Maria Grimmelt (1878-1878)
3. Xeno Ignatius Maria Josephus Grimmelt (1879-1950) -Hotelhouder elders- trouwt met Maria Wilhelmina Willemsen
4. Wilhelmus Pasifikus Grimmelt (1880-1880)
5. Clementine Maria Pacifiga Grimmelt (1881-1881)
6. Clementina Antoinette Maria Grimmelt (1885-1947) -woonde Lochem
7. Maria Josephina Johanna Grimmelt (1887-1975) -woonde Lochem

VIERDE GENERATIE

De kinderen van Wilhelmus Franciscus Grimmelt

5. GERHARD FERDINAND GRIMMELT
Geb: 03-12-1866 Winterswijk
Ovl: 29-03-1918 Winterswijk
Echtg: 15-11-1897 Ootmarsum
Maria Elisabeth Remmers
Geb: 07-09-1867 Ootmarsum
Ovl: 28-08-1948 Gennep
Kinderen: 4
1. Gijsbertha Everdina Philipbertha Maria Grimmelt (1898-1899)
2. Karel Philip Maria Grimmelt (1900-1927)- elders
3. Wilhelm Johan Frans Grimmelt (1902-1902)
4. Johannes Gijsbertus Grimmelt (1907-1907)



2.JOSEPHUS GERHARDUS MARIA GRIMMELT (JOS)
Geb: 15-10-1881 Winterswijk
Ovl: 04-05-1957 Winterswijk
Echtg: 20-02-1911 Eindhoven
Elisabeth Catharina Johanna Augustina van Piere
Geb: 28-08-1844 Gestel
Ovl: 30-12-1964 Groningen
Kinderen:2
1. Henri Wilhelm Johannes Grimmelt (1912-1990) – ongetrouwd -verblijf Winterswijk
2. FRANCISCUS ARNOUT HUBERT GRIMMELT (1913-2018) – Wooldstraat 4- Misterstraat 84

De kinderen van Christiaan Hendrik Theodoor Grimmelt

8. BERNARD THEODOOR JOSEPH GRIMMELT
Geb: 02-11-1873 Winterswijk
Ovl: 26-05-1962 Winterswijk
Echtg: 18-09-1900 Oldenzaal
Anna Geertruida Lamberta Ellerbeek
Geb: 18-09-1873 Oldenzaal
Ovl: 14-11-1950 Winterswijk
Kinderen:
1. CHRISTIAAN HENDRIK THEODOOR JOSEPH GRIMMELT (1902-1970)-trouwde (1933) met Maria Josephina Johanna Louisa Bloemen -verblijf Winterswijk
2. Frans Otto Grimmelt (1903-1967) – elders – ongetrouwd
3. Henriette Wilhelmina Johanna Grimmelt (1906-1960) -ongetr.-won.Satinkplas 1
4. Frederica Coleta Maria Grimmelt  (1910)
5. Gijsbertha Everdina Antonia Grimmelt (1913-1945 Vught)

Grimmelt – Hotel

Hotel De Klok:
Rond 1860:
CHRISTIAAN HENDRIK THEODOOR en Johanna Catharina Fredrika Brummer
1893:
BERNARD THEODOOR JOSEPH GRIMMELT en Anna Geertruida Lamberta Ellerbeek
1933:
CHRISTIAAN HENDRIK THEODOOR JOSEPH GRIMMELT en Maria Josephina Johanna Louisa Bloemen
Rond 1970:
J.TH.DEGENER EN M.E.H.DEGENER-GRIMMELT (DOCHTER)



Grimmelt – Slijterij

Bernard Theodoor Grimmelt en Johanna Fredrieka Threzia Lipman 
Slijterij
Nadat ook Johanna vertrok kwam hier Antonius de Jong (‘De Zon’) en liet in 1922 het pand afbreken voor een nieuw pand. Zie verder onder manufacturen – De Zon.

Wilhelmus Franciscus Grimmelt -Manufacturier
GERHARD FERDINAND GRIMMELT (1866-1918)
Tot 1918, daarna J.H.Luckman

JOSEPHUS GERHARDUS MARIA GRIMMELT (JOS) Blauwverver
Voorheen Homan
Zijn stiefzus Johanna was getrouwd (1893) met de zoon van F.A.Homan, Johannes Wilhelmus (1864-1938) -geen kinderen.
1957:
FRANCISCUS ARNOUT HUBERT GRIMMELT (1913-2018) – Wooldstraat 4- Misterstraat 84

FRANS GRIMMELT was de laatste: Geboren 14 september 1913 – 23 maart 2018 – 104 jaar.
Getrouwd met Hetty Reiring

Foto: Han van de Laar

2017: Frans Grimmelt 104 jaar Foto: Han van de Laar

AANTEKENINGEN:

B.Ferd.J. Grimmelt
1911: Hotel Cafe Restaurant ‘De Zon ‘annex’ slijterij
Dit is Hotel De zon.
Fam. Grimmelt is nauw verwant aan de Fam.Willemsen en Fam.Brouwer.
Zie Horeca- Hotels- De Zon

Weurden A794
1904-1907-1911-1917


Lees verder

De Brugge

IN BEWERKING

Veurnao verveelden Knelis en Willem, de beide kleine tweelinge, zich wal is ’n betjen.
In zo’n geval was der gelukkig altied de brugge nog.
Bi’j de brugge ower de baeke daor kö’j ow haoste neet vervelen.
Daor was altied nog wal wat te kiekene en kwam i’j gewönluk vanzelf ongemarkt an ’t spöllen.


De baeke eigens streumden altiedzoodeur; dee genk maor wieter, zonder röste, dag in dag uut, jaor op jaor; der kwam nooit ’n ende an.
I’j mosten der ow ower verwondern.
Soms was den stroom langzaam, soms golverden der ’t water wild deurhen en dreef der broes bowenop.
Veur den meddag was ’t water meestal zóó helder, da’j haoste töt op den baom k’onnen kielden, nao den meddag wier het troebel; dan kwam ’t maalwater, zaen de leu.
Maalwater!
Wat dat maalwater eigeluk was en wat het hadde te beteekenen, dat wosten de tweelinge gin eene van beiden.
Ne watermölle mos der argens bi’j de baeke liggen wieter stroomop.
Knelis en Willem ‘hadden der vake van heurn praoten, maor ze konnen der zich met gin meugelukheid ne goeie veurstellinge van maken.
De baeke nam alles met: streukes en höldekes, papeerkes en zoore bla.
Ne enkele keere dreef der wal is ’n dinge veurbi’j, da’j neet good kennen konnen.
Aardig was ”t, as der ne trop enden ower’de baeke zwom.


Twee dinge wazzen minder mooi.
As de tweelinge bi’j de baeke spölden, kregen ze zoo hendig natte veute en dat gaf ’s aovends natuurluk spil met vader of mooder of grootmooder.
Dee natte veute, dat was ééne. En den bollebak, dat was twee.
Volgens het zeggen van grootmooder en’ok van vader en mooder, mos der onder in de baeke ne bollebak zitten.
Gewönluk heel e zich op in den grundeloozen kolk op den draei.
Maor hee mos ok wal is heel kort bi’j, of onder de brugge wezzen.
Hee loerden altied op kindere. Het kon gebeurn, da’j zonder arg luk kort bi’j ’t water kwammen en dan greep ow opins den bollebak, trok ow met nao zienen deepen kolk en… Noja; wat er dan wieter nog met ow gebeurden, dat wosten de jonges neet, dat woste grootmooder ok neet rech.
Maor in ieder geval zo’j ow veur den bollebak maor waarn.
Ha; den groezel zol der ow van ower de rugge hen trekken.


De tweelinge hadden ne pooze op .’t sleet an den diek ezaetene.
Niks bezunders kwam der veurbi’j en doo kregen ze der genog van.
Kom; zö we is nao de brugge gaon?” vroog Knelis.
„Jao, dat lao we maor doon,” zae: Willem.
Grootmooder wol torf uut de schoppe halen.
„Effen wachten,” fluusterden Knelis.
Ze bleven staon, töt grootmooder met ne schorte vol torf waer uut de schoppe kwam en deur den enddeure ’t huus in genk.

No kom maor,” zae Knelis.
’t Was de jonges neet verbaone umme bi’j de brugge te spöllene, maor grootmooder hadde ’t er toch neet bezunder op.
Mieken, het zwarte hundeken, dröttelde de jonges achternao.
Hejao; wat was ’t aardig bi’j de brugge.
Knelis en Willem keken ower de lönninge in ’t water.
Ze bleven ne heele tied stief staon kieken.
Dan was ’t endeluke net, asof ze eigens achteruut gleen; op ’t leste zo’j der haoste dol en duzelig van worden.
Ne klomp dreef veurbi’j.
~Waor zol den wal vandan kommen?” vroog Willem.
«Den kan wal van den watermölder wezzen, wee wet,” zae Knelis.
*En waor zol e endeluk wal blieven?” vroog Willem.
Hee geet nao de zee,” zae Knelis.

’t Was mooi waer.
De zunne flikkerden ower ’t water.
Wol a’k dat ok kon,” zae Willem.
Wat bedoel i’j?” vroog Knelis.
„Wat dee daor doot,” zae Willem en gooiden met ’n kluutken nao kleine dierkes, dee met eure lange peute zoo maor bowen ower ’t water ben konnen strien.
,Hejao, ; ‘ zae Knelis.
„Wat kont ze dat good. Net of ze an ’t schaatsenrien bunt”
„Wonder, dat ze neet nao ondern zakt.
Hoo zollen ze ‘m dat eigenluk lappen?/”
„Ja; noo vraogt maor too.”
Mo’j dee is zeen!'”
Het wazzen zwarte wörmkes, dee al maor

LATER MEER

Lees verder

De Karsen

’t Was zommer.

In. den hof bleuiden ’t doezendschoer en de opklemmerkes.
’t Earste breudsel kuukskes was al zoo wiet, dat de haentkes konnen kraeien en de kloekhenne begon waer eiere te leggene.
’t Heui was in de hilden.
As Knelis en Willem, de beide kleine tweelinge ’s morgens wakker wiern, was grootmooder gewönluk alleenig in de kökkene.
Vader, mooder en den grooten breur Jan wazzen al langer as ’n uur buten an den arbeid.

De zunne ston al hooge an de loch
Maor grootmooder hadde de vensters anedaone; alleene deur de härtkes en de glieven tusschen de planken konnen de zunnestraolen nao binnen kommen.
Grootmooder wol de kökkene keulig en donker hollen.
Dan kwammen der ok neet zoo volle vleegen in ’t vertrek.
Maor toch wazzen der van dee dinge nog meer as genog.
Grootmooder hadde der ne grooten hekel an, want ze zatten ow ovveral in en ze maakten ’t speegel en de roeten vol stippen.
Noo en dan maakten grootmooder ’n päpken veur eur klaor van zeute melk en paeper.
“At ze daor van atten, gengen ze dood.
Hier en daor hadde grootmooder op ’n stuk papier ’n kläddeken van den pap liggen.
En meen i’j, dat de vleegen der af konnen’ blieven ?
Knelis en Willem kannen zich neet begriepen, dat dee vleegen zoo dom en zoo reukeloos wazzen.


Al was ’t donker en keulig in de kökkene, en al lag der op ‘verscheiden plaatsen vergiftigen paeperpap, der vlogen toch nog ne heele boele vleegen rond deur ’t vertrek.
At ze dan in de zunnestraolen kwammen, dee deur de hollen in de vensters veelen, blonken ze opins, asof ze van gold wazzen.
ledern morgen, at ze wakker wazzen, laggen Knelis en Willem der in ’t bedde ne pooze nao te kiekene.
Maor lange gönden ze zich daorveur gin tied.
Sjonge jao; ze mosten maken, dat ze nao buten kwammen.
Grootmooder heelp eur antrekken.
Doo effen aeten; opgewarmden pannekooke van den veurigen aovend.
’t Smaakten lekker.


Zeezoo; de jonges wazzen klaor umme nao buten te gaone.
„Neet te veer van huus loopen en gin rare dinge doon,” zae grootmooder.
„Nee, grootmooder,” belofdcn ze beide te gelieke.
Ze wazzen de deure al uut.
Hè, wat was ’t buten lech.
Alles lag in den heldern zunneschicn.
Earste leepen de jonges nao ’t buschken achter de schoppe.
Tusschen de elzen en ’t andere holtgewas wosten ze daor ne heeIeboele zoegebloomen te staone.
Al eentieds hadden, ze der zich wat afeplukt.
’t Wazzen net zukke kleme toetheurntkes.
Onderan zat er ’n knöpken an.
A’j der dat afebettene hadden, ko’j der lekkern zeuten honnig uutzoegen.

Jommer, da’j ’t met zukke kleine betjes mosten doon.
Knelis nam ne heelen droef bloomen te gelieke.
„Dan brech ’t baeter wat an,” zei-e.
„Ik doo ’t mi’j ok,” zae Willem.
Maor de meeste bloomen wazzen der onder al af.
Hoogerop zatten der nog de volhand.
„Ik klimme in den elze,” zae Willem; „anders kan ‘k der neet bi’j.”
„Dan klim ik in den berke daor,” zae Knelis.
Heel völle konnen de jonges neet meer kriegen.


Met ’n stuk of wat bloomen kwammen ze waer onder.
Ze gengen der bi’j zitten, umme ze op eur gemak leug te zoegene.
Maor Willem sprong opins op en begon te spijene. „Wat hè’j toch?” vroog Knelis; „wat geet ow an?”
„Ha,” zae Willem en trok ’n vies gezichte; “ha’ba!”
Knelis mos lachen umme Willem zien gezichte.
„Wat hè’j toch?” vroog-e nog ins.
Willem spoj nog is van zich en zae:
„Daor kreeg ‘k ne miegampe in de mond.
Dat dinge zat binnen in ne bloome. Ha ba; wat smaakten dat smaerig; zoo zoer en zoo raar!” _ .
Veur de sekurigheid keken de jonges de bloomen, dee ze nog hadden, is nao.
In ’n paar zatten wörmkes in.
„Wat zö we noo doon?” vroog Willem, doo ze met eure zeute zoegeri’je klaor wazzen.

„Zö we is gaon kieken, of der nog bikbaezen bunt?” vroog Knelis.
„Jao, da’s good,” zae Willem.
Bikbaezen stonncn dcr op ’n walleken achter in den kamp.
In den grooten bosch stonnen der nog völle meer, maor daor mochten” ze zonder verlof neet hen.
Doo ze van de bikbaezen genog hadden, plukten de jonges luk staek- en Sint-jansbaezen in den hof.
En daarop gengen ze na pooze liggen in ’t grös onder den karseboom.
Ze laggen beide steil op de rugge.
„De karsen bunt ok al gauw riepe,” zae Knelis.
„Jao” zae’Willem; „ze wordt al mooi rood.”

ledern dag ko’j zeen, dat de karsen anriepten.
Noo en dan vonden de jonges der wal is ’n paar, dee afevallene wazzen, en dee smaakten eur al lekker.
— Wat was dat ’n wonder spil.
Ne pooze gelaene, al heel lange, lange gelaene hadde den karseboom vol witte bleumkes ezaetene.
En van dee bleumkes wazzen karsen ekommcne.
Grootmooder kenden der .’n raodsel van:

‘Eerst wit als was
Dan groen als gras
Dan rood als bloed
Dan zwart als roet,
Raoi rao; wat is dat.

De karsen mosten zwart worden, zae grootmooder, want het wazzen zwarte Spaanschen.
Knelis en Willem kannen haoste zoo lange neet wachten.
De karsen wazzen dan zoowat riepe.
Knelis en Willem gengen is waer nao den boom, in de hoppe, dat er wat onder zollen liggen.
En der laggen der ok wat; . in t geheel wal meer as twintig.
De jonges zochten ze zich bi’j mekare en atten der ieders um de beurte eene van op; dan geng ’t earluk in zeen wark.
„Ze bunt lekker,” zae Knelis.
„Ze bunt riepe,” zae Willem.
Al gauw wazzen ze op.
Beide keken ze is nao den boom.
„As de takkere maor neet zoo hooge wazzen,” zae Knelis.
„Zo we neet in den boom können klimmen?” vroog Willem.
„Makkeluk zal ’t wal neet gaan” zae Knelis.
„Den stam is te dikke,” zae Willem.


„Maor wi’j könt het in ieder geval is probearn,” zae Knelis.
„Jao,” zae Willem; „dat kö we.'” <
Zol ’t wal maggen?
De jonges hadden ’t nog neet evraogd en daorumme hadde ’t eur ok nog gin mensche verbaone.
Noja; daoran wollen ze noo ok leever heelemaole maor neet denken.
Sjonge, sjonge; de karsen zaggen der zoo lekker uut.
En ze wazzen ok lekker.
„Mo’j is zeen, wat er door toch volle zit,” zae Knelis.
,Merakels,” zae Willem.
„Kom; wi’j probeart der bi’j te kroepene.”
„Jao. Allo maor.”
Den stam was te dikke.
„As i’j mi’j is bok gengen staon,” zae Willem.
„En hoo zal ik der dan inkommen?” vroog Knelis.
„As ik der maor eenmaol in bunne, za’k ’n ende ovver dat tak schoeven, totdat ’t nao ondern begunt te bugene.
Dan kö’j der zoo bi’j kommen en dan kö’j ovver dat tak in den boom kroepen,” zae Willem.
„Jao jao; dat zal gaon,” zae Knelis.
„Zóó doo we ‘t. Allo maor.”


Hee genk met de rugge veur den boom staon en voolden de hande veur den boek.
Willem trad met den eenen voot in Knelis ziene hande, doo met den andern op zienen scholder doo met den earsten op den andern scholder, en doo kon-e al bi’j ’t tak kommen.
Hee greep zich good vaste en haalden zich op.
„Mooi,” zae Knelis.
Effen later kroop Willem ovver ’t tak
Hoo wieter-e van den stam kwam, hoo meer ’t begon deur te bugene. Èndeluk boog ’t zoo veer, dat. Knelis. der, bi’j kon.
Met ’n betjen meuite kwam-e der op, en doo was der wieter neet völle kunst meer an umme’ in den boom te kommene.


„Dat hé we ‘m fijn eflikt,” zae Willem.
„Dat hé we ‘m mooi elapt,” zae Knelis.
Mieken, het zwarte hundeken, dat bi’j de jonges in ’t grös elaegene hadde, genk zitten en keek ni’jsgierig nao bowcn.
Knelis en Willem begonnen te plukkene en te aetene.
Ne heele pooze gönden ze zich gin tied, umme ’n stom woard te zeggene.
Doo ze al duftig völle karsen op hadden, begonnen ze waer te praotene.
Ze klommen ok luk hooger.
„Wat kö’j noo wiet in ’t ronde zeen” zae Knelis.
„Nou,”, zae Willem. „Kom; w’i’j klimt heelemaole bovven ïn den top.
Dan wed ik, da we veer könt kieken.”
Het genk mi’j an.

Onder ’t klimmen vergatten ze dörrumme ’t plukken en het aeten ók nog neet.
“Wi’j hebt het nog nooit zóó fijn, ehad,” zae Knelis.
„Nee, nog nooit,” zae Willem.
“Mo’j is.zeen, wat Mieken daor noo dcepe onder us is,” zae Knelis.
„Jao,” zae Willem; „en wat liekt-e noo klein.” ,
„Neet völle grooter as ne geure.”
Maor stille is.
Genk daor de deure van ’t huus los en too ?
Grootmooder reep.
„Jonges!” reep grootmooder.
Knelis en Willem keken mekare luk verschrikt an, maor zaen niks.
„Jonges!” reep grootmooder waer. „Jonges!” .
Knelis en Willem begonnen nao ondern te klimmene.
„Jonges! “Waor bu’j toch?” reep grootmooder.


Mieken leep grootmooder opan.
Doo keek grootmooder nao de kante henop, waor-e vandan kwam.
Ze zag de jonges nog neet.
Maor ze heurden wat in den karseboom.
En…… en………. Daor zag ze ze ok
Doo grootmooder bi’j den karseboom kwam leeten de jonges zich net achter mekare der uut sliern.
Eer ze der arg in hadden kregen ze ieders al ’n paar flinke klappen.
„Wi’j wosten neet, da ’t neet moch,” zae Knelis half hulende.
„Zoo,” zae grootmooder; „dan za’k ow dat noo is good an ’t verstand brengen.”
Ze pakten eur ieders bi’j ’n oor en nam eur met nao binnen.
Daor mosten ze zich uutkleen en vcur straffe daluk nao bedde.
Doo ze nao ’n uurken vrom belofd hadden, dat ze zukke dinge zonder vraogen nooit waer zollen doom, zae grootmooder dat ze.zich waer mochten antrekken.
Effen later leepen ze waer in den zunneschien, ’n heel ende van den karsenboom vandan.

Lees verder

Ni je Boksen

Doo de snieders veur vader en Jan ieders ne ni’je daagsche bokse maakt hadden, was der van den lappe pilo nog ’n mooi ende ovver eschottene.
Mooder doch, dat daor nog wal ’n paar bökskes in zollen zitten veur Knelis en Willem, de beide kleine tweelinge.
„Daor zit ok good dracht in”, zae mooder; „deur ander grei bunt dee raozelears van jonges altied zoo deurhen”.
„Ik”zegge maor zoo”, zae grootmooder, „der geet niks bovven goeien pilo”.
’t Zal wal luk stief en hard wezzen; ’t is dikken krulpilo,” zae mooder.
„Da’s niks”, zae grootmooder; „hoo stevvlger, hoo baeter veur zukke meuge.”

En op ne goeien dag kwammen der de snieders waer an.
Ze matten, hoo lank en hoo dikke Knelis en Willem wazzen, rolden den
krulpilo op de taofele uit, sneen em met de groote scheere in stukken en gengen der wieter met an ’t wark.
Den heelen dag stonnen de tweelinge eur op de hande te kiekene en
iederbods stonnen ze eur ok luk in de waege.

An den aovend konnen de jonges eure ni’je boksen anpassen.
Nou; daor wazzen ’t heeie kearls met.
Vader zae ok, dat ze der mooi met leken en Jan zae, dat ze noo ok eentieds ne slipjas deenden te hebbene.
Knelis en Willem wazzen bli’j.
„Wanneer magge wi’j ze dragen?” yroog Knelis.
„Morgen?” vroog Willem. ;
„Ik belovve nog niks”, zae mooder.
„Wi’j wilt eerste maor is zeen, of unze jonges vanaovend zeute naor bedde könt gaon”.'”
No, daor faeldcn den aovend kompleet niks an. “


En den andern morgen dee mooder de olde boksen van Knelis en Willem, dee al zoo vake belapt en dichte toekt wazzen, in den ploddenkorf.
Ze kregen de ni’je boksen van dikken krulpilo an, de jonges.
Wat wazzen ze bli’j!
Knelis bekeek Willem en Willem bekeek Knelis en ze bekeken zich eigens ok.
Mieken, het zwarte hundeken, hadde der ok schik van; het leep nao de jonges hen en besnuffelden eur de beene.
„Pas op, Mieken; alla trugge”, zae Willem.
„Komt met owen natten snoete neet an unze mooie broene boksen”, zae Knelis; „dan maak i’j ze uns smaerig.”
Mooder en grootmooder mosten der umme lachen. ‘
Knelis en Willem gengen nao buten.
In de ni’je boksen konnen ze neet zoo handig loopen as in de olden.
„Da’s neet slim”, zae Willem.
„Nee”, zae Knelis; ~’t zal wal wennen”.
„Kom”, zae Willem; „wi j gaot uns op de slettinge zitten”.
„Jao”, zae Knelis.

Ze zatten daor netjes naost mekare op ’n sleet en hopten, dat er noo maor völlo leu veurbi’j zóllen kommen.
Wat zollen de lcu kieken, dai de jonges zukkc mooie ni’je boksen van broenen krulpilo an hadden.
Stille, daor ha’j der al eene.
Daor kwam Bulters Jan Hindrik met de stortkaore an veurn.
Hee hadde ne pietse in de hand en streek der zienen osse, den verbazend lui was, noo en dan met ovver de rugge.
„Allo, Hans, loopt toch is luk an”, zei e dan; „toe, traedt is ne keere vaker too”.
Maor den osse stuurden der zich niks an.
Noo was Jan Hindrik teggen de jonges.
„Gondag, Jan Hindrik!” reepen Knelis en Willem te gelieke.
„Zoo, jonges,” zae Jan Hindrik. .
„Zit i’j daor bi’j mekare op de slettinge?
Is dat neet te kold?
I’j mot is luk hen en waer loopen. anders kicg i’j ’t nog eweg, jonges”.


Wat; zei e noo niks van eure boksen?
Zag e dan neet, wat ze an hadden?
Had e ziene oogen in de taschke?
Nee, Jan Hindrik zae wieter niks en wol vearder veurn.
Maor doo reep Willem:
„Zee’j niks bezunders an uns, Jan Hindrik?”
En Knelis zae: „Wi’j hebt ni’je boksen an”.


Den osse meenden, dat er ’n preutjen zol emaakt worden en bleef van eigens staon.
Jan Hindrik bleef noo ok effen staon.
Hee keek nao de jonges eure beene.
„No, no”, zei e; „dat bunt mooie boksen.
Kollesaal en gin ende!
Wat bunt dat mooie boksen.
Wanneer he’j dee kreggene?”
„Gisternd”, zaen Knelis’cn Willem te gelieke.


Jan Hindrik kreeg de tabaksdeuze uut de taschke, nam effen ne vrischke proeme, en zae:
„Wat boksen, wat boksen! Nee maor, noo kö’j der wezzen jonges.” ‘
Daorop pietsten e Hans waer an en veurden wieter.


Ne pooze iater kwam der Geartru van t Broezink veurbi’j.
Ze droog an den eenen arm ne botterkorf en an den andern ne eierkorf; ze zo! der wal met nao den winkel hen willen.
Zee zag de ni’je boksen van de tweelinge daluk en zae:
„Zoo jonges. Wat he’j toch mooie’ boksen an”.
„Van pilo”, zae Willem.
„Dat zee’k,” zae Geartru
„Van krulpilo”, zae Knelis.
„Jao jao; ’t is meer as geweld”.
Geartru zat de körve der dale, vatten umme en genk vearder.


„Noo he we hier ok al lange genog ezaetene”, zae Knelis.
„Jao”, zae Willem en wol van ’t sleet afspringen.
En doo gebeurn der ’n leeluk onge-luk.
Hee ,was met de bokse achter ’n klein scharp neusteken eheukt.
En net, dat esprong………… krots!
Hee veel leeluk op den neuze.
Maor slimmer was ‘t, dat e in ’t kruus van de bokse ne leeluke scheure kreggene hadde.


„He’k de bokse völle kapot?” vroog e an Knelis, doo e good en wal wear op de beene ston.
„Nou,” zae Knelis; ~’t is ne aardige britse”.
Willem veulden der is nao.
Jao, jao; ’t was gin kleinigheid.
„Hoo mo we der met an?” vroog Willem,
Knelis wos ’t ok neet.
„Wi’j könt het onmeugeluk stille hollen”, zei e.
Nee, daor was gin denken an.
„Wi’j mot het daluk maor effen vertellen”, zae Willem.

„As grootmoodcr noo nog maor alleene is,” zae Knelis;
„dan kriegc wi’j der nog ’t minste last met”.
„Jao,” zae Willem met ne zucht.
„Weet i’j wat”, zae Knelis;
„ik zal alleene nao huusken gaon en ’t manges vertellen, dan
he’j kans, da’j der nog aardig met weg komt”.
Zoo mos ’t maor gebeurn.
Knelis leep heustig nao huus en trof grootmooder gelukkig alleenig an.


„Zoo”, zae grootmooder; „kom i’j daor alleenig an?
Waor is Willem?”
„O, grootmooder”, zae Knelis;
„Willem hef ………….e
“Willem is …………..e
Willem is ’n ongeluk ovverkommene.”
„Wat zeg i’j toch, jonge?” reep grootmooder verschrikt.
„Toe spraei: op; wat :s der dan gebeurd. Waor is e?
Toe spraek dan, jonge”.
„Hee’s nog achter ’t huus”.
Grootmooder wol de deure al uut.
Maor Knelis greep eur bi’j de schorte vast en zae:
„Nee, nee, nee grootmooder; zóó slim is ’t neet; hee hef zich alleene de bokse luk escheurd”.


Maor doo grootmooder juust neet meer te hollene.
Ze stoof nao buten, leep zoo heustig at ze maor kon nao Willem, pakten em bi’j den arm, schudden em deureene en gaf der um ’n paar duftig achterveur.
Willem schrok der van.
„Alla; met nao binnen”, zae grootmooder.
Doo ze met em in de kökkene kwam, ston Knelis daor nog luk betutteld te kiekens.
Grootmooder gaf um ok ’n paar flinke klappen en zae:
„Mo’j eemes zóó laoten schrikken, ondeugenden jonge?
Pas op, da’j mi’j zooiets neet waer flikt”.


Knelis hadde ’t zóó neet bedoeld en belofden, dat e later baeter wol oppassen.
En Willem mos de bokse uuttrekken.
Grootmooder bekeek de scheure, schudden,’t heufd, kreeg draod en naolde en begon brommende de scheure waer dichte te naeiene.
Doo ze dat wark af hadde mos Willem de bokse waer an trekken.
Hee kreeg der ’n rappelement bi’j.

Mooder, vader en Jan wiern ’t in den loop van den dag ok nog gewaar en zaen der ’t eure ok al zoo van.
Gin wonder, dat de tweelingen ’s aovcnds luk stille met eure mooie ni’je krulpiiosche boksen op de steulkes bi’j ’t vuur zatten.
Zandman kwam ok nog luk eer as gewönluk.
’n Paar maol hadde grootmooder al ezeg:
„Jonges; zit neet zoo te doezekene. En wat kroep i’j toch kort- bi’j ’t vuur. Allo; schikt luk achteruut”.

Maor effen later schikten ze ongemarkt waer an.
Willem veelen de oogen haoste too en Knelis heelemaole.
Den begon al te nikkene.
Ziene beene schoof e zeutjesan veuruut.
Opins Wat ne schrik!
Allemaole schrokken ze en gin klein betjen.
Allemaole sprongen ze op en Knelis sprong ’t heugste.
Mieken an ’t blokken.
Maor bi’j de andern was den schrik al gauw weer ovver.
Alleene Knelis ston daor midden in de kökkene, nog zoo wit as ne
dook.
„Foi, foil” reep grootmooder.
„Dat leart oppassen”, zae mooder.
„Juustement”, zae vader; „leergeld mot zukke jonges betalen”.

Jan begon hardop to lachene.
Knelis woste nog neet, hoo e ’t nadde.
Hee was met ziene bokse te kort bi’j de vlammen van ne veldscnadde kommene.
Eén vlammeken hadde de krullekes van den pilo eraakt en …..flop!
de vlamme genk ovver de heele bokse hen!
Alle krullekes wazzen der in ’n oogenblik ewest.
En doo was den brand meteene uut.
Maor Knelis woste neet, wat um ovverkwam.
En ok Willem ston nog luk raar te kiekene.


„De jonges mot nao bedde”, zae grootmooder.
„Wee weet, wa we anders nog belaeven mot”.
Daor was niks teggenin te brengene.
Knelis ziene bokse was noo zoo kaal as ne planke.
En Willem hadde der ne scheure in.
Nee, völle geluk hadden ze den earsten dag met eure ni’je boksen nog neet ehad,

Lees verder

Pinkstertied

Al veur Paoschen was ’t mooie waer begonnene en ’t hadde al maor anehollene töt Pinkstern.
Noo en dan kwam der is ’n biesken raenge en dan ha’j waer warmen zunneschien.
Men kon der neet bli’j genog met wezzen.
Grootmooder, dee al heel old was, zae, dat ze zich haoste zonne uutgaonden dag as van dit jaor neet kon herinnern.
‘tGrös broesden uut de grond; half April was der veur ’t vee volop.

Knelis en Willem, de beide kleine tweelinge, kregen iedern dag wat ni’js te zeene.
Gistern wazzen der bloomen in den knop en vandage stonnen ze heelemaole los.
Vandage hadde ’n struuksken al ziene täkskes nog kaal en morgen zatten der kleine greune blaekes an.
’t Was Pinkstern ewordene.
Vader, mooder en grootmooder wazzen met de allerbeste kleere an nao de kerke gaone.
Jan, den grooten breur van de jonges mos veur ’t vee zorgen en de pot kokken.
Knelis en Willem laggen buten, onder den paerboom.
Mieken, het zwarte hundeken,was bi’j eur.

De zunne scheen helder. Muurbloomen en seringen ko’j dudeluk roeken.
„Mo’j de sneeballen is zeen,” zae Knelis.
„Hè jao,” zae Willem; „wat bunt ze noo mooi wit.”
„Gistern wazzen ze lange zoo wit nog neet.”
„O nee.”
Sneeballen, dat wazzen prachtige bloomen.
Grootmooder heel der bezunder völle van.
Zee hadde eigens het beumken epot, doo ze nog ’n jonk dearntken was.
Het beumken was groot ewordene, al grooter en grooter en ieder jaor hadden der al meer en meer sneeballen anezaetene.
Maor op ne keere, met ’n zwaor onwaer, was der ne windstötte kommene en hadde den boom töt op den grond afeknapt.
’t Hadde grootmooder hard -espettene.
Maor. kiek, in ’t volgende veurjaor was der uut eene van de wortels ne mooie lange lodde opeschottene.
Men hadde ze laoten staon en noo was dee lodde ok al waer ’n beumken, dat ieder jaor bleuiden.


De jonge spraon begonnen te schreeuwene.
“Dee hebt al waer honger,” zae Willem.
„Jao,” zae Knelis; „en ze hebt zoopas nog wat ehad.”
Den paerboom was hol.
In de holte hadden de spraon eur nust.
Het wiefken hadde der earste mooie blauwe eiere in eleg.
Daorop wazzen de olde vöggele ne pooze an ’t breun ewest.
En noo zatten der jongen in ’t nust.
lederbods begonnen ze te schreeuwene en kroppen nao bovven, da’j eure gapende nibben zeen konnen.
Noo en dan ko’j der eene haoste-heelemaol zeen.
Jan hadde al ezeg, dat ze wal gauw vlugge zollen wezzen.
„Kiek, daor he’j der eene van de olden,” zae Knelis.
De olde sprao zat op ’n täksken met ne piere in den nibbe.
De jongen begonnen noo nog völle meer laeven te makene.
-Wup! vloog den olden nao ’t nust en stopten eene van de jongen de piere in den nibbe.
Rrrrt!-weg vloog e waer.
Effen wazzen de jongen noo stille.
„Zee, daor he’j den andern,” zae Willem.
Het genk al maor zoo deur.
Dan kwam den eenen olden der an met wat in den nibbe en dan weer den andern, en soms wazzen ze der ok wal is te gelieke.
Mieken stak de kop op.
Wat’zag e daor?


O, de kloeke met de kuukskes.
Ze leep kort bi’j de haege.
lederbods krabden ze de grond luk los en tokkersketen de kuukskes bi’j zich.
Noo en dan nam ze ’t een of ander eigens op en leet dat deur eene van de kuukskes uut den nibbe nemmen.

Mieken, het zwarte hundeken, hadde alle respekt veur de kloeke met de kuukskes ekreggene.
Doo de henne veur ’t earste met eur kleine völksken buten leep, was de hond ni’jsgierig kort bi’j eur ekommene, umme de kuukskes is te bekiekene en te beroekene.
Maor veur e good woste, wat er rech gebeurden, hadde de olde henne um
op de kop ezaetene; ze krabden met de peute en hakten met den nibbe en sloog met de vlögele.
Mieken genk hard an ’t galvern en was bli’j, dat de henne em endeluk leet loopen.
’n Paar keere was ze later ok nog is op em anestovvene… ,


Noo kon Mieken stille blieven’ zitten, want de henne vond daor kort bi’j de haege zoo volle lekkers, dat ze an gin hond dachte.
Wat zatten de jonges daor fijn!
Verveelen hoofden ze zich neet te doone.
Der was joo altied wat te kiekene; dan nao de spraon en dan nao de henne met de kuukskes en dan nao Mieken en dan nao wat anders.
Mooi was ’t ok, a’j languut op de rugge laggen en de wölkskes deur de blauwe loch zaggen drieven.


„Jonges!” Jan reep eur.
„Jonges, waor bu’j?”
„Hier!” reepen Knelis en Willem tegelieke.
Eene van de olde spraon, dee net waer klaor ston, umme eene van’ de jongen iets in den nibbe te stoppene, schrok der zoo van, dat ze de piere leet vallen.
Ok de kloekhenne keek op en Mieken spitsten de oarne.
„Jonges! Kom i’j tienuurhollen?” reep Jan.
„Jao!” reepen ze waerumme en draafden nao huus.
Ha, dat zag der good uut in de kökkene.
Jan hadde veur ieders ne pannekooke bakkene.
Ja, den Jan kon wat!
„He’j der zin an, jonges?” vroog Jan.
„Nou!” zae Knelis.
„Ik hebbe nog meer zin as de jonge spraon,” zae Willem.

Met zich dreen heelen ze geneugluk tienuur.
Doo ze der met klaor wazzen wollen Knelis en Willem waer nao buten.
„Waor gao’j hen, jonges?” vroog Jan.
„Waer nao den paerboom,” zae Knelis.
„Daor is ’t fijn,” zae Willem.
’n Peusken hadden ze der ezaetene, doo eene van de jonge spraon op den rand van ’t gat in den paerboom genk zitten.
„Zee’j dat?” vroog Knelis.
Net had e ’t evraogd, doo de jonge sprao nao .ondern kwam fladdersken. Mieken wol der daluk hen, maor de jonges heelen em teggen.
„Wi’i mot de jonge sprao vangen en waer in ’t nust doon,” zae Willem.
„Jao,” zae Knelis, „want ze kan nog neet good vleegen en as de katte eur zuut, is ze der bi’j


Het vangen duurden nog ne heele pooze, want den jongen voggel wol zich nog zoo makkeluk neet laoten kriegen.
Maor endeluk kreeg Willem em te pakkene, an de kante onder de haege. Hee schreeuwden moord en brand en beet Willem ok nog gauw in de hand. „Zonne lummel,” smeelden Willem; „noo bit e mi’j ok nog.”
Hee wier waer in ’t nust edaone.
„Zeezoo; da’s in odder,” zae Knelis.
De jonges wazzen meu en warm ewordene van ’t gevangte.
Languut gengen ze noo in ’t grös liggen.
Earste praotten ze nog luk, maor zeutjesan wiern ze al stiller en stiller.
Ze deen de oogen too.
Ze heurden de kloekhenne en de spraon nog, maor de geluden wiern al zachter en zachter en schenen al wieter en wieter weg te gaone.
Endeluk was alles stille, o zoo stille.
De jonges sleepen.


Verbaasd sloogen ze endeluk de oogen waer op.
Grootmooder ston bi’j eur.
„Ik wol ow ophalen,” zae ze.
“Wat… wat… wat,” zae Knelis.
„Ik hebbe slaopene,” zae Willem; „dat geleuf ik teminsen.”
„Jao, i’j sleepen beide, doo’k bi’j ow kwam,” zae grootmooder.
„Bunt grootmooder en vader en mooder dan noo al waer in uut de kerke?” vroog Knelis en keek luk verwezzen.
„Jao,” zae grootmooder en mos ietskes lachen;
„jao, wi’j bunt der waer en wi’j hebt uns al umme trokkene en de taofele is al in odder.
Gaot maor gauw met nao binnen, dan wi’ we is zeen, of Jan lekkern soep ekokt hef.”
No, of ’t Jan ekönd hadde. Jan kon heel best alleene in heun en veur alles zorgen.

As grootmooder en vader en mooder waer in kwammen, was altied alles prompt in odder.
Noo ok.
Jan zienen soep was meer as lekker.
Niks had e der uut vergaetene en niks had e er te völle in edaone; gin zalt te völle en gin greunte te weinig.
Doo ’t aeten op was, genk grootmooder bi’j ’t kleine teufelken zitten.
De jonges mosten bi’j eur kommen en ze vertelden eur wat van ne Pinkstergeschiedenisse.
Alles good begriepen konnen ze neet, maor ‘t_was toch heel mooi en ’t gaf eur ne wonderluken glans an dissen dag.
Zoo. — De jonges hadden netjes nao grootmooder eluusterd.
„Noo wi’ we is nao buten gaon, wat jonges,” zae grootmooder.
De tweelinge wollen ’t wal gearne.
Alles lag in zunneschien.


Grootmooder sleurden earste Is nao den hof.
Bi’j iedern bloomenpol bleef ze efkes staon, bi’j de plumelevearn, bi’j de witte pinksterbloomen, bi’j de muurbloomen, bi’j de poppejeine, bi’j de seringen en ’t langste bi’j de sneeballen.
„Magge wi’j der eene van hebben, grootmooder” vroog Willem.
’t Was net, of ze ’t neet heurden; ze ston maor stille te kiekene, in gedachten.
„Grootmooder,. magge wi’j ne sneebal hebben?” vroog Knelis ’n peusken later.
„Wat, jonges, wat? Wat was der?” vroog grootmooder.
„Of wi’j ne sneebal mochten hebben,” zae Knelis.
„Jao, da’s good. leders eene, dat mag wal.”
Grootmooder plukten der twee af en gaf ze der ieder eene.
Hè, wat mooie dinge.
De jonges stakken ze zich op de borste.
Grootmooder plukten veur zich eigens ne muurbloome en rook der iederbods an.

In den appelboom zat ne toetvinke hard te fluitene.
Witte, gaele en bonte pannevlöggele vlogen rond um de bloomen.
Bi’jen en hommelkes gonsden hen en waer deur den zunneschien.
De jonges wollen gearne hebben, dat grootmooder ok effen met genk nao den paerboom, umme de spraon te zeene.
„Allo dan,” zae ze opgeruumd.
De jonge spraon schreeuwden en gaapten nog aeven hard as veur den meddag.
En de olden wazzen nog aeven drok met voorn.
„Noo gao we is deur den goorden,” zae grootmooder.
Ze leep veuruut deur de vaorn en de jonges dröttelden eur nao.
De vruchten stonnen good.
Bi’j den hook met raap bleef grootmooder waer ne pooze staon.
Den raap bleuiden; ’t was ne zee van gaele bloomen.
„Hoo liekt ow dat, jonges?” vroog grootmooder.
Knelis en Willem vonden ’t prachtig.
„Hoovölle bloomen zollen ’t wal wezzen,” vroog Wilem;
„wal doezend?”
„Nog völle meer,” zae grootmooder.
„Dee kan gin mensche tellen,” zae Knelis.


„Nee,” zae grootmooder; „en noo mo’j is efkes heel stille wezzen. — Luuster.”
Ze luusterden alle dree.
Hmmmml geng ‘t.
„Dat doot de bi’jen, joo grootmooder,” zae Knelis.
„Jao,” zae grootmooder. „Zee’j ze wal?”
Jao jao; noo zaggen de jonges ’t good.
Ovveral en ovveral zatten der bi’jen op de raapbloomen of vlogen van de eene bloome nao de andere. Wat ne boel.
„Mo’j is zeen, wat; ze drok bunt,” zae grootmooder.
„Ze bunt allemaole bezig umme honnig uut de bloomen te halene.
En at ze genog hebt, dan vleegt ze nao ’t schoer en brengt het in de huven. Jao, dee dierkes mot zich genog plaogen umme an de kost te kommene.”
„Dee hebt noo gin Zondag,” zae Knelis wies.
„Nee,” zae grootmooder; „dee kent gin Zondag.”

Achter langs den goarden streumden de baeke.
Op den oever ston allerhande holtgewas en daortusschen ha’j ok voelboom; dee bleuiden met mooie witte bloomen.
Grootmooder haalden eur tornemesken uut den naozak en sneed ’n mooi geeuw täksken van ne kwekkebaeze.
De jonges kekken eur ni’jsgierig an.
„Wat wi’j, grootmooder?” vroog Knelis.
Ze zae niks.
Earste sneed ze ’t höldeken an de eene kante schuun af, maakten der ’n krengelken umme, snee der ok nog ’n häpken uut, genk op de eene knee in hegge liggen, heelt ’t höldeken op de andere knee en begon der met het messenhech op te kloppene.
Daorbi’j zae ze;

„Sap sap siepe
Wanneer bus dow riepe,
Te meie, te mele,
As alle vöggeikes eiere legt,
Klop, klop, de bast er af.”

Doo nog ins hetzelfde, en daorop draeiden ze ’n huudken bast van ’t höldeken af.
„Wat doo’j toch, grootmooder?
Wat maak i’j?” Vroog Willem.
Grootmooder snipperden efkes an ’t höldeken, waor den bast af was, schoof der den bast waer an, stak ’t höldeken in de mond en:
fuut, fuut, fuut!
’n Fluiteken.


Grootmooder hadde ’n fluiteken emaakt.
Ze maakten der nog eene bi’j.
Zoo; de jonges kregen der ieders eene.
„Zö we noo waer nao huus hen gaon?” vroog grootmooder.
Jao, dat was good.
Knelis en Willem fuutketen op eure fluitepiepkes. —

Vader, mooder en Jan zatten buten onder den appelboom.
De jonges mochten veur grootmooder en veur zich zelf ok ne stool halen. Vader en Jan haalden de taofele uut de kökkene.
Mooder hadde de thee gaar.
Heel geneugluk zat men bi’j mekare te praotene en te genietene van’t mooie waer.
Knelis en Willem, vonden ’t jammer, dat de andern endeluk waer nao binnen mosten umme ’t vee te verzorgene.
Zee bleven nog buten töt de zunne was onder egaone.
Doo reep eur grootmooder.
’t Was ne bezunder prachtigen dag ewest en ’t wier ok nog ne heelen mooien aovend.
De raams wazzen opeschowene en de veurdeure bleef los staon, ummé de lekkere zachte butenloch nao binnen te laoten kommen.
„Heur,” zae Jan; „ne nachtegaal.”
Ze luusterden alle en heurden den nachtegaal dudeluk slaon.
„Den mot in linzen hof zitten,” zae Jan.
„Ik wol, at e der maor nustelden,” zae Knelis.
„Wee wet; misschien deut e ’t wal.”


„De kikvorschke kö’j ok heurn,” zae mooder.
Ne goeie maond gelaene, den aovend veur Paoschen, hadde grootmooder de broene kikvorschke heurn knorren in den graven achter de schoppe. Noo wazzen de greunen an de gange.
Dee maakten völle harder laeven.
’t Was één gerebberskete.


Knelis en Willem mosten eur aovendaete ebroeken.
Vader, dee effen ne emmer water eput hadde, zae, dat het noo luk raengden.
Der veel ne verbazend zachten raenge, dikke dröppels; haoste lauw.
En noo rook alles nog völle frisscher.
Grootmooder heelp de jonges uutkleen.
Doo ze al in ’t bedde laggen, konnen ze den nachtegaal en de kikvorschke nog heurn en ok het zachte zoezen van den raenge.
Wat was ’t vandage ne mooien dag ewest!
En morgen was ’t al waer Zondag.

Lees verder

Oldejaorsdag

Knelis en Willem, de beide kleine tweelinge, wazzen in eure beddestae wakker e-wordene.
’t Was nog duuster in de kökkene. ‘
’t Was nog stille in huus.
„Bu’j al wakker, Willem?” vroog Knelis.
„Jao net,” zae Willem.
„Ik ok,” zae Knelis.
„Zol ’t al haoste opstaonstied wezzen?” vroog Willem.
„Ik hoppe ‘t,” zae Knelis.
„Ik ok,” zae Willem.
’n Peusken laggen ze stille met de oogen los in den duustern te kiekene.
De klokke sloog: „Pink! pink! pink!…”
„Hoovake hef ze slagene?” vroog Knelis, doo ze waer stille was.
„Dat weet ik neet,” zae Willem; „ik hebbe t neet e-teld.”
Noo kwam der opins laeven in de kökkene.
Vader ston op, trok zich de klompe an en de bokse en ’t vesjen.


Daorop heurden de jonges em nao den haerd gaon.
Hee reurden met de tange in de vuurrake, umme de gleuiènde kluunköllekes onder de aschke haer te halene.
Hee kreeg luk fiene spriekskes uut den brandhook, lei ze op de köllekes, nam de blaozepiepe en genk zachjes an ’t blaozen.
De spriekskes begonnen te vlammene.
Noo was ’t net, of der opins allemaole lechtekes deur de kökkene hen dansten, ovveral ovverhen.
Vader stak met ’n vlammend höldeken de lampe an.
’t Was lech.
Knelis en Willem bleven stille liggen luustern en kieken.
Vader zat torf an ’t vuur en lei der holt op.
Noo genk der ne dikken dolm den schorsteen in.
Daorop leep vader nao buten, nao de putte umme water in den grooten zwarten kaetel te doone.


Hee heeng den kaetel an ’t haol.
De vlammen begonnen der daluk langs te lekkene.
Vader waschten zich in de waschkamer, voorden op de daele ’t vee en kwam waer in de kükkene, doo ’t water begon te zingene.
Hee kreeg de koffiemölle uut het glazene kasteken, dee der boonen in, got de gemalene koffie uut het rumpken in de smodde, en doo geng ’t water net an ’t kokken.
Den kaetel pröttelden en spo’j iederbods ’n betjen water uut den nibbe. Vader schortjetjen den kaetel luk hooger en goot water in de smodde.
No begon ’t opins lekker nao koffie te roekene.
Dan ha’j ’t gerammel van de kummekes, het roopen van de andern, dee ieders ’n kummeken koffie in ’t bedde kregen:
grootmooder, mooder en Jan.

„Bu’j ok al wakker, jonges?” vroog vader.
..Jao, vader,” zaen Knelis en Willem te gelieke.
Doo kregen ze ok ’n betjen koffie,
’t Smaakten eur meer as lekker.
Effen later wazzen vader en Jan met mekare op de daele bezig, umme daor wieter ’t wark af te doone.
Mooder genk hen melken en grootmooder heeng de panne bowen ’t vuur umme braodworste te braone.
Noo begon ’t pas rech lekker in de kökkene te roekene.
„Magge wi’j opstaon, grootmooder?” vroog Knelis.
„Jaowal,” zae grootmooder.
Wops! wazzen ze beide ’t bedde uut.


Tusschen ’t braon in heelp grootmooder eur klaor maken.
’t Was buten nog duuster, dao ze allemaole um de taofele hen zatten en smakeluk van de braodworste atten.
Endeluk was ’t aeten e-daone.
Jan dee de vensters los.
Den grauwen morgen keek deur de roeten nao binnen.
„Da’s dan den lesten morgen van dit jaor,” zae grootmooder.
Ze hadde nog neet völle zeg; ze was volle stiller as anders.
En ze keek zoo….
’t was net of ze in gedachten zat.

Mooder hadde eur iederbods al is an-e- -kekkene.
„Veul i’j ow wal good?” vroog vader.
„O jaowal,” zae grootmooder;
„ik veule mi’j best, meer as best….”
Daorop was ’t stille.
Opins zae grootmooder:
„Ik begriepe mi’j neet hoo-e dat hef.’
Allemaole keken ze grootmooder an.
Wee? .Wat?” vroog vader en mooder vroog:
„Wat bedoel i’j eigeluk, mooder?”
„Hoo Derk dat hef,”-zae grootmooter.
„Derk?” vroog vader. –
„Jao Derk,” zae i ‘grootmooder.
„O, Derkeume,” bedoel t i’j,” zae mooder.
„Jao, den bedoel ik,” zae grootmooder.
Vader begreep ’t nog neet good, maor mooder wal.
Ze zae:
„Noja; daor mo’j niks bezunders van denken.
Der zal um wal ’t een of ander tusschenbeiden e-kommene wezzen.”
„Dat zal ’t ok wal,” zae grootmooder;
„maor….”


„Wat zol dat met Derkeume?” vroog vader.
„Dat e nog is neet e-kommene is,” zae grootmooder.
Grootmoeder, vader en mooder zatten effen stille te denkene.
Grootmooder zae ’t earste waer wat.
„Altied, zoo lange as mi’j heugt is e nog tweewaol in ’t jaor bi’j uns e-west; ins in den uutgaonden dag en ins zoo tusschen Sunterklaos en Middewinter. ’t Is mi’j raar af, dat e dit jaor ne keere ovver-e-slagene hef.”
„Hee kan ok in de leste tied wal luk onzeleg e-west wezzen,” zae vader.
„Och jao,” zae grootmooder; „hee zal wal umme ne geldige raeden vot-e-bléwene wezzen, maor…. doo’k der eenmaol op an ’t denken kwam….
’t hef mi’j korts altied bi’j- e-laegene.”
„Hee zal voort in ’t ni’je jaor wal is kommen,” meenden vader.
„Jao, dat zal e wal,” zae mooder.
„En dan is alles joo in odder.”
Grootmooder nikten.

Ze wol ok neet kinderachtig wezzen.
Derkeume was eigeluk niks gen familie.
Maor ziene vrouwe, dee al ’n jaor of vieftiene gelaene storvene was, en grootmooder hadden as dearns altied met mekare loopene.
En doo ze beide trouwd wazzen was der ok tusschen de gezinnen vrendschap e-kommene en e-blewene.
Ze gengen geregeld luk ower en waer.


Derkeume wonden ’n paar uur gaons hier vandan.
Knelis en Willem kenden em good en hadden ’t fijn e-vondene as e op bezeuk kwam.
Der wier den mórgen wieter neet völle meer ower e-praot.
De grooten gengen an eur wark en Knelis en Willem leepen met
Mieken, het zwarte hundeken, nao buten,
’t Was ne griezen, motterigen dag.
’t Lekten van de beume, dee allemaole kaal stonnen.
’n Paar kraeien vlogen ower de jonges hen en leeten zich dale op ’t land in den kamp.
„Vandage is ’t den lesten dag van ’t jaor,” zae Knelis.
»Jao,” zae Willem.
„Vanaovend bakt grootmooder olliekrabben.”
„En morgen mao we hen ni’jjaor winnen,” zae Knelis.
„Hè jao,” zae Willem; „wat wi’we dan schik hebben.”


Zoo hadden ze van alles te teutelenr en kösterden met zich beiden de weg op.
Luk later wazzen ze an ’t spöllen achter de schoppe en nog later leepen ze waer op den diek.
Mieken snuffelden in de buschke an de gravenkante.
„Hee hef loch van ne haze,” zae Willem.
„Jao; kiek is, wat em den start hen en waer geet.” zae Knelis.
Maor de jonges hadden ’t mis.
Teminsen Mieken kwam eentieds waer uut de buske.
Hee stak den neuze’in de loch, spitsten de oarne, keek hen en waer, begon te blökkene en leep de weg op.
„Daor zal der wal eene an kommen,” zae Knelis.
„Jao; ik zee em al,” zae Willem.
Hee kwam uut den mot.
Mieken blökten neet meer, maor sprong bli’j teggen em op.
Wat? — Was dat?….


Bo, daor kwam joo Derkeume an!
Daor kwam e mi’j anstappen, met zienen stok in de hand.
Knelis en Willem leepen em temeute.
„Zoo jonges, wo’j mi’j afhalen?” zei-e.
„Jao,” zaen Knelis en Willem.
Ze mosten em ne hand gewen.

Regelrecht geng ’t noo op ’t huus an.
„Bo no he’k van mien laeven!” reep grootmooder, doo Derkeume met de jonges achter de deure hen kwam.
Derkeume ston midden in de kökkene en zae:
„Gondag dan met mekare.”
„Gondag ok,” zaen grootmooder en mooder.
„Hoo geet ’t ow nog?” vroog Derkeume.
„Good; hoo geet ’t ow zelf?”
“Ook good gelukkig,” zei-e.
„Allo, Derkeume, gaot an den hook zitten.” zae mooder.
Hee dee ‘t
“’t Is good, da’j ekommène bunt; ik hadde ow al haoste op-e-gewene,” zae grootmooder;
„ik was al bange, da’j uns disse keere zollen owerslaon.”


Derkeume greulden ietskes en zae:
„Haoste zol ’t e-most hebben, want ik bun luk uut de riege west en verlennen waeke de leste dage he we slacht.
’t Kon vannejaor nog net, maor ‘k mos der den lesten dag veur nemmen.”
Hee kreeg zich de piepe uut de taschke.
“Toe jonges, reekt Derkeume den tebak is an,” zae mooder.
Knelis ston ’t kortste bi’j ’t teufelken waor den tebaksbuul op lag en brach em nao Derkeume.
Derkeume stopten, lei met de tange ’n kolieken op den tebak in den piependop en smeukten der smakeluk op los.


Willem moch den toeten waerumme brengen
„Bunt de mansleu nog vanhand?” vroog Derkeume,
„Ze bunt nog effen nao ’t veld ne kaore vol plaggen halen; ze zölt zoo wal inkommen,” zae mooder, dee koffie begon te zettene.
„Kom is bi’j mi’j jonges,” zae Derkeume.
Knelis en Willem gengen nao em hen.
“‘k Hebbe ow wat met e-brach,” zae Derkeume.
Hee hadde veur de jonges ieders ’n prachtig snorrebot e-maakt.
Hee gaf ze eur. Ze zaen netjes danke en gawen em ne hand.

O! wat wazzen ze daor bli’j met!
Ze gengen noo an den andern hook zitten en begonnen te snorrene.
Grootmooder was vólle opgeruumder as vannemorgen en was gauw drok met Derkeume an de praot.
Vader en Jan kwammen in, doo Derkeume net zien earste kummeken koffie op hadden.
’t Wier ne mooien dag.
Het wark leet men rosten en ’s meddags kwam der luk meer as gewönluk op de taofele.
Knelis en Willem luusterden naor de renken, dee Derkeume vertelden.
Mooder hadde ’t spil veur ’t olliekrabben al klaor e-zat.
Knelis en Willem verheugden der zich op en zatten geneugluk op de steulkes met de snorrebutte te spöllene.
Allemaole atten ze lekker van de olliekrabben.

Doo ’t begon te schemmerne ston Derkeume op, nam zienen stok en wol gaon, want hee leep neet gaerne in den duustern.
Grootmooder en de tweelinge brachten em nog weg.
“‘k Hoppe, da we uns tookenjaor ok nog in gezondheid zölt antreffen,” zae Derkeume bi’j ’t afscheid.
„Dat hoppe ik ok,” zae grootmooder.
Doo stapten Derkeume wieter en genk grootmooder met de jonges waerumme.
De lampe was an en de vensters wazzen al too. doo ze inkwammen.

Doo de jonges in de beddestae laggen, dachten ze nog is an den mooien dag, den ze belaefd hadden.
’t Was ok fijn, dat grootmooder waer zou opgeruumd was.
En morgen begon ’t ni’je jaor.



Lees verder

Ne Middewintersaovond

’t Leep al nao den aovend hen.
Knelis en Willem, de belde kleine tweelinge, wazzen met ’n tröpken andere kindere op ’t ies, ne ondergeloopen plas van ’t leege slat bi’j Horsbrink, ’n paar smeddewaegens van eur eigen huus af.
Ze zatten op eure iessteulkes en konnen met de praggen good ovverweg.
Mieken, het zwarte hundeken, leep der ummehen te springene.
Maor iederbods gleed e uut en dan was ’t potsig um te zeene, dat e haoste neet op de beene kon blieven.
’t Was der verbazend aardig op ’t ies.
Sommige van de andere kindere slierden.
En enkelen hadden schaatsen.
Het beste schaatsenden kon Toone, de koojonge van Vleerink.
Maor den hadde ok fijne schaatsen met groote krullen.
As e good an de gange was, heel e wal is efkes de beide hande op de rugge, maor dat brak um ok ne kèere op, hee kwam an ’t schraggelen en veel der dale
Der lag ’n dun laogesken snee.


In ’t westen genk bloodrood de zunne onder. De heele loch leek der te gleuiene en ’t ies kreeg noo ok ne rooderige en gaelerige kleure.
De glasroeten van Horsbrink blonken veurig.
’t Was heel stille in de ioch.
Men veulden niks gin wind.
In ’t oosten kwam ne groote donkere wolke an de loch opzetten.
Der zol wal snee willen kommen, meenden sommige kindere.
Zeutjesan klom de wolke al hooger en breidden zich ok nao waerskanten uut.
De bagerigheid in ’t westen begon af te deuvene.


De kindere deenden zeutjesan nao eur huus hen te gaone.
Maor ’t was nog zoo aardig op ’t ies; ze konnen der haoste neet van
weg kommen.
„Nog ééne keere nao achtern sliern,” zae der een; „en dan”…………
Maor doo e waer veuran was, zae der ’n ander:
„Nog ins, en dan………”
En zoo bleef men an de gange, töt de duustere wolke zich wal ovver de halve loch uutespreid hadde.
„Eéne keere nog hen en waer,” zae Knelis.
„Jao,” zae Willem; „en dan mo we nao huus.”

Ze deen der espres luk langzaam ovver.
Veur vandage was ’t met het spöllen op ’t ies edaone.
’t Begon ok al donker te wordene.
Maor vanaovend zol ’t nog ne mooien aovend gewén;
’t was jóo Middewinter.
En dan was dèr Karstfeest.
De meeste kindere begonnen der drok ovver te praotene en zol’en der ’t onderweg ok nog wal ovver hebben.
Knelis en Willem wosten der ok al wal wat van, en wollen ’t gearne is metmaken.
Grootmooder hadde der eur al wal wat van verteld. Ze trokken noo met eure iessteulkes op ’t huus an.
’t Was al zoo donker, dat ze Mieken. dee ’n trad of tiene veuruut leep, kwelleke meer zeen konnen.
“‘k Geleuve. da ’t sni’jt,” zae Knelis.
..Jao; ’t sni’jt,” zae Willem.
De vlökskes dwaelden uut de donkere wolke, dee heelemaóle ovver etrokkene was, nao de aerde.
’t Wazzen der nog neet völle.


Maor der kwammen der al meer en meer.
„Hè, vanaovend Karstfeest!” zae Knelis.
„Hèjao,” zae Willem. „Wat zal dat mooi wezzen.”
Ze wazzen al kort bi’j huus ,
Stille is; kwam der daor eene an gaon?
Jao; heur maor.
Opins stond de gestalte stille.
Wee zol dat wezzen? .
O — ’t was grootmooder.
Ze vroog: „Bu’j daor, jonges?”
„Jao, grootmooder,” zaen Knelis en Willem te gelieke.

„Mooi. — Ik wol-is.zeen of i’j der al ankwammen en daorumme bun ‘k ow maor is ’n endeken temeute gaone,” zae grootmoeder.
“’t Is zoo gauw duuster ewordene,” zae Knelis.
„Maor wi’j bunt nog neet te late, wat grootmooder?” zae Willem.
„Net op tied,” zae grootmooder.
Ze wazzen bi’j huus en gengen nao binnen

Mooder zat an de taofele, vader en Jan zatten bi’j ’t vuur.
„Wi’j dachten al, da’j neet waer zollen kommen,” zae mooder.
“’t Is uns te gauw duuster ewordene,” zae Knelis,.
Grootmooder vertelden, dat ’t buten sni’den.
„Dan kon der morgen wal is ’n dik pak liggen,” zae vader,
“‘k Hebbe wa! edach, dat er snee zol kommen, want mi’j stakken de teene zoo; ‘k hebben den heelen dag de veute haoste neet good warm ehad.”
„Der kwam zoostraks zonne donkere wolke opzetten,” zae Jan.
Knelis en Willem gengen op eure kleine steulkes tusschen vader en Jan in zitten.
„Is alles binnen ekommene?” vroog grootmooder.
„Jao,” zae vader; „alles”.
Grootmooder was der op gesteld, dat in den Middewintersnacht alles onder dak kwam.

Dan moch der gin ploog bi’j ’t land blieven staon, en gin kruuwagen achter de schnppe en gin greepe achter den stal.
Menschen en diere en veldvruchten en gereedschappen, alles mos binnen wezzen.
Zoo heurden ‘t, zae grootmooder.
Jan keek nao de klokke
„Zo we ok zoo zeütjésan gaon motten?” vroog e.
„Jao,” zae mooder; „gaot maor, teggendes a’j der is bunt, zal ’t wal ongeveer tied wezzen.
Knelis en Willem könt ok nog neet zoo hard loopen as ne grooten.
„Gao we?” vroogen Knelis en Willem tegelieke en sprongen op van eure steulkes.
„Jao; kom maor,” zae Jan.
„Ho ho; kalm an,” zae mooder.
„Lao’k earste is zeen, of ze eure kleere ok bemosseld hebbe en ‘k modde eur ok ’t gezichte nog waschken.”

Noja; dat was gauw genog gebeurd.
Knelis en Willem mochten met Jan nao ’n Karstfeest, dat argens in de buurte, bi’j ne boer, bi’j Vaenewillem, elioldene wier.
’t Was eigenluk veur de kindere van de Zondagschole.
Knelis en Willem gengen nog wal neet nao dee Zondagschole hen en Jan was der al af, maor op ’t Karstfeest mochten ze wal kommen.
Dat hadde Vaenewillem eur lessens eigens ezeg.
’t Zol eur is verni’jen, wat zo’n Karstfeest eigeluk wal was.
Ze konnen der zich gin good begrip van maken, ofschoon der eur grootmooder. al genog van verteld hadde.
Jan genk met de tweelinge de deure uut.
Sjonge sjonge, wat was ’t buten duuster ewordene.
I’j konnen gin hand veur oogen zeen.
En ’t sni’jden, dat ’t zoo wat doch.
Jan zae, dat Knelis en Willem maor achter em mosten loopen en dat ze good mosten oppassen, dat ze neet in ’t wagenspoor tradden.
Ze mosten zoo ongeveer ’n half uur loopen umme bi’j Vaenewillem te kommene.
Knelis en Wiilem konnen zich niks van de weg bekennen.
Niks zaggen ze, as noo en dan ’t lech van ’n -huus, waor ze kort langs gengen.
En heurn deen ze ok niks, as ’t zachte geruzel van de vallen sneevlökke in ’t holtgewas.

„Bu we der al gauw?” vroog Knelis.
„Half weg.” zae Jan.
„Wat duurt het toch lange,” zae Willem.
Den snee kolsten eur an de klompc en daordeur was ’t lastig loopen.
Bi’j ne dwarsdiek zae Jan: „Gonaovend.”
Daor kwammen der wat bi’j eur, dee ok nao Vaenewillem wollen.
Wee ’t wazzen konnen Knelis en Willem neet an de stemmen
heurn.
’n Ende wieter kwammen der waer ’n paar uut ne ziedweg bi’j eur.
Dee hadden ne löchte bi’j zich.
Maor ze gaf neet völle lech, want de roeten wazzen dikke besni’jd.
Noo konnen ze den grooten kettenhond van Vaenewillem al heurn blökken.
Hee bleef an ’t blökken, töt ze bi’j ’t huus wazzen.
Veur de deure stotten ze den snee van de klompe en slogen zich de kleere luk af en doo genk men nao binnen.


„Gonaovend,” zaen ze allemaole.
In de kökkene stond de ronde taofele vol kummekes.
’n Paar vrouwleu wazzen an ’t koffiezetten.
’t Veur brandden hard.
An den hook zat ne olden man.
„Loopt maor daluk deur nao de kamer,” zae den olden man.
Ze deen ‘t.


In de kamer stonnen twee klaptaofels an mekare zat met de bla op.
Langs de leege muurn wazzen ovver ’n stuk of wat steule planken eleg. Daor mosten ze op gaon zitten.
Jan schoof met Knelis en Willem heelemaole deur töt in den hook, vlakbi’j de beddestaen met de greune gedienen.
Ze hadden ’t gezichte op ne kaste, waor mooie bonte kommen op stonnen. Het lämpken an den zolder zwalmden luk.
’n Stuk of wat kindere en enkele grootern zatten al.
lederbods kwammen der nog wat bi’j, töt de heele kamer stoppend vol was.
Zeggen wier der zoo good as niks edaon?.
En as der is eene wat zae, dan dee e dat fluusterend.
Men wachtten nog luk.
In de kökkene klonk zacht gerinkel van koffiegood en geprömmel van de vrouwleu.
Nog wachtten men luk.
Doo kon ’t beginnen.


Den olden man, dee straks an den hook ezaetene hadde, genk in den deurraam staon.
Hee leidden alles en dat dee e heel mooi.
Knelis en Willem konnen ’t zich neet begriepen, wat den man al neet woste. Nog völle meer as grootmooder.
Ze luusterden met zin en verstand en meenden dat ze ailes zaggen, wat e eur vertelden.
’t Was net of ze der eigens bi’j wazzen.
Ze hadden de mond iets los en keken maor stief nao den olden man, den de woarde uut de mond rolden.
Onder ’t baeten voolden ze netjes de hand;.
Doo mosten de kindere, en de grooten ok at ze de leedekes kenden, zingen. No, dat genk ok prachtig mooi.


En daorop kregen ze van de vrouwleu ieders ’n kummeken veur zich te staone.
Der wier zeute koffie inegottene. En ze kregen der ’n plaetjen kooke bi’j.
Kollesaal wat smaakten dat lekker.
Nao ’t koffiedrinken en kooke aeten genk der waer ne man an ’t vertellen, den was nog neet zoo old. maor hee kon ’t ok duftig good.
Dan waer zingen.
En doo waer koffiedrinken en kooke aeten
No no! “t Was de meuite weard.
Endeluk kwam den olden man waer an ’t woord, umme ’n ende an ’t feest te makene.

Maor veur ze nao huus gengen, wier der an al de kindere nog ’n mooi beuksken uutedeeld.
Knelis kreeg der eene met ne gaelen ummeslag en Willem met ne blauwen ummeslag.
Daor stonnen al daluk prentekes op. En in de beukskes stonnen ok prentekes.
Knelis en Willem konnen nog wal neet laezen. maor dat was niks, want grootmooder kon ze eur wal veurlaezen.
De kindere mosten den olden man bi’j ’t weggaon allemaole ne hand gewen. Doo Knelis en Willem het deen zae e, dat ze al groote jonges wazzen; hee hadde wal ezeene, dat ze netjes stille zaetene en good eluusterd
hadden.


’t Was buten nog aeven duuster as in den veuraovend en ’t sni’den ok nog.
Doo Jan met Knelis en Willem waer alleene op ’t leste ende van de weg wazzen, begonnen de kleine jonges drok te praotene en te vraogene ovver alles, wat ze bi’j Vaenewillem belaefd hadden.
Endeluk wazzen ze waer bi’j huus. Mieken, het zwarte hundeken, kwam eur al temeute loopen.
Doo ze achter de deure hen kwammen, zatten grootmooder, mooder en vader bi’j ’t vuur.
Ne korf vol appele en ne moeke met walnötten stond bi’j eur.
Jan en de tweelinge mosten ok bi’j ’t vuur gaon zitten.
Knelis en Willem leeten eure beukskes zeen en vertelden van alles wat ze hadden eheurd en dat de koffie en de kooke zoo lekker wazzen ewest.


En doo mochten ze nog ’n peusken met doon an ’t nötte kraken en appels aeten.
Grootmooder zae, dat zich djt op Middewinteraovend zoo heurden.
Knelis en Willem meenden, dat ze nog nooit zonne langen en zonne mooien novend belaefd hadden.

Lees verder

De Piepkes

Eene van de mooiste beume dee der stonnen, was den wilden kastanje.
Ne pracht van ne boom.
Hoo old zol den al wal ewest wezzen?
Hee hadde ne f linken dikken stam en ne kroezen top.
Vrog in den uutgaonden dag begonnen ziene klewerige knoppen an ’t ende van de takkere al dikker en dikker te wordene.
Ze rekten zich in de lengte al meer en meer uut en èndeluk was ’t net of den boom met doezend vingere nao bovven wees.
”n Paar dage later, as de loch al zoo lekker lauw was, asder ’s nachts ne zachten reange vallene was, dan voolden zich de weeke blaekes uut den dons yan de knoppen los en stonnen nog ne dag later as kleine, greune pareplukes uutespreid.
Nog. gin waeke. hoofden ‘t.meer te duurne, of de’bla wazzen wal tienmaol zoo groot ewordene.
Heel den boom was greun. ‘tWas ne loot.’ Zeuven mooie gerimpelde en fijn uutgetakte bla zatten der an iedern stelle.
Noo kon de zunne net zoo fel schienen at ze wo!, — onder den boom was ’t keulig in de schèmme.
Noo kon der gröst ne duftige bieze raenge kommen, — onder den boom bleef i’j dreuge.
Ne toevinke nusteldcn argens hooge in den top en zat ’s morgens vrog al lustig te fluitene.
Mooie lange zunnige dage kwammen der op riege. En den kastanjeboom begon te bleuiene. Dat was mi’j nog is ’n bleuien.
Teurntkes van prachtige bloomen stonnen er bi’j honderden langs de takkere.
ledereene in de buurte hadde der dag van.
Wee der veurbi’j kwam, – kón der de oogen neet afhollen. .
Knelis en Willem, de beide kleine tweeiinge, gengen der vake nao too.
Soms wazzen der wal is bloomen afevallene en dan stakken ze
zich dee op de borste of an de pette.


Endeluk was ’t bleuien afeloopene. Op de grond lag ’t vol van de kleine, witte en gaelachtige blaekes, met rooie vläkskes.
I’j zollen haoste meenen, da ’t bleuisel esni’jd hadde.
Den toevinke hadde noo jongen.
’t Wier zommer.


Knelis en Willem belaefden zoovolle moois, dat ze den kastanjeboom haoste heelemaol vergatten.
Maor doo endeluk den zommer veurbi’j was, gengen ze der waer vake hen. De kastanjes begonnen te vallene. Wazzen dat gin prachtig mooie dinge? Den heelen boom zat noo vol van dee aardige, greune deuskes met stekkeltjes der an.
In dee deuskes zatten ze.
Mooie dinge. Fijn broen van kleure wazzen ze, donker broen met vlämmekes. En glimmen dat ze deen!
Ze wazzen zoo glad as, as, as wat.
An de eene kante hadden zc ne. witten vlakke.
Knelis en-Willem gengen vake nao den kastanjeboom umme kastanjes te zeukene.
Soms vonden ze deuskes, dee nog nins los wazzen.
Ze stampten der met den klomp op en dan kwammen de kastanjes der uut. Eén dinge was jommer; i’j k’onnen dee kastanjes neet aeten.
De jonges probearden ’t iederbods waer, want zukke mooie dinge mosten eigeluk lekker wezzen.
En ’n betjen ko’j der ok wal van opaeten, maor al gauw smaakten ’t ow neet meer.


Op aovend zatten de jonges bi’j ’t vuur met kastanjes te spöllene.
„Hè, wat he’j daor mooie kastanjes,” zae Jan, eurn oldern breur.
Knelis en Willem leeten der nog meer zeen.
„Daor mo’j ow piepkes van maken,” zae Jan.
„Piepkes?” vroog Knelis.
„Kö’j daor piepkes van maken?” vroog Willem.
„Jao,” zae Jan; „gef der mi’j maor is eene hier.
” Beide stakken ze der Jan eene too.
„Kiek; zoo doo’j dat, zae Jan.
Hee nam ne kastanje, snee der ’n plaetken af en holden ze wieter uut.
„O, da’s den dop van de piepe,” zae Willem.
„Jao,” zae Jan. ‘
„Noo mot er nog ’n stelleken an,” zae Knelis.
Der lag nog wal ’n höldeken in den brandhook.
Dat stak Jan der in en doo was ’t piepken klaor.
„Noo kan ik der ok wal eene maken,” zae Knelis.
„Ik ok wal,” zae Willem.
„Maor ’n echt piepken is ’t neet, want er zit gin gat in ’t stélleken.”
I’j könt er neet met rooken,” zae Knelis.
„Jaowal,” zae Jan, ,maor dan most i’j der ’n endeken reet in staeken.”
„Jao, dan zol ’t gaon,” zae Knelis.
„Ik make mi’j ok ’n piepken,” zae Willem.


„Morgen, morgen,” zae grootmooder; „vanaovend kan ’t neet meer. ’t Is veur zukke jonges as i’j noo beddegaonstied.”
Dat was wal jommer, maor der was natuurluk niks an te veranderne.
De tweelinge’nammen zich veur den andern morgen vrog op te staone en daorumme wollen ze daluk inslaopen en neet earste ne pooze liggen te prömmelene. den slaop kwam gauw en den nach was verbazend gauw veurbi’j.


De zunne scheen al deur de raams in de kökkene, doo de jonges wakker wiern. Ze wazzen eentieds klaor en gengen nao buten.
’t Was ne mooien harfstdag; ’t hadde wal in den zommer können wezzen.
„Wi’j zeukt uns’earste ’n paar heel mooie kastanjes,” zae Knelis.
„Jao,” zae Willem; „en dan make wi’j uns fijne piepkes.”
„Maor dan mo we ok nog ’n mes hebben,” zae Knelis.
„Zö we der-grootmooder umnie vraogen?”
Jao, dat was ’t beste
Der stillekes eene halen genk neèt. En dat moch ok neet.
Doo de jonges grootmooder umme ’t mes vroogen, wol ze weten, wat ze der met wollen doon.
„Wi’j wollen uns piepkes maken,” zae Willem. „Van kastanjes,” zae Knelis.
„En wi’j dan ’t mes neet verloarne maken?” vroog grootmooder.
„Nee, grootmooder,” zae Knelis.
„En zö’j der ow neet met in de vingere snien?” vroog grootmooder.
„Nee grootmooder,” zae Willem.
„No, dan mag i’j dit ne pooze hebben,” zae grootmooder en gaf eur ’n old schellemesken,
„West er maor good veurzichtig met, want het is verbazend scharp.”
„Jao,” belofden ze beide.
De jonges gengen der met nao den kastanjenboom.

Ze vonden der nog neet gauw kasstanjes dee eur noo den zin wazzen.
Maor endeluk hadden ze der ieders eene in de hand.
Het olde schellemesken was warkeluk verbazend scharp, want doo Willem van ziene kastanje ’n plaetjen afsnee geng ’t van zelf iets te veer.
„Ik bloo al ” zae e.
Maor ’t genk gelukkig nog al gauw waer ower.
’n Peusken later hadden Knelis en Willem eure piependöpkes beide klaor.
„Noo stellekes,” zae Knelis.
„Wi’j nemt uns endekes reet,” zae Willem.
„Jao. dat doo we,” zae Knelis.


An de kante van ’t gaor ston reet genog in de graevene.
De tweelinge gengen der hen.
Ze zochten ne pooze, töt ze ’n mooi dun reethalmken vonden.
Dat ston wal luk wiet in ’t water.
„Holt mi’j is vaste,” zae Knelis.
Willem heel Knelis bi’j de jas vasté, doo den zich verrovver boog, umme ’t halmken nao zich too te halene.
Maor Knelis schampten toch nog uut en kreeg water in eenen klomp.
„Eénen voot nat,” zae e.
Het reet hadden ze te pakkene en noo wazzen de piepkes gauw heelemaole klaor. Beide stakken ze zc in de mond en deen, asof ze rookten.
„Zóó rookt Bi’jen-Harmen” zae Knelis en zoog, dat e koelen in de kieuwen kreeg.
„En zóó Greunenkamps Derk,” zae Willem en hee smakten met de lippen.
„Ik doo der mi’j zoor grös in,” zae Knelis; „da’s mienen tabak.”
„Wi’j mosten eigeluk echten tabak hebben,” zae Willem.
„Dat weet ik ok wal,” zae Knelis.
„Ko we maor wat kriegen,” zae Willem.
„Jè, ko we dat maor,” zae Knelis.
„Vader hef genog,” zae Willem.
„Jao, vader hef tabak genog,” zae Knelis.
„Maor den hebbe wi’j net neet,” zae Willem.
„Nee, den hebbe wi’j net neet,” zae Knelis.


De jonges sleurden nao huus umme grootmooder het schellemesken waer te brengene.
Grootmooder was op daele of in de schoppe,
want de kökkene was leug.
Knelis lei ’t mesken op de taofele.
Doo keken de jonges mekare an.
En doo keken ze beide nao den toeten tabak, dee op ’t kleine teufelken onder ’t speegel veur de hand lag.
Knelis trok de oogenbrende hooge op.
En Willem nikten.
Zoo mannigeené dee der kwam, kreeg van vader ne piepe tabak.
Vader leet altled iedereene effen anstaeken.
En zollen dan zien eigen jonges is neet ’n betken tabak möggen nemmen?Gin mensche hadde ’t eur joo ooit verboane.
Ze hadden der trouwens ok nog nooit umme vraogd. . .


Knelis en Willem gengen beide nao , den tabakstoete hen, luusterden efkes of der ok eene an kwam, en hadden daorop in de gauwigheid eure piepkes estopt.
„Noo vuur,” zae Knelis.
Willem ston al bi’j de vuurrake en lei zich handig met de tange ’n kölleken op den tabak.
Knelis wol ’t met ’n vlämmeken probearn, maor kwam an ’t hoosten.
De jonges heurden meteene, dat den enddeure los en toogenk.
Rots! wezzen ze deur de veurdeure waer buten.
Ze leepen weg töt bi’j den kastanjeboom.
Daor bleven ze staon.
„Noo kö we fijn rooken,” zae Willem.
„Miene piepe is geleuf ik, al uut,” zae” Knelis.
„Dan kö’j van mi’j wal vuur met kriegen,” zae Willem.
„Kiek, het kölleken gleuit nog, en ik hebbe de piepe good an.”
Knelis dee ’t kölleken noo in zien piepken én den tabak begon ok bi’j em te smöllene.
„Wat ruk dat lekker,” zae Willem.
„Nou!” zae knelis.


Beide trokken ze is efkes. Maor ze mosten der daluk van hoosten. ;
„Den tabak brandt mi’j luk op de tonge,” zae Knelis»
„Jao, dat.deut e-mi’j ok, maor da’s neet slim,” zae Willem.
Ze trokken beide, hoostten, en trokken waer.
„Lekker,” zae Willem met treune In de oogen van den damp.
„Jao,” zae Knelis kuchende.
„Heb i’j al asch in de piepe?” vroog Knelis.
“0′ jao,” zae Wiltem; „kiek maor.”
Den rook trok um in de neuze.en hee kwam an ’t proesten van wonder en geweld.
Ze blezen beide is in de döpkes en doo rookten ze waer wietér.
Knelis kon al ’n paar’ keere den,rook fijn uutblaozen, zonder dat e hoofden te hoostene.
„Ik hebbe de piepe al half leug,” zae Willem. .
„I’j. mot baeter trekken,” zae Knelis, anders geet………..
En doo verslok e zich In den rook en wier ongelukkig benauwd.
„Hè, zae e endehik, doo e waer praoten kon;
„daor kreeg ik rook binnen.
Foi.” Ziene piepe was uutegaone. ‘ ! .
„Da’s neet slim,” zae e; “’t is goodewest.”
„Hier; ik’hebbe wal vuur ower,” zae Willem; „ik hebbe de miene duftig in den glood.”
Noja, dan wol Knelis-ze ok nog wal effen waer an hebben.
Met kleine pufkes heelen ze ’t rooken nog ’n zetjen. vol. ; ;
„Onder inde piepe wordt den tabak bitter,”: zae Knelis en spoj is.
„Genog,” zae Wilem met ne zwaorn zucht.
Hee klopten ’t leste kreusken teggen den klomp uut het piepken uut.
Knelis spoj’ waer.
Hee klopten zien piepken ok leug.


“’t Was lekker,” zae Knelis en trok ’n leeluk gezichte
„Jao, fijn,” zae Willem en streek met de hand ower ’t lief.
„Kom; wi’j gaot zitten,”, zae Knelis.
„Het staon verveelt, mi’j ok,” zae Willem.
Ze gengen naost mekare teggen den boom an zitten.
„Ik bun haoste luk dol,” zae Knelis.
Willem dee de oogen effen dichte en drukten de hande veur ’t lief; ’t begon um in de mage luk te draeiene.
„Jonges!”
Groötmooder reep eur; ze zollen wal tienuur motten hollen.
„Jongens!!”
„Jao!” reepen ze belde waerumme. ’t Kwam der luk véur aevenvölle uut.
Drao stonnen ze op en druifelig sleurden ze op ’t huus an.


In de kökkene stond de tienuurstaofele klaor.
’t Heele vertrek rook nao koffie. •
Grootmooder schrok, doo ze de jonges achter de deure hen zag kommen.
Ze wazzen zoo wit um den neuze
„Wat wat wat,” zae ze; ,wat is der gebeurd? Wat scheelt ow?”
„Bo niks,” zae Willem, maor hee kwam meteene van de koffieloch luk an ’t klokhalzen. „Wat scheelt ow?” vroog grootmooder nog ins.
„Bo niks,” zae noo Knelis.
„He’j ow esnaene?” vroóg grootmooder.
„letskes maor,” zae Willem en slook en knipeugden.
„Kiekt mi’j is an,” zae grootmooder.
Beide jonges keken grootmooder an.
„Hoo bu’j toch zoo wit, jonges?
I’j zeet er beide joo uut. Wat faelt ow?”
„Bo niks,” zae Knelis waer.
„Wat he’j edaone?” vroog grootmooder.
„Espöld,” zae Willem. ».
„Bu’j kold, jonges?” – .
Ze nikten. ‘
„Dan gaot maör is luk bi’j ’t vuur, zitten,” zae grootmooder.
„En aet owe ‘ botterham maor is op.”
In aeten hadden de jonges neet völle zin.
Toch kregen ze eure botterhams en begonnen der ’n betjen an te knewelene.
Willem mos waer klokhalzen.


Vader, mooder en Jan kwammen in, umme ok tienuur te hollene.
Ze zaggen daluk, dat het met de jonges anders was as anders.
Mooder keek grootmooder vraogende an.
„Wat het met eur is weet ik neet,” zae grootmooder;
„maor ’t is neet heelemaole in odder.
„Veui i’j ow neet good, jonges?” vroog mooder
Knelis nikten en Willem schudden ’t heufd hen en waer.
„Daor wordt maor is wiezer uut,” zae mooder.
„Waor bu’j ewest?” vroog vadèr.
„Bi’j den kastanjenboom,” zae-Knelis
„He’j dan wilde kastanjes egaetene?”
„Nee vader,” zae Willem.
„Wat he’j daor dan edaone? Allo; vertel op,”zae vader.
Knelis leet zien piepken an vader zeen. f r
„Wat,” zae vader, „wat? — Gef mi’j is hier.”
Hee bekeek het piepken.
„Wat is daor in ewest?” vroog vader.


Doo begonnen de beide jonges opins te hulene.
En Jan begon hard te lachene.
„Stille,” zae vader.
Alles wier stille.
„Waor he’j den tabak ekreggene?” vroog vader.
Willem wees nao den toete op ’t teufelkcn onder speegel. ‘
„Ozoó,” zae vader.
En daorop nam e Knelis en Willem insverzet ower de knee.
„En noo nao bedde,” zae vader.


Grootmooder hadde maedelien met de jonges, maor waogden ’t neet te laoten marken.
„Daluk nao bedde,” zae mooder. Ze bunt joo zeek. Ze hebt zich krank erookt.”
Midden op den veurdenmeddag mosten Knelis en Willem de beddestae in. ‘
En ’t hef nog verscheiden jaorn eduurd, veur ze waer met rooken bunt begonnen.

G.J.Meinen, 1930

Lees verder