oudwwijk
Digitaal erfgoed

Zestig jaar Molukse popmuziek in Winterswijk

Door Erik Meinen

Als zestig jaar geleden de eerste Molukkers naar Winterswijk komen, blijken zij al snel een verrijking te zijn voor de nog prille Winterswijkse popcultuur. Zonder de inbreng van deze rasmuzikanten had de geschiedenis van de Winterswijkse popmuziek er heel anders uitgezien. In alle uithoeken van het lokale muzikale universum laten ze hun sporen na: van pop tot soul, funk, folk, rock & reggae. The White Waves is de eerste Winterswijkse band die een 45-toeren single op de markt brengt.
KAMP VOSSEVELD
In 1942 bouwt de Duitse bezetter in het kader van de Nederlandse Arbeidsdienst aan de Steengroeveweg, op de plek waar nu de manege van de Hippische Vereniging Winterswijk staat, een groot aantal barakken. Jongens en meisjes tussen de 18 en 23 jaar vervullen er gedurende een halfjaar hun verplichte ongewapende dienstplicht. De Duitse Wehrmacht neemt nog even bezit van het kamp, maar kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog dient Vosseveld ter internering van NSB’ers en andere collaborateurs. Na enkele maanden wordt het kamp exclusief bestemd voor circa 550 vrouwelijke NSB-ers. In 1948 worden zij afgelost door de “a-socialen” van strafinrichting Veenhuizen. In 1949, aan het begin van de koude oorlog, worden er de Luchtstrijdkrachten gelegerd die een radarpost bemannen op het zweefvliegveld in het Willinks Weust. Vandaar wordt het luchtverkeer in oostelijke richting in de gaten gehouden. In 1955 wordt deze post opgeheven. De soldaten verhuizen met de radarschotels mee naar Holterhoek. De barakken komen leeg te staan.
NIEUWBOUW
Een grote groep KNIL-militairen van Zuid-Molukse afkomst en hun gezinnen komt in 1951, na het uitroepen van de onafhankelijkheid van Indonesië, naar ons land. Ze worden verspreid over tientallen kampen, waar de woonomstandigheden veel te wensen over laten. Als duidelijk wordt dat hun verblijf van meer dan tijdelijke aard is, wordt er uitgekeken naar betere huisvesting. Ook kamp Vosseveld wordt aangewezen als nieuw woonoord voor de Ambonezen, zoals ze in die jaren nog vaak genoemd worden. Omdat de militaire barakken in slechte staat zijn, wordt besloten tot de nieuwbouw van 75 eengezinswoningen op het kamp.
Op 26 augustus 1959 komen de eerste twaalf gezinnen naar Vosseveld. In de loop van 1960 is kamp Vosseveld geheel bewoond. De meeste komen van woonoord Schattenberg, het voormalige doorgangskamp Westerbork in Drenthe of uit Kruiningen in Zeeland. Gemiddeld zijn er zo’n zes kinderen per gezin. In totaal bevolken zo’n 500 à 600 mensen het kamp. Het kamp is goeddeels zelfvoorzienend, heeft een eigen kleuterschool, kerkje en kantine. Voor de jeugdige Molukkers verloopt het contact met de buitenwereld via school – de Wilhelminaschool krijgt er plots 145 leerlingen bij! –  en vooral….via de muziek.
MUZIKALITEIT
Muziek neemt een belangrijke plaats in in het leven van de Molukse gemeenschap. Naast de eigen traditionele muziek, de zogenaamde “lagu lagu”, brengen ze het Amerikaanse repertoire mee, dat in hun geboorteland op de radio te beluisteren was via de Amerikaanse stations die uitzonden vanaf de Filipijnen: evergreens, country & western én, voordat ons land er kennis mee maakte, rock ’n roll.
Snaarinstrumenten staan centraal in de Molukse cultuur. In veel gezinnen is een goede gitaar belangrijker dan een nieuw bankstel. De techniek van het spelen wordt van generatie op generatie overgebracht. Een van de nestors van het gitaarspel op Vosseveld is de uit Schattenberg afkomstige Benny Pietersz, een buitengewoon getalenteerde muzikant, die later nog naam maakt in de jazzwereld. Zijn vrienden Nelis Tuankotta en Mingus Souhuwat spelen ook gitaar. Via hen verspreidt het gitaarvirus zich snel. Noten lezen is er dikwijls niet bij. Sommige families, zoals Noya, Tetelepta en Pietersz barsten van het muzikale talent. De samenhorigheid op het kamp, de verwerking van een noodgedwongen en ongewild vertrek uit hun moederland en het gebrek aan werk, zeker in de eerste jaren na aankomst in Nederland, verklaren de belangrijke plek die muziek inneemt binnen de Molukse gemeenschap. Al snel na aankomst in Winterswijk vormen zich in eigen kring de eerste bands. De bekendste is ongetwijfeld The White Waves.


JOHANNIS NOYA
Een belangrijke rol bij The White Waves is weggelegd voor Johannis Noya. Hij is vader van twee van de bandleden, gitarist Eddy en bassist Andy, en regelt alle zaken rondom de band, de financiën en de optredens. Noya is kleermaker van beroep en maakt ook de fraaie kostuums, rechtstreeks afgekeken van hun helden, de Tielman Brothers, waarmee “zijn jongens” de show stelen. Noya is een man die zijn vak verstaat. Burgemeester Vlam komt regelmatig op kamp Vosseveld om zich, in de positieve zin des woords, in het pak te laten steken.

Aanvankelijk gaat de band met zanger Freddy Tetelepta als Freddy and the White Waves door het leven. Het eerste optreden vindt op tweede kerstdag 1963 plaats op een teenagersbal bij zaal Jaspers aan de Groenloseweg. Het repertoire bestaat uit rock ’n roll, aangevuld met in een stevig jasje gestoken Molukse traditionals als “Terang Boelan” en “Nina Bobo”. Rudy van Dalm’s “Waarom Huil Je” doet het ook altijd erg goed bij het publiek. De band is succesvol op regionale talentenjachten en dansavonden en treedt met grote regelmaat in Duitsland op. De verdiensten die eruit voortvloeien zorgen ervoor dat de Echolette en Dynacord versterkers al snel worden ingeruild voor in die tijd zeer kostbare Fender-apparatuur.
Zanger Freddy wordt begin 1965 door de Winterswijkse gitarist Rini Wikkerink “weggekaapt” bij the White Waves en overgehaald om in The Krebs te gaan spelen, een beatband waarin David Pietersz gitaar speelt. Met Sammy Noya achter het drumstel verzorgen the White Waves een maandelijkse dansavond in de Harmonie. Ook in de regio, zoals bijvoorbeeld bij zaal Langeler in Hengelo (Gld.) zijn de heren met grote regelmaat present.

In het voorjaar van 1965 acht Johannis Noya de tijd rijp voor het opnemen van een plaat. Hij neemt contact op met diverse platenmaatschappijen. Helaas zonder succes. Noya laat het er niet bij zitten en besluit de plaat zelf te financieren. In de Phonogram-studio in Hilversum wordt in één dag een single opgenomen. Phonogram zorgt ervoor dat de plaat in een oplage van 500 stuks wordt geperst. De band zorgt zelf voor de distributie. De single van the White Waves is de eerste 45-toeren single van een Winterswijkse band. De meeslepende uitvoering van “You Win Again” blijkt achteraf volgens de kenners een van de allerbeste vocale Indorock opnames te zijn die ooit op de plaat is gezet. Het origineel is een compositie van Hank Williams uit 1952. Op de A-kant van de single staat een versie van Bill Haleys “Skinnie Minnie”, in Duitsland in die dagen immens populair in de uitvoering van Tony Sheridan & The Beat Brothers.
FANS
Met twee Opel Kapitän’s en een busje vol instrumenten en apparatuur toert de band door Duitsland en België. In Duitsland heeft men niet alleen een fanclub, waarvan er overigens in Winterswijk ook eentje bestaat, maar er spelen zich bij optredens Beatles-achtige taferelen af, compleet met gillende meiden die de bühne bestormen om een stukje haar van de jongens te bemachtigen. De broers Scholten, overdag werkzaam in een slachterij, worden als bodyguards ingehuurd om het podium schoon te houden.
ANNEKE GRÖNLOH
In november 1966 treden The White Waves op in de Red Band Top Parade, een programma van Radio Veronica, gepresenteerd door Wim-Jaap van der Laan. Van der Laan is de man van zangeres Anneke Grönloh. The White Waves krijgen het aanbod haar te begeleiden op een toernee door Indonesië. De bandleden hebber er wel oren naar, maar omdat Sammy Noya en Micky Oppier nog op school zitten, gaat het feest niet door.
SOUL-RAGE
Als in 1967 de soul-rage zijn intrede doet gooien the White Waves hun repertoire om. Naast een aantal eigen songs worden er liedjes als “Midnight Hour” en “Land of Thousand Dances” gespeeld. Ook progressief rockwerk van The Cream of The Jimi Hendrix Experience komt aan bod. Er wordt in Winterswijk opgetreden bij High & Dry in de Jeugdkerk en bij Top ’67 dat in de Eendracht aan de Zonnebrink zetelt. De White Waves spelen ook iedere maand op de Pier in Scheveningen. Daar halen ze bij een beatconcours, waaraan bands uit Nederland, België en Duitsland deelnemen, de finale. Het zal een van de laatste wapenfeiten van de groep zijn. Op Tweede Paasdag 1968 treedt men nog aan voor een beatmarathon in het Parochiehuis. Daarna wordt er niets meer van The White Waves vernomen. Dat wil zeggen, tot januari 1986, want dan laat de groep nog éénmaal van zich horen op een reünieavond bij zaal Spiekerman in Meddo.
MIX-BANDS
The White Waves zijn niet de enige Molukse band in de jaren zestig. The Orphans met leden uit de families Pietersz en Tetelepta aangevuld met zanger Zefnath Tigele timmeren ook flink aan de weg. Tegelijkertijd ontstaan de eerste gemengde bands, waarin Ambonese en Hollandse jongens samen musiceren, zoals The Krebs, Double Explosion en Wonderland of Paradise. Toepasselijk is in dat kader de naam van de band The Hollams (een samenvoeging van de woorden Hollands en Ambonees, een mix-band met Winterswijkse en Grolse muzikanten.
DANIEL SAHULEKA
Daniel “Daantje” Sahuleka maakt al vroeg indruk met zijn virtuoos gitaarspel, eerst in Tomorrow’s Children en Wonderland of Paradise, later in de band Nangoya. In de laatste band trommelt aanvankelijk ook percussionist Nippy Noya. Daniel Sahuleka en Nippy Noya zijn de twee Winterswijks-Molukse muzikanten die uiteindelijke grote faam zullen maken in de internationale popwereld.
Als de Haagse Motions-zanger Rudy Bennett in 1976 voor Daniel Sahuleka een platencontract bij Polydor weet af te dwingen, verschijnt even later zijn eerste solo-single “You Make My World So Colourful”. De “Stevie Wonder van de Lage Landen” krijgt na een aantal platen steeds meer succes en in Indonesië rijst zijn ster zelfs tot grote hoogte. Sahuleka verhuist naar de Gooise matras om verder te werken aan zijn carrière. Zijn status in het Verre Oosten bezorgt hem in 2006 het ereburgerschap van Jakarta.
NIPPY NOYA
Nippy Noya is een buitenechtelijk kind van een Japanse officier en een Indonesische verpleegster. Hij wordt door de familie Noya geadopteerd en komt op vijfjarige leeftijd met hen naar Nederland en uiteindelijk in Winterswijk terecht. Al op jonge leeftijd speelt hij op een tifa, een Molukse trommel. Via de bongo, maakt hij eind jaren 60 de stap naar de conga, zijn hoofdinstrument. Nippy is dan inmiddels naar Amsterdam verhuisd. Daar komt zijn loopbaan tot bloei in bands als Sail-Joia en Massada en als begeleidingsmuzikant van wereldsterren als Chaka Kahn, Sheila E., JJ Cale, Toots Thielemans, Udo Lindenberg en vele anderen. Noya geeft ook ruim twintig jaar les aan het Enschedese conservatorium.
LOU PATTY
In de jaren 70 en daarna zijn er aanvankelijk nog bands binnen “de eigen gelederen” zoals Paranoid, Navajo en J.J. & Friends, maar steeds vaker staan Winterswijkse en Molukse muzikanten zij aan zij op het podium. Al steken ze hun voorkeur voor zwoele funky jazzy klanken niet onder stoelen of banken, Molukse musici vinden we terug in alle uithoeken van het popmuzikale universum: van pop tot soul, funk, folk, rock & reggae.
Onder de derde en vierde generatie, met nazaten uit gemengde relaties vervaagt het onderscheid verder, al vernoemt zanger-gitarist Roger Heerink zijn band nog wel naar de familienaam van zijn moeders kant: Lou Patty.

Erik Meinen is medewerker van het Poparchief Achterhoek en Liemers (PAL). In 2009 was hij eindredacteur van het boek “Popmuziek in Winterswijk – Een greep uit vijftig jaar pophistorie”. Voor de Winterswijkse 50+ Krant duikt hij in de geschiedenis van de plaatselijke (pop)muziek- en jeugdcultuur.

De Vijftigpluskrant, 1 oktober 2019

Lees verder

Molukkers horen bij rijke geschiedenis Winterswijk

Door André Vis

Het was 26 augustus zestig jaar geleden dat de eerste twaalf Molukse gezinnen aankwamen op kamp Vosseveld. Nu wonen er nog 450 mensen met een Molukse achtergrond in ons dorp. Het jubileum is in september groots herdacht. Er komt een monument, en terecht want de geschiedenis van Winterswijk in de 20e eeuw is deels de geschiedenis van een volk dat naar ons land is gehaald met een valse belofte, wiens unieke cultuur lang is onderschat maar die zijn plaats in onze samenleving desondanks waardig heeft ingenomen.
We reden er wel eens langs met onze familie, op zonnige zondagmiddagen, achterop bij vader op de fiets, zo halverwege de jaren zestig. Daar in de buurt van de Steengroeve, bij de voetbalvelden van Vosseveld, was het Ambonezenkamp zoals dat in de volksmond heette. Een soort nederzetting was het waar de mensen woonden die ooit in ons land waren aangekomen en die inmiddels kinderen hadden gekregen die zo oud waren als ikzelf, mijn broers en mijn zus. Opeengepakt zaten ze daar op een afgeschermd perceel, niet in rijtjeshuizen zoals bij ons in de bomenbuurt. Weggedrukt buiten de bebouwde kom. Het zal toeval zijn, maar de symbolische werking daarvan laat me niet los. Alsof ze er niet bij hoorden; hoe tragisch.
Met de herdenkingen van augustus en september in het achterhoofd vroeg ik me het volgende af: wat weet ik eigenlijk van de komst van de eerste groep Molukkers in Winterswijk, nota bene in mijn geboortejaar? Wat weet ik van de achtergrond van al die gezinnen die neerstreken in ons dorp? Wat weet ik van hun verleden? Ik weet niets. Nou ja, door te lezen weet ik het nodige van de kolonisatie, van de oorlog in Atjeh, van Colijn en vooral van de politionele acties, van de merkwaardige illusie die de politiek kort na de Tweede Wereldoorlog koesterde dat dekolonisatie voor veel landen gold maar kennelijk niet voor Indië.
Wilhelminaschool
Maar terwijl wij kinderen van de jaren zestig mede-Winterswijkers zagen, sommigen net zo oud als wij, die een bruine huid hadden, van wie werd gezegd dat ze alleen maar rijst aten, die Ambonezen werden genoemd, bleef het in de schoolklas akelig stil. Als je niet op de Wilhelminaschool zat (of later de Prins Willem Alexanderschool) , dan ontging je alles van de groep

Wilhelminaschool 1963

Molukkers in ons dorp. Een grote groep Winterswijkers met een geheel andere achtergrond, een boeiende achtergrond, boeiend genoeg om die ons te vertellen, om de Ambonezen  te begrijpen, hun twijfels, hun angsten, hun conventies; het kwam er niet van op een van de drie lagere scholen die ik tussen 1966 en 1971 doorliep: school O, de Kohnstammschool en De Olm.
De scheiding tussen kinderen van Ambonese origine en wij was zo groot dat ik altijd een verkeerde gedachte had omtrent de prijs van een tijdschrift uit een wekelijkse serie. Er stond dan bijvoorbeeld: prijs abonnees 1,50 gulden, prijs voor niet-abonnees 2 gulden. Tot diep in mijn jeugd heb ik gedacht dat Ambonezen dus minder voor de Sjors of de PEP hoefden te betalen dan wij – eh ja – blanke Nederlanders. Zo zag ik dat, als kind en later bleek dat ik niet de enige was die zo dom was.

Eind jaren zestig werden de Molukse gezinnen in de nieuwbouw achter de flats in de Olmenstraat geplaatst. Onze oude bomenbuurt werd fysiek alleen door de flats en de bijbehorende grasvelden gescheiden van de nieuwe wijk met namen van bomen waarvan ik als jongen van tien niet eens het bestaan kende; de ceder, de abeel, de acacia. Soms zag je de Molukse jongens van je eigen leeftijd wel eens voetballen maar toch niet vaak. Het was alsof de Acacialaan de demarcatielijn was tussen het oude Winterswijk en de wijk waar de Ambonezen woonden.
En zo groeiden we in die tijd op als gescheiden volkeren, hoe ernstig, pijnlijk en jammer. Wat had ik graag een bezoek gebracht aan het kamp Vosseveld. Wat zou ik veel geleerd hebben van de Molukse gebruiken als we gewoon iets van een uitwisseling hadden gehad, in de zesde klas bijvoorbeeld tussen De Olm en de Prins Willem Alexanderschool die in 1968 naast de Kohnstammschool verrees en waar de Molukse kinderen naar toe gingen? De jongens van de Wilhelminaschool en de Prins Willem Alexanderschool hebben die kruisbestuiving wel ondergaan. Althans dat kan worden opgemaakt uit een interview dat archivaris Henk Nijman (oud-Wilhelminaschool) en welzijnswerker Theo Tetelepta in 1999 aan dagblad Trouw gaven. Die ene quote van Nijman waarin hij vertelt hoezeer de Molukse kinderen een voorsprong hadden op motorisch vlak. Zozeer, dat hun zakken uitpuilden van de knikkers daar waar die van de ‘autochtone’ kinderen steeds leger werden. Ik heb nooit met Molukse kinderen geknikkerd. Zij kwamen niet door de demarcatielijn en ik al evenmin.


Gijzelingsactie
September 1970 bezetten Molukse jongeren de woning van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar. Ik kan me nog herinneren hoe ik als jongen van elf na schooltijd via de radio het verloop van de bezetting volgde, maar zelfs deze,  voor die tijd ongekende, gijzelingsactie was voor meester Van der Kleij geen reden de volgende dag de lessen te skippen en de dag geheel te besteden aan ons Indië-verleden, de VOC, de economische opbrengst, de politionele acties, en bovenal aan het KNIL en hoe de Molukse mannen de koningin en de Nederlandse vlag dienden. Indië bleef ruim een jaar na het geruchtmakende tv-interview van Joop Hueting, hoogleraar in de psychologie en Indië-veteraan die wandaden van de Nederlandse militairen onthulde, een gesloten boek voor ons jongens van de bomenbuurt.
Daniel
Al wat ik als kind van de Ambonezen meekreeg, was Noot Singadji in het eerste van WVC en twee vijftienjarige meisjes bij korfbalclub Wiko, Henny Silooy en Christien Tanroubak. Ik genoot van de schoonheid van hun namen: Tuankotta, Pattiruhu, Leatemia, Loupatty en in 1975 brak maar zo singer/songwriter Daniel Sahuleka door met You make my world so colourful.  Maar uiteindelijk stond de Molukse gemeenschap ver af van mijn dagelijks leven.
Tot ik ruim vijf jaar geleden tijdens mijn werkzaamheden in Arnhem een jonge, blonde vrouw de hand schudde met de naam Berendien Tetelepta. Mijn natuurlijke reactie: ‘Hé, dat doet me denken aan mijn jeugd in Winterswijk. Daar was een Molukse gemeenschap met een familie Tetelepta’. ‘Nou, daar komt mijn man vandaan’.
Ik realiseer me nu dat bijkans mijn hele leven zich heeft afgespeeld met de Molukse gemeenschap in het achterhoofd. Ik woon al een kleine jaar of veertig niet meer in Winterswijk maar al 33 jaar in de Molukse wijk van Rijssen, één huis verwijderd van de Molukse kerk en het cultureel centrum waar in herfst en winter met ouderwetse neonletters wordt weergegeven dat het centrum OPEN is. Als er een Molukker overlijdt, komen ze van heinde en verre voor de afscheidsdienst. Ze mogen zijn uitgewaaierd over het land, de Molukse Rijssenaren, ze mogen getrouwd zijn met partners wier ouders en voorouders alleen maar met boerenkool zijn opgevoed, die kortom Hollandser zijn dan tulpen en molens; de culturele band is voor de eeuwigheid.
De geschiedenis van Winterswijk is een rijke. De Ambonezen maken hier een wezenlijk onderdeel van uit. Helaas heb ik ze nauwelijks leren kennen. Het is een leemte in een fantastische jeugd.

André Vis (Winterswijk, 1959) was onder meer sport- en hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia en is tegenwoordig publicist en adviseur.

De Vijftigpluskrant, 1 oktober 2019

Lees verder

Bergaul

Uit:Bergaul,40 jaar Molukkers in Winterswijk: M.J.Tetelepta en H.G.Nijman

KAMP VOSSEVELD


Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ten oosten van Winterswijk aan de Steengroeveweg, in de buurt “Vosseveld” door de Nederlandse Arbeidsdienst een kamp gesticht. Tegen het eind van de oorlog werd dit kamp ook nog korte tijd gebruikt als opleidingscentrum voor Duitse militairen. 
Nadat het kamp nog enkele dagen in gebruik was bij Engelse militairen, heeft Kamp Vosseveld in de eerste tijd na de oorlog gediend als interneringskamp, waar politieke delinquenten werden ondergebracht. In die tijd werden er tussen de 525 en 550 personen gevangen gehouden.
Toen het deze functie verloren had, werd het kamp in gebruik genomen door het Nederlandse leger. In januari en februari 1949 kwamen militairen die op de Basis Twente gelegerd waren naar Kamp Vosseveld om het gereed te maken voor personeel van de luchtmacht dat op het vliegveld in Ratum zou gaan werken. Het zogenaamde Navigatiestation A werd op 1 oktober 1955 opgeheven en de in Winterswijk gelegerde militairen werden overgeplaatst naar Eibergen.
In september 1955 schreef de Nieuwe Winterswijkse Courant (NWC) dat de in Vosseveld gestationeerde militairen zouden worden overgeplaatst naar Eibergen, maar dat het nog onduidelijk was wat de nieuwe bestemming van het kamp zou worden.

In november van datzelfde jaar kon er gemeld worden dat er in het begin van het volgend jaar (1956) vijftig Molukse gezinnen zouden worden ondergebracht. In de praktijk ging het allemaal niet zo snel. In de loop van de zomer van 1956 zou er worden begonnen met de verbouw, maar Vosseveld was niet de enige plaats waar werd gebouwd voor de opvang van Molukkers. Ook moest bijvoorbeeld het voormalige opleidingskamp van de rijkspolitie te Nistelrode voor bewoning geschikt worden gemaakt. Even is in 1956 nog geopperd om het Kamp Vosseveld vrij te geven voor de opvang van Hongaarse vluchtelingen, maar de voorbereiding op de komst van de Molukkers ging gewoon door. De toekomstige kampbeheerder de vries had met zijn gezin eind 1956 het kamp reeds betrokken. Op die wijze kon hij tijdens de verbouw reeds een oogje in het zeil houden. Maar daarmee schoot het nog niet erg op.

Tegen het eind van 1957 begon men er in Winterswijk sterk aan te twijfelen of het hele plan met de Molukkers in Kamp Vosseveld wel doorging. Toch bleek de begroting van het Ministerie van Maatschappelijk Werk nog steeds een post “Vosseveld” te bevatte,
In januari 1958 stelde het Tweede kamerlid Vermeer schriftelijke vragen aan de Minister van Maatschappelijk Werk. Uit de antwoorden bleek dat het inderdaad zo was dat Kamp Vosseveld sinds 1955 ongebruikt stond en dat dit was toegewezen aan het Ministerie van Maatschappelijk Werk, dat het voor de huisvesting van Molukkers wilde bestemmen.
Hiertoe werd in 1956 door de Rijksgebouwendienst een schetsplan gemaakt. Dit plan werd tot tweemaal toe herzien. De bestaande barakken bleken zo slecht te zijn, dat werd besloten tot algehele nieuwbouw. deze plannen waren op het moment van de kamervragen nog in bewerking.

De voor de sloop bestemde voormalige militaire barakken vielen in de smaak bij de Gemeente Winterswijk. Volgens de NWC  van 27 oktober 1958 wilde de gemeente een van de barakken plaatsen op het terrein achter school L en die barak moest dan dienen als handvaardigheidslokaal voor de lagere landbouwschool en de keuken van de VGLO-school. de twee andere barakken zouden worden geplaatst op de  Morsse en als lagere landbouwschool worden ingericht.
In november 1958 kwam kamp Vosseveld weer ter sprake. Men had de hoop al bijna opgegeven dat er ooit nog iets met het verlaten kamp zou gaan gebeuren, toen op een gegeven moment in de gemeenteraad de riolering van Kamp Vosseveld aan de orde kwam. De extra kosten voor de aansluiting zouden door het Rijk worden betaald. Desgevraagd deelde wethouder Beijers mee, dat er inderdaad een woonoord voor Molukkers zou worden gesticht en dat er te zijner tijd zeventig gezinnen zouden worden gehuisvest.

In diezelfde raadsvergadering werd tot aankoop van de drie barakken uit kamp Vosseveld besloten. Twee ervan zouden worden gebruikt als lagere landbouwschool en de derde als gymnastiek- en handvaardigheidslokaal bij de Prof.Kohnstammschool.

In januari 1959 hield Burgemeester Vlam een lezing voor de katholieke Arbeiders Beweging en uit die lezing bleek dat het vaststond, dat als de weersomstandigeheden het toelieten, snel zou worden begonnen met de bouw van 75 eengezinswoningen op kamp Vosseveld. Bovendien was het het plan dat het kamp ook een eigen kerkje en een kleuterschool zou krijgen. De burgemeester merkte verder op dat “men verwacht dat de nieuwe bewoners, gezien hun handvaardigheid, tot zeer vaardige textielarbeiders zullen kunnen worden opgeleid.”
In augustus 1959 was het dan eindelijk zover. Op zaterdag 22 augustus kwam het gementebestuur, de geestelijkheid, afgevaardigden uit het onderwijs en enkele hoofden van gemeentelijke diensten een bezoek brengen aan Kamp Vosseveld. De bezoekers werden rondgeleid door De Vries. Deze legde uit dat de afrastering, die zich nog rond het kamp bevond, zou worden verwijderd. Er was besloten dat er geen officiele ingebruikneming van het kamp zou komen.

Op 26 Augustus 1959 kwamen de eerste twaalf Molukse gezinnen naar Vosseveld………………
Ze waren alle afkomstig uit het woonoord Schattenberg.
Daarna slokte de toestroom van nieuwe bewoners een beetje: In november van dat jaar was de bezetting nog maar 14 gezinnen. Dat betekende dat zestig van de vierenzevetig woningen leegstonden.
Mingus Pattiruhu en Coba Taihuttu behoorden tot de eerste groep die in augustus 1959 in Winterswijk kwam. Vooraf ging een kleine delegatie, bestaande uit Bob Pietersz, oom Las Pattiselano, oom Mingus Pattiruhu en tante Coba Taihuttu naar Winterswijk om er te kijken.
De informatie over kamp Vosseveld hadden ze gekregen van de heer Dasberg, destijds contactambtenaar voor het Commissariaat voor de Ambonezenzorg (caz) voor de provincies Friesland en Drente. Het was ook Dasberg die hen naar Winterswijk bracht. Coba Taihuttu was eigenlijk aanvankelijk helemaal niet van plan om te verhuizen, maar ruzie met familie in Schattenberg deed haar besluiten om toch maar te gaan.
Jo Usmany- Akihary kwam vanuit Kruiningen naar Winterswijk. Voor de families uit Kruiningen ging onder andere Adam Silooy op inspectie.
In die tijd stelde raadslid mevrouw Ter Haar- van Schothorst vragen in de gemeenteraad. Ze wilde weten waarom alle Molukse kinderen de Wilhelminaschool bezochten en of dat vrijwillig gebeurde. Ook was haar gebleken dat alle Molukse gezinnen waren ondergebracht bij een huisarts. Hieruit zou kunnen blijken dat er geen sprake was van vrije artsenkeuze.
De burgemeester antwoordde, dat de gemeente Winterswijk hierop geen invloed had, maar dat alles werd beslist in Den Haag.
Raadslid Kuipers voegde daar nog aan toe, dat de Wilhelminaschool zeker geen moeite heeft gedaan om deze kinderen op school te krijgen.

In haar verslag over het jaar 1959 meldde de Winterswijkse gemeentepolitie:

“Deze Ambonezen zijn niet opgenomen in de vreemdelingenadministratie van de gemeentepolitie alhier. De registratie geschiedt door de kampbeheerder, in overleg met de commissaris van Ambonezenzorg. Zij geven van alle mutaties betreffende deze vreemdelingen zoals verhuizing, geboorte, overlijden enz, rechtstreeks kennis aan het Ministerie van Justitie. Zolang deze vreemdelingen woonachtig zijn in een woonoord zijn zij vrijgesteld van de verplichting tot het bezit van een verblijfsvergunning. Zodra zij zich buiten het woonoord zouden gaan vestigen, moeten zij wel in het bezit zijn van een verblijfsvergunning”

Reeds twee jaar na de ingebruikneming van Vosseveld bleek bij onderzoek naar de bouwtechnische toestand van het kamp dat die veel te wensen overliet. Zes woningen bleken goed, vijf ruim voldoende, zes voldoende en maar liefst 48 woningen bleken de beoordeling “slecht” te krijgen. Een en ander bleek uit een mondeling overleg van Minister Klompé met de vaste Kamercommissie voor maatschappelijke werk. In April 1967 schreef de Nieuwe Winterswijkse Courant dat een twaalftal gezinnen Vosseveld had verlaten om zich in Breda te gaan vestigen. De woningen in Vosseveld zouden niet opnieuw worden bezet. Het was namelijk de bedoeling dat op korte termijn alle gezinnen een plek zouden krijgen in woningen die in 1967 en 1968 gereed zouden komen. Bovendien werden de woningen omschreven als “zeer bouwvallig” .
In de raadsvergadering van 21 december 1967:



…… vroeg de heer de Groot of al iets gezegd kan worden over het Ambonezenwoonoord. Hij heeft gelezen, dat terzake al enkele besprekingen hebben plaatsgevonden. Zullen de huizen worden opgeknapt en weer bewoonbaar gemaakt of zullen ze worden ingericht als vakantiehuisjes of iets dergelijks?
Wethouder Beijers deelt mede, dat deze woningen nog lang niet leeg zijn. Hij hoopt dat ze in het komende jaar zullen leeg komen. Er hebben zich al veel moeilijkheden voorgedaan welke dikwijls zijn besproken met de leiders en met het bureau voor Ambonezenzorg uit Den Haag en hij kan eraan toevoegen, dat het de bedoeling is het kamp na ontruiming aan te trekken. Er zullen echter zeker geen normale woningen van gemaakt worden. Misschien is het kamp in te richten voor zomerhuisjes, maar dan niet via de gemeente.”

De gedeeltelijke leegstand van Vosseveld had een explosieve groei van de rattenpopulatie tot gevolg. Ook dat ontsnapte niet aan de aandacht van de gemeenteraad.
De raadsvergadering van 30 mei 1968:



“De heer Wiggers heeft gehoord dat men op het Ambonezenkamp met een rattenplaag te kampen heeft. Men heeft al bij de technische dienst geinformeerd, maar hier heeft men als antwoord gekregen dat dit een rijksaangelegenheid is.
Hij heeft dit niet kunnen controleren, maar als dit waar is, vindt hij het een trieste zaak. Als men de ratten op het woonwagenkamp bestrijdt, kan men de ratten in het Ambonezenkamp ook wel bestrijden, dit gaat in een moeite door.
Wethouder Wubbels zegt, dat het weliswaar rijksgebouwen zijn, maar dit neemt niet weg dat het Winterswijkse ratten zijn. Hij zal zich in verbinding stellen met de technische dienst om te bewerkstellingen, dat deze ratten ook bestreden worden.”

De efficiente bestrijding van de rattenplaag bleek een groot probleem zolang het kamp niet was gesloopt. Er werd met het Commissariaat voor de Ambonezenzorg gesproken over overname van het kamp door de gemeente.
In Januari 1969 verbleven er echter nog negen gezinnen. En zij waren ook niet van plan om Vosseveld te verlaten. De meesten zagen hun verblijf in Nederland als tijdelijk en bovendien werden de huren in de nieuwe woningen veel te hoog gevonden. 
Een half jaar later woonden er nog steeds gezinnen, bij elkaar ongeveer dertig personen. De inspecteur van Domeinen, de eigenaar van de gebouwen van het Rijk, had echter deze gezinnen laten weten dat hen bij vonnis van de rechtbank te Zutphen de verplichting was opgelegd om Vosseveld voor 25 juni 1669 te verlaten.
Op vrijdag 21 november 1969 werden de laatste gezinnen uit hun woning gezet.

Vier werden overgeplaatst naar een woning in de Pijnboomstraat en een alleenstaande verhuisde naar de Berkenstraat. Het politieverslag over het jaat 1969 meldt het volgende:



“De ontruiming van de woonwijk Vosseveld vond ook in 1969 gestadig plaats.
Op 21 november werd de gehele ontruiming een feit. De politie heeft daarbij assistentie verleend, doch het verliep zonder onregelmatigheden. 237 Ambonezen hebben zich thans gevestigd in de door de gemeente Winterswijk beschikbaar gestelde woningen. De Ambonezen zijn derhalve in het bezit gesteld van de nodige identiteitspapieren. Enkelen hebben deze papieren geweigerd.”

Toen Vosseveld eindelijk leegstond, was de gemeente Winterswijk erbij gebaat dat er op korte termijn een beslissing werd genomen over de toekomst van het kamp.
Even is er nog sprake geweest van een overname van Vosseveld door de Stichting Dagverblijven Gehandicapten.
Uiteindelijk werden bijna alle gebouwen gesloopt en bleef het terrein eigendom van de Gemeente Winterswijk.
Voordat het terrein werd bestemd voor de opslag van huisvuil en materialen van de Gemeente Winterswijk, zijn er diverse andere suggesties gedaan om het terrein nuttig te gebruiken.
In de Nieuwe Winterswijkse Courant van 8 maart 1974 lezen we dat de omwonenden van het voormalige Kamp Vosseveld een bijeenkomst hebben gehouden in de kantine van de Voetbalvereniging Vosseveld, teneinde een standpunt te bepalen tegen het voornemen van de Gemeente Winterswijk om het terrein aan te wijzen als mogelijk trainingsterrein voor het Cross-team Winterswijk.

UW WOORD IS DE WAARHEID


Tijdens een van de eerste bijeenkomsten in het jaar 1959 werd door het bestuur van de Verneiging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs te Winterswijk uitgebreid stilgestaan bij een krantenbericht.
In de Nieuwe Winterswijkse Courant van 21 januari 1959 werd namelijk melding gemaakt van het feit dat Kamp Vosseveld, dat eerder dienst had gedaan als militair kamp, zou worden ingericht als woonoord voor ongeveer 75 gezinnen. Aangenomen werd dat deze gezinnen, die van christelijken huize waren, zouden kiezen voor de Wilhelminaschool. De Wilhelminaschool telde in die tijd 311 leerlingen en was toen reeds te klein voor dit aantal leerlingen, laat staan dat een toeloop van Molukse kinderen kon worden verwerkt.
Voordat een gesprek met het Departement van Onderwijs in Den Haag werd aangevraagd, zou het schoolbestuur eerst nog eens gaan spreken met de inspecteur van het Lager Onderwijs, Wansink.
Er kwam inderdaad een gesprek met iemand van het CAZ, ressorterende onder de Minister van Maatschappelijk Werk en een vertegenwoordiger van het Ministerie van Onderwijs. Het bleek dat de Wilhelminaschool inderdaad binnen afzienbare tijd een groep van 100 tot 110 Molukse leerlingen kon verwachten. Het bestuur besloot om dit punt verder met de Gemeente Winterswijk te bespreken. 
Tot dan stond er nog niets zwart op wit, maar dat liet niet lang op zich wachten. Een brief, gedateerd 21 maart 1959, afkomstig van het Commissariaat van de Ambonezenzorg en gericht aan het schoolbestuur te Winterswijk liet aan duidelijk niets te wensen over; de Wilhelminaschool zou ongeveer 110 Molukse kinderen ontvangen en men werd verzocht op korte termijn tot de noodzakelijke uitbreiding met enkele lokalen over te gaan.

Het was inmiddels april 1959 geworden en de eerste Molukse kinderen werden in augustus aan het begin van het nieuwe schooljaar al verwacht. Het hoofd der school,W.J.G. Colenbrander, diende op de bestuursvergadering van 21 april een ontwerp voor vier noodlokalen in bij het bestuur. het ontwerp werd goedgekeurd met algemene stemmen en zou zo spoedig mogelijk worden ingediend bij de Gemeente Winterswijk. Ook zou een afschrift van de brief uit den Haag worden meegestuurd.
Met ingang van 31 augustus kwam inderdaad de eerste groep 28 Molukse leerlingen op de Wilhelminaschool. De school telde toen 322 leerlingen.
Dat aantal was tegen de kerstvakantie van 1959 al gestegen tot 418, waaronder 131 Molukse kinderen. Na de kerstvakantie kwamen er nog een paar bij, zodat in januari 1960 het leerlingenaantal 428 bedroeg, waaronder 145 Molukkers.
In een tijdsbestek van vier maanden bestond eenderde deel van de leerlingen van de Wilhelminaschool uit Molukse kinderen.

Hoewel het bestuur en natuurlijk ook de schoollleiding een half jaar van tevoren op de hoogte waren van de komst van de Molukkers, kwam alles toch erg onverwacht en plotseling.

Meester Colenbrander hierover:
“……eerst kijk je er een beetje raar van op. Het bestuur, dat is natuurlijk de eerste. In het bijzonder onderwijs is het bestuur dat regeert. Eerst beleg je natuurlijk een vergadering met het personeel. En allemaal zit je elkaar aan te kijken. Je weet dan wel dat het militairen zijn en zo…Ze hebben je van alles verteld.”

De komst van een grote groep Molukse kinderen was niet alleen voor het personeel een omschakeling. Ook de schoolkinderen zouden er aan moeten wennen. Eigenlijk had men toen helemaal nog geen ervaring met andere culturen. De Winterswijkse kinderen werden door meester Colenbrander “voorgelicht”.

“……….en dat heb ik toen wat uitgebouwd. Ik vertelde: Je hebt verschillende kleuren vogels en verschillende kleuren paarden……….zo zijn er ook verschillende kleuren mensen. Je hebt bijvoobeeld Indianen – ja, daar hadden ze wel van geoord. En nou komen hier mensen uit Indie en die hebben een donkere huidskleur. Jullie krijgen ook een andere kleur als je ’s zomers veel in de zon loopt. Op die manier ben ik begonnen en dat heeft zover ik weet altijd magnifiek gewerkt. We hebben nooit narigheid op school gehad.”

De komst van de Molukse kinderen op school mad dan voor het personeel tamelijk onverwacht zijn geweest, er waren ook geen methoden in de handel voor de begeleiding van kinderen met toch nog wel wat achterstand, zeker op het gebied van de Nederlandse taal.
Juf Vellekoop kan zich dat nog goed herinneren:

“De grote narigheid in die tijd was, dat wij volkomen onvoorbereid waren. Er waren geen boekjes, er was eigenlijk niets. Wij spraken de taal niet. Nou waren die kinderen al wat jaartjes in Nederland, dus een beetje gebroken Nederlands spraken ze wel, maar dan had je het ook wel gehad.
Wat gingen wij dan doen? Zo eenvoudig mogelijk beginnen. Dat is nogal logisch. Eerst kijken: wat weten ze al, wat kunnen ze al? Dat moesten we allemaal zelf onderzoeken zonder dat daar toetsen en testen voor waren. Die waren er gewoon niet.
Ik denk dat er toch kinderen zijn geweest, vooral in de beginperiode, die eigenlijk meer in hun mars hadden dan eruit gekomen is. Om de doodeenvoudige reden dat wij hun taal niet spraken en wij ook de hulpmiddelen niet hadden die er in deze tijd zijn.”

Het duurde toch nog een hele tijd voor er echt aandacht aan de geschetste problematiek werd geschonken. In de notulen van het schoolbestuur in januari 1970(!) lezen we:

“Op art 56 der Lager Onderwijs is met ingang van 16 januari 1970 aan de Prins Willem Alexander-school benoemd de heer A.H.H. Langenberg, tot het einde van de cursus 1969-1970 uitsluitend belast met het onderwijs in de Nederlandse taal aan Ambonese leerlingen.”

Andri Langenberg werd in het voorjaar 1970 benoemd. Meer dan tien jaar had men met veel moeite Molukse leerlingen met hun achterstand, vooral op het gebied van de Nederlandse taal, zo goed en zo kwaad als dat ging moeten voorthelpen. Eindelijk was er een leerkracht “TOVAK”(Taal Onderwijs Voor Ambonese Kinderen). Hij gaf de taallessen in de hal van de school en had de volledige vrijheid om dat op zijn manier te doen. Wel had hij veelvuldig overleg met de heer Kuhuwael. Deze volgde de vorderingen op de voet en woonde soms de lessen bij. Langenberg gaf taalles vanaf klas twee. Alle Molukse kinderen kregen dagelijks les.
Dat werd op den duur een gezellig clubje. Door andere leerlingen werd er wel eens jaloers naar gekeken. Behalve door middel van taallessen probeerde Langenberg ook op andere manieren de vaardigheid in het Nederlands te bevorderen door bijvoorbeeld toneelstukjes in te studeren. Maar ook handvaardigheid was voor hem een manier om de leerlingen op een ongedwongen manier spelenderwijs spreekvaardigheid bij te brengen.

De afstand van Kamp Vosseveld tot de Wilhelminaschool was dan wel niet extreem groot, toch gaf dit vooral met slecht weer de nodige problemen. Juf Vellekoop:

“Ik had, zeg maar, 42 kinderen en daarvan waren er 34 van Molukse afkomst. Die moesten overblijven, want het was een eind lopen naar Vosseveld. En zulke mooie fietsjes als tegenwoordig had je toen niet.
Ze vonden het natuurlijk ook verschrikkelijk koud hier. Op winterkleding was niet gerekend. Die hadden ze niet. Ik heb heel wat keren gelopen van de Wilhelminaschool naar school O, waar nu die nieuwe huizen staan. Voor de gym gingen we daar heen. En dan had ik kinderen bij me die hartje winter blote benen met sokjes en schoenen of sandalen aan hadden. Dan gingen er wel eens deuren open aan de Vredensestraat: “Juffrouw, als die kinderen nou geen lange broek hebben, dan heb ik er nog wel van mijn kinderen”. Ik zei dan: ’Nou, mevrouw, ik vind dat wel vriendelijk van u , maar dat moet ik eerst aan die ouders vragen! Want je kunt die kinderen niet zomaar kleding gaan geven.”.

In februari 1960 werd door het schoolbestuur gesproken over de mogelijkheid om een busje te laten rijden tussen Kamp Vosseveld en de Wilhelminaschool. Er vond een gesprek plaats met J. Noya als vertegenwoordiger van de kampsraad. Er bleek een regeling te zijn voor de drie laagste klassen. Maar er was een moeilijkheid: de afstand van kamp Vosseveld tot de Wilhelminaschool was minder dan vier kilometer en de officiele subsidieverstrekkers lieten het in dat geval afweten.

Afgesproken werd, om zowel van de zijde van het bestuur als van de zijde van de kampraad al het mogelijke te doen om dit probleem op te lossen.
Het is er nooit van gekomen, dat busje voor het leerlingenvervoer. Overigens gaf het schoolbestuur wel bijna jaarlijks een bijdrage aan de Emmaschool ten behoeve van het busvervoer van leerlingen die van ver moesten komen.

Reeds in 1961 werd er gesproken over de bouw van een nieuwe school op de Hakkelerkamp, de latere Prins Willem Alexanderschool. Op de ledenvergadering van de schoolvereniging bleek echter dat een en ander nog niet helemaal vaststond. Het was de vraag of de Molukkers nog eens naar hun vaderland zouden terugkeren of dat ze hier bleven. In dat laatste geval lag de nieuw te bouwen school wat afstand betreft dichter bij Kamp Vosseveld en zouden de Molukse kinderen naar die school gaan. Het bestuur was er niet zo zeker van of dat wel een goede ontwikkeling zou zijn. Immers, al snel zou dan de nieuwe school het imago krijgen een “Ambonezenschool” te zijn en het was maar de vraag of dat niet andere mensen in de nieuwe wijken ervan zou weerhouden hun kinderen naar die school te sturen.
Later, toen de nieuwe school er goed en wel stond, werd de oude Wilhelminaschool aan de Vredensestraat afgebroken en werd hiervoor in de plaats een nieuwe school gesticht in de Burgemeester van Nispenstraat. Ondertussen was ook Kamp Vosseveld ontruimd en woonden de Molukse gezinnen voor het overgrote deel in de wijk Hakkelerkamp-Oost, maar ook elders in Winterswijk. Voor het gemak kozen Molukse ouders vaak voor de dichtsbijzijnde school. Tevens bood de Openbare basisschool “De Olm” als enige school begin en medio jaren ’80 het zogenaamde OETC, Onderwijs Eigen Taal en Cultuur, waardoor veel Molukse ouders de kinderen naar De Olm stuurden.

Een halfjaar na de komst van de eerste Molukkers in Winterswijk, werd de Wilhelminaschool bevolkt door zo’n 145 Molukse kinderen. We constateerden al dat er in die tijd, zeker in een plattelandsdorp als Winterswijk, nauwelijks of geen ervaring was met groepen mensen uit andere culturen. Er werd, bij wijze van spreken, al vreemd aangekeken tegen die enkele westerling die een boerderijtje kocht in een van de buurtschappen.

Toch moesten op de Wilhelminaschool de schoolbanken gedeeld worden met Molukse kinderen. op 15 maart 1960 was er een vergadering van schoolbestuur, oudercommssie en personeel:

“Momenteel bezoeken ca. 150 Ambonese leerlingen onze scholen. De verhouding met de Nederlandse kinderen kan goed genoemd worden, aldus de heer Colenbrander, maar toch naar buiten uit, blijft de apartheid bestaan en vermengen zich niet met de Hollandse kinderen. Dit zal wel een grote moeilijkheid blijven.”.

Op het punt van contacten met de Molukse gemeenschap volgde het bestuur de landelijke lijn. Die bestond eruit, de Molukse gemeenschap als een geisoleerde groep te beschouwen en niet te veel te laten opgaan in de Nederlandse samenleving. Dat men deze visie deelde of in ieder geval navolgde, moge blijken uit een aantal citaten uit de bestuursnotulen.
Bestuursvergadering van 13 december 1960:

“Er wordt meedegeeld, dat op de laatstgehouden vergadering van de oudercommissie enkele zaken aan de orde werden gesteld, waarover de mening van het schoolbestuur gevraagd wordt; de ledenwerf-actie onder Ambonezen. Het bestuur acht het niet wenselijk een ledenwerf-actie te organiseren onder de bewoners van het woonoord “Vosseveld”. Ze heeft geen bezwaar tegen het opnemen van een Ambonese contactpersoon in de oudercommissie.”

Bestuursvergadering van 25 januari 1961:

“Er wordt opgemerkt dat bij de verdeling van de Unie-collecte de Ambonese kinderen van de Wilhelminaschool niet zijn meegeteld. Men deelt mede, dat er in het woonoord ook niet is gecollecteerd.”

Ledenvergadering van 30 november 1961:

“Mej. vellekoop vraagt of het niet wenselijk is enkele Ambonezen in de oudercommissie op te nemen. Het bestuur is van mening dat het geen kwestie van discriminatie is, maar uit praktische overwegingen niet meer contact dan nodig is met deze groep wordt onderhouden.”

Bestuursvergadering van 9 maart 1962:
“Er wordt gevraagd naar de uitwisseling van scholen in de vakantie. Men is hier niet enthousiast voor, vooral niet zolang er Ambonezen op school zijn.”

Dit lijkt allemaal zeer afstandelijk en tegenwoordig zouden wij misschien onze wenkbrauwen fronsen bij sommige van deze opmerkingen. Men moet dit echter in het licht van die tijd zien. En op het praktisch-uitvoerende niveau werkte het natuurlijk wel iets anders. Dat bleek al uit de opmerking van Juf Vellekoop in de vergadering van november 1961 over Molukse vertegenwoordigers in de oudercommissie.

Meester Colenbrander ging al snel kennismaken in Kamp Vosseveld:

“Ik ging al betrekkelijk gauw op huisbezoek om kennis te maken. Ook van mijn kant natuurlijk. Ik ging graag op huisbezoek. Ik maakte geen verschil…bruin of wit. Iedereen kreeg een beurt die ik in de klas had.
Zodra ze op het schoolplein zijn, of je nou van de burgemeester bent of voor mijn part uit een woonwagen komt, dat interesseert me geen fluit. Je bent gelijk. Allemaal je best doen. je wilt allemaal verder komen in het leven. Ik ging bij een burgemeester even goed op bezoek als bij een familie Tetelepta. Ik ging heus geen twee keer naar de burgemeester. Als het nodig is… dat is wat anders. Normaal gesproken is een klas voor mij een klas. En ik geloof dat leerlingen zoiets voelen.”

Uit gesprekken met oud-leerkrachten is wel gebleken dat er vanuit die hoek een grote bereidheid bestond om zich extra in te spannen om de Molukse kinderen zo goed mogelijk op te vangen en te begeleiden.
Toch was het vaak de taal die eem barriere vormde voor een optimaal contact.


Juf Vellekoop:
“Ik ging op huisbezoek bij een jongetje, niet al te geweldig van gedrag en ook niet al te geweldig van zijn best doen. En daar kom ik dan thuis. Het was heel armoedig gemeubileerd. Er stond wel een televisie, maar die stond op een groentekistje. En ik had met die moeder te maken, maar daar kon ik niets mee. En toen zei dat jongetje opeens tegen mij: “Mijn moeder vraagt hoe het met mij gaat’” Toen zei ik: “Het gaat wel. “Dus bracht hij dat over. Toen kreeg ik een heerlijk kopje koffie met wat lekkers erbij. Toen was het goed. Eigenlijk had ik willen zeggen: ’Nou, het kon wel wat beter. Hij moet eens flink worden aangepakt.”

Als de resultaten van een kind van dien aard waren dat het niet bevorderd kon worden (dat was in een klas jaarlijks bij zo’n twee tot vier kinderen het geval) moest dat thuis aangezegd worden. Juf vellekoop vond dat altijd een moeilijke taak:

“En dan kwam je daar en dan moest je dat aanzeggen en soms kon je de ouders dat niet zeggen, als ze geen Nederlands spraken. Ik weet nog dat ik bij een familie lwam en, gul als ze altijd waren, stond er een flesje limonade op tafel, nog dicht met zo’n opener ernaast. Er stonden koekjes en van alles. En ik had mijn zegje gezegd. En toen zei ik tegen het meisje: “Nou, dat moet jij dan maar even tegen je moeder zeggen.” Dus dat werd in het Maleis vertaald. Ik mag aannemen dat het daarover ging, natuurlijk. En toen dacht ik: “Nou, ik blijf maar even zitten om te horen wat ze zeggen.”Ik had hiermee ook wel minder goede ervaringen. Ineens loopt die moeder naar de tafel, pakt de opener, maakt het flesje open, schenkt dat voor me in en zegt heel vriendelijk tegen mij: “Juf drinken, juf drinken!” Ik dacht: “Nou, dat is zeker goed gevallen. En dat was het ook.”

Als er op de Wilheminaschool al aan cultuurwisseling tussen Nederlandse en Molukse kinderen werd gedaan, hebben vooral leerlingen die in de vijfde klas bij juf Vellekoop zaten dat ervaren.
Dat waren meestal Molukse- en boerenkinderen. Die moesten de gelegenheid hebben om ’s middags over te blijven. tenminste, dat is de officiele lezing. in werkelijkheid aten niet zo bijster veel Molukse kinderen hun boterhammen tussen de middag op school op. Kinderen uit het dorp zaten in de vijfde klas bij meester Veerbeek, die op de Sleeswijk in zijn eentje een noodlocatie bemande.

Alle leerlingen in de klas van juf vellekoop hadden een schrift waarin de liederen die moesten worden geleerd, werden opgeschreven. Behalve de bekende Valerius-liederen en andere, toen heel bekende liederen als “Hoog op de gele wagen”, “Klokke Roelandt” en het Gelders volkslied kwamen er tegen de Kersttijd ook kerstliederen in de Maliese taal in dat schrift te staan.Ook gedeelten uit het kerstverhaal werden in het Nederlands en Maleis opgeschreven en voor een deel uit het hoofd geleerd. Dan kwam de grote dag; de laatste schooldag voor de kerstvakantie. Juf Vellekoop had bedacht dat haar klas, uitertaard gewapend met de onvermijdelijke, in crepepapier gewikkelde, halve aardappel met een gat erin, waarin een kaars prijkte, alle andere klassen zou bezoeken en een kerstprogramma van liederen en bijbelteksten in het Nederlands en in het Maleis zou opvoeren.
Juf vellekoop verwoordde het zo:
“Zie het maar als een soort kerstboodschap brengen. Ik wil niet zeggen “blijde” boodschap brengen, maar kerstboodschap brengen. En in die tijd vond ik dat ook heel leuk. Wat voor broek of rok ze aan hadden, dat kon niets schelen, maar het bovenstuk moest wit zijn. En dan gingen ze rond en zeiden teksten op uit de bijbel in het Maleis en in het Nederlands en ze zongen ook in het Maleis en in het Nederlands. Mijn collega’s keken er eerst een beetje van op, zo van: ze moet weer zo nodig, maar dat was mijn lust en mijn leven. De collega’s vonden het in het begin een beetje belachelijk dat ik dat voor alle klassen liet doen.
Ik heb van de tweeling laisina een keer de muziek van ’Stille nacht” gekregen met een hele andere bovenstem en dan zongen zij dat en dan zongen wij de gewone melodie van “Stille nacht” ertegenaan. prachtig was dat! Nou kan ik het niemand meer leren. Niemand vind het nog leuk om “Stille Nacht” te zingen.”

Vooral Nederlandse kinderen waren er van overtuigd dat juf Vellekoop, uitstekend Maleis sprak. Zij had zo haar trucjes:

“…….Dat lijkt maar zo, hoor! Ik wist wel wat woorden. Die heb ik zo uit de praktijk opgepikt. Wij hadden rekenen en dat moesten wij op maandagmorgen uitleggen. Dat was dan een weektaak. Als je dan op het bord stond te schrijven, kon je niet altijd iedereen zien en dan hoorde ik weleens gefluister achter me. Maar dat kon je niet verstaan.
Toen dacht ik op een zondag een keer, toen ik s’avonds naar bed wilde: “Ik ga leren tellen van een tot tien”. Dat heb ik toen die zondagavond gedaan. Dus ik kom de volgende morgen op school, de lessen beginnen. versje opzeggen en bijbelse geschiedenis is voorbij en we gaan rekenen. Ik ga aan het uitleggen en ja hoor, op een gegeven moment hoor ik achter me: “Lima!”. Dus ik draai me om en zeg: “Jij zei daar ’vijf” he? Dat zou ik maar niet meer doen, want ik hoor nu alles. In een paar weken tijd heb ik iets van jullie taal geleerd.” Het is in dat jaar ook niet meer gebeurd. Maar ik kon nauwelijks meer dan van een tot tien tellen.
Ik was een vrij strenge juffrouw, toch wel., maar streng in die zin, dat ik orde wilde hebben, want ik ging ervan uit dat je alleen iets kunt leren als je orde hebt in de klas. 
Ik weet nog wel in het begin als ik door de Misterstraat liep, dan kwam ik vaak een heel stel Molukse jongeren tegen, die me altijd groetten. Toen zij werkloos waren ( ze waren toen al een jaar of 17, 18) zeiden ze wel eens tegen me: “Was maar weer vijfde klas!  Was maar weer vijfde klas!” Daar schrok ik wel een beetje van en dan dacht ik: “Is dat echt zo? “
En dan blijkt toch maar weer; de positieve dingen, die onthoud je vaak.

NR.NAAM:DATUM:GEKOMEN VAN:VERHUISD NAAR: 
      
1.Pietersz, Jacobus26-08-1959   Westerbork  
2.Tanrobak,Willem F.26-08-1959   WesterborkBreda 
3.Lawalata, Herman J.26-08-1959   WesterborkBreda 
4.Pattiselano, Ananias26-08-1959   WesterborkBreda 
5.Matulessy, Mathijs M.26-08-1959   WesterborkBemmel 
6.Oppier,Jan26-08-1959   Westerbork  
7.Noya, Johannis09-11-1959   Epe  
8.Amahorseija, Johannes19-10-1959   Kruiningen  
9.Lawalata, George M.02-11-1959   EpeBreda 
10.Dekker, Carel L.16-11-1959   Westerbork  
11.Souisa, Julianus F.16-11-1959   Westerbork  
12.Jongnain,Bernoni S.26-11-1959   WesterborkHatert 
13.Titarsole, Mathen13-11-1959   Bemmel  
14.Tupamahu, Karel27-11-1959   KruiningenAlphen a.d.Rijn 
15.Johannis,Marcus27-11-1959   Kruiningen  
16.Wattimena, Matehus28-12-1959   KruiningenBreda 
17.Loupatty, Jeremias28-12-1959   Kruiningen  
18.Sihasale, Pieter29-12-1959   KruiningenBreda 
19.Limba, Alexander24-12-1959   Kruiningen  
20.Paliama, Dominggoes28-12-1959   WesterborkBreda 
21.Marwa, Hanoch26-01-1960   Wieringermeer  
22.Telelepta, Petrus12-05-1960   Barneveld  
23.Sijaranamuel, Nicodemius26-08-1959   WesterborkBreda 
24.Sohiliat, Marius26-08-1959   WesterborkWageningen 
25.Taihuttu,Alexander26-08-1959   Westerbork  
26.Silooy, Azer26-08-1959   WesterborkApeldoorn 
27.Sohiliat, melianus26-08-1959   WesterborkRidderkerk 
28.Marcus, Thomas28-10-1959   Huizen NHBrummen 
29.Pattiruhu, Domingus16-11-1959   Westerbork  
30.Salakory, Enos26-11-1959   WesterborkUtrecht 
31.Matitaputty, Mathijs26-11-1959   WesterborkTilburg 
32.Noya,Domingus16-11-1959   Westerbork  
33.Tulaseket,Daniel26-11-1959   Westerbork  
34.Sopacua, Francine J.02-12-1959   LeeuwardenTilburg 
35.Matitaputty, Marcus16-11-1959   WesterborkDeventer 
36.Silooy, Adam27-11-1959   Kruiningen  
37.Lopulissa, Mathijs27-11-1959   Kruiningen  
38.Laetimia, Hendrik17-12-1959   Wierden  
39.Laisina, Johannes21-01-1960   Kruiningen  
40.Usmany, Paulus14-01-1960   Kruiningen  
41.Tuankotta, Johan31-12-1959   KruiningenBreda 
42.Titaley, Paul H.14-01-1960   KruiningenBreda 
43.Sipahelut, Penehas12-01-1960   Kruiningen  
44.Souripet, Simon21-01-1960   KruiningenBreda 
45.Souhuwat, Paulus03-01-1960   KruiningenBreda 
46.Wattimena, Paulus J.11-01-1960   KruiningenTilburg 
47.Singadjii, Willem A.07-01-1960   Kruiningen  
48.Lalopua, Johannis A.30-12-1959   KruiningenAlphen a.d.Rijn 
49.Rering, Jozef08-01-1960   KruiningenBreda 
50.Pattiruhu, Eliza11-01-1960   Kruiningen  
51.Nanuru, Johannes12-01-1960   KruiningenBreda 
52.Suitella, Frans28-12-1959   WesterborkUtrecht 
53.Lilipaly, Nicolaas28-12-1959   WesterborkBreda 
54.Mual, Adolf B.13-01-1960   Kruiningen? 
55.Serhalawan, Dirk18-01-1960   Westerbork  
56.Tahapary, Josias09-02-1960   HaskerlandBreda 
57.Laisina, Jeremias09-12-1959   TielTilbrug 
58.Noya, Zacheus22-08-1960   Wierden  
59.Kantoor de Vries    
60.Amanupunnjo, Izaak A.09-02-1960   Vught  
61.Tuankotta, Elisa15-02-1960   Woerden  
62.Aponno, Troetje02-11-1960   VughtBreda 
63.Huluselan, Jeremias04-11-1960   MarumHoogkerk 
64.Ligua, Saratu05-04-1960   Tiel  
65.Nahumury, Jacob07-04-1960   BarneveldLosser 
66.De Tretes, Benjamin04-11-1960   Marum  
67.Sahuleka, Simon P.26-08-1960   Westerbork  
68.Patty, Anthonie16-11-1959   BemmelAlphen a.d.Rijn 
69.Ahuluheluw, Julius A.22-09-1959   Huizen NH  
70.Maail, Johan02-11-1959   EpeHoogeveen 
71,Tigele, Cornelis18-01-1960   WesterborkBreda 
    
Lees verder