oudwwijk
Digitaal erfgoed

Pastoor Rauwertsz

Joannis Rauwertsz, In sijnen leven Pastoirs toe Wenterschwick
Abt.1542- Bef.1624
Partn: Aelken Crampen
Pastoor sinds 1568-1617
Woonadres:
Hoek Meddosetraat-Markt (te Voortwis, Vergrootglas, blz.144)
Ratumsestraat (Stegeman. Kerspel blz.191)

Broer: Elias Rauwertsz (kerkmeester) (getr. Aelken Hillebrandts) 
Zus: Joestke Rauwertsz (getr.Hendrick Schoemaker- zie.fam.Schoemaker)
Kinderen:
Jan Rauwerts (getr.Gertruidt van Asbeck) 
Berent Rauwerts (getr. Peter Pombreda)
Vrede Rauwertsz (getr.Derck Schoemaker, zn.van Hendrick Schoemaker)
Jenneken Rauwerts (getr.Godefridus Bucharo -Pastoor te Varsseveld

Het huis van Pastoor Rauwertsz aan de Ratumsestraat volgens B.Stegeman.
Drs.J.B.te Voortwis (Winterswijk onder het vergrootglas) betwist dit echter.

Pastoor Rauwertsz zou een ‘vrij leven’ leiden (drank-ruzie’s), evenals zijn dochters.

Reformatie Winterswijk: 25 juli 1599
Op de kruising naar Woold of Kotten stond een Christusbeeld aan een groot wit kruis. Daar hield Rauwerts een preek ten gunste van de reformatie en wierp de Monstrans in een doornstruik.

Ouderlijk huis : Rauwershof Woold
Vader: Johan Rauwerdinck of Rauwertsz- houthandel, kerkmeester (1547)
‘ kocht in de jaren ’40 een huis aan het kerkhof, in 1558 verhuisd naar groter pand aan het kerkhof’

De St.Jacobi werd nu een protestantsch bedehuis Jacobuskerk.

Een Mariabeeld bevindt zich in de R.K. kerk te Ramsdorf, als “Maria van Wenterswick’
De Monstrans werd eveneens gered en zou in Munsterland zijn terecht gekomen. (Klooster Burlo)

——————————————————————–

J

Omstreeks 1600 vinden wij het schoolmeesterambt van Winterswijk waargenomen door zekeren Godefridus Bucherus, eigenlijk prediker van beroep, die laatselijk te Almen gestaan had, doch aldaar wegens ergerlijk levensgedrag ontslagen was. 
Naar Winterswijk afgezakt, had hij hier weldra een van pastoor Rauwerts dochters leeren kennen en met deze een vrij huwelijk aangegaan. Aan die bijzondere relatie was het zeker te danken, dat hem tevens de kerkelijke administratie was opgedragen en hij nu en dan “den jetzigen pastoren (dat was dus zijn schoonvader)  den kerckendienst mocht helffen verwalten”.
———————————————————————





De reformatie kwam ook in Winterswijk. De omwenteling bestond in het begin slechts uit het verkondigen van nieuwe ideeen buiten de officiele kerken in schuren en stallen, op hagepreken en huisbezoek. Volgens aantekeningen uit het Winterswijkse parochie-archief hebben hervormingsgezinden omstreeks 1574 een poging gedaan om de katholieken uit de Jacob sterk te weren.

Een verhaal spreekt zelfs van een verdrijving van de katholieken. Maar dezen telden in de volgende veertien dagen hun mensen en concludeerden, dat zij nog de meerderheid hadden, zodat zij de daarop volgende zondag door een trouwe opkomst de minderheid buiten de deur wisten te houden.
De katholieken zouden zich daarna nog ruim 20 jaar in de kerk handgaven. Maar uiteindelijk kreeg de reformatie steeds meer aanhangers. Politieke belemmeringen verdwenen langzamerhand en ook de geestelijken wankelden, maar durfden nog niet openlijk voor hun mening uit te komen.

Over wie in Winterswijk de reformatie echt op gang heeft gebracht bestaat enige onduidelijkheid. Zo moet al omstreeks 1556 een zekere Hermanus Herberts, een ontvluchte monnik uit het klooster van Gross Burlo, de hervormde leer aan de Winterswijkse katholieken bekend hebben gemaakt.
Andere menen, dat Pastoor Rauwerts, de belangrijkste persoon voor de reformatie in Winterswijk geweest is. Op 25 juli in het jaar 1599, tijdens het feest van de heilige Jacobus, zo werd verteld, zou hij tijdens een processie een preek ten gunste van de reformatie hebben gehouden en vervolgens op de splitsing van de Kottenseweg en de Wooldseweg de monstrans in de doornenstruiken hebben geworpen.

Een monumentje bij boerderij Schmittmann – Oldenkott aan de weg Sudlohn – Oeding herinnert ons aan het verhaal dat daar de weggegooide Winterswijkse monstrans teruggevonden zou zijn. Waar het monument nu staat, vond men, volgens overlevering, in de sloot de monstrans met een hostie uit de Winterswijkse St. Jacobskerk.

De toenmalige pastoor van Sudlohn ( oeding behoorlijk oorspronkelijk tot de parochie Sudlohn)  zorgde voor de overbrenging van de monstrans in een feestelijke processie naar de St. Vituskerk. Jarenlang is het heilig vaatwerk in Sudlohn gebleven, tot op het moment dat de katholieke kerken in Nederland weer toegestaan waren. De sokkel van de in Sudlohn gevonden monstrans zou toen weer naar Winterswijk zijn gegaan, maar is nu niet meer terug te vinden.

De tekst van het monumentje is een oproep aan protestanten om zich aan de katholieke versie van de avondmaalsviering te houden:

Komm Calvinist komm Mennonist
hore was hie gesprochen ist
diess nicht vergisst, nehmt hin und isst
das brod mein Fleisch geworden ist
Kanst nicht o Christ das Wortlein ist
zur pur Bedeutnuss ziehen
Ein testament am lebens end
muss der bedeutnuss fliehen
Auf welche Weiss wortlich ein Speis
Jesus sein Fleisch genennet
als Fleisch dann iss glaub all gewiss
was unser glaub erkennet





Voor de overgebleven katholieken in Winterswijk braken er na de reformatie moeilijke tijden aan. Ze waren van kerk en priester verstoken en moesten verre tochten ondernemen in de omgeving om zo aan hun godsdienstige verplichtingen te kunnen voldoen. Soms kwamen ook priesters en monniken naar Winterswijk om er in het geheim met de gelovigen de H.Mis te vieren. Er zijn verschillende pogingen gedaan door bisschoppen van Münster om de katholieken niet helemaal aan hun lot over te laten.In de zeventiende en achttiende eeuw was de verhouding tussen protestanten en rooms-katholieken slecht. Vooral in de 18e eeuw komt dit tot uiting doordat de katholieken, zelfbewuster geworden door de geestelijke steun uit het naburige Münsterland, herhaaldelijk aandringen op een eigen kerkgebouw. Hiertegen werd van protestantse zijde fel geprotesteerd. Zij, die het oude geloof trouw waren gebleven, gingen naar de voorposten in het Münsterland, te weten het klooster Zwillbrock, de kapel in Oeding, de parochiekerken in Vreden en Südlohn en de kruuskapelle bij Aalten.Toen op 4 mei 1795 de Fransen (Franse revolutie 1795-1813) in Winterswijk kwamen, brak er voor de katholieken een betere tijd aan. De leus: “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap” betekende voor hen, dat ze vrij waren in het uitoefenen van hun geloof. Veertien dagen later, 17 mei, kwam pastoor Bonsmann vanuit Oeding naar Winterswijk en droeg in het huis van mej. Anna Geertruida Gijsbers de eerste H. Mis op, zonder dat men angst hoefde te hebben.Het archief van de RK parochie bevat een manifest aan mede-Christenen met het verzoek om ondersteuning en hulp bij de bouw van kerk. Het aantal katholieken was niet talrijk en onder hen waren wel enige vermogenden, maar de meesten waren van geringe of geen middelen voorzien. In 1799 werd het eerste kerkje plechtig ingewijd en de andere dag werd de eerste H. Mis daarin opgedragen
In 1823 werd de eeuwenoude band met het bisdom Münster verbroken, toen Winterswijk en andere grensgemeenten bij decreet van van paus Pius VII dd. 19 maart 1823 werden ingedeeld bij het werkgebied van de priesters van de zogenaamde Hollandse Zending.De revolutie van 1848 bracht Thorbecke aan het bewind. De grondwetsherziening van hetzelfde jaar bracht de algehele vrijheid van kerkregeling, onderwijs en vergadering. De weg tot wederinvoering van de hiërarchie voor de R.K. kerk was hiermee in principe vrijgekomen. Utrecht werd opnieuw aartsbisdom, Breda, Den Bosch, Haarlem en Roermond werden suffragaanbisdommen.De emancipatie van de katholieken in Winterswijk is dan ook, althans op kerkelijk gebied, op 22 juni 1854, voltooid met de heroprichting van de parochie van de H. Jacobus.Parochie-activiteiten:
Bron: St.Ludger.nu -vanaf ‘Voor de overgeblevenen’



NOTES

14 juni 1533:
Ffenne van Basten, met Jan van Renen horen gekoren ende thoegelaeten momber, hefft overgegeven ende vercofft vuer oer ende horen erven, Johan Rawerdinck, Mynnen synre echten huesfrouen, ende oren erven alle alsoedane gherechticheyt van den versterve hoers vaderss salygherss, dairmet sie an dat erve ende guet Rawerdynck, beleghen in den kerspell van Wenterswick, in de Woltbuerschap, beërfft mach syn ende vorder noch van horer moeder beërfft mach werden, nicht uitgescheiden, vuer ene summe van penninghen sie met oren momber vurs. bedanckte sich all ende wall guede betalinghe ende uitgericht t’syne; ende vertech dairvan vuir oir ende oren erven met hande ende monde, als dat ordell ende recht wyseden. Ende Fenne vurs. met oren momber vurs. gelaeffden vuir oir ende oren erven dess vercoeps ende vertichnissen vurs. Jan Rawerdinck vurs. ende synen medebeschrevenen t’stan ende t’wairen vuir all degene dess besprecken ende behinderen ende them rechten komen wyllen, thot allen thyden. Sunder arch off list.
Bron: ADW (transcriptie), ORA Bvt inv.nr. 33 fol. 21

4 augustus 1533:
Styna Rawerdynck, met Hermen Otterbecke horen gekoren ende tho ghelaeten momber, hefft vercofft ende overgegeven vuer ene summe van penningen, de sie hoir betaelt bekande, Johan Rawerdinck horen sonne, Mynen synre echten huesfrouwen, ende oren erven, all recht thoseggen ende gherechticheiden sy op datum huden hefft, off noch namaels krijghen mochte, an dat erve ende guet to Rawerdinck, in den kerspell van Wenterswick, in de Woltbuirschap ghelegen, nicht van uitghescheiden, ende hefft dess uitgegaen ende dair aff vuer oir ende oren erven erfflick ende ewelick vertegen ende wairschap ghelaefft.
Bron: ADW (transcriptie), ORA Bvt inv.nr. 33 fol. 39

13 juli 1534:
Egbert Rawerdinck, met Naelcken syn echte huesfrou, + hebben vercofft ende overgegeven vuir hon ende oren erven Johan Rawerdinck, Mynnen synre echten huesfrouwen, ende oren erven, alle alsodane gerechticheyden ende thoeseggen sy hebben offte noch durch doetlicken affganck Egberss vurs. moeder mochten krijgen, an dat erve ende guet thoe Rawerdinck, belegen in dem kerspell van Wenterswick, in de Woltbuerschop, hetsy dan an boulant, an groenlant, + an kempen, an bussch, an broick, nicht uitgescheyden, ghelyck Jan vurs. ende syn huesfrou dat op datum hueden in gebrueck hebben, vuir ene summe van penningen Egbert ende Naelcken elude vurs., bekanden hem deger(4) betaelt t’syne van Jan ende Mynnen vurs.; ende gengen der gerechticheiden wo vurs. uit ende geven sie dem gerichte op in de hant tot behoeff Janss ende Mynnen elude vurs. ende oren erven, en vertegen dairvan alless rechten erfflick ende ewelick vuir on ende oren erven.
Bron: ADW (transcriptie), ORA Bvt inv.nr. 34 fol. 83

12 maart 1571:
Hinrick Lutgers bekentt van ontfangen penningen und warer uprechter schult schuldich to sin Johan Rauwert, Lummen siner huisfrowen und oren erven, tweunddertich dalers, den daler van dertich Brabantse stuver, gelavende dairvan jarlix to geven und wall to betalen twe derselver dalers up sunt Martins dach in den winter, 14 dage voir of na onbehalt, uth sin huis und hoff und alinge gudt als hie nu heft off krigen mach, gelegen in den kerspel Wenterswick in der burschap Miste, wairvan die erste pensie angaen und verschinen nu negstvolgenden Martini, allent under penen van pendungh na lantrecht. Und heft derselver pensiën uthgegaen und vertichniss gedaen. Ock voir hem und sin erven verseckert und gelaeft alle tidt warschap und noch vorder und better vesteniss t’ doen als recht is. Beholtlichen die lose up vurs. termin mit 32 daler t’ done. Des sall und mach die enen dem anderen die lose ein vierdell jairs tovorens verwittigen und upkondigen. Allent sonder argelist.
Bron: ADW (transcriptie), ORA Bvt inv.nr. 50 fol. 5

7 juni 1624:
Erschenen Aelken Crampen, wedtwe wijlen Joannis Rauwertz, In sijnen leven Pastoirs toe Wenterschwick, mit haren Sonen und Schoonsonen Johan und Henrich Rauwertz, sampt Godefride Bucharo Pastorien thoe Verssevelt, Derick Schoemaecker und Meister Peter Pombreda, haren tot deser saecken erkorenen und toegelatenen Mombaren, Und Sie Johan Rauwertz Gertruidt van Asbeck eheluide, Henricus Rauwertz, Godefrides Bucheres Pastor – voer sijn huijsfrouw Jenneken Rauwerts cavierende – Derick Schoemaecker Vrede Rauwerts eheluijde, und Meister Peter Pombreda Berndt Rauwertz eheluijde, voer haer selffs, Und Sie semptlick als Cessionarij wijlen Heeren Bernhardi Hoijer, In sijnen leven Conventualn thoe Wedderen – daervoer gelijckfals cavierende – eens, Und Elias Rauwertz Aelken Hillebrandts eheluijde anderdeels, Die bekanden in qualiteit vorschreven respective voer sich, haren mitbeschreven und erven, Demnae sich hierbevoren seeckere underscheedtlicke questien, actien und missverstende tuschen Ihnen hinc inde verholden hedden, Dat Sie numehr vanwegen derselven, die olderlcike Rauwertz Behuijsong und toebehoer sampt Rekenboeck angaende, giene aver all uthbescheijden, guetlick, frundtlick, endtlick und onwedderroeplick vergelijckt und verdragen wehren, Alsoe und dergestaldt, Dat Parthien vorschreven voer sich und haren erven bekanden van wegen aller actien, rekenongen und furderongen, Schulden und wedderschulden, gemelte Olderlicke Rauwertss Behuijsong, toebehoer und Rekenboeck concernierende, Sie und die Ihren tot dato deses enichsins in specie offt genere op und tegens malckanderen tepretendieren gehadt, nu mher volnkomentlick und thoe dancke voldaen, entrichtet, vergenuegt und betaelt tesijn, Bedanckten sich reciproce derselven goeder volnkomener betalong, quitierende daerop in krafft deses, gelavende malckanderen alles in qualitiet vorschreven derselven waerschap, verner und beter verschrijvong und vestniss na Landtrechte, Und hebben demnae Aelken Crampen, Wedtwe Rauwertz vorschreven Johan Rauwertz Gertruidt van Asbeck eheluijde, Henricus Rauwertz, Godefridus Bucherus Pastor -voer sijn huijsfrow cavierende- Derick Schoemaecker Vrede Rauwerts eheluide, und Meister Peter Pombreda Berndt Rauwertz eheluijde, allet voer sich, haren mitbeschreven und erven, voer eene walbetaelte Somma geldes, deren haer E. und Sie sich goeder volnkomner betalongh bedanckten, bester und bestendichster formen rechtens gecediert, avergegeven, und opgedragen, doende sulcx in krafft deses, Eliæ Rauwertss Aelken Hillebrandtss eheluijden und haren erven, Die gerechte helffscheidt der Rauwertss Behuisong und Hoffs, inden Darpe Wenterschwick, tuschen Herman van Bastens und Wissincks behuijsong und Erven gelegen, mit eenen ende anden Kerckhoff, mitten anderen ende ande strate schietende, Item die helffscheidt van een Goorden voer gemelten Darpe, mit eener sijdt ande Huijsinck wijsche, mitter ander sijdt ande Volmers, nu Onnekincks, Item Fennen Geerdes und der Erven Sanders ter Woerts goerdene gelegen, mit eenen ende an zaliger Herman ter Woerts goorden, mitten anderen ende ande gemeine strate schietende, Und die helffte van een stuck Landes, oick voer den Darpe mit eener sijdt langs de strate tegen zaliger Henrick Lebbincks grondt aver, mitter ander sijdt an Willem Wehnincks landt gelegen, mit beijden enden oick ande straten schietende. Alle mit derselven olde und nije toebehoer und gerechticheit, voer doerschlechtich kommerfrij, uthbescheijden Inliggenden gewoontlicken beswehr, Und hebben daerop mitt hant, halm unnd monde vertegen, Gelavende sampt und besonder und Jeder eene voer allen, derselven In maten vorschreven testaen, te wachten , tewaren,
Fol. 32 – und eene rechte waer te sijn, verner und beter verschrijvong und erffvestniss tedoen nae Landtrechte, Bij veronderpandong aller haerer sembtlichen und Jederen iegenwoirdigen und toekompstigen, gereiden und ongereiden goederen, woe offt waer die gelegen und antoetreffen wehren, Des hebben Elias Rauwert Aelken Hillebrandtss eheluijde vorschreven, voer sich und oeren erven op haer Andeel und quota van seecker Hondert daler opte Wiggers Cavenstede und Clockhege staende, vermitz desen gerenuntieert und vertegen, desselven oick waerschap und vestniss gelaefft nae Landtrechte, Bij veronderpandongh harer goederen, Voerbeholden dannoch Partien beijdersijdtz vorschreven, dat Imfall baven alle toeversicht van wegen harer Olderen und Voerolderen zaligen Johan und Lummen Rauwertz tot eeniger tijt enige Schulde offt beschweer, anders dan den Erven gemeinlick tegenwoirdichlick kundich und bewust, ankomen mochten, Dat Sie und hare erven Ider pro quota Dieselve helpen propelleren offt dragen und betalen sullen, Alles sonder Inrede, bedroch und argelist.
Bron: Franciska Ruessink (transcriptie), ORA Bvt inv.nr. 397 fol. 30v-32