oudwwijk
Digitaal erfgoed

Havezate Het Waliën

Wanneer de wandelaar tot aan de beek bij het Jachthuis den Meddoschen grintweg gevolgd en rechts afslaand, door het vriendelijke boschpad weldra, de gracht van het oude Waliën bereikt heeft, blijft hij onwillekeurig even staan en vraagt zich af, welke historische bijzonderheden wel aan dit plekje verbonden zijn. Het stukje ruïne, dat daar nog staat, mag wel geen bijzonderen indruk op hem maken, maar het is hem, vooral door de breede grachten, die den hof nog gedeeltelijk omsluiten, toch duidelijk, dat hier eertijds iets bijzonders te zien moet zijn geweest. 
En zoo is het. Met Buurse en Ravenhorst,behoort Waliën tot de oudste en aanzienlijkste goederen in deze omgeving. Doch ook hier hebben in den loop der jaren zulke ingrijpende veranderingen plaats gehad, dat het moeilijk valt uit de huidge vormen nog eeinigszins den vroegeren toestand van het huis en hof te bepalen. 
Tot op 23 Januari 1908 stond hier weliswaar een witpleisterd deftig heerenhuis, dat aan den voorkant een breede hardsteenen stoep met flink bordes bezat en aan den wegkant een torenuurwerk met klokkenkoepel vertoonde, doch dat is op den avond van genoemden dag in de vlammen opgegaan, met het gevolg, dat alles in een puinhoop veranderde en slechts een stuk van den westelijken muur met daarin vervatten wapensteen als laatste herinnering bewaard kon blijven. Hoewel de buitengewoon dikke muren, die den onderbouw uitmaakten, er op wezen, dat bij den bouw van dit blijkbaar reeds zeer gemoderniseerde perceel toch ook nog deelen van de oorspronkelijke behuizinge benut waren, wijzen toch de afbeeldingen, die wij van de laatste hebben, voldoende uit, dat er tusschen beide een hemelsbreed verschil gelegen was. De teekening van Pronk voert ons naar het begin der achttiende eeuw (172() terug, toen de binnengracht, waar thans geen spoor meer van te ontdekken valt, nog de fundamenten van het huis bespoelde en de typische smalle vensters en de trapgevels van het tweedelige huis nog aanwezig waren. Ook de teekeningen door Andries Schoemaker verzameld en aanwezig in het Rijksarchief te Arnhem, geven ons door enkele zijaanzichten nog een vrij gedetailleerd beeld van den toestand omstreeks 1700, maar daar zullen we het dan ook mee moeten doen, en al wat we verder aangaande dit goed zouden willen weten, zullen de helaas niet ruim vloeiende schriftelijke bronnen ons moeten geven.
Van den oorsprong van Waliën, zijn oudste bezitters of bewoners, alsook van de beteekenis van den naam zijn ons geen gegevens bekend. Wel vindt men reeds in 1340 van den geslachtsnaam Waly of Walyen, melding gemaakt en is de waarschijnlijkheid groot, dat de daarmede bedoelde personen van hier afkomstig waren, doch volkomen zekerheid bestaat diengaande niet. 
Vasten grond krijgen we eerst onder de voeten in 1402, wanneer vermeld wordt, dat een zekere Evert van Walyen beleend wordt met “drey goederen, geheeten Keylwinck ( of Kelwinck), Bennekinck ende Boefkinck (of Bovekinck) , geleghen in den kerspel van Winterswick ende in der buerschap van Hoeppele, daernaest gelant is dat goet tot Hyink ende dat goet te Hemekinck (-Heemink) an beijden seyden”. 
Die belending klopt volkomen, ook nog met den tegenwoordigen toestand, maar een moeilijkheid blijft het, de drie genoemde goederen, wier namen geheel vergeten zijn, in de lijst der bezitting te plaatsen – vreemd genoeg – van een huis Waliën hierbij in ’t geheel geen melding gemaakt wordt. Aan een vergissing of verzuim valt niet te denken, daar diezelfde goederen in de opeenvolgende acten steeds in dezelfde volgorde en onder dezelfde benamingen blijven voorkomen. Zels wanneer in 1570 eensklaps het “huis Walyen” te voorschijn komt, blijven daarnaast Keylwinck, Bennekinck en Boevekinck genoemd, zoowaar nog in een acte, gepasseerd voor den Fiscaal der Heerlijkheid, J.B. Roelvink in 1805.
Alvorens wij deze puzzle tot oplossing hopen te brengen, schijnt het ons gewenscht, de opeenvolgende bezitters van Waliën de revue te laten passeeren. Wij vinden dan: 

Willem van Walyen, die in 1372 den Landvrede van Zutfen zegelt.

Evert van Walyen, bovengenoemd, wiens vrouw was geheeten Elbrecht. Zij verkoopen in 1409 aan de abdis van het Stift Vreden, Helena van Schouwenborg, hun eigenhoorige vrouw Eversen van Zoest, die zij kort te voren van Arnd Hobens en zijn vrouw Grethe overgenomen hebben. 
Hij sterft in 1424.

Wernher (of Werner) van Walyen volgt hem op.

Willem van Walyen, van wien wij lezen, dat hij in 1440 voor den richter van Groenlo verschijnen moet, omdat zijn knechten uit de onlanden bij deze plaats een aantal koeien geroofd hebben. Hij is dood in 1446, als Kunne zijn “echte wieff” en weduwe met haar broer Johan Mensinck als voogd, aan helena van Schouwenburg abdis van het Vredensche Stift, haar goed ‘de Winckel” gelegen bij den hof Doddinkrode in het kerspel Winterswijk, voor zekere geldsom overdraagt. Zij heeft dit goed als morgengave (Het schijnt dus een morganatisch huwelijk geweest te zijn; adellijk heer met dame van lagere geboorte. De laatste kreeg dan een z.g. morgengave. De kinderen erfden slechts van de moeder.) van haar overleden echtgenoot ontvangen.
Hij laat zijn bezitting na aan:

Evert van Walyen, zijn broer, die beleend wordt anno 1447. Wij vinden hem met zijn vrouw Lijse vermeld in een acte van 1449, waarbij zij aan Jutte Reesselinck verkoopen hunne eigenhoorige maagd Mette Ghelekinck, dochter van heijn Ghelekinck en zijn vrouw Fenne; idem ook in een acte van 1477, waarbij hij zijn eigenhoorige Stijne Krabben, ‘wohnhaft in de stadt Gronlo” verkoopt aan Meryen Schenkinne van Erpach, abdis van het Vredensche Stift.

Bernt van Walyen erft van zijn vader Evert in 1489. Met hem verdwijnen de Waliëns uit de beleeningsacten en verschijnt in 1501 een Westfaalsch edelman:

Sondach van Munster, die gehuwd was met Lijsbeth van Gemen, genaamd Probsting. Hij sterft in 1534 en wordt opgevolgd door zijn zoon:

Vijth van Munster, die Ritmeester was onder Hertog Karel van Gelder, Gedeputeerde der Ridderschap van Zutfen, Drost van Anholt en later van Harderwijk. Zijn vrouw heet Dorethea van Ermel. Hij heeft in 1535 onaangenaamheden met de geerfden der Huppelsche en Henxelsche marke over het houden eener schaapsdrift “daermit hij hoer luiden ende guede mercklich benauwet”. Hij zou daar geen recht toe hebben, wijl ter tiden, als Sondach van Munster Waliën koffte, van den huise Waliën ghien schaepne to weyden gegaen hebben; dan Sondagh sulx erst by sich selffs buyten mitweten dese noltzgerichtz off concent ende beoerlofing der ghemeynen erffgenaemen aangegrepen en ore boulieden soo op den hals geholden. 

Sondagh van Munster, zoon van Vijth, volgt op in 1549. hij is gehuwd met margriet Wolfs, wordt in 1568 Drost van Boekholt en sterft in 1594 kinderloos. Wij vinden hem in 1569 op den huize “naelraad” in het Munstersche, als hij Waliën overdraagt aan zijn broer jacob, die daarmede het volgende jaar, 1570, officeel beleend wordt.

Jacob van Munster, heer tot Waliën en Crechting (in de buurt van Bocholt), gehuwd met Wilhelma van Droth, neemt wel in een uiterst kritieken tijd – n.l. De eerste periode van den tachtigjarigen oorlog – het beheer over het riddergode op zich, al blijkt hij dan allerminst iemand, die zich de kaas van het brood eten laat.
Dit laatste komt wel duidelijk uit in een request, door hem in 1560 gericht aan Diederik van bronkhorst, den Pandheer, waarin hij zich verdedigt tegen een klacht van de abdis van het Vredensche Stift, met wie hij – evenals trouwens al zijn voorzaten – nogal eens een appeltje te schillen bleek te hebben. De inhoud van dit ook om andere reden merkwaardige stuk moge hier een plaats vinden:

……..Op een door den pandheer in het klooster Schaer uitgeschreven Gerichtsdag is het voorgekomen, dat Herman Berckenfelt, gevolgmachtigde van de Abdis, hem (Jacob) in tegenwoordigheid zijner familieleden Jurgen van Asbeeke, Frederik van Marlhusen, Rotger van Graes, Adriaan van Eerde en den heer Steffen Degener, doctor der rechte, heeft beschuldigd, dat hij zijne zaken tegen haar “praktiziert” had. Daarbij had deze nog andere stekelige woorden gebruikt, die hij (Jacob) in geduld aanhooren moest. Op raad van goede vrienden had hij zich er toe bepaald Berckenfelt te verzoeken het woord “praktizieren” nader te verklaren, daar hem en de zijnen daar veel aan gelegen lag. Want niemand ter wereld had hij ooit iets “affgepraktiziert”; veel minder nog had hij de abdis bij hunne strijdige zaken, iets anders toegevoegd, dan hij met gerechtelijke getuigenverklaringen bewijzen kon. De gevolgmachtigde had hem daarmede “an den koppe getastet” en hem niet weinig in zijn eer gekrenkt.
Ook had Berckenfelt hem verweten, dat hij beweerd had, dat hij (Berckenfelt) met het hout van Dottinckraede oneerlijk gehandeld had, alsmede dat hij (Jacob) hem en de “verwandten” der abdis op twee gerichtsdagen gedreigd en beschimpt zou hebben. Dat liet hij echter met gerustheid aan de beoordeeling van het gericht over. 
Verder was het gebeurd, dat berckenfelt (met Dr.Voirspraeck en Ritberch en meer anderen in het gericht komend) zoch verstout had hem openlijk voor een “Gwaltmensch” te schelden; ook Ritberch had schamper gelachen en zijn onbetamelijke woorden met veelzeggende gebaren verduidelijkt, ofschoon hij voorheen geen woord met dezen gewisseld had. Hij wilde geenszins ontkennen, dat hij dezen toen de vuist geboden en gezegd had, dat hij maar eens naar buiten gaan moest, als hij wat “manhaftes” tegen hem in den zin had; hij was dan terstond bereid met hem af te rekenen. Terzelfder tijd had Berckenfelt reeds naar zijn zwaren, gewichtigen, zilveren “poick” (dolk) gegrepen, zoodat hij hem vroeg, of hij dezen als wapen gebruiken wou en of soms het hout van Dottinckraede hem aan dit instrument geholpen had. Verder had hij zijn onnut gebazel niet geantwoord, naar het gericht zou kunnen getuigen. 
Op zekeren dag had diezelfde Berckenfelt dronken van Bredevoort komend zich niet ontzien Munsters eigenhoorige lieden en pachters lastig te vallen. Onder deze bevond zich een oude vrouw van tachtig jaar, wier goeden naam hij had trachten in verdenking te brengen, door haar toe te voegen, dat zij “het lange paternoster” of te wel de kunst der tooverij verstond. Terwijl hij zijn paard de sporen had gegeven en op zijn geweer geslagen had, had hij haar toegeroepen: “Had ik uwen zoon, zoo zou ik hem hiermee welkom heeten”. 
Voorts was Berckenfelt eens met zijn “Thostendere” (gezelschap) in Dottinckraede geweest, waar hij zekeren Berndt Thorwortz, sohn opgehitst had. Deze was bij zijn herder gekomen en had hem gevraagd, wien die schapen toebehoorden. Toen zijn “diener” daarop geantwoord had, dat ze het eigendom van Jonker Jacob van Munster waren, had Thorwortz een brutalen mond opgezet en gezegd: “Ik kom uit Friesland en behoor tot de geuzen; pak je weg, of al je schapen zullen daar de gal krijgen”. Zulk een handelwijze kon hij ( jacob) van den gevolgmachtigde en zijn aanhang niet verdragen, waar zijn voorouders hunne schapen daar steeds ongehinderd hadden laten weiden.
Bovendien had Berckenfelt hem (Jacob) er van beschuldigd, dat hij of zijn lieden “etwas daele getzogen” zou hebben, hetgeen hij echter ten stelligste ontkende. Men had te bedenken, dat het Dottinkraeder broek tot twee buurtschappen – Huppel en “Henckstell” – behoorde, al wilde hij daar dan niet mee zeggen, dat “die” het gedaan zouden hebben, daar hem zulks volkomen onbekend was.
Wel wist hij, dan den beiden buurtschappen en ook hem tijdens zijn minderjarigheid veel te kort gedaan was, toen het hout van Dottinckraede door Vreden “thoegeslaigen und mit graben umzogen” was. 
Verder kon hij ( Jacob) niet nalaten er op te wijzen, dat de abdis naast de Dottinckraede in de buurtschap “Henckstell” twee stukken lands of kampen in gebruik had, die vroeger door Vreden daar zonder toestemming der gezamelijke ingezetenen en buiten medeweten zijner ouders ” aangegraven” waren.
Hij dringt er daarom bij Diederik, den Pandheer, ten krachtigste op aan, dat deze als “hohe overicheit” in de kerk zal laten afkondigen, dat het drijven van vee in de Dottinckraede als voorheen geoorloofd zal blijven, tot nader uitgemaakt zal zijn, of de abdis tot de “affwrichtingen” van de
 Dottinckraede gerechtigd was. Ook hoopt hij, dat Diederik de abdis zal bewegen haren gevolmachtigde te gelasyen zijn scheldwoorden terug te nemen en voortaan een toontje lager te zingen. Geschreven te Waliën op 4 mei 1569 en onderteekend: Jacob van Munster zu Walligen.

Hoe dat verder afgeloopen is, kunnen we gevoelijk laten rusten. Van meer belang lijken ons een paar stukken, waar heel wat anders schijnt te schuilen. Naar luid daarvan zou Jonker Jacob het bij den pandheer leelijk verkorven hebben en zelfs – naar het ons wil toeschijnen – de volle beschikking over zijn goederen verloren hebben, Maar naar de oorzaak daarvan kunnen we – jammer genoeg – slechts gissen. Had hij zich tegen beschikkingen van den pandheer – speciaal den zoon Jacob van bronkhorst – verzet en daardoor diens doorn opgewekt? Uit nader onder het hoofdstuk “Verscheidenheden” te vermelden feiten zal blijken, dat dit geenszins tot de onwaarschijnlijkheden behoort. Of had hij – in tegenstelling met Graes en Eerde, die zulks uit ontzag voor den pandheer niet durfden – eigenmachtig de pacificatie van gent onderteekend en, toen reeds openlijk de Staatsche zijde gekozen, waar de pandheer vooral omstreeks 1580 niets van hebben moest? Ook dat zou ons niet verwonderen. Doch geven we liever het woord aan de stukken.

Den 30 Januari 1584 schrijft Elisabeth van Mervelt, gemalin van Oswald van den Boetezlaer, die Jacob van Bronkhorst als bevelhebber van de Anholtsche vendelen is opgevolgd, aan de pandvrouwe Geertruid van Mylendonck, den volgenden veelzeggenden brief: 

(Duidelijkheidshalve door ons -B.Stegeman- in hedendaagsch Nederlandsch overgezet)


Lieve nicht.
Mijn oom en zwager Jacob van Munster heeft mij herhaadelijk schriftelijk verzocht bij U en mijn oom Goswin van Raesfeld een goed woord voor hem te willen doen, opdat hij door U beiden genadig behandeld en weer in het genot zijner goederen gesteld moge worden. Ik heb deze verzoeken steeds afgeslagen en hem voorgesteld zich door middel van andere goede vrienden tot U te wenden, wijl de omstandigheden mij niet voldoende bekend zijn. Ik wilde mij namelijk niet gaarne in deze zaak mengen en gevaar loopen U onaangenaam te zijn. Maar daar Munster en zijn huisvrouw mij als bloedverwanten zeer na staan, ben ik ten slotte voor hunnen aandrang gezwicht, voornamelijk doordat Jacob mij kort achter elkaar twee of drie brieven deed toekomen, waaruit zoo bittere droefheid sprak, dat een steenen hart daardoor wel breken moest. God alleen weet, hoezeer zijn aangrijpende klachten mij deden ontstellen, toen ik daaruit zijn armoede en groote ellende omstandig te hooren kreeg, Ik heb het daarom niet meer durven uitstellen dit schrijven aan U beiden te richten, wijl mijn oom Munster de hoop koestert, dat ik vanwege de vriendschap, die ik van U geniet, iets ten zijnen gunste zou kunnen uitrichten. Ik zou daarom, “hertzallerliefste” nicht, U door dezen willen bidden U om des lieven Christi wille over dezen armen edelman te willen ontfermen en hem den misslag, dien hij jegens Uwen godzaligen man begaan heeft, doch waarover hij van harte berouw heeft, te willen vergeven, daar hij daar thans genoeg “Kastyjonghe” voor gehad heeft. Ik smeek U, “um des biteren leydens Christi wille” mij toch te verhooren en Munster te vergunnen zijn kleine inkomsten weder te mogen genieten, want het is slechts weinig, wat de goederen hier te lande in dezen oorlogstijd opbrengen. Munster belooft zijn schuldenaren zoo billijk mogelijk te behandelen, opdat Gij daar geen last van ondervinden moogt. Ik bid U ook Botterman te willen gelasten, de arme onschuldige pachters van Munster met hun vee “doch niet bei die koppe to haelen”, want de menschen zouden geruineerd worden. Het is al erg genoeg, dat de lieden door ons eigen krijgsvolk, als het geen soldij ontvangt, zoo worden geplunderd; het zou onmenschelijk zijn ze nog eens extra te kwellen, al weet ik dan wel, dat vele ergelijke toestanden allerminst Uw goedkeuring hebben en U zelfs veel verdriet bezorgen. Wij leven nu eenmaal in een tijd, waarin ieder er slechts op bedacht schijnt te zijn, zijn eigen zak te vullen”.


Dat de medelijdende nicht het pad der toenadering eenigszins effenen mocht, schijnt niet twijfelachtig. Het volgend jaar immers vinden wij Jacob zelf met de pandvrouwe in correspondentie, waarbij blijkt, dat hem eenige hulp geboden is. Er dreigen echter nieuwe rampen voor hem en hij is zoo vrij der pandvrouwes steun en bemiddeling daarvoor in te roepen. Ook dit opmerkelijk schrijven, gedateerd 8 Juli 1585, Vreden (Westf.), vinde hier een plaats.

“Ik twijfel niet, of U zult zich den erbarmelijken toestand mijner in het ambt Bredevoort gelegen goederen nog herinneren, zooals ik U dien verleden jaar in een request geschilderd heb. Heb mocht mij toen gelukken onder “sauvegarde” gesteld te worden. Desondanks werd ik toch door het garnizoen van Grol en een afdeeling soldaten van den hertog van Beyeren, op het Walfort liggend, van mijn ganscje levende have beroofd, waarom ik tot U het verzoek richtte bij den hoofdman Thiesseling te Grol te willen protesteeren en van hem de verzekering te verlangen, dat mij van die zijde geen gevaar meer te vreezen zou staan. Die belofte is mij daana voor een jaar gegeven. Ik heb ook een schrijven van U Ed. Gezien, waaruit mij blijkt, dat men mij helpen wil op mijne kosten saugarde bij den overste Verdugo te verkrijgen en wel op grond van mijn belofte, dat ik mijne plichten jegens U en zijne Majesteit vervullen zal. Om alle gevaar te voorkomen, verzoek ik U daarom nogmaals mij bij het verkrijgen dezer sauvegarde wel te willen helpen.
Bovendien kan ik niet nalaten U mede te deelen, dat Uw zwager Goswin van Raesfeld en zijn vrouw Catharina Vonck door koop in het bezit gekomen zijn van eenige door ons – gebroeders van Munster – uitgegeven oorkonden (rentebrieven) benevens van eenige brieven van wijlen Johan van der Sedden, woonachtig geweest zijnde in Friesland. Nu trachten mijn oom Raesfeld en zijn vrouw in dezen treurigen tijd hunne op ons verkregen aanspraken te doen gelden. Zij hebben het vooral op mij gemunt, ofschoon deze zaak niet enkel mij, maar nog veel meer mijn broer Sondach van Munster, Drost van Bocholt, aangaat, wien het grootste deel toebehoort. Zij hebben de bedoeling, alles wat in het ambt Bredevoort ligt, aan mij te ontnemen. Ik hoop echter, dat zij zich nog bedenken zullen.
Ik veroorloof mij intusschen U onderdanigst te verzoeken bemiddelend tusschenbeide te willen treden, daar het heden ten dage al zeer treurig zou zijn, als de eene edele den andere op die wijze te gronde zou willen richte4n. Het ontbreekt menigeen door de ellendige tijdsomstandigheden nu eenmaal aan de middelen om de verschreven renten te voldoen. De almachitge weet immers, welke voordeelen ik in vijf jaar van mijn goederen genoten heb”.


Hoe het hem in dezen verder vergaan is, weten wij niet.
Klaarblijkelijk schijnt hij echter in hoogst kommervolle omstandigheden geraakt te zijn, wijl Dáblaing van Giessenburg (Banneerheeren en Ridderschap van Zutfen) weet te melden, dat “men” hem met zijn huishouden in 1604 in een klooster wilde vestigen “wegens zijne verdiensten en voor den lande geleden schade en om zooveel doenlijk den goeden man op zijn ouden dag bij te staan”. 

Het zou van belang zijn te weten, waar de schrijver zijn gegevens vandaan heeft, wie die ontfermende ‘men” waren en welke verdiensten hier bedoeld worden. Kwam de waardeering van Staatsche zijde, van den landdag? Dan zou daaruit inderdaad blijken, dat jacob de Spaanschgezindheid van zijn Pandheer heeft durven trotseeren en daarom misschien meer dan anderen ten prooi is overgelaten aan de plunderingen der Spaansche benden, al werd hij dan ook, zooals we later zien zullen, door de Staatschen niet gespaard, toen hij na 1584 onder Spaansche sauvegarde stond.
Onopgehelderd blijft – jammer genoeg – ook, waarom men hem van hier naar elders vervoeren wilde. Dit is daarom zoo opmerkelijk, omdat juist onder zijn beleening in 1570 voor het eerst van een “huys Walyen” melding gemaakt wordt en goede huisvesting hem dus niet ontbroken kan hebben, tenzij er iets bijzonders met het kasteel mocht zijn voorgevallen. Was het verwoest of door zijn lieven oom met beslag belegd? Het wordt ons niet opgehelderd.

Jacob stierf in 1605 en liet Waliën na aan zijn zoon:

Herman van Munster, die gehuwd is met Agnes van Geisteren. Hij verkoopt het goed echter in 1621 aan een zijner familieleden:

Henrick van Eck, heer tot Medler, burgemeester van Zutphen, gehuwd met Agnes to Bocop.

Sondach van Munster, heer tot Crechting, gehuwd met Johanna van den Boetselaar, koop Waliën in 1631 terug en laat de havezate na aan zijn zoon:

Jacob van Munster, gehuwd met Seina Agnes van Ensse. Hij sterft in 1667 en wordt in de St.Jacobskerk begraven. Het goed komt nu aan zijn broer.

Engelbert van Munster, die echter reeds in 1676 overlijdt. Hij wordt opgevolgd door zijn broer

Sondach Gotfried van Munstertot Crechting en Waliën, die gehuwd is met Louisa Christina van Joindeville. Hij sterft in 1688 en wordt te Rhede begraven. De havezate komt echter reeds in 1676 aan zijn jongsten broer.

Jacob van Munster, gehuwd met Charlotte Mecteld van Duth. Hij sterft in 1712 en wordt begraven te Geesteren, maar daarvoor in 1682 reeds komt Waliën “uit cracht van verwin” aan

Samuel Clautier, die het opdraagt aan

Johan Clautier, die het bij zijn dood in 1684 nalaat aan zijn zuster

Henrica Geertuyt Clautier.

Helena Catharina Clautier, weduwe Van Heppel, erft van haar zuster en wordt beleend in 1704. Zij laat het goed bij testament na aan:

Geertruid Clautier, Johanna Clautier en Eleonora van Bassen, die daarmede te zamen beleend worden in 1713. In 1716 sterft Geertruid en worden de beide anderen beleend. Maar in 1725 sterft ook Johanna Clautier, zoodat E.C. Van Bassen alleen overblijft. Zij en haar man Jacob Frans van der Oosten verkoopen het goed nu aan

Ludolf Hendrik Borchard Silvius van Heeckeren en Suzanna Johanna Everdina Valck, die daarmede beleend worden in 1716. Erg rooskleurig zag het er toen op Waliën echter niet uit. Het onderhoud der gebouwen liet veel te wenschen over, vooral toen de eigenaren hunne huishouding naar elders verplaatsten. In 1741 kon een ooggetuige melden, “dat het oud-adellijk huis Waliën zoodanig boven de waarde bezwaard was, dat het sedert eenigen tijd niet behoorlijk onderhouden kon worden. De boomgaard was geheel wild en ruig bewassen. Het huis werd door een boer bewoond, die alles zeer slordig hield”

In 1757 volgt Evert Ludolph van Heeckeren, gehuwd met Margaretha Reiniera van Haeften, zijn moeder op, maar hunne erfgenamen, verkoopen in 1805 het landgoed aan Harmen Jan Tenkink en diens huisvrouw Catharina Maria Kossink.

In de acte, daarbij gewisseld, is sprake van:

“het goed Walyen, voormaals ten Zutfenschen rechten leenhoerig aan de provincie van Gelderland enz. bestaande in een Heeren-Huizinge, gragten, Tuinen en Plantagien, benevens de daaronder gehoorende Boerenerven, met derselver huizen en getimmertens, met namen: Keyewijk – Bonekink en Bovelink – modo Jageweg en Het Pas, benevens de catersteden Buitenbos, Alefsplaatsjen en Pashuisken, enz,enz”

( In het laatst der 16e eeuw hadden de bezitters van Waliën ook in andere buurtschappen verschillende bezittingen. Wij vonden o.m.: Ter Borg, Ulewijk, Lutjen-Kossink en Breurink in Ratum, Kamphuis en Kreyl in Dorpbuurt, Debinkwerde en Deterdink in Meddo.)

Wanneer wij deze namen met die van de boerenerven, welke reeds sedert onze heugenis op Waliën voorkomen, vergelijken, dan vinden we, dat het z.g. Alefsplaatsje verdwenen is, tenzij het identiek is met het erve Kiekebosch, dat reeds een tamelijken ouderdom heeft. De z.g. Poorte in de nabijheid van het laatste gelegen, is in het begin der vorige eeuw opgebouwd van de sloopingsproducten van het oude Poortershuis, dat vlak aan den ingang links bij de gracht gelegen was. Ook het tegenwoordige Pashuisken – hoewel volstrekt, geen keuterstede meer – stond vroeger elders, namelijk dicht bij de hoeve Het Pas, waarnaar het genoemd is.
Maar dan rijst de vraag, waar Keyewijk, Bennekink en Bovekink gebleven zijn. 
Gaan wij, ter nadere orienteering, de plaatselijke gesteldheid op Waliën nauwkeurig na, dan vinden wij daar in wijden omtrek nog sporen van grachten, die eertijds de goederen omsloten hebben. Dat de plek, waar het kasteel stond, aldus beveiligd was, ligt voor de hand, maar de grachten liepen veel verder. 
Nog uidelijk is te zien, dat het tegenwoordige Jageweg eenmaal geheel door grachten ingesloten was ne met Het Pas was dat ook het geval. Onderling waren al deeze wateren weer verbonden, zoodat de drie goederen, ofschoon zij in de acten steeds afzonderlijk genoemd worden, feitelijk een aaneengesloten geheel vormden.
Afgaande op den woordvorm zouden wij het tegenwoordige Bovenhuis naast de ruine voor Bovekink willen houden, maar aandachtige lezing van de acte van 1705, die – let wel – Bennekink en Bovelink tusschen twee streepjes plaatst en ter verklaring daarachter voegt, dat zij modo (d.i.thans) Jageweg en Het Pas geheeten zijn, doet ons besluiten, dat het Keyewijk ( of Kelwinck) moet zijn. Hetgeen ook om andere redenen waarschijnlijk is, eerstend omdat Keyewijk in de acten – naar wij mogen aannemen; als de hoofdzitting – steeds vooropgaat en het daarom zoo geheel verklaarbaar is, waarom het latere kasteel juist binnen zijn grachten opgetrokken is, en ten tweede, wijl de structuur van dit buitengewoon groote en ruime boerenhuis er op wijst, dat het eertijds een voornamer bestemming heeft gehade dan tegenwoordig. Zijn diepe kelders en stevige muur fundeeringen, alsook zijn forsche schouw, welke echter bij de jongste verbouwing verdwenen is, doen ons vermoeden, dat het het oorspronkelijk verblijf der Waliëns geweest is, of dat het bij de overdracht van het goed voor dezen is ingericht. Tot de laatste veronderstelling worden wij gebracht door het feit, dat volgens de Doop- en Trouwboeken der Ned. Herv. Gem. In elk geval in 1663 de Waliëns (nog) in Huppel gezeten waren. Zekere Jan Sadeler, zoon van Jan Sadeler uit Winterswijk huwt dan met Enneken Walijen dochter van Willem Walijen “op het huis to Waliën in Huppel”. 
Hoe wij ons het verblijf der Van Munsters denken moeten, is dan intusschen niet erg duidelijk. Twee mogelijkheden doen zich voor: of Sondach van Munster heeft in 1501 een reeds bestaande behuizing der Waliëns betrokken of terstond een hem passend verblijf laten inrichten, waarvan dan echter in de Beleeningsacten geen melding gemaakt is. Een derde veronderstelling, dat de eerste van Munsters hun nieuwe bezitting niet dadelijk betrokken hebben, – waartoe men zou kunnen komen door de tegenstrijdigheid, dat ’t kasteel eerst in 1570 officeel tevoorschijn komt – kan buiten beschouwing blijven, daar ons uit de Justitieele Protocollen van 1533- 1570 blijkt, dat de Van Munsters wel degelijk op het Waliën gezeten waren. Vijth van Munster, die zijn vader Sondach in 1534 opvolgt, is wel dikwijls afwezig, daar Hertog Karel, bij wien hij zeer in de gunst stond, hem de waardigheid van Drost van Anholt heeft opgedragen, maar geregeld zien wij hem toch als keurnoot verschijnen in het Gericht, dat om de veertien dagen te Winterswijk gehouden werd. Zoodat als het meest voor de hand liggend schijnt te mogen worden aangenomen, dat de nieuwe eigenaren terstond een geschikt verblijf gevonden hebben, dat dan echter na verloop van eenige jaren een verbouwing of toatle vernieuwing moet hebben ondergaan, omdat de gegevens der Leenactenboeken een wel zeer opmerkelijke overeenstemming vertoonen met wat gelezen kan worden uit den wapensteen, die nog in de muurruine bewaard is gebleven.
Deze bevat namelijk een achttal wapenfiguren, welke blijkens de groepering de adellijke kwartieren van een der Van Munsters voorstellen. Hoewel de slordige uitvoering en gedeeltelijk foutieve restauratie – de zevende figuur b.v. schijnt door een breuk beschadigd en later niet geheel juist bijgewerkt te zijn – (oorspronkelijk zullen er drie haken op gestaan hebben- B.Stegeman) de determineering moeilijk maken, meenen wij toch te kunnen vaststellen, dat wij – van links naar rechts – hier de wapens voor ons hebben van de geslachten: Van Munster, Van Gemen Probsting, van Besten, van Aeswyn, Van Ermel, Van Eyll, Van Galen en Holtmolen, in dier voege, dat twee aan twee volgen: eerst de wapens der beide overgrootvaders en overgrootmoeders van vaderszijde en vervolgens die van moederszijde. Zoodat wij, deze gegevens uitwerkend, komen tot het volgende schema:

Uitgaande van de veronderstelling, dat de steen bij de stichting van het kasteel dadelijk aangebracht is, komen we dus tot de conclusie, dat Sondach van Munster, beleend in 1549, het slot heeft laten bouwen. Wel heeft ook zijn broer Jacob dezelfde kwartieren, doch toen hij Waliën in 1570 overnam, was blijkens de leenacten het huis reeds aanwezig. Mogelijk is het natuurlijk, dat reeds onder Vyth van Munster het plan gemaakt of zelfs met den bouw begonnen is en dat in den toen vervaardigden steen door den vader de kwarieren van den zoon zijn aangebracht (zooals thans bij den bouw van huizen nog dikwijls het kind van den stichter gehuldigd wordt)., maar waar leenactengegevens en wapensteen zoo treffend overeenstemmen, meenen wij aan een stichting in de eerste jaren na 1549 als het meest waarschijnlijk te moeten vasthouden.
Hoewel Harmen Jan Tenkink, die in 1805 het landgoed kocht, kosten nog moeite spaarde om huis en hof uit zijn verwaarloosden toestand op te heffen, had hij toch weldra met onverwachte moeilijkheden te kampen. In 1840 en volgnde jaren namelijk, toen de groote trek naar Amerika vooral onder de boeren een aanvang genomen had, gingen ook bijkans alle Waliënsche pachters hun geluk in de Nieuwe Wereld beproeven en stonden gedurende enkel jaren verscheidene zijner bouwhoeven leeg, wat voor de havezate bedenkelijke gevolgen gehad zou hebben, als niet de wakkere eigenaar zich eenige ossen had aangeschaft, waarmee hij al het land der onbewoonde boerderijen wist te ploegen en te bebouwen.
Na zijn dood werden zijn zoon en later diens schoonzoon F.J.A. Hugenholz bewoners en eigenaren van Waliën, terwijl de laatste erfgenamen, de familien Hijink en Lindeman, bij den aanvang dezer eeuw het landgoed onder den hamer brachten, met het gevolg, dat het in onderscheidene deelen uit elkaar ging.
Eenige jaren te voren hadden reeds geruchten van een op handen zijnden verkoop de ronde gedaan en was o.m. Als vrij zeker voorspeld, dat het huis binnen de grachten weldra in een klooster herschapen zou worden, hetgeen den dichterlijk aangelegden landbouwer Hermanus Oonk op Moskers naar de pen had doen grijpen, om in onderstaande strophen zijn verontwaardiging en spijt lucht te geven:

Oud Waliën, schoon buitengoed,
Het zou mijn Winterswijksch gemoed
Door rouw en droefheid schokken,
Zoo ooit een Paterken of Non
In U zijn kloostertaak begon,
Of men U splitst’in brokken.

Sloot Gij voorheen met Plekenpol
En Ravenhorst den kring juist vol
Ten Schut voor Mulerts poker;
U stonden van Noordwesterzij
En Balkenschot en Eerde bij,
Vergaan door vuur en moker.

Gij zijt het eenigst van die vijf,
Dat nog voorgoed is ingelijfd
Door woud en boerenerven;
Viel deze sieraad van U af,
Zoo opent zich alras een graf
En Waliën gaat sterven.

Ik zend mijn zuchten heind’en ver
Om ’n Edelman met ridderster
Naar uw prieel te dringen,
Die met een macht van Libies goud
Het Waliën voor ons behoudt
En zegent, die ’t omringen.

(Mulerts= Eigenaren van het roofslot Oeding)

Uit: Het oude kerspel Winterswijk, B. Stegeman, 1927

Lees verder

Havezate De Ravenhorst

Howel ook deze behuizing bijkans elk kenmerk van vroegeren glans verloren heeft, de grachten gedempt en enkele gebouwen en inrichtingen reeds lang voor het oog van den toeschouwer verdwenen zijn, schijnt het toch, alsof bij het hooren van den naam “Ravenhorst” nog enkele onbekende herinneringen uit de grijze oudheid wakker geroepen worden.
Het zijn slechts vage vermoedens, waarvan niemand de herkomst meer weet te bepalen. Het ijdt echter geen twijfel, dat eenmaal zekere verhalen over Ravenhorst de ronde hebben gedaan en dat de flauwe geruchtenm die nog heden onder het volk voortleven, daaraan hun ontstaan te danken hebben. Een schrijver uit de eerste helft der vorige eeuw heeft er zelfs een boekdeel over volgeschreven, maar het klinkt alles zoo romantisch, dat men wel doet er met het noodige voorbehoud kennis van te nemen, ofschoon de auteur verzekert, dat hem een bijzondere bron ten dienste heeft gestaan. 
“Ruim dertig jaar geleden – aldus het verhaal, dat van 1845 is – waren in het oostelijk deel van de graafschap Zutphen, niet verre van de Munstersche grenzen, nog enkele puinhoopen zichtbaar van een uitgestrekt slot, dat eeuwen te voren daar ter plaatse gestaan heeft. Ze zijn thans verdwenen met dat deel van een uitgestrekt woud, waardoor zij omringd waren. 
Daar verhief zich in de veertiende eeuw slot Ravenhorst ,welks oorsprong zich in de grijze oudheid verlies, maar waarop toen een adellijk geslacht zetelde, dat in rijkdom van schat- en grondbezit boven de meeste edelen van dien tijd en omtrek uitstak”.
Men verhaalt – zoo gaat de schrijver voort, – dat zekere Adolf stamvader van dit geslacht was, die als wapendrager van den keizer met dezen te velde trok en zich onderscheidde door een buitengewoon forsche gestalte en ongemeen lichaamskracht. Om zijne dapperheid werd hij beloond met het slot Ravenhorst, dat destijds in het bezit van drie beruchte roofridders was, die, volgens zeggen, in 1 der kelders een kostbaren schat verborgen hielden.
Dit laatste vervulde Adolf met de blijde hoop nu weldra ook een vermogend man te zullen worden, hetgeen hem als ridder en eigenaar van zulk een aanzienlijk goed wel te pas zou komen.
Maar welk een bittere teleurstelling, toen na de verovering van het sterke kasteel geen spoor van den vurig begeerden schat te ontdekken viel!
Als een arm krijgsman liet Adolf in een strijd tegen de Munsterschen het leven; en daar ook zijn twee oudste zoons op het slagveld gebleven waren, werd hij door zijn derden zoon, Hendrik, als heer van Ravenhorst opgevolgd.
Ook deze liet nogmaals het gansche huis doorzoeken om den geheimzinnigen schatkelder te voorschijn te brengen, maar zonder succes. Totdat eensklaps, op een avond in de duisternis, ongeveer veertig jaar na de verovering van het kasteel een eerbiedwaardige grijsaard voor de poort verscheen met het dringend verzoek te worden binnen gelaten om een gewichtig geheim te ontsluieren. Hij beweerde 1 der drie gebroeders te zijn, die voorheen op Ravenhorst van hunne rooftochten uitrustten en er op een zorgvuldig verborgen plek hunne veroverde kostbaarheden hadden opgestapeld. Door Adolf van het huis verdreven, had hij al die jaren als bedelmonnik rondgezworven om op die wijze zijn geweten te zuiveren van de vele moorden en kerkplunderingen, die hij gedreven had. Een hoogere macht – beweerde hij – had hem nu herwaarts gedreven, teneinde nog voor zijn dood het geheim van den kelder te openbaren”.
Hoewel aanvankelijk met eenige achterdocht ontvangen, liet men den vreemdeling weldra begaan en zie, daar wees hij in een zijvertrek een vloersteen aan, onder welken de ingang van den geheimzinnigen kelder te voorschijn kwam!
Hendrik werd van dat oogenblik af een vermogend man en zijne nakomelingen zouden nog lang in dat voorrecht gedeeld hebben!

Wat de naam “Ravenhorst” beteekent, is natuurlijk niet met zekerheid te zeggen. Wel is het niet twijfelachtig, dat onder “horst” een kreupelbosch of een woeste plek verstaan moet worden (nabij Ravenhorst vindt men, eigenaardig genoeg, nog de Woeste of Weuste) en is men in dit verband op de idee gekomen om aan een geliefkoosde verzamelplaats van raven – de bekende zwarte vogels – te denken, maar waarschijnlijker is toch de veronderstelling, dat we in het woord Raven een ouden germaanschen mansvoornaam hebben te herkennen. De vormen “Dravenhorst” en “Travenhorst”, die we afwisselend in sommige acten tegenkomen, doen daar o.i. niets aan af, aangezien we hier deel met een samentrekking ( De Ravenhorst werd kortweg Dravenhorst), deels met een schrijfwijze, die zich naar het gehoor richtte, te doen zullen hebben. Dit laatste komt in oude stukken herhaaldelijk voor en heeft – vooral bij plaatsnamen – dikwijls tot verwarring geleid. 

Over de bewoners of bezitters van het huis zijn, jammer genoeg, de berichten niet volledig.
De oudste gegevens dateeren iot de 13e en 14e eeuw, toen het geslacht Van Rhemen op Ravenhorst zetelde. Het juiste tijdstip, waarop deze aanzienlijke familie herwaarts kwam, is niet te bepalen, maat het lijdt geen twijfel, dat Godeschalc van Rhemen en zijn vrouw Jutte, die in 1261 van den Bisschop van Munster de advocatie over eenige kloostergoederen in Aalten en Winterswijk ontvingen, reeds destijds op Ravenhorst gezeten waren, hetgeen klopt met een aanteekening in het familiearchief der Van Rhemens, welke zegt, dat tusschen 12 a 1300 het Winterswijksche goed in hun bezit kwam.

Evert van Rhmen, die in 1375 den landvrede van Zutfen bezegelde, noemde zich “heer van Ravenhorst” en Gert van Rhemen, die de landsverdeeling van Munster hielp bekrachtigen en in 1427 te Bredevoort als keurnoot fungeerde, werd eveneens als bezitter van het Winterswijksche goed aangeduid.

Van dezen Gert vinden wij een drietal acten, die bij de schaarschte aan gegevens, welkom mogen heeten. De eerste gedateerd 29 Juni 1415, heeft betrekking op de schenking van een rente van 8 schillingen jaarlijks uit het goed Dyderikinck (=Dierkink) in Miste aan het klooster Groot- Boerlo door Gert van Remen en zijn dochter Hertzoloye. Door deze beschikking komt te vervallen een gift van 4 schillingen, die Gerts overleden vader Evert van Remen en diens vrouw Hertzeloye indertijd met toestemming van gerts broeders Lubbertus en Alof aan genoemd klooster geschonken hebben uit hun goed Grevinckhof in Aalten. Voor de thans geschonken rente moeten de prior en de convents-broeders jaarlijks op St.Marten een momorie met nachtelijke zielmis houden voor zijn verstorven ouders, zijn overleden vrouw Johanna en voor alle tot heden overleden en in de toekomst te overlijden leden van zijn geslacht. 


Volgens de tweede, gedateerd 3 Augustus 1417, verkoopen Gert van Remen, Lijsbeth zijn vrouw, Adelheyt hunne dochter, en Hertzeloye (Asseloye), Gerts dochter uit een vorig huwelijk, aan het klooster te Boerlo een jaarrente van 1 Rhein.gulden uit hun erve “to Rennerdinck”, gelegen in het kerspel Winterswijk, buurtschap “Huppelo”, terwijl de derde, gedateerd 31 Dec. 1426, spreekt van den verkoop eener jaarlijksche rente van 1 1/2 Rhein.gulden aan Groot-Boerlo uit de vrije eigen goederen “to Wyssynck”en “to Dyderkync” door “Gert van Remen, Herseloye sijn echte dochter dye he hadde by syner vorwyve, ende Lyze (= Lysbeth), nu ter tijt echte huesvrouwe Gerdes vors., Evert, heinrich, Clawes, Aleijd, Henneken ende Jutte, oere twijer echte kynder”. 

Vervolgens vinden wij weer Evert van Remen, die zich omstreeks 1467 naar Groenlo begeeft om daar borchman te worden, waarna als eigenaar van het goed optreedt Hendrik van Rhemen, wiens weduwe Rolof van Graes na den dood van haar man nog tot omstreeks 1517 “aan den Kerkhof” te Winterswijk woonde. Van Gert van Rhemen, die daarna als eigenaar optreedt, vinden we vermeld , dat hij “in den sticht van Monster vor Scharmbecke an der lantweer in der herschop von Lembeeke omkomen und doorschoten sij worden”. 

Na dezen verschijnt als eigenaar Adolf van Rhemen, die in 1497 door Hertog Karel gemachtigd wordt om in de Heerlijkheid Bredevoort, waarvan hij onderdorst schijnt te zijn geweest, de leengoederen te beheeren.

Omstreeks dezen tijd werd tijdens de geldersche troebelen het huis Ravenhorst op bevel van zekeren Wynand van Arnhem (bezitter van bovengenoemde heerlijkheid Lembeeke) verbrand, zoodat Adolf geruimen tijd op het kasteel “Enghuizen” bij Doetinchem verblijf gehouden heeft. 
“Als deze in 1532 kinderloos sterft, komt het inmiddels weer opgebouwde kasteel aan diens neef Rutger van Diepenbroeck tot Kortenhorn, wiens vader Herman van Diepenbroeck gehuwd was geweest met Hilleken van Rhemen. 
Rutger komt spoedig te sterven, waarna zijn beide onmondige kinderen ( van wie Josina de oudste is) onder voogdijschap komen van Henrick van Dongelen (stiefvader, daar hij gehuwd is met Anna van Eyll, de weduwe van Rutger van Diepenbroek) ‘die omtrent zes jaren de Dravenhorst voor hen verwaret und gebruket heeft”. Josina huwt met Joost van Vurden (of Vorden) , doch wordt weldra weduwe, waarna zij in 1545 hertrouwt met Jurrien van Asbeck “uit den lande van der mark”, zoodat we van nu af de Van Asbecks op Ravenhorst vinden. 

Hun beider zoon Jurrien of George van Asbeck, getrouwd met Anna van Eerde, krijgt het goed in 1608, nadat zijn moeder reeds ongeveer 10 jaar gelden gestorven is, en behoudt dit tot aan zijn dood in 1636, wanneer zijn zoon George van Asbeck als bezitter optreedt. Deze sterft in 1645 en laat Ravenhorst na aan zijn zoon Joost. Hendrik van Asbeck, die zich wegens financieele moelijkheid met zekeren Anthony van Eerde genoodzaakt ziet een gedeelte van de havezate – o.a. het goed Ykink – te verpanden aan zijn broer, majoor Joost van Asbeck, die hem daarvoor 3000 ryxdaelders afdraagt. Hij sterft in 1712, maar zijn zoon Joost Vincent van Asbeck tot den Berge verkoopt thans het goed aan Martha Laerberg (wed.Louis of Loef van Eerde van den Plekenpol) en haar tweeden man Lubbert Hesselink.
Blijkens de acte, daarbij gewisseld, liep de transactie over: 
“De havezate Dravenhorst, destijds melioratien en verbeteringen, met die daaronder gehoorende Landerijen, bouw- en hooij- en weidegronden, holt- en twijggewas, voorts die daertoe gehoorende geoderen en meulens en alle verdere regten en gerechtigheden, van dien niets overal uitgesonderd, als daer zijn de goederen: Bonnekink, Hulsen, Freriks, Wesselstede en Wesselkempken, Weyenborg, Bonenstede, De groote Maete, Mosmaetjen, de Watermeule en De Poorte, item de verbetering van Rennerdink, Bergerbosch . De Binnen Morsche, Sevink vorders (=verder) in ’t generaal alles, wat daer onder meerder mogt gehooren”. 

Een tijdperk van rustig bezit brak er met deze overdracht van Ravenhorst niet aan. De eerstvolgende jaren brachten allerlei verervingen en splitsingen, totdat omstreeks 1763 Lubbert Derk Jan Hesselink en diens vrouw Josiena Johanna Kossink er in slaagden het goed weder grootendeels ten hunne name te brengen. Maar later hebben weer nieuwe splitsingen plaats gehad, zoodat de tegenwoordige toestand niet meer aan ’t bovenstaande beantwoordt. De oude burchtgracht is niet meer aan te wijzen. Ondanks de opvallend grillige bocht, waarmee de beek Ravenhorst halvemaanvormig omsluit en waardoor een geheel natuurlijke beveiliging geschapen was, werd de behuizinge ook aan den beekkant geheel door een gracht omgeven, zoodat de beek, de buitengracht vormde.
Dat was voor den stichter een buitenkansje, maar wij houden het er voor, dat de beek oorspronkelijk meer recht achter de Ravenhorst op de brug aan geloopen heeft en dat de cirkelvormige bocht van kunstmatigen oorsprong is.
Binnen de eerste gracht lag de oude burcht, maar die is uit de tegenwoordige behuizing niet meer te herkennen. Toen men voor eenige jaren aan de noordzijde van het huis een put groef, stiet men op groote puinmassa’s, steenbrokken, scherven, etc. Verder gravend vond men ten slotte een breeden muur, die door een rij groote steenblokken (zwerfkeien) geschoord bleek te zijn. Waarschijnlijk had men hier met een brokstuk van een der oudste fundeeringen te doen. 
Voorts vertelde ons de eigenaar, dat men bijna nergens in den maasten omtrek van het tegenwoordige huis een spade in den grond kan zetten, zonder overblijfselen van de vroegere ruine aan te treffen. 
Het oude bakhuis is, hoewel vertimmerd, nog aanwezig, maar het oude “Poortershuis’ is er niet meer. Het lag oudtijds tusschen de beide grachten aan den ingang rechts bij de beek. De thans links op het erf gelegen hoeve, ten onrechte de Ravenhuispoorte genoemd, is nieuw. Zij ware beter “Ravenhuismolen” genoemd, daar zij ongeveer staat op de plek van het vroegere gebouw van den watermolen, welks vervallen stuw nog aanwezig is. Gaan wij in donkeren avond deze ydillische plek voorbij, dan wordt men door het eentonig, maar altijd eenigzins indrukwekkend geruisch van den waterval onwiilekeurig aan Ravenhorst’s verleden herinnerd. Maar eenmaal zullen ook deze aanweijzingen niet meer spreken en dan zal het voor den nazaat steeds moeilijker worden zich een voorstelling te vormen van het oude Ravenhorst, zooals het in de middeleeuwen moet hebben bestaan.

UIT: Het oude kerspel Winterswijk, B.Stegeman, 1927

Lees verder

Havezate De Plekenpol

Geen plekje in Winterswijks naaste omgeving is misschien zoo algemeen bekend als dat, welks naam hierboven staat. Een wandeling naar Plekenpol behoort van ouds tot de genoegens van Winterswijks burgerij en onder de bewoners der buurtschappen zullen er ook maar weinigen zijn, die niet eenmaal hier hunnen voet hebben gezet. Maar niet van algemeen bekendheid is het feit, dat ook hier in vroeger eeuwen een aanzienlijk slot heeft gestaan, welks bewoners evenals die van Waliën, Buurse en Ravenhorst, tot de adellijke geslachten van dien tijd behoorden en deswege met macht en aanzien bekleed waren. De grachten, die eertijds dezen ridderhof omsloten, zijn nog gedeeltelijk aanwezig, maar van het oude kasteel, zooals het in de middeleeuwen zich aan den blik van den voorbijganger vertoond moet hebben, is geen spoor meer te ontdekken, tenzij men de spade mocht zetten in den grond, waar zonder twijfel nog wel oude fundamenten te vinden zullen zijn. 

Welk een trotsch gebouw daar eenmaal stond, kan nog eenigszins uit onze afbeelding blijken. Daar zien wij “’t Huys to Plekkenpoel van agter”, zooals het, bijna gesloopt, in 1750 nog bestond. Als een schilderachtige ruine stonden toen nog slechts enkele afgebrokkelde muren op hunne grondvesten te wankelen, doch beter dan de beste beschrijving zijn zij in staat ons een indruk te geven van den omvang en de vormen, die de oude behuizing eenmaal vertoond moet hebben. Nu zijn ze verdwenen en met hen, helaas, ook de voornaamste aanwijzingen van Plekenpol’s vroegere grootheid. Want schaarsch zijn de gegevens, die op dit landgoed en zijn historie betrekking hebben.  De oudste berichten dateeren van omstreeks 1300, toen Sweder van Ringenberg, een Westfaalsch edelman, “de havesathe Plekenpol met den meul ende alle haren togehorigen stucken” in bezit had. Deze gaf het goed echter voortdurend in (onder-)leen uit, zoodat we in 1303, Alexander van Cregten als heer van Plekenpol vinden. Weinige jaren later komt het goed aan Johan van Dormt, die het overdraagt aan Gotfried van Graes en diens zoon Werner, anno 1324. Vervolgens vinden we Johan van Berentfelde (of Berntfelde), die in 1339 van zijn oom Sweder van Ringenberg den eigendom van Plekenpol gekregen had.  Johan voornoemd droeg de bezitting echter aanstonds weer over aan Sander van Graes, wiens nakomelingen daarna geuimen tijd Plekenpol bewoond en beheerd hebben. Een gevolg daarvan is geweest, dat het goed in de 18e en 19e eeuw nog meestal als de havezate “Graes” werd aangeduid. Niet alle leden van dit geslacht, die Plekenpol bewoond hebben, zijn ons nauwkeurig bekend. Wij noemen Rutger van Graes, gehuwd met…. Van Asbeck, en omstreeks 1520 hun zoon Joost van Graes, getrouwd met Agnes van Middachten. Vervolgens komt omstreeks 1555 Joost’s zoon Rutger van Graes, die gehuwd is met Johanna van Boetzelaer. Wij vinden hem op de riddercedul der Graafschap en o.a. In 1564 aanwezig op den landdag, waar hij belast wordt met een zending bij de landvoogdes te Brussel. In 1577 wordt hij- evenals Herman van Eerde van Buurse- aangenaamd de pacificatie van Gent te onderteekenen, maar uit vrees voor den Bredevoortschen Pandheer (Anholt) vraagt hij daarvan uitstel. Hij is voogd van Winterswijk, doch krijgt ongenoegen met den Pandheer en wordt zelfs gevangen genomen, zooals ons nader zal blijken. Hij sterft omstreeks 1607 en laat Plekenpol na aan zijn neef:

Frederik van Eerde, die gehuwd is met Hartlieb van Neheim, een gewezen Stiftjuffer. Zijn moeder was Rutgera van Graes, vrouw van Adriaan van Eerde tot Buurse. Zelf was hij eerst Domheer te Hildesheim. Hij stierf in 1621 en werd in de St.jacobskerk alhier begraven.

Adriaan van Eerde, eerst nog “onmondig erve” wordt zelf met het goed beleend in 1650. hij is gehuwd met Maria Voss van Aplerbeck, sterft in 1683 en wordt eveneens in de Winterswijksche kerk ter aarde besteld.

Frederik Johan van Eerde, die dan volgt, erft van zijn vader Adriaan en wordt beleend in 1684.

Adriaan Jan Frans van Eerde, Frederik’s zoon, krijgt het goed in 1713, maar blijkt niet bij machte de bezitting in haar geheel bij elkaar te houden. Verschillende stukken zijn reeds aan anderen in pand gegeven en ’t eind van ’t lied is, dat in 1718

Mathias Walyen, een aanzienlijk koopman uit het dorp Winterswijk, de havezate overneemt en ermee beleend wordt.  Blijkens de acte, daarbij gewisseld, konden destijds nog tot het landgoed gerekend worden: “de beide watermeulens, benevens de koorn-wintermeule; de goederen: Sye-Wassink (bijgenaamd “Busgers”) , Vriese, Clanderman, Hoykink, Gliewenhuis en gaerden en Glieuwen- of Pleckenpoels Esch, Toebe- en Jan Grevenplaetsen (bijgenaamd “de Hutte”) , het Schaapschot met die daarbij gebruikte gaerdens en bouwland, Schepers Esch, Borgerweide, Moscomp, Sligthorst, NieuwenCamp, Sluysen Camp, Bekenkempken, benevens de reeds in 1711 aan Matthias Walien overgedragen goederen: Holthuys, Garverdinck (bijgenaamd “Pas op”) en de Scheperstede”. In 1723 ging de beleening overop Geesje Schimmelpennick (wed.Matthias Walien), in 1747 op Willem Walien (haar zoon), terwijl daarna door magescheidingen een tijdlang een zeer gesplitst bezit voorkwam. Onder de medeeigenaren treffen we o.a. Aan Scato Gockinga Henry, echtgenoot van Maria Walien, wiens drie dochters, onderscheidenlijk gehuwd met Hofkes te Almelo, Coster te idem en Ketjen te Doetinchem, later erfgenamen werden. Zij brachten in 1836 het toen reeds erg besnoeide goed in publieke veiling. Kooper werd P.Roelofsz, een vermogend Amsterdammer, die echter straatarm stierf. Met hem ging “Plekenpol” onder. Wat nog van de iude havezate over was, werd aan stukken en brokken verkocht. ’t Huis was al voor lang gemoderniseerd. Het Poortershuis – ’t eenige overgeleven slotachtig gebouw – werd omstreeks 1800 gesloopt. Een gebroken zerk, toen gevonden, had tot opschrift: “Hendrik van den Pleckenpoel 1449”  Tot de bijzondere privileges, aan het bezit van Plekenpol verbonden, behoorde het eigenaardige octrooi van “de wint en het gemaal in het kerspel van Winterswijk”, waarschijnlijk nog van den Graaf van Bentheim afkomstig. Krachtens dit recht was niemand anders in deze gemeente bevoegd tot het stellen of houden van wind-of watermolens, een uitzonderingspositie, die tegen het einde der 18e eeuw tot eenige processen aanleiding gegeven heeft. Ook dit recht ging in 1718 over aan Mathias Walien, doch is weldra gesplitst en voor een deel gekomen aan Hermannes Roerdinken diens erven, die den watermolen “Nieuwe Molen” kochten voor f 11000. Ook waren de eigenaren van Plekenpol oudtijds gerechtigd tot het houden van een schaapsdrift in de Wooldsche marke, maar bij de in de vorige eeuw geouden markeverdeeling kon dit recht niet voldoende geldig gemaakt worden. In de jaren na 1628 heeft Plekenpol een tijdlang gastvrijheid geschonken aan den Spaanschen commandant van Groenlo, Mathijs Dulcken, die in 1627 deze vesting aan Frederik Hendrik over had moeten geven. Hij was n.l. Gehuwd met Hartlieb van Nehem, wier echtgenoot, Adriaan van Eerde, zooals we gezien hebben, in 1621 overleden was. Een andere weduwe van Plekenpol, n.l. Johanna van Boetselaer, huwde in 1608 Sondach van Munster, heer van Crechting en Walien. Toen de Van Eerde’s in het begin der 18e eeuw de havezate aan anderen overgaven, waren de beste dagen voor Plekenpol reeds voorbij. “Ook ziet men in deze omgeving”- zoo meldde in 1740 de schrijver, die ons ook omtrent Walien inlichtte – “nog een oud en bijna vervallen heerenhuis, Graes of Plekkenpoel genaamd. Dit huis was insgelijks zoo zeer bezwaard, dat de beleeners het van den eigenaar hebben moeten overnemen”.  Sic tancit gloria mundi! Zoo gaat de roem der wereld voorbij!  Inderdaad, zoo zien we, dat onze Winterswijksche riddergoederen na een tijd van langzame verkwijning in de 18e eeuw voor en na van hun voetstuk neergestort zijn. De 19e eeuw heeft ze verder uit elkaar gerafeld en slechts het woord havezate weet nog enigszins van hun vroegeren omvang en beteekenis te getuigen. 

Uit: Het oude Kerspel, B.Stegeman, 1927

Abraham Rademaker 1713-1730
Lees verder

Havezate De Buurse

Dit oud-adellijk huis, in Meddo gelegen, is wellicht reeds voor of omstreeks het jaar 1000 gesticht. Van een “Bursion”, “Burse” of “Beurze” wordt althans reeds in de oudste oorkonden melding gemaakt, terwijl ook het geslacht van dien naam in onderscheidene stukken van dien tijd op den voorgrond treedt.
Van zijn vroegere grootheid zijn thans nog enkel sporen zichtbaar, maar niet in die mate, dat voor den vreemdeling daaruit de beteekenis der plek duidelijk zou kunnen worden. Vlak naast de eenig overgebleven gewone boerenbehuizing ligt nog een stuk van de breede binnengracht en op eenigen afstand daaromheen zijn ook nog gedeelten van de vroegere buitengracht waar te nemen, maar overigens is er te veel veranderd en verdwenen in den loop der jaren om met eenige zekerheid te kunnen bepalen, welke afmetingen en vormen de behuizing in de middeleeuwen moet hebben vertoond, toen ze de bakermat vormde van een aanzienlijk geslacht, dat sinds dien reeds lang van het wereldtooneel verdwenen is.
Wie de grondlegger of stichter van Buurse geweest is, wordt niet vermeld. In 1312 treffen we aan Philippus, miles (= ridder= krijgsman) de Buersen, ook genaamd Philip van Bewysen, knape, regtsman tusschen Munster en Bronkhorst.
Daarna worden in 1332 nog genoemd: Goossen van Buurse, borchman van Ahaus, en Philippus de Buersen, getuige van genoemden heer.
In 1349 verschijnt Robert van Buurse, terwijl wij vervolgens lezen van Arnt van Buurse, die in 1364 zijn goed “OldenSickinck” in Kotten bij ‘de marckebrugge”, verkoopt aan Gerdt van Berentfelde. Ook komt in ditzelfde jaar voor Evert van Burse, die met toestemming zijner vrouw Mette zijn eigenhoorige Henneken ten Haghe, wonend op het goed “Ten hagen” in Miste, verkoopt aan Henric Wissekinc, priester. Als Arnd’s zoon verschijnt daarna Hendrik van Buurse, die in 1396 zijn goed Werincgerinck (later geschreven Wargerdink?) in meddo verkoopt aan Werner van Graes, terwijl ook zijn neef Hendrik, zoon van Evert, genoemd wordt. Een van beiden werd in 1402 met de tienden van meddeho beleend en zal eigenaar van Buurse geworden zijn. Dit blijkt uit de Leenactenboeken, die ons dan verder als zijn opvolgers aanwijzen: 

Johan van Buersen, gestorven plm.1443
Willem van Buersen, broeder van den vorigen, gestorven plm. 1484
Johan van Buerse, zoon van Willem, gestorven plm.1530
Willem van Buerse, zoon van Johan, gestorven plm.1548, met wien echter de Buerse’s van het goed verdewenen zijn.
Zijn zoon, Jurrien van Buurse, die onaangenaamheden heeft met den heer van Anholt over de onderteekening van de Pacificatie van Gent en later, in 1592, bij de Spanjaarden gesignaleerd wordt, woont namelijk niet meer op de Buurse, doch op den huize “De Luyck” (Horstwijk?) bij Groenlo.
De havezate is thans – waarschijnlijk door boedelscheiding – in het bezit gekomen van de Van Eerde’s, van wie een zekere Adriaan van Eerde gehuwd was met een dochter van Buurse. Hun zoon Herman, gehuwd met Judith Mom van kell, noemt zich reeds “heer van Buurse” en wordt opgevolgd door zijn zoon Adriaan van Eerde, die getrouwd was Rutgera van Gaes, dochter van Joost van Graes, heer van den Plekenpol.
Hun oudste zoon Herman van Eerde, gehuwd met Hadewig van Bevervorde, volgt op. Hij heeft in 1577 de Pacificatie van Gent nog niet onderteekend en wordt nu door het Zutphensche kwartier, aangemaand zulks alsnog te doen.
Als hij bezwaar maakt – klaarblijkelijk omdat hij vreest tegen den zin van den Spaanschgezinden Pandheer te handelen – wendt de stadhouder, graaf Johan van Nassau, zich den 14 Augustus 1578 tot dezen laatste, om hem te vragen de bezittingen van Herman van Eerde en Rutger van Graes van den Plekenpol, die eveneens in verzuim gebleven was, met beslag te willen beleggen, aangezien zulk “ongehoorzaamheid” toch niet geduld kon worden en het bedenkelijk moest worden geacht, zulke lieden “om zich te houden”. Ofschoon de pandheer zelf intusschen tot de Gentsche bevrediging toegetreden was, liet het antwoord, dat hij den stadhouder deed toekomen, toch wel genoegzaam doorschemeren, dat die stap niet erg van harte was geweest. Hij neemt zijn vasallen hun houding allerminst kwalijk en schrijft verder deze opmerkelijke woorden:

“Ofschoon ik er geen bezwaar tegen gehad zou hebben, als Herman van Eerde en Rugter van Graes de Pacificatie hadden willen onderteekenen, kan ik intusschen toch niet inzien, dat zij door hunne weigering verkeerd gehandeld hebben. Mijne met den koning gesloten pandovereenkomst zegt immers uitdrukkelijk, dat in mijne heerlijkheid geene andere verplichtingen aanvaard behoeven te worden, dan de algemeene landschattingen, zoo die door de Bannerheeren goedgekeurd en aan de onderzaten opgelegd worden. Het stond m.i. Daarom aan de beide edelen vrij de pacificatie te onderteekenen of niet, wijl ze in dezen van mij geen opdracht hadden. Om die reden kan ik dan ook niet op goede gronden tot inbeslagneming hunner goederen overgaan. Ik wil intusschen wel aan Rutger van Graes mededeelen, wat Uw verlangen is, en hem verzoeken U de redenen van zijn weigering – of eventueel, zijn verontschuldiging – op te geven. Wat, Herman van Eerde betreft, acht ik deze mijne bemoeiingen overbodig, daar hij buitenlands vertoeft en – naar mij van geloofwaardige zijde verzekerd wordt – zich bereids in Staatschen dienst begeven heeft. Bij hem zullen dus wel geen ongewenschte motieven te zoeken zijn”. 
Vooral in de jaren na 1580, toen men hier door de oorlogsontwikkelingen in uiterst benarde omstandigheden geraakte, schijnt meermalen van de relaties van dezen Winterswijkschen edelman met de Staten partij getrokken te zijn. Het kerspel Winterswijk in ’t bijzonder klopte nog al eens bij hem aan en vond hem dan meestal ook tot bemiddeling bereid. 

Zijn broeder Frederik van Eerde erft in 1610 van zijn oom Rutger van Graes (broer van zijn moeder) de havezate Plekenpol. Zijn zuster Judith is in het klooster te Bocholt, maar ontvlucht dit. Zij ligt onder het orgel in de Groote Kerk te Winterswijk begraven. 

Herman’s dochter Anna van Buurse huwt met Peter Vincent Ripperda, heer van Vorden, en daardoor komt Buurse thans aan de Ripperda’s.
Hun zoon Adolf Hendrik Ripperda, heer tot Buurse, gehuwd met Wilhelmina van Tuyll van Serooskerke, is niet de eerste de beste. Hij is gecommitteerde ter Staten-generaal en ambassadeur bij de vredesonderhandelingen met de Engelschen te Breda in 1667.
Zijn zoon Pieter Hieronimus Ripperda, getrouwd met Margriet Maria Beninga, sterft in 1724 kinderloos.
De havezate komt thans aan zijn zuster Anna Maria, gehuwd met Assueer Torck, maar na haar dood in 1739 komt de bezitting onder den ha,er met het gevolg, dat deze nu in verschillende perceelen, uit elkaar gaat. Blijkens de verkoopacte, hierbij gewisseld, mochten destijds nog een 24-tal erven tot het goed gerekend worden. Wij lezen daar van: de adellijke havezathe de Beurse met alle deszelfs ap- en dependentien, bosch- en holtgewassen en navolgende bouhoeven of erven daaronder gehoorende;

1. Groot Esselink, 2. Wennink, 3. Haefken (- Hofken), 4. Grevink, 5.Op de Beeke, 6. den Ticheloven, 7. Wesselink, 8. Ten Beitel, 9. den Illebarg, 10. Kroenje, 11. de Voorde, 12. Tijlhuis, 13. Esselink, 14. lantink, 15. de Poorte, 16. Roukamp, 17. Tijshuis, 18. Bosse, 19. de Hilte, 20. Lemmenes, 21. ’t Bouhuis voor het huis de Buerse gelegen, 22. het kleine Esselink, 23. de Heerinkmate, 24. het erve aan Berent Oortenaar verpacht” – en voorts verschillende landerijen. 

Het “erf ende goed op de Buerse met al het getimmer, hoff of gaerden, graften en cingels, houtgewas, bouw- en weidegronden, uitgezonderd de boomen en grond soo Poortenaar” kwam aan Jan Leesink uit Ratum. Het recht van havezate was reeds tevoren door bovengenoemde erfgenamen aan den heer van Heekeren van Enghuizen verkocht, die tevens in het bezit kwam van de jachtrechten van Bredevoort. De particuliere jacht van Buurse ging in 1794 over aan Scholte Lubbartus Roerdink op “Leesink”, maar de uitgestrektheid van het eens zoo aanzienlijke landgoed was toendertijd reeds danig geslonken. De grachten en singels waren met ruige gewassen begroeid en de oude behuizinge vertoonde overal de sporen van ernstig verval. 

Thans zijn de sprekende bewijzen van zijn vroegere grootheid zoo goed als verdwenen en zelfs geen ruine wijst de plek van het oorspronkelijke ridderverblijf meer aan. Slechts enkele namen voeren ons nog in gedachten naar de middeleeuwen terug. De in bovengenoemde acte genoemde en nog bestaande hoeve “Poortenaar” was de woning van den wachter bij de slotgracht. “Berend de Poorter”, die bij den verkoop van “het goed” de familie Ripperda reeds jaren trouw gediend had, werd door de erflaatster bij notaireele acte met onvervreemdbare erfpacht voor hem en zijn nakomelingen van het oude poortershuis beloond en tot op heden heeft Berends nakroost daarvan mogen profiteeren, al is dan het huis door een schikking later in eigendom overgegaan.
Het vroegere Haeveken of Hofken bestaat niet meer, ofschoon zijn naam nog aan zijn oorspronkelijke bestemming herinnert. Omstreeks het midden der vorige eeuw was het nog aanwezig en wel in de onmiddelijke nabijheid van het tegenwoordige hofstede van dien naam, welker bewoner het wel-doortimmerd en van onderscheidene gemakken voorziene gebouwtje als bakhuis bezigde.
Dat de eigenaren van Buurse ook hun eigen tochelovern hadden, kan uit de goederenlijst blijken en is trouwens te begrijpen, daar er aan zoovele bouwplaatsen geregeld wat te repareeren viel. De oorspronkleijke oven stond oudtijds vlak tegenover het Bosse aan het kerkpad, doch is later naar de heide overgebracht, waar hij nog als Giffelder-ticheloven aanwezig is.
Nog is bekend, dat onder Buurse’s vroegere rechten ook de z.g. ‘vrijenklauwengang” behoorde, die den eigenaren het recht gaf tot het laten weiden in Meddo’s ruime dreven tot aan de Munstersche grenzen toe. Ze hielden een groote schapendrift, waarvoor de noodige schaapskooien met de onmisbare herders of drijvers aanwezig waren. De toenmalige bewoner van “De Hilte” heeft bij den verkoop van Buurse dit oude recht overgenomen en op grond van de desbetreffende acte bij de latere markenverdeeling een belangrijken voorsprong bij de grondtoewijzing weten te bedingen.
Het zijn slechts kleinigheden, die we hier noemen, maar ze leeren ons, hoe ’t een uit het ander voortgekomen is en vroegere grootheid in democratischen tijd voor toenemend klein-bezit heeft moeten wijken.

Uit: Het oude kerspel Winterswijk, B.Stegeman, 1927 

Lees verder