oudwwijk
Digitaal erfgoed

Emile Reeser-Predikant en Propagandaleider

Door J.Reeser (zijn dochter,2015)

Op 3 mei 1891 werd Emile (Emanuel) Reeser in Den Haag geboren en groeide met zijn 3 jaar jongere zusje op in een welgesteld aannemersmilieu. Toen Emile 12 jaar was, ging hij naar de hbs. 
Hij was intelligent en vooral bij de meisjes populair. Hij stond graag in de belangstelling en trad regelmatig op de voorgrond door het houden van toespraken. Daarnaast was hij zeer muzikaal en speelde hij fantastisch piano. Door zijn moeder werd hij heel erg verwend, terwijl zijn vader daarentegen streng voor hem was. de wereld lag voor hem open. Dacht hij.

Na de hbs zag zijn vader hem graag als opvolger in het aannemingsbedrijf en hoopte dat hij een technische studie in delft zou gaan volgen, maar Emile was slecht in wiskunde en wilde liever arts of dirigent worden. Een bevriende predikant, die regelmatig met hem ging zwemmen, wees hem op de studie Theologie. Emile zag daar wel iets in; door predikant te worden kon hij zijn passie volgen: het spreken voor publiek. of hij zeer gelovig was, is twijfelachtig. omdat hij geen Latijn en Grieks had gehad op de hbs, moest hij deze talen nog bestuderen en uiteindelijk werd hij op 21-jarige leeftijd ingeschreven als student Theologie aan de Universiteit van Leiden. Ook daar waren weer meisjes, ook daar was veel afleiding, waardoor zijn studie aanvankelijk niet erg vlotte. Hij bleef in den Haag wonen, was spoorstudent, maar hij onthield zich geenszins van studentenfeesten, waar hij weer in het middelpunt der belangstelling stond door zijn humoristische verhalen en zijn pianospel. Hij was actief lid van de Haagse dispuutvereniging FORUM , maar echte vrienden had hij niet.

In 1921 behaalde hij zijn domineesexamen en deed hij zijn intrede in zijn eerste kerkelijke gemeente; Hoogland bij Amersfoort, een boerengemeente die grotendeels rooms-katholiek was. Hij was inmiddels getrouwd met een buurmeisje uit den Haag, dat hem in 1925 plotseling verliet voor een Hongaarse violist en Emile was daar niet bijster verdrietig om.

Emile vond de bevolking van Hoogland niet erg spannend, al werd hij zelf wel heel interessant gevonden door de kerkgangers. de kerk zat op zondagen stampvol, van heinde en verre kwamen de al dan niet gelovigen naar het kleine dorp. Zoals te verwachten was, werd hij aanbeden door het vrouwelijke publiek en hij knoopte met menige vrouw of meisje een relatie aan, zo ook in 1926 met de echtgenote van het hoofd der school. 
Met haar ging hij regelmatig met zijn auto op stap. Toen de relatie werd ontdekt door de bedrogen echtgenoot, richtte Emile zijn amoureuze pijlen op de dochter van de molenaar, een meisje van 16 jaar, dat – toevallig- tegenover het hoofd der school woonde. Emile was inmiddels 36 jaar, maar werd nog steeds met diverse meisjes gezien, die achterop zijn Harley Davidson zaten als hij door het dorpje denderde. Ook ging hij naar de bioscoop en naar sportwedstrijden, iets wat niet gepast was voor een predikant. Ondanks zijn escapades bleef de kerk vol, zelfs de koningin behoorde soms tot de aanwezigen, naast rijke dames uit Amersfoort en Soest. Inmiddels was er echter in 1926 rond hem commotie ontstaan, want hij werd verdacht van het schrijven van anonieme, beledigende briefkaarten die de naam van de directeur van een Amersfoorts kindertehuis door het slijk haalden. Ook kregen andere mensen, waaronder Emile zelf, kaarten met beledigende teksten.

In 1929 nam hij een beroep aan in Winterswijk. Hij was inmiddels verloofd met de 20 jaar jongere molenaarsdochter uit Hoogland. Winterswijk was een grotere gemeente en Emile zag op kerkelijk gebied een nieuwe uitdaging. Hij stortte zich aanvankelijk geheel op zijn werk als dominee en de Jacobskerk zat iedere zondag vol. Hij voelde zich erg verbonden met de jongeren van zijn nieuwe gemeente en richtte de Christelijke Jeugdvereniging ‘Advendo’  op. 
Deze vereniging groeide en bloeide en bestond uit diverse ‘clubs’: een zangclub, een muziekclub, een toneelclub (voor vrolijke een-of twee-actertjes), een debatclub, een religieuze club en een sport- en spelclub. Ook reed Advendo mee in het bloemencorso en werden er naast wandeltochten ook ‘instuiven’ en ‘pannenkoekenmaols’ gehouden.

In juli 1931 trouwde Reeser met zijn verloofde uit Hoogland en zij gingen wonen aan de Groenloscheweg 70-1. In 1932 werd hij tegen zijn eigen verwachting en die van vele Winterswijkers in gearresteerd vanwege de briefschrijverij in Hoogland, die nog steeds had voortgeduurd. Grafologen wezen hem als schuldige aan. Reeser hield bij hoog en bij laag vol dat hij onschuldig was. hij had zich zelfs in het geheim. slechts met medeweten van burgemeester Bosma, die stellig in zijn onschuld geloofde, elf  dagen laten opsluiten bij een tuinder in Drenthe, waar hij niet de beschikking had over pen en papier en waar ‘s nachts de deuren werden vergrendeld. Zelfs toen nog werden er anonieme kaarten met dubieuze teksten verstuurd. Ook tijdens zijn huwelijksreis naar Duitsland ging de briefschrijverij in Hoogland door. Reeser werd in april 1933 veroordeeld tot een maand gevangenisstraf, die hij in Amsterdam uitzat.


Vanwege de veroordeling werd hij door de Nationale Synode geschorst als predikant. In het maandblad van Advendo schrijft hij: “De band die mij zoo aan Advendo bond, wordt doorgesneden… Deze scheiding doet mij echter des te meer pijn omdat zij onverdiend is….”
In oktober 1940 kreeg hij zijn rechten als dominee terug, maar hij had toen reeds andere bezigheden, want in 1933 had hij zich aangesloten bij de NSB.
Tijdens zijn gevangenschap in kamp Vught gaf Reeser tijdens een onderhoud met een psychiater aan, dat er in 1933-1934 door het vonnis van de briefschrijverij en door de ontzetting uit zijn ambt een breuk was gekomen in zijn leven. Hij voelde zich miskend en hij werd door velen in Winterswijk met de vinger nagewezen. 
Zijn vrouw zei later dat hij na het vonnis ‘geheel losgeslagen en ontworteld’ was. 
Hij zet dat hij de behoefte had zich weer te laten gelden; immers, hij was gewend veel in het openbaar te spreken en als predikant was hij een gevierd en begaafd spreker geweest.


Hij kon de volle kerken en zalen niet missen en hij wilde boven het alledaagse uitsteken. De NSB – waar hij echter niet meteen werd toegelaten, omdat hij een afgezette en gestrafte dominee was – bood hem de gelegenheid de hem zo geliefde werkzaamheden door het houden van spreekbeurten weer te vervullen.
De dingen die hem in de NSB aantrokken waren het gezagsbeginsel, de eenheid, het aristocratische principe in de godsdienst en de strijd tegen het Bolsjewisme. Hij zag het Duits Nationaalsocialisme als een ‘middel in Gods hand’, al was hij het niet met alles eens. 
Hij werd een van de voormannen van de NSB in Winterswijk, naast burgemeester en veearts dr.Bos.

Als propagandaleider hield hij honderden toespraken, ook landelijk. Daarnaast schreef hij ochtenwijdingen voor de radio. Bij een bezoek van Mussert aan Winterswijk sprak hij in het voorprogramma. Wederom raakten veel mensen zeer ‘betoverd’ door zijn overtuigende redevoeringen en sloten zich bij de NSB aan. 
In april 1945 werd Emile Reeser, na eerst gevlucht te zijn naar Groningen, opgepakt en geplaatst in Fort Altena bij Sleewijk. In juni is hij naar kamp Vosseveld in Winterswijk overgebracht. Daarna heeft hij in diverse NSB-kampen gezeten, de langste tijd in Vught. Zijn vrouw heeft zes maanden in Winterswijk in een NSB-kamp voor vrouwen gezeten. Zij werd gerehabliteerd toen duidelijk werd dat zij nooit iets met de NSB te maken had gehad. In haar huis bleken andere mensen te wonen; al haar bezittingen waren weg. 

Reeser werd aanvankelijk veroordeeld tot 5 jaar internering. Hij werd beschuldigd van de volgende feiten: lid te zijn geweest van de NSB (sinds 6 oktober 1933) en daarin functies als landelijk spreker, vromingsleider en Chef Dienst Kadervorming te hebben vervuld. Hij had zich als lid aangesloten bij de NVD, bij het Nationaal Socialistisch Studentenfront, het opvoedersgilde, de Nationale Omroep, de Nationale Jeugdstorm en bij de Germaanse SS als begunstigd lid. Daarnaast heeft hij blijk gegeven van Nationaalsocialistische gezindheid door zich te abonneren op bepaalde kranten, de gelofte van trouw aan Mussert af te leggen in 1941, de formule van de eed van trouw aan Adolf Hitler te ondertekenen, de inzegeningen van huwelijken van de leden der NSB te hebben vervuld en in 1943 een kaderkamp in Lunteren te hebben bijgewoond. Ook had hij overleg gepleegd met vooraanstaande leden van de NSB om te komen tot de oprichting van een Nederlandse Volkskerk. Bovendien heeft hij voordeel getrokken van de vijand onder meer door bemiddeling in te roepen van de plaatsvervangend leider Van Geelkerken, teneinde benoemd te worden als wethouder te Winterswijk, een functie die hij echter nooit heeft vervuld. 

Tijdens een psychiatrisch onderzoek in Kamp Vught beschrijft Reeser zijn aard als rusteloos, druk en beweeglijk, iemand die altijd iets omhanden moet hebben. Hij vindt zichzelf gevoelig en gauw geroerd. Hij kan zich niet herinneren, ooit boos te zijn geweest, maar aan de andere kant is hij ook ongevoelig: onaangename dingen ‘sluit hij af’, 
Sommigen beschreven hem als ‘ijdel, een typische figuur, zeer begaafd, humoristisch, een begenadigd redenaar, geen leidersfiguur, maar een volger, gevarrlijk door zijn overredingskracht, een romanticus’. 
Terugkijkend op zijn verleden geeft hij aan de psychiater toe dat hij ‘penant werd door de volle kerken’ en dat het nodig was ‘dat hij een draai om zijn oren kreeg’. In een artikel van de Haagse Post van 25 juli 1964 gaf hij aan ‘op het verkeerde paard gewed te hebben en zag hij de rol van de NSB in de oorlog als een strijd die wij verloren hebben’. Hij had blijkbaar zelfs toen nog geen schuldbesef. 

In februari 1949 kwam hij vrij en nam met zijn vrouw zijn intrek bij zijn vader in Den Haag. Hij zocht daar revisie van het vonnis over de briefschrijverij. Advocaat jonkheer De Brauw uit Den Haad adviseerde hem de zaak te laten rusten al was deze, zoals hij schreef, overtuigd van zijn onschuld. Reeser heeft toen met tegenzin de zaak maar als afgedaan beschouwd. 

Nooit is er echt duidelijkheid gekomen over zijn rol met betrekking tot de briefschrijverij, al schijnt in 1949 de echte dader zich gemeld te hebben toen het vonnis was verjaard, aldus het Algemeen Dahblad van 12 december 1949. Hiernaar is geen verder onderzoek gedaan. Ook Emile’s allernaaste familie heeft nooit begrepen of hij hierbij betrokken is geweest of onschuldig was. Tot op zijn sterfbed verklaarde hij onschuldig te zijn. 

In december 1949 werd hun enig kind, een dochter, geboren. Vanaf februari1950 mocht Reeser zijn ambt als dominee weer oppakken, hij deed dat inderdaad en verhuisde in 1954 met zijn gezin naar een dorp in Noord-Holland. Op 6 september 1955 verliet hij zijn vrouw en kind plotseling voor een andere vrouw. Hij had die dag op zijn inmiddels vijfjarige dochter zullen passen, maar in de loop van de dag liet hij het kind alleen in de tuin zitten. Contact met zijn vrouw en kind zocht hij daarna niet meer en opnieuw werd hij afgezet als dominee. Alimentatie betaalde hij nauwelijks. Pas na enkele jaren ontdekte de dochter, waar hij woonde en uit een soort loyaliteit heeft zij hem daarna regelematig bezocht. De bezoekjes duurden nooit langer dan vijf minuten, dan moest ze van hem weer vertrekken.

Soms werd de voordeur niet eens voor haar geopend. Mevrouw Reeser (een officiele scheiding was er nooit) was zo gebroken door de situatie, dat ze nooit over haar man kon spreken en meestal in bed lag. Op 21 juli 1970 is Emile Reeser overleden; er was niemand bij. Mevrouw Reeser overleed in 2004. Hoewel haar man haar volkomen kapot had gemaakt, is zij hem toch door alles heen altijd trouw gebleven. Hij bleef haar grote liefde. Ieder dag zat zij voor het raam te kijken of hij terugkwam. Maar hij kwam niet terug. 

 Geschreven door J.Reeser, zijn dochter (2015)