oudwwijk
Digitaal erfgoed

Slotbeschouwing

Door Eppo Kuipers, 1988
Uitgave: Vereniging Het Museum Winterswijk

Slotbeschouwing

Blz.119

Elk boek kent zijn beperkingen. Ook in dit boek over Piet en Heleen Kuipers (Tante Riek en Oom Piet) zijn niet alle onderdelen uitvoerig en uitputtend behandeld.
De opzet was een boek te maken over de mensen, die verborgen zitten achter de ( in dit geval letterlijk) schuilnamen Tante Riek en Oom Piet.
Ik heb geprobeerd me dan ook tot deze twee figuren te beperken. Licht je twee personen uit een totaal van mensen en organisaties, dan ontstaat een beperkt beeld van het geheel. Toch heb ik lijnen die van Piet en Heleen Kuipers doorlopen naar andere personen of andere situaties op een bepaald moment afgebroken, omdat ze te ver af zouden voeren van de eigenlijke hoofdfiguren. Alleen voor zover het hun verhaal is, probeer ik het te vertellen.
Zo ben ik wel ingegaan op het ontstaan van de L.O. In dat ontstaan hebben Piet en Heleen Kuipers hoe dan ook een belangrijke rol gespeeld.
Maar het verloop van de geschiedenis van de L.O. (het ontstaan en functioneren van de “beurs”, de TOP , de LKP enz.) laat ik onbesproken.
Zowel in Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede Wereldoorlog van Dr.L.de Jong als in Het Grote Gebod is over de ontwikkelingen binnen het georganiseerde verzet in Nederland het nodige te vinden.
Datzelfde, het onbesproken laten, geldt gedeeltelijk voor het verzet, zoals dat in Winterswijk plaatsvond. Verschillende mensen hebben Piet en Heleen Kuipers geholpen bij hun illegale werk. Denk aan A.Kappers, H.Hemink, B.Kruisselbrink, H.Stroes enz.
Hoe belangrijk ze ook geweest zijn en hoe boeiend hun eigen verhaal mag zijn, ik ga daar verder niet op in, omdat het weer te ver afvoert van het onderwerp.
Een andere beperking heeft te maken met de keuze van de bronnen, die ik voor dit boek gebruikt heb. Naast de bekende bronnen als Het Grote Gebod – Gedenkboek van het verzet in L.O.-L.KP., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, en een aantal plaatselijke bronnen over Winterswijk in de oorlogsjaren, baseer ik me in hoofdzaak op het interview, dat voor de samenstelling van Het Grote Gebod gehouden is met Piet Kuipers. Daarnaast maak ik veel gebruik van persoonlijke herinneringen van de kinderen van Piet en Heleen Kuipers, door sommigen van hen voor mij op papier gezet, en van herinneringen van een aantal mensen, die hen direct of indirect hebben gekend. Daarbij zitten onder meer brieven van vrouwen die samen met Heleen Kuipers in Ravensbrück

Blz.120

gezeten hebben, die de witte plekken uit die tijd wat meer inkleuren. De persoonlijke herinneringen heb ik met name gebruikt voor het gedeelte over het gezin Kuipers van voor de oorlog, voor het gedeelte, dat gaat over de tijd die Heleen Kuipers in Ravensbrück doorbracht en voor het gedeelte, dat handelt over de periode na de oorlog.
Het interview met Piet Kuipers vormt de leidraad voor het gedeelte, dat de oorlogsjaren behandelt en de arrestatie van beiden.
Het interview kent echter een aantal tekortkomingen, waardoor het soms moeilijk was de precieze feiten boven tafel te halen. Zo zit in de vragen en antwoorden een weinig chronologische opbouw en ontbreken exacte data bij bepaalde situaties, zodat het vaak lastig te beoordelen was welk geval eerder en welk geval later in de tijd plaatsvond.
Voor het opvangen van deze problemen heb ik overigens dankbaar gebruik kunnen maken van de suggesties gedaan door A.R.van Manen.
Ook staan er soms duidelijke fouten in het interview. Zo stelt bijvoorbeeld Piet Kuipers dat er in Aalten geen Joden zijn vermoord, terwijl er in werkelijkheid ongeveer 30 Joden in concentratiekampen zijn omgekomen.
Hoe begrijpelijk het ook is, dat dergelijke fouten gemaakt worden, het wordt daardoor wel moeilijk datgene dat in het interview staat op z’n juistheid te beoordelen.
Maar binnen de opzet van dit boek is het toch het meest authentieke document, dat ik kon vinden. Vandaar dat ik er zo veel gebruik van heb gemaakt. Het verhaal wordt nu gedeeltelijk verteld door de mond van Piet Kuipers, maar ik heb geprobeerd daar waar het nodig is kanttekeningen te plaatsen, of andere stemmen te laten horen.

Op de plaquette in het portiek van het huis in de Willinkstraat no.8 staat onder meer te lezen, dat Tante Riek de oprichtster van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers geweest is. Zonder afbreuk te doen aan het belang van het werk van Heleen Kuipers en met haar van dat van haar man is deze uitspraak, in zijn absoluutheid, niet juist.
Toch kom je deze bewering in veel van de literatuur tegen. Waarschijnlijk is deze opvatting ontstaan als gevolg van een bepaalde mythe-vorming, die rondom de persoon van Tante Riek heeft plaatsgevonden. Tot die mythe-vorming heeft zeker bijgedragen het verhaal van het gesprek tussen ds.Slomp en Tante Riek, dat als het begin van de L.O. wordt beschouwd.

Blz.121

Dit gesprek is op zijn zachts gezegd door eerstgenoemde wat gekleurd weergegeven. Het is een eigen leven gaan leiden, wat wil zeggen, dat het buiten zijn historische contest geplaatst is. Er is veel aan voorafgegaan, er is veel op gevolgd en er zijn meer mensen bij betrokken geweest. Door de nadruk die het gesprek krijgt, lijkt het of twee mensen in de beslotenheid van een Winterswijkse woonkamer “eventjes” de L.O. opgericht hebben. Dit doet uiteraard geen recht aan de werkelijkheid. Een paar andere zaken hebben er, naast het gesprek, ook toe bijgedragen, dat Tante Riek een mythe werd. Het gebruik van steeds dezelfde foto, tot op de verzetstafel van Prinses Wilhelmina toe, en het standbeeld, waar Tante Riek als symbool voor alle vrouwen uit het verzet fungeert, lichten haar uit de werkelijkheid van haar echte leven. En dat is misschien de mythe. Dat Heleen Kuipers is geworden tot een vrouw van een paar grootse momenten, tot Moeder van het hele verzet, en daarmee uitgetild is boven de vrouw die ze in werkelijkheid was.
Een nadeel van een dergelijke mythe-vorming, misschien wel ernstiger dan het voorafgaande, is, dat een bepaald historisch gegeven, i.c. het ontstaan van de L.O., wordt opgehangen aan één persoon . En dat is feitelijk onjuist. Het is, denk ik, niet correct om Tante Riek de oprichster van de L.O. te noemen. Op veel plaatsen in Nederland was men actief in het verzet, in de hulp aan onderduikers (Joden en niet-Joden), zelfs waren er al vormen van organisatie van die hulp, voor het bekende gesprek tussen ds.Slomp en Tante Riek op die zondagmiddag in 1942 plaatsvond. Zo was er bijvoorbeeld in Driebergen rond d persoon van J.van Manen al een vorm van organisatie, dat wil zeggen een systeem van contactmensen en contactvergaderingen, ontstaan, die zich in het begin bezig hield met de opvang van Joden en later ook met degenen die zich onttrokken aan de arbeidsinzet. Piet en Heleen Kuipers waren geleidelijk vertrouwd geraakt met het idee, dat het verzet grootser opgezet moest worden.

Blz.124

Ds.Slomp werd gestimuleerd door beiden, een soort propagandist van de organisatiegedachte en kon, toen hij op reis ging, gebruik maken van de eerdere contacten tussen Driebergen en Winterswijk. Op 25 november 1942, tijdens de eerste vergadering belegd met verschillende personen uit de buurt van Driebergen, roept Ds.Slomp voor het eerst daadwerkelijk op tot verzet en pleit voor een georganiseerde opzet van dat verzet. Het is niet onlogisch deze vergadering op 25 november 1942 in Driebergen als het eerste officiële begin van de L.O. te nemen.
De gedachte leefde al eerder. Waar die gedachte over het oprichten van een landelijke organisatie het eerst bij iemand opkwam en besproken is, is misschien niet zo relevant. Bij verschillende personen zal ze geleefd hebben: bij Van Manen, bij Piet en Heleen Kuipers, bij Ds.Slomp, misschien bij anderen.
Het ontstaan van die gedachte en daarmee het ontstaan van de L.O. te leggen bij het gesprek tussen Ds.Slomp en Tante Riek, is op z’n minst willekeurig en zal zeker te maken hebben met de bovenomschreven mythe-vorming rond Heleen Kuipers.
De kanttekeningen hierboven maken van Heleen Kuipers en de rol die ze speelde in de oorlog geen mindere. Door haar sterke persoonlijkheid, haar overtuigingskracht en door haar grote invloed op ds.Slomp, heeft ze mede gestalte gegeven aan de L.O., de belangrijkste verzetsorganisatie in de Tweede Wereldoorlog.
Met name haar invloed op ds.Slomp, toch-ook al is zijn rol wat aangedikt na de oorlog, een van de leidinggevende mensen in de L.O.- mag niet onderschat worden. Zowel Piet Kuipers als ds.Zwaal, die beiden Heleen Kuipers van nabij hebben meegemaakt, benadrukken deze invloed.
Ds.Zwaal gaat zelfs zover, dat hij ds.Slomp niet meer dan een “boodschapper van Tante Riek” noemt. Zij was, met alle voor en tegens die dat met zich meebrengt, een vrouw van principes en een vrouw die anderen van het juiste daarvan kon overtuigen. Je kunt zeggen, dat haar persoonlijkheid van haar de vrouw gemaakt heeft, die als Tante Riek de geschiedenis is ingegaan. Maar ze was niet alleen een vrouw van principes, van overtuigingskracht, een vrouw die anderen naar haar hand kon zetten. Ze was ook een vrouw met zwakke momenten, die angst en onzekerheid gekend heeft. Zowel Piet Kuipers als. ds.Zwaal weten dat nog maar al te goed. Een aantal keren kwam ze, aldus haar man, in bijna overspannen toestand terug van vergaderingen. Ook kon ze beven van angst en, aldus ds.Zwaal, de verzuchting uitspreken, dat iemand

Blz.125

anders haar werk maar moest overnemen. Maar “als werkelijk iemand gezegd zou hebben: ik, dan zou ze het waarschijnlijk toch niet hebben afgestaan”. Het was haar karakter, waarin eerzucht mede een rol speelde, dat haar ook in moeilijke tijden door liet gaan met haar werk. En daar ligt misschien heer historische betekenis, naast het praktische werk dat ze samen met haar man verricht heeft. Dat een gewone vrouw, met haar sterke en zwakken kanten, als mens de moed wist op te brengen in zulke moeilijke tijden dat te doen wat nodig was om anderen te helpen.
Het beeld van wat iemand is als mens wordt duidelijker door ook te kijken naar de motieven voor zijn of haar handelen. Medemenselijkheid en principe spelen beide een rol in het antwoord op de vraag naar die motieven. Zowel Piet als Heleen Kuipers waren gelovige mensen. Door het begrip naastenliefde kreeg hun geloof praktisch vorm. De hulp aan degene die in nood was stond voor hen centraal en was voor hen de consequentie van het geloof in God.Daarnaast was er de principiële kant. het gevaar van het nationaal-socialisme voor Christelijk Nederland, de beïnvloeding erdoor van de jeugd, waren zaken waartegen ze zich sterk wilden maken. Vandaar dat het voor hen wezenlijk was, dat jongeren gingen weigeren zich te melden voor de arbeidsdienst. het totalitaire karakter van het nazisme stond voor hen lijnrecht tegenover hun ideeën hoe een samenleving er uit moest zien.
Ideeën die misschien het beste onder te brengen zijn bij het begrip soevereiniteit in eigen kring, waarin voor een absolute staatsmacht, zoals het nationaal-socialisme die predikt, geen plaats is. Het geloof dat mensen in nood recht hebben op hulp en het weten waarom het vijandelijke denken fout is, zijn de belangrijkste krachten achter het verzetswerk van Piet en Heleen Kuipers geweest.
Een mythe of symbool staat los van de hem of haar omringende mensen. Tante Riek is echter niet te begrijpen zonder haar man. Waar zij de principiële lijnen uitzette, vergaderingen bijwoonde, mensen wist te stimuleren, was Piet Kuipers de man die het meeste praktische werk deed. Hij was de man die, zeker in Winterswijk; leiding gaf aan het werk waar het eigenlijk om ging, namelijk het helpen van onderduikers. Maar hij was ook de man naast Tante Riek, die door zijn meer flegmatieke en rustige karakter haar aanvulde, haar kon opvangen en weer kon stimuleren. Tante Riek en Oom Piet staan naast elkaar en ook al is Tante Riek geworden tot een symbool voor wat mensen in het verzet tegen de Duitse overheersing gedaan hebbe, zij zou nooit dat werk hebben kunnen doen zonder de samenwerking met en de steun van haar man.

Blz.126

En ze deden dat werk omdat ze vonden dat het moest gebeuren, ondanks de angst, de onzekerheid en het gevaar voor eigen leven.

Lees verder

‘Daarbij in haar erende…’

Door Eppo Kuipers, 1988
Uitgave: Vereniging Het Museum Winterswijk

Blz.95

“Toen direct na de oorlog, en zelfs toen enkele maanden waren verstreken, nog geen enkel bericht was gekomen, had ik toch een stille hoop, dat ze op een dag plotseling voor ons zou staan”
“De geruchten over concentratiekampen waren er, en eigenlijk wisten we al voor de officiële bericht van het Rode Kruis, dat moeder overleden was. na dat bericht is er gelegenheid gegeven voor kondoleren. Dit vond ik gek, want iedereen wist het toch al lang”
“We waren in het eerste gedeelte van 1945 er al van overtuigd, dat moeder niet zou terugkomen, mede gezien alle berichten omtrent de slechte toestanden in de kampen. Toch blijf je hopen”

Deze uitspraken zijn van de kinderen van Piet en Heleen Kuipers. Ze geven een beetje aan hoe ze kort na de oorlog reageerden op de afwezigheid ban hun moeder.
De onzekerheid is groot. Allemaal hopen ze, dat ze terug zal komen, dat ze op een of andere manier Ravensbrück overleefd zal hebben. Maar ze weten ook, dat de kans daarop heel klein is. Ze kennen de berichten over de verschrikkingen van de kampen, ook al is het soms een gerucht. Ze zijn min of meer al met de gedachte verzoend, dat hun moeder niet meer thuis zal komen.
De kinderen hebben een moeilijke tijd gehad. Het gezin ligt al ruim een jaar uit elkaar. Vanaf augustus 1944 hebben ze geen van allen hun moeder meer gezien. Piet Kuipers heeft het, meer misschien nog dan zijn kinderen, moeilijk met de afwezigheid van zijn vrouw. Ook hij hoopt tegen beter weten in, dat ze terug zal komen. Hij weet ook, zelfs voor de officiële verrichten verschijnen, dat die hoop ijdel is. Het is voor hem bijna onmogelijk de draad van voor de oorlog weer op te nemen. De kinderen herinneren zich goed, dat hun vader in die dagen na het beëindigen van de oorlog niet de man is die ze kennen. Hij is niet de oude en hij krijgt aanvallen van benauwdheid. Hij trekt zich het lot van zijn vrouw erg aan. Misschien dat hij zich schuldig voelt, dat hij de oorlog overleefd heeft en zij niet. In ieder geval kan hij moeilijk accepteren, dat hij op een voor hem onverklaarbare manier is vrijgelaten en dat zijn vrouw hun werk in het verzet met de dood heeft moeten bekopen.
Omdat officieel bericht de eerste tijd uitblijft, probeert Piet Kuipers zelf te achterhalen wat er precies met zijn vrouw is gebeurd.

Blz.97

Op 8 juni 1945 krijgt hij een schrijven van het Bureau voor Evacuering, afdeling Registratie uit Den Haag, waarin staat dat bij de gegevens over bevrijde gevangenen in Ravensbrück de naam van zijn vrouw niet voorkomt. Op de lijst van geregistreerde gevallen van overlijden komt ze echter ook niet voor. Ook daar weten ze dus niet wat Heleen Kuipers overkomen is. De onzekerheid blijft. Via de officiële kanalen is niet aan informatie ye komen en Piet Kuipers besluit zelf een advertentie in verschillende dagbladen te plaatsen, om op die manier aan inlichtingen over zijn vrouw te komen. Ook dat levert in eerste instantie niets op. Op 15 juni 1945 schrijft hij een brief aan Prins Bernhard, waarin hij hulp vraagt bij de naspeuringen naar zijn vrouw. Dit levert in ieder geval het bericht op dat er ook van die kant geprobeerd zal worden iets over Heleen Kuipers te weten te komen.
Een moment leeft de hoop weer op. Piet Kuipers en de kinderen horen, dat een zekere Riek, die in Ravensbrück gezeten heeft, nog in leven is. Snel reist hij af naar Den Haag, om bij het Rode Kruis navraag te doen naar deze Riek. Het blijkt een valsmelding. Het gaat over een andere vrouw, toevallig met dezelfde naam, over Heleen Kuipers is niets bekend.
Het resultaat van deze nasporingen is wel, dat een aantal vrouwen, dat met Heleen Kuipers in Ravensbrück gezeten heeft en haar daar in ieder geval zijdelings gekend heeft, door middel van brieven enige informatie weet te verschaffen. Deze brieven geven enigszins een beeld van de omstandigheden in Ravensbrück, waaronder ook Heleen Kuipers moest leven. Hieruit krijgt men zekerheid, dat ze in het kamp overleden is. Maar geen van deze vrouwen kan de precieze datum van overlijden en de omstandigheden, waaronder ze is gestorven aangeven, omdat ze geen van allen op dat moment aanwezig zijn geweest.
Het officiële overlijdensbericht van het Rode Kruis, afwikkelingsbureau concentratiekampen, komt pas op 18 december 1946. Daaruit blijkt, dat op basis van een aantal getuigenverklaringen, de overlijdensdatum van Heleen Kuipers op 27 of 28 december 1944 gesteld moet worden. Aan twee jaar van onzekerheid is een eind gekomen.

Als de oorlog afgelopen is, betrekt de familie Kuipers weer het huis in de Willinkstraat, dat na de vlucht van Piet en Heleen Kuipers uit Winterswijk door de Duitsers in beslag genomen was en dat, volgens Piet Kuipers jr. ‘als hoerenkast gebruikt was’, Maar het gezin functioneert nauwelijks.

Blz. 98

Ieder zit met zijn of haar ervaringen van vijf jaar oorlog en het is moeilijk om opnieuw te beginnen.
Al gauw valt het gezin uiteen. Clara werkt als verpleegster in een gasthuis. Piet jr. gaat studeren aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. Helmer gaat in dienst. Eddie verzorgt de eerste tijd nog de huishouding, maar gaat op aandringen van haar vader toch verder met haar studie in Den Haag. Alleen dochter Heleen blijft thuis.
Piet Kuipers zelf hervat zijn werk op de fabriek. Daarnaast heeft hij een taak om als compagniecommandant van de N.B.S. (de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten) te helpen bij het opruimen van de restanten van de oorlog.
Piet Kuipers vlucht gedeeltelijk in zijn werk. Volgens de kinderen is het goed, dat hij hard moet werken. Stilzitten is al niets voor hem, maar het confronteert hem ook voortdurend met zijn schuldgevoel en met het gemis van zijn vrouw. Zoals gezegd trekt hij zich het verlies erg aan. De gedachte aan zijn vrouw en de hoop dat ze nog in leven is zijn steeds bij hem. Dit blijkt eens te meer uit een gedeelte van een brief die hij op 12 mei 1946 schrijft aan zijn dochter Eddie ter gelegenheid van de toekenning van het verzetskruis door Koningin Wilhelmina. Hij schrijft: ‘Tegen een uur of tien werd ik in Eibergen door juffr. Bussink ( de huishoudster van de familie Kuipers) opgebeld. Ik schrok en mijn eerste gedachte was aan moeder. Eigenaardig, dat dat nog steeds weer boven komt, terwijl ik toch weet, dat er geen bericht meer komen kan’. Het verleden blijft hem achtervolgen.
Zijn leven verandert als hij eind 1946/ begin 1947 op een reis naar Zwitserland Annie Wiersma-van Leeuwen ontmoet. Beiden hebben zich ingeschreven voor deze reis, die georganiseerd is door de Stichting ’40-’45, om de herinneringen aan de oorlog tijdelijk te vergeten.
Annie Wiersma-van Leeuwen woont in Amsterdam en heeft daar de oorlogsjaren meegemaakt. Haar man, dominee Jaap Wiersma, was door de Duitsers opgepakt voor illegaal werk en gevangen gezet in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. Op 18 december 1944 werd hij gefusilleerd. Waarom is nooit helemaal duidelijk geworden. Vermoed wordt, dat het een repressaille-maatregel van de Duitsers was voor acties van de ondergrondse.

Klik hier:

In 1952 verschijnt de volgende oproep in de Nieuwe Winterswijkse Courant.
‘Enige plaatsgenoten, onder wie Burgemeester Kneppelhout, benevens vele andere personen uit het gehele land, stellen pogingen in het werk om voor mevrouw H.Th. Kuipers-Rietberg te Winterswijk een gedenkteken op te richten.

Blz.100

Mevr. Kuipers-Rietberg, in de illegaliteit bekend als “Tante Riek”, was de oprichtster en onversaagde medeleidster van de Landelijke Organisatie voor steun aan onderduikers. Tienduizenden vluchtelingen voor het Duitse schrikbewind, Joden, militairen, illegale werkers, dienstweigeraars voor de “Arbeits-Einsatz”, heeft de L.O. geholpen, aan onderdak, bonkaarten, werk.
Tante Riek gold als de Moeder van de L.O., als de Moeder van al deze vluchtelingen. Met grote moed heeft zij zich aan dit werk gegeven, dag in dag uit, totdat zij in het voorjaar door de bezetter gegrepen werd en omstreeks kerstmis van dat jaar haar leven verloor in een concentratiekamp.
Haar naam en haar figuur mogen in de Nederlandse historie bewaard blijven als de grote vertegenwoordigster van de Vrouw in het Verzet.
Een paar jaar na haar dood in Ravensbrück is Heleen Kuipers uitgegroeid tot een symbool, dat staat voor alle vrouwen in het verzet.
Om aan deze symboolfunctie concreet gestalte te geven wordt er een comité gevormd, waarin vele bekenden van Piet en Heleen Kuipers uit het verzet zitting hebben. Als doelstelling wordt geformuleerd een gedenkteken voor “Tante Riek” op te richten, om daarmee niet alleen deze “nationale figuur”, maar tevens “het werk (te eren), dat door de vrouw in het verzet is verricht”.
Door het comité wordt geld ingezameld en de Amsterdamse beeldhouwer G.Bolhuis krijgt de opdracht het monument te ontwerpen.
Hij kiest voor een vrouwenfiguur met een hert, waarvoor hij de volgende woorden als uitgangspunt neemt: “Zij kwamen bij haar als opgejaagd wild”
Op 4 mei 1955 wordt het standbeeld, dat naast het gemeentehuis in Winterswijk is opgericht, door Prinses Wilhelmina onthuld. Zij doet dat met de volgende woorden: “Waar de Koningin morgen zelf het woord tot ons zal richten en waar wij Haar stem bij de herdenking onzer bevrijding zullen beluisteren, wil ik vandaag kort zijn. Zij heeft mij opgedragen haar te vertegenwoordigen bij de onthulling bij de onthulling van het standbeeld van mevrouw Kuipers-Rietberg en U allen de verzekering te geven dat zij zich van ganser harte aansluit aan de hulde, deze grote figuur uit het verzet gebracht. Het geloof, de geestkracht, de taaie volharding en het beleid van tante Riek, met zoveel verbeeldingskracht gevoerd, zullen in onvergetelijke herinneringen bij ons voorleven. Als vanzelf gaan onze gedachten uit tot alle

Blz.102

moeders en vrouwen die zich met hun gezin hebben vereenzelvigd met het geboden verzet dat op zo verschillende wijze en op zo verschillend gebied werd gepleegd”.
Haar bewondering voor “Tante Riek”, zoals hierboven uitgesproken, toonde Prinses Wilhelmina door een foto van haar te plaatsen op de verzetstafel in Paleis ’t Loo.

Lees verder

Namenlijst ‘Er was zoveel werk nog te doen’

Baars, Fam.
Onderduikadres Piet Kuipers Sr.
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.70

Baarschers, Henk
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.62

Bos, A.W.Mej.
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.36, 37

Bosklopper, T – Eibergen
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.48, 50

Boissevain-van Lennep, Mevr.
Mede gevangene Heleen Kuipers, Ravensbrück
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.79

Boven, Evert Hendrik Jan (Schuilnaam Nico de Lange)
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.59,68

Breteler, Gerrit
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.36,47,52

Enkelstroht, Friedrich August (1906-1955)
Hamburg
S.D.commandant Arnhem
Eerste verhoor Heleen Kuipers
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.69
1948: Veroordeeld tot doodstraf, 1949: Omgezet in 15 jaar
1951: In vrijheid gesteld.

Grevers, Jan – Huppel
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.43

Gunnink, Klaas
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.58

Hemink, H
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.34,44,119

Harwig, B
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.51

Jacobs, Mej. verraad verzet Winterswijk.
Vriendin Wim Koenen
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.57

Jansen, J
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.44

Kappers, A
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.44

Kappers, Ouders – Inslagstraat
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.46,119

Kruisselbrink, B
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.44,119

Kuipers, Clara
Oudste dochter Piet en Heleen Kuipers
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.58

Kuipers, Eddie
Dochter Piet en Heleen Kuipers
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.63,70

Kuipers, Fam. (Helmer en Nel) – Bussum
Oom en tante
Onderduikadres Heleen Kuipers jr., na arrestatie Piet en Heleen Kuipers.
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.63,70

Kuipers, Gerhard – Corleseweg
Onderduikadres Piet Kuipers Jr. en Helmer Kuipers, okt.1944
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.62

Kuipers, Heleen Jr.
Dochter Piet en Heleen Kuipers
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.58,63,64,70

Kuipers, Helmer
Zoon Piet en Heleen Kuipers
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.58,60,62

Kuipers, Piet jr.
Zoon Piet en Heleen Kuipers
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.58,60,62

Kuyvenhoven, D. mej.
Medegevangene Mevr.Kuipers-Rietberg Vught
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.73

Lelieveld, W
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.44

Manen Van A.R? J?
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.31,36,40,41,120,121,124

Nieuwenhuis-Schilpzand
Mede gevangene Mevr.Kuipers-Rietberg, Ravensbruck
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.77,79

Nijland, Gerda?
Koeriester
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.57

Ommen Van, tandarts
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.59

Oranje, Maria (Miep)
Maria (Miep) Oranje (Bloemendaal, 6 mei1923 – ?) was een Nederlandse vrouwelijke ‘V-mann’ in de Tweede Wereldoorlog. Ze werd Miep genoemd en haar namen in de illegaliteit waren Edith en Netty de Graaf. Zij werd later aangeduid als Koerierster des doods. Geschat wordt, dat haar dubbelspel voor de bezettingsmacht tot de aanhouding van 195 Nederlandse verzetsmensen, waaronder Evert Boven en Heleen Kuipers-Rietberg, heeft geleid, maar ondanks speurwerk van de Politieke Opsporings Dienst is ze niet veroordeeld, ook niet bij verstek.
In de oorlog is zij spoorloos verdwenen; in 1962 is zij per 9 augustus 1944 juridisch dood verklaard. Over haar verdwijning is veel gespeculeerd, maar niets bewezen.
Bron: Wikipedia

Pruys, Kees
L.O.medewerker
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.58,59,64

Renting, Dames – Arnhem
Onderduikadres (3 mnd) Heleen Kuipers (12 jr.), na arrestatie Piet en Heleen Kuipers.
Dochters Ds.Renting, Winterswijk
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.63

Rietberg, Clarien
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.62

Rietberg, Gerhard
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.62

Rietberg, Karel – Zutphen
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.47,51

Schuppen Van, Gerrit, Bennekom
Onderduikadres Piet en Heleen Kuipers
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.59,60,62,64

Simmelink, Jan – Miste
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.43

Slomp, Ds.
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.32,37,40,41, 42,43, 52, 48, 64, 120, 121,124

Stroes, H.A.
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.44,119

Tolkamp Fam. Ratum
Onderduikadres Piet Kuipers Jr. en Helmer Kuipers, einde oorlog
Onderduikadres Piet Kuipers Sr.
Onderduikadres Heleen Kuipers Jr. en Eddie Kuipers
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.63,70

Velle, Opperluitenant.
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.57,58,60,62

Voogd
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.52

Verburg, Piet
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.59

Wiggers, A
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.51

Wikkerink, J – Aalten
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.36, 43, 51

Zwaal, Fam
Opvang Heleen Kuipers (12 jr.), bij arrestatie Piet en Heleen Kuipers
Boek: Er was zoveel werk nog te doen’Eppo Kuipers. blz.24,63, 124

Lees verder

‘Waarheen? Wij weten het niet….’

Door Eppo Kuipers, 1988
Uitgave: Vereniging Het Museum Winterswijk

Blz.57

Begin 1944 wordt in Nijmegen een meisje, Jacobs genaamd, door de Duitsers gearresteerd.
Alhoewel ze kort na haar arrestatie weet te vluchten, wordt ze door haar ouders onder druk gezet om zich weer bij de S.D. aan te geven, wat ze dan ook doet.
Ze besluit met de Duitsers samen te werken; waarom is niet helemaal duidelijk, maar waarschijnlijk onder dwang.
Deze samenwerking is voor de Duitsers belangrijk, omdat ze de verloofde is van Wim Koenen uit Winterswijk, die samen met onder meer Henk Baarschers opdrachten uitvoert voor de groep “Vrij Nederland”.
Wim Koenen was op 22 maart 1944, naar aanleiding van een brandstichting in de bioscoop van Winterswijk, gearresteerd en de S.D. had op hem een brief van zijn verloofde gevonden, wat er toe leidde, dat ook zij werd opgepakt. Ze is door haar relatie met Koenen ook bekend met de groep rondom Henk Baarschers en daarom wordt ze door het N.S.B.-hooef van polite te Winterswijk, de opperluitenant Velle, gebruikt om Baarschers die lid is van de K.P. te compromitteren.
Ze biedt hem de revolver van Velle aan, zogenaamd namens een illegale groep. Als lid van een knokploeg kan hij altijd een revolver gebruiken en daar hij geen onraad vermoedt, gaat hij op het aanlokkelijke aanbod in.
Op 23 mei 1944, kort na het zetten van de valstrik met de illegale revolver, wordt bij hem een inval gedaan en wordt hij gearresteerd, waarbij naast het wapen ook vele bonkaarten gevonden worden. Baarschers wordt verhoord en vreselijk mishandel. Hij wordt op 2 september 1944, na eerst een tijdje in het concentratiekamp van Amersfoort gezeten te hebben, doorgezonden naar Vught, waar ook Wim Koenen naar toe gebracht is.
Koenen wordt er op 4 augustus terechtgesteld, Baarschers een dag later.
(Dit moet zijn 4 en 5 september 1944, Hans)

Tijdens het verhoor van Baarschers blijkt, dat de bonkaarten die bij hem gevonden zijn, komen van Wim Lelieveld.
Direct wordt ook Lelieveld gearresteerd, samen met een koeriester, Gerda genaamd.
Lelieveld behoort dan tot de groep van Piet en Heleen Kuipers en hij treedt daar op als contactman met de katholieke groeperingen.
Tijdens zijn verhoor noemt hij uiteindelijk de naam van Heleen Kuipers als degene van wie hij geld en bonkaarten krijgt
Deze voor haar belastende verklaring laat hij echter pas los, als hij min of meer de zekerheid heeft, dat Piet en Heleen Kuipers gewaarschuwd zijn en de mogelijkheid hebben gehad te vluchten.

Blz.58

Voor de Duitsers is dit alles reden genoeg om ook Lelieveld gevangen te zetten; uiteindelijk komt hij terecht in het concentratiekamp Neuengamme en vandaar in het vernietigingskamp Husum en Ladelund.
Gelukkig doorstaat hij deze verschrikkingen en keert hij april 1945 in Winterswijk terug.
Piet Kuipers heeft geregelde contacten met de politie, met zoals hij het zelf zegt ‘een enkele goede’ en op 24 mei 1944 wordt hij, waarschijnlijk door politieman Gunnink, gewaarschuwd, dat het te gevaarlijk voor hen wordt in Winterswijk.
Hij krijgt het bewuste bericht om een uur of twaalf en hij en zijn vrouw gaan direct op pad om een aantal persoonlijke zaken te regelen. Ze spreken met elkaar af, dat ze ’s avonds om zeven uur met de trein zullen vertrekken.
Vroeg genoeg, denken ze, om aan de dreigende arrestatie te ontsnappen.
Terwijl Piet Kuipers zijn zaken op de fabriek regelt en Heleen Kuipers waarschijnlijk afscheid neemt van de familie, bereikt hen om drie uur het bericht, dat de politiemacht, die de inval in de Willinkstraat moet uitvoeren, om vier uur op het bureau moet zijn. Door deze informatie raakt alles in een stroomversnelling en ze besluiten om niet ’s avonds, maar al om vier uur ’s middags te vertrekken. De beide zoons, Piet en Helmer, en hun jongste dichter, die nog op school is ,worden met pijn in het hart, onder de hoede van de buren thuisgelaten. Alleen hun oudste dochter Clara laten ze niet achter, maar zij wordt op de trein gezet naar Baarn, waar ze onderdak vindt bij kennissen.
Piet en Heleen Kuipers gaan met de trein van vier uur naar Arnhem, met de gedachte na een paar dagen terug te komen als de zaak weer veilig is. Als ze in Arnhem aankomen, horen ze via de stationsomroep de mededeling, dat het echtpaar Kuipers verzocht wordt zich bij de stationschef te melden. Piet Kuipers neemt het zekere voor het onzekere en besluit zich niet te melden, maar eerst de stad in te gaan.
Via allerlei omwegen komen ze terecht bij een bekende uit het verzet, Kees Pruys, die hen meeneemt naar zijn huis.
Bij Pruys is ook een kennis, een L.O.-medewerker, in dienst bij de spoorwegen als rechercheur, die het op zich neemt om naar het station te gaan en bij de stationschef te informeren wat de boodschap precies inhoudt.
Het is blijkbaar geen prettig bericht, want als hij terugkomt vertelt hij het eerst aan Kees Pruys, die het nieuws dan aan Piet en Heleen Kuipers doorgeeft. De boodschap is afkomstig van inspecteur Velle, die overigens op alle stations op de route Winterswijk-Arnhem en Winterswijk- Zutphen dezelfde oproep heeft laten doen, en luidt, dat een van de kinderen een dodelijk ongeluk heeft gehad en dat de ouders direct terug moeten komen.

Blz.59

Dit is een behoorlijke schok voor met name Heleen Kuipers, die het aanvankelijk gelooft, maar Piet Kuipers wil eerst zekerheid en hij belt naar Winterswijk om te informeren wat er precies aan de hand is.
Hij zoekt contact met tandarts Van Ommen, zijn overbuurman, en vraagt hem in bedekte termen wat er gebeurd is.
Van Ommen vertelt hem, dat alles in orde is en dat geen van de kinderen een ongeluk overkomen is. Maar meteen wordt hem ook te verstaan gegeven, dat ze vooral niet thuis moeten komen, omdat het nog lang niet veilig is. Piet Kuipers wil nog weten of er gevochten is, wat volgens Van Ommen niet het geval is; ze hoeven zich niet ongerust te maken, maar het is voorlopig uitgesloten, dat ze naar Winterswijk terug kunnen.
De angst om de kinderen is gedeeltelijk weggenomen, maar Piet en Heleen Kuipers staan nu voor het probleem waar ze naar toe moeten. omdat de terugweg afgesloten is. Ze hebben zich nooit gerealiseerd dat ook voor hen het moment kon komen waarop ze zouden moeten onderduiken.
‘Wij hadden zoveel jongens ondergebracht, maar voor onszelf hadden we geen plaatsen. Daarop hadden we niet gerekend. In ieder geval kunnen ze de nacht doorbrengen bij de schoonouders van Piet Verburg, ook een medewerker uit het verzet, die die dag bij Kees Pruys aanwezig is.
Als ze daar zijn vatten ze het plan op om naar pension ‘Hemeldal’ in Oosterbeek te gaan, een adres, dat ze doorgekregen hebben van een andere verzetsvriend, Nico (Evert H.J.Boven). Het ‘Hemeldal’ is een plaats, waar veel mensen uit het verzet samenkomen en waar af en toe ook onderduikers een toevluchtsoord vinden, maar het is die avodn te laat om er nog naar toe te gaan. Dat is hun geluk, want diezelfde nacht nog doet de S.D. een inval in het pension, waarbij alle gasten gearresteerd worden en meegenomen voor verhoor.
Het zou een vroegtijdig einde van hun vlucht betekent hebben, als ze er meteen diezelfde dag naar toe gegaan waren.

De volgende dag opnieuw bij Kees Pruys, staan ze weer voor de vraag waar ze heen kunnen om onder te duiken. Pruys vraagt, of ze geen kenissen hebben die hen kunnen helpen. Na lang aarzelen weten Piet en Heleen Kuipers een mogelijkheid. Ze kennen iemand in Bennekom, waar ze misschien terecht kunnen, een zekere Gerrit van Schuppen, die sigarenfabrikant is. Ze gaan naar Van Schuppen, die op de fabriek is en worden hartelijk door hem ontvangen.

Blz.60

Piet Kuipers legt de situatie uit en vertelt van de vlucht uit Winterswijk en dat ze dringend een onderduikadres nodig hebben. Van Schuppen, die overigens al iets van de zaak weet, weet raad en biedt hen aan bij hem te blijven, maar hij verbindt wel twee voorwaarden aan dat verblijf bij hem.
Ze kunnen bij hem onderduiken, maar ze moeten volledig met het verzetswerk stoppen en ze mogen absoluut niet buiten komen. Anders is voor Van Schuppen het risico te groot met twee van zulke belangrijke onderduikers in huis. Er blijft hen niet veel anders over dan de voorwaarden te accepteren. En de periode van rust die nu intreedt, is met name voor Heleen Kuipers geen slechte zaak, omdat ze behoorlijk geleden heeft onder de spanning van de vlucht en het valse bericht van inspecteur Velle. Op 26 mei 1944, de dag voor de verjaardag van Heleen Kuipers, gaan ze naar het huis van Van Schuppen in Bennekom en ze blijven daar.

Als Piet en Heleen Kuipers de trein pakken op hun vlucht richting Arnhem, blijven de beide zoons Piet en Helmer en hun jongste dochter Heleen alleen achter. De jongens zijn dan 17 jaar, hebben net hun schriftelijk eindexamen gedaan voor de H.B.S. en zitten te wachten om veertien dagen later hun mondeling te doen. Omdat ze midden in hun examenperiode zitten en omdat ze nog vrij jong zijn en waarschijnlijk ook, omdat Piet en Heleen Kuipers verwachten na een paar dagen weer terug te zijn, besluiten ze de kinderen niet mee te nemen op hun vlucht voor de S.D.
Kort na vier uur doet de politie een inval in de Willinkstraat en omdat ze achter het net vissen, worden de jongens gearresteerd en onder huisarrest geplaatst. Er wordt ze streng op hen gelet, dat ze niet eens alleen naar de w.c. toe kunnen.
Een strengheid tegenover de jongens, die wat vreemd aandoet, omdat het niet helemaal strookt met een zekere mate van nonchalance bij de politie ten opzichte van mensen, die in die dagen, – de jongens worden twee dagen thuis vastgehouden -, het huis in de Willinkstraat willen bezoeken. Na de oorlog spreekt Piet Kuipers zijn verbazing erover uit, dat de politie de fout maakte niet iedereen die op bezoek kwam te arresteren, omdat ze dan misschien veel meer verzetsmensen hadden kunnen vastnemen.
Of veel verzetsmensen of onderduikers na de vlucht van Piet en Heleen Kuipers de Willinkstraat bezoeken is twijfelachtig. Feit is wel, dat er in die dagen niemand anders is opgepakt.
Na twee dagen thuis gezeten te hebben, worden Piet en Helmer opgehaald en gevangen gezet. Eerst in de barakken op het terrein van

Blz.62

het voormalige feestgebouw, waar ze met kettingen aan Henk Baarschers, die daar ook wordt vastgehouden, worden vastgebonden, later ieder apart in een cel in het gemeentehuis. Hier worden ze vier of vijf dagen vastgehouden. Het is een angstige ervaring voor de jongens, maar zowel door bemoeienis van hun oom, Clarien Rietberg, als van de directeur van de H.B.S., een N.S.B.-er, die medelijden met hen heeft gekregen, worden ze vrijgelaten om hun mondeling eindexamen te kunnen doen.
Alhoewel ze nu tijdelijk op vrije voeten zijn, hangt hen de dreiging van een volgende arrestatie nog boven het hoofd. De bedoeling is namelijk hen na hun examen weer in gijzeling te nemen, daar ze gebruikt kunnen worden als drukmiddel, om hun ouders te dwingen zich aan te geven. Inspecteur Velle bedenkt dit plannetje,’want ik Velle, zal speculeren op de kinderliefde en het moederhart om de ouders te krijgen’.
Enkele mensen van het verzet gaan zich met de zaak bemoeien, omdat de jongens het nodige van de omstandigheden van hun ouders afweten en ook zelf verschillende kleinere karweitjes voor de organisatie hebben opgeknapt. Het risico, dat er bij een stevig verhoor door de S.D. meer bekend wordt dan goed is en de angst, dat de chantage, die Velle voor ogen heeft zal lukken, zijn te groot en ze worden dan ook met behulp van hun oom Gerhard Kuipers naar Zutphen naar Gerrit Rietberg gebracht en vandaar naar een boer in Colmschate bij Deventer getransporteerd, waar ze tot september 1944 blijven.
In Colmschate horen ze ook voor het eerst het bericht van de arrestatie van hun ouders in Bennekom. Hun reactie daarop is gemengd. Aan de ene kant is er de wanhoop en de angst de ouders nooit meer terug te zien, aan de andere kant dringt de ernst van de zaak niet echt tot hen door. Helmer vertelt, dat zijn ‘eerste reactie was, dat we ze nooit meer zouden terugzien. Ik heb ook wel gedacht’, voegt hij daar aan toe, ‘aan een mogelijke bevrijding door de L.K.P. Ik heb me voor de geest gehald, hoe ze beiden door de S.D. in het huis van Van Schuppen werden gearresteerd.
Piet zegt over deze periode, dat ‘de ernst ervan (eigenlijk) niet tot me doordrong. Pas toen moeder van Vught naar Ravensbruck werd vervoerd, werden we met de neus op de feiten gedrukt’.
Het is moeilijk voor te stellen, wat de arrestatie van hun ouders voor jonge jongens, die zelf eigenlijk op de vlucht zijn, betekent.
Tot oktober 1944 blijven ze op hun eerste onderduikadres. Daarna duiken ze onder bij hun oom Gerhard Kuipers, die aan de Corleseweg in Winterswijk woont.

Blz.63

Het vertrouwde van de eigen familie is waarschijnlijk de reden van deze verhuizing. Ze blijven tot april 1945 (????-Hans) bij hun oom wonen, maar moeten dan vrij plotseling weg, omdat de Duitsers, die in de tegenover het huis gelegen Julianaschool gelegerd zijn, door Engelse vliegtuigen worden aangevallen en het te gevaarlijk wordt. Ze gaan dan naar de familie Tolkamp in Ratum.
De familie Tolkamp heeft al vaker onderduikers voor Piet en Heleen Kuipers in huis gehad en nu helpen ze de jongens, die tot het eind van de oorlog daar blijven.

Voor Heleen, de jongste dochter, dan ongeveer twaalf jaar, is het vertrek van haar ouders moeilijk. Als ze die dag uit school komt, is er niemand thuis en moet ze de vertrouwde opvang door haar moeder missen. Ze wordt door de familie Zwaal opgevangen en krijgt te horen, dat ook zij moet onderduiken. Ze gaat een paar dagen later naar een verpleegtehuis bij Arnhem dat geleid wordt door de dames Renting. Daar blijft ze ongeveer drie maanden. Het is voor haar, als jongste, erg moeilijk om, gescheiden van haar ouders, te moeten leven bij twee oudere ongetrouwde dames, hoe goed hun bedoelingen ook zijn. Het is dan ook een welkome verrassing als ze een keer vanuit Arnhem met een taxi wordt opgehaald en naar Bennekom wordt gebracht om haar vader en moeder te zien. Ook voor hen is de scheiding van de kinderen een moeilijk te verwerken zaak en dit bezoek is een, zij het kleine, pleister op de wonde.
Heleen gaat, na haar verblijf in Arnhem, naar Bussum, naar haar oom en tante Helmer en Nel Kuipers en blijft daar tot ongeveer februari 1945.
In Bussum hoort zij ook van de arrestatie van haar ouders. Samen met haar oudere zuster Eddie, die in Den Haag studeert en vanuit Katwijk, waar ze de vakantie doorbrengt, overgekomen is, verwerkt ze het nieuws, maar de schrok is groot, ‘Eddie en ik hebben zitten huilen op de slaapkamer’.
In Bussum krijgt ze later nog wel regelmatig bezoek van haar vader, die dan al weer vrijgelaten is, maar in februari 1945 fietsen zij en Eddie naar Winterswijk, omdat het in Bussum bij hun oom en tante steeds moeilijker wordt om vier personen te onderhouden: ‘de honger werd te groot in Bussum’. Na een paar omwegen komen zij terecht bij de familie Tolkamp en ze zijn dan herenigd met hun vader, die na zijn vrijlating uiteindelijk ook bij de Tolkamps onderduikt; later komen ook hun broers. Over het lot van hun moeder blijven ze tot na het einde van de oorlog in onzekerheid.

Blz.64

Bij de familie Van Schuppen komen Piet en Heleen Kuipers hun belofte na zich afzijdig te houden van illegaal werk. De enige contacten, die ze hebben buiten de familie van Schuppen, zijn een enkele keer met ds.Slomp, die in Wageningen zit en met Kees Pruys, die een paar keer in Bennekom op bezoek komt. En natuurlijk die ene keer, dat dochter Heleen bij hen gebracht wordt. Deze gesprekken zijn belangrijk voor hen, omdat ze de sleur van het onderduiken enigszins doorbreken. Na een aantal jaren van activiteit en spanning is het nietsdoen weliswaar een verademing, maar ze missen het contact met de buitenwereld wel. Van Schuppen ziet het echter niet graag, dat er met anderen uit het verzet gepraat wordt. Met zulke belangrijke onderduikers in huis neemt hij liever geen risico. Hij zit wat dat betreft ook in een wat moeilijke positie, omdat hij door zijn werk als fabrikant veel contacten heeft met de Duitsers en met N.S.B.-ers.
Eigenlijk een vreemde situatie. Aan de ene kant onderduikers in huis en aan de andere kant min of meer vriendelijke relaties met de vijand. Toch wet hij deze contacten ook te gebruiken om het verzet te helpen en om soms mensen uit handen van de Duitsers te krijgen. Hij zegt hier zelf over, dat het voor hem het eenvoudigst was geweest Piet en Heleen Kuipers te weigeren, maar dat hij het zag als zijn christenplicht, meer dan als een nationale plicht, om hen op te nemen. Hij geloofde, dat er later verantwoording door God voor zijn daden gevraagd zou worden en dat hij het daarom doen moest. In een later stadium, nadat zijn gasten gearresteerd zijn, gebruikt hij zijn misschien geringe invloed en probeert nog een goed woordje voor hen te doen bij de Duitsers, door te benadrukken, dat ze zich inderdaad in de periode, waarin ze bij hem ondergedoken gezeten hebben, van illegaal werk hebben onthouden. Het heeft in dit geval niet mogen baten.
Door de spanning, die het verbergen van onderduikers met zich meebrengt, raakt Mevrouw van Schuppen na verloop van tijd enigszins overspannen. Heleen Kuipers dringt er dan op aan weg te gaan en een ander adres te zoeken. Misschien dat daarbij ook een rol speelt, dat ze het erg moeilijk vindt om stil te zitten en het verzetswerk aan anderen over te laten. Hoer komt toch een stukje van haar karakter boven.Het is voor een deel haar eerzucht en voor een deel haar doorzettingsvermogen, het niet onafgemaakt kunnen laten van het werk, dat ze begonnen is, dat haar ertoe aanzet een nieuwe poging te wagen. In ieder geval willen ze bij Van Schuppen weg, maar daarvoor is het noodzakelijk, dat ze eerst een ander persoonsbewijs krijgen. Onder hun eigen naam kunnen ze niet de straat op/

Blz.68

Nico (Evert H.J.Boven), provinciaal leider van de L.O. in Gelderland en iemand met wie ze al veel hebben samengewerkt, zal voor de valse identiteitspapieren zorgen. Na ongeveer veertien dagen zijn de persoonsbewijzen klaar. Dan wordt Nico echter door de Duitsers gearresteerd met de valse papieren op zak.
Volgens Piet Kuipers, hebben ze Nico al vaker gewaarschuwd geen belastend materiaal bij zich te dragen, omdat dat te gevaarlijk os. ‘Het is fout van Nico geweest. We hadden al eens eerder gezegd, stop niet altijd die dingen in je zak, maar hij vond het gemakkelijk, want dan kon hij het weggooien, zodra het nodig was. Als ze het bericht van de arrestatie van Nico krijgen, is vooral Heleen Kuipers erg zenuwachtig. Ze denken erover meteen te verhuizen. Die dag echter, het is vrijdag 18 augustus 1944, zijn ze alleen met de kinderen van Van Schuppen en de dienstbode thuis en kunnen niet weg. Ze besluiten de volgende dag te vertrekken.
Van Schuppen is die dag met zijn vrouw fietsen en als hij thuiskomt, vertelt de fabriekstimmerman hem, dat meneer en mevrouw De Vries (de valse naam die Piet en Heleen Kuipers hebben aangenomen) zijn gearresteerd.
Dit bericht is een grote schrok voor Van Schuppen. Hij weet welk lot het echtpaar Kuipers wacht als ze in handen van de Duitsers vallen. ‘Ik heb mij omgedraaid, ben tegen een raam aan gaan staan, hoofd op de handen. Ik denk: dat kan niet, Heleen in handen van die schooiers. In die ellende dacht je niet, er kan ook nog wel gevaar voor ons komen. Er was alleen diep medelijden met hen, die je drie maanden in huis had gehad. Ik heb altijd gezegd, als ze jou pakken, Heleen, is het de kogel’.
De Duitsers zijn uiteindelijk achter de verblijfplaats van Piet en Heleen Kuipers gekomen. Het huis en de tuin zijn omsingeld door soldaten met getrokken revolver. Er is geen ontkomen aan. Als de S.D. binnen is, wordt het hele huis overhoop gehaald. Kamers en kasten worden doorzocht naar bezwarende papieren, die er gelukkig niet zijn. Piet en Heleen Kuipers zijn zelfs zo voorzichtig geweest hun ondergoed met de naam De Vries te merken. In het huis is niets te vinden en ook bij Van Schuppen vinden de Duitsers geen belastend materiaal. Toch weten ze, dat ze ‘Tante Riek’ te pakken hebben en ze zijn daar bijzonder blij mee. Hoe ze aan die informatie komen is niet bekend, maar ze denken vrijwel zeker te weten, dat ‘Tante Riek’ het middelpunt is van de hele illegale beweging. Maar de vrouw, die de spil is waar de illegaliteit om draait, moet er volgens hen een zijn met haar op de tanden. Ze zijn dan ook nogal teleurgesteld, aldus Piet Kuipers, als ze ‘maar’ een gewone vrouw van ongeveer 50 jaar aantreffen.

Blz.69

‘Hij (Enkelstroht, S.D.-commandant) had gedacht een soort Kenau Simons Hasselaar met aan weerskanten een revolver (aan te zullen treffen).
Ze worden meteen overgebracht naar de gevangenis van Arnhem. Daar moeten ze met de handen omhoog en met de gezichten naar de muur blijven staan. De Duitsers laten hen enige tijd zo staan. Dan worden ze meegenomen en in twee aparte cellen die naast elkaar liggen opgesloten. Het zijn twee kale cellen, in die van Heleen Kuipers staat alleen een rustbed en er ligt nog wast brood, waarschijnlijk van een vorige gevangene, in die van Piet Kuipers staat helemaal niets. Hoewel het moeizaam gaat is het toch mogelijk door de muur van hun cel heen enig contact met elkaar te onderhouden. Heleen Kuipers getuigt zingend van haar geloof, iets wat ook haar man de nodige steun geeft. Dit in die moeilijke tijden getuigen van haar geloof ontlokt de Duitsers de opmerking, dat ze met een ‘godsdienstwaanzinnige’ te maken hebben. Maar voor beiden is het geloof een vast punt in deze onzekere momenten. Ze krijgen niets te eten, noch op zaterdag, noch op zondagmorgen. Op zaterdag om een uur of twaalf hoort Piet Kuipers, dat zijn vrouw wordt teruggebracht in haar cel na verhoord te zijn. Wat ze tijdens dit verhoor doorstaan heeft, is niet bekend. Misschien heeft ze gepleit voor haar man. Ze hebben namelijk afgesproken, dat zijn alle schuld op zich zou nemen. Een vrouw zou minder gevaar lopen dan een men en het zou de kans op vrijlating van Piet Kuipers hopelijk vergroten. Wel weet ze bij de ingang van haar cel, zo hard, dat hij het kan horen, nog te zeggen, dat ze wel eens jongens heeft ondergebracht om ze aan werk te helpen. Maar ze heeft nooit illegaal werk gedaan. Op deze manier weet Piet Kuipers precies wat zijn vrouw wel en niet tegen de Duitsers gezegd heeft. Zo kan hij zich voorbereiden op zijn ondervraging door de S.D. Voor hij aan de beurt is om ondervraagd te worden, kunnen ze elkaar weer alleen door de muren van de cel wat vertroosten. Heleen Kuipers ziet het somber in na haar verhoor en heeft weinig hoop op een goede afloop. het getuigt van haar geestkracht, dat ze toch in staat is af en toe een psalm te zingen, ‘meer voor mij (Piet), dan voor haar eigen vrolijkheid.
Met voorbijgaan aan haar eigen angst steunt ze haar man en ze nemen afscheid van elkaar. Ze zullen elkaar niet weerzien.
Als Piet Kuipers voor verhoor wordt opgehaald, is hij bang, dat hij net als zovelen voor hem, gemarteld zal worden om hem een bekentenis af te dwingen.

Blz.70

Tot zijn grote verbazing wordt hij heel voorkomend behandeld en na een aantal dagen vrijgelaten. Bij zijn vrijlating is hij volkomen in het ongewisse over het lot van zijn vrouw.
Achteraf blijkt, dat de Duitsers de bedoeling hadden zijn gangen na te gaan om op die manier ook andere verzetsmensen te kunnen vastnemen.
Deze opzet mislukt, want hij duikt direct onder. Het is voor hem niet meer mogelijk openlijk rond te lopen of zijn werk te hervatten. Hij ziet nog wel kans een enkele keer zijn dochter Heleen in Bussum te bezoeken.
Uiteindelijk keert hij terug naar Winterswijk en verblijft daar enige tijd bij de Familie Baars. Later gaat hij naar de familie Tolkamp in Ratum en blijft daar tot het eind van de oorlog.
Heleen Kuipers blijft niet in de strafgevangenis, waar de verhoren plaatsvinden, maar wordt na enige tijd overgebracht naar het Huis van Bewaring. Net als Piet Kuipers na zijn vrijlating niets weet over zijn vrouw, is ook zij in onzekerheid over het lot van haar man. Ze weet niet waar hij is, of hoe het met hem gaat. Ze denkt, dat hij nog in de strafgevangenis is. Het is eigenlijk tragisch, dat ze waarschijnlijk nooit geweten heeft dat hij is vrijgelaten en dat hij het eind van de oorlog op een onderduikadres zal afwachten. Vanuit het Huis van Bewaring schrijft ze een briefje aan haar zwager en schoonzuster Helmer en Nel Kuipers in Bussum, zodat ook haat dochters Heleen en Eddie weten, waar ze is en hoe het op dat moment met haar gaat. Uit dit briefje blijkt wel, dat ze zich voorbereidt op een lang verblijf in de gevangenis. Ze vraagt om een aantal persoonlijke dingen als ondergoed, breipennen en wol en een bijbeltje. Het is echter niet bekend of ze alles ook gekregen heeft. Ze laat iedereen groeten, in het bijzonder natuurlijk de kinderen, en getuigt ook nu weer van haar vertrouwen in God. Het is duidelijk dat het geloof haar de steun geeft, die ze in deze benarde positie nodig heeft. Ze weet, dat ze binnen een week naar Vught gebracht zal worden.
Op 25 augustus 1944 komt ze in het kamp Vught aan en ze krijgt daar het nummer Sch.H.01.236.
Vriendschap tussen de gevangenen is in de kampen van ontzettend groot belang. Als je vrienden hebt, kun je elkaar steunen en elkaar wat hoop geven in een uitzichtloze situatie. Zonder vrienden en vriendinnen wordt het verblijf in het kamp nog moeilijker dan het zonder meer al is. Heleen Kuipers kent weinig mensen in het kamp. Ze verblijft er maar een relatief korte tijd, een kleine veertien dagen, en ze wordt daarom ook niet tewerkgesteld in een van de fabrieken in de omgeving. Daarom kan ze ook geen hechte vriendengroep om zich heen opbouwen. De angst en de eenzaamheid moet ze voornamelijk alleen zien te verwerken.

Blz.73

Maar ook hier stapt ze over haar eigen problemen heen en probeert anderen, zoals het heet, ‘door de buizen heen’ tot steun te zijn en wat troost te geven.
Op een dag ontmoet ze mej. D.Kuyvenhoven. Ze kent haar oom, T.Kuyvenhoven, die predikant is in Eibergen, en deze gelegenheid om vriendschap te sluiten wordt door de twee vrouwen met beide handen aangegrepen.
Ze hebben een week intensief contact met elkaar. Na een week wordt mej. Kuyvenhoven op transport gesteld, omdat ze in Den Bosch moet werken. Ze herinnert zich ‘Tante Riek’ echter nog goed en ook hoe Heleen Kuipers met haat medegevangenen omging. ‘Haar houding ten opzichte van haar medegevangenen heb ik ervaren, Zij zocht contact en was als een moeder. Ze straalde gewoonweg haar zorg voor anderen uit en probeerde wie en waar dan ook te helpen’.
Op 7 september 1944 wordt Heleen Kuipers op transport gesteld naar Ravensbrück. Ze zit bij het grote transport gevangenen, dat na Dolle Dinsdag is weggevoerd. Misschien dat het met die Dolle Dinsdag te maken heeft, maar de groep vrouwen die in de trein naar Duitsland gestopt wordt, is redelijk opgewekt en optimistisch.
Het zal nooit meer lang kunnen duren, veertien dagen misschien en dan zal iedereen weer thuis zijn, denken ze.
Een van de vrouwen van dat transport zegt het zo: ‘Toen werd het Dolle Dinsdag, dat was 6 september 1944. Het kamp werd ontruimd. We (herinneringen van Anneke B. uit Haarlem) moesten de hele dag op appèl staan. Toen werden we in een wagon gestopt met 83 vrouwen. We zijn zingend de wagons ingegaan. We hadden een kamplied. Dat kon niet lang duren… veertien dagen…. en dan gaan we naar huis, dachten we’
Uit de trein weet Heleen Kuipers een briefje te gooien. Het zijn een paar korte zinnen, neergeschreven op een w.c.-papiertje, dat via via bij de familie Kuipers terecht komt. Daaruit blijkt hoe onzeker ze is over de toekomst, maat ook blijkt haar vertrouwen op God. ‘Lieve Piet en kinderen. Wij zitten in de wagons te wachten op transport. Waarheen? Wij weten het niet. Wees Gode bevolen. Bidt voor elkaar. Je je liefhebbende moeder’
Op 9 september komt ze in het vrouwenkamp Ravensbrück aan.

Het ‘konzentrationslager Ravensbrück’ wordt in 1948 speciaal als vrouwenkamp door de Duitsers gebouwd. SS-chef Heinrich Himmler is verantwoordelijk voor het bevel over dit kamp, dat gemakkelijk bereikbaar moet zijn en toch zover weg, dat er geen contact mogelijk is tussen gevangenen en burgerbevolking, te bouwen en in te richten.

Blz.75

Veertien woonbarakken, twee ziekenbarakken, doucheruimte, een quarantainebarak en een twee meter hoge muur met prikkeldraadversperring worden in het voorjaar van 1939 door Duitse gevangenen uit andere kampen opgeleverd.
Later wordt het kamp uitgebreid tot dertig woonbarakken, vier ziekenbarakken, verschillende bedrijven voor de vervaardiging van militaire en kampkleding, een strafbunker, gaskamers en een crematorium.
Tot het eind van de oorlog, als het kamp bevrijd wordt door Russische soldaten, zijn er 123.000 vrouwen geïnterneerd geweest.
In januari 1945 zitten er 36.000 vrouwen in het hoofdkamp, zes keer zoveel als de capaciteit toelaat. Zeker 90.000 vrouwen overleven het kamp niet. De belangrijkste doodsoorzaken zijn naast ‘duizendvoudige directe moord’: uitputting, ziekten door gebrek aan sanitaire voorzieningen, ondervoeding en systematische mishandeling door de kampleden.
Veel vrouwen komen terecht in het Revier, het ziekenhuis van het kamp, dat al die jaren dan ook overvol is. In zeker zin is het voor die vrouwen een soort rustpunt om bij te komen van de moordende arbeid, twaalf uur per dag, die verricht moet worden. Vlakbij het Revier is een vertrek, waar vrouwen van wie wordt aangenomen, dat ze krankzinnig zijn, terecht komen. Soms zitten er zestig tot zeventig vrouwen opeengepakt in die kleine ruimte en velen die niet krankzinnig zijn als ze erin komen, worden het daar.
Systematische executies vinden plaats vanaf eind 1944 na een bezoek aan het kamp van Heinrich Himmler. Hij geeft opdracht alle gevangenen te doden die te ziek zijn of te zwak om een mars te lopen. De nazi’s verwachten namelijk het kamp in verband met de oprukkende Russische troepen te moeten evacueren. Tot vijftig vrouwen per dag worden in die periode omgebracht. Veel vrouwen worden ook in de gaskamers om het leven gebracht. Twee gespecialiseerde krachten zijn uit Auschwitz overgekomen om deze massaslachtingen te organiseren. Vrouwen die worden beschouwd als ‘uitschot’ krijgen het roze persoonsbewijs en worden naar het zogenaamde Jugendlager gebracht, waar de gaskamers zich bevinden. Per keer worden 150 vrouwen de gaskamers binnengeleid. Een gastank wordt naar binnen gegooid en na ‘twee of drie minuten gehuil’ treedt de dood in.
Tegen het eind van de oorlog, in de jaren ’44 en ’45, worden de omstandigheden in het kamp steeds slechter. Vrouwen uit andere kampen zorgen ervoor, dat Ravensbrück overbevolkt raakt. Er zijn niet genoeg slaapplaatsen.

Blz.77

Soms slaapt men op de grond, soms moet men het bed met twee of drie andere vrouwen delen.
Heleen Kuipers heeft de ellende van met name het laatste oorlogsjaar niet meer meegemaakt. Ze is dan al overleden.

De reis naar Ravensbrück schijnt niet erg moeilijk geweest te zijn. De vrouwen uit Nederland komen aan in keurige overalls en zijn in een vrij opgewekte stemming. Die stemming zal echter gauw veranderen. De eerste twee dagen en nachten moeten ze buiten in de sintels doorbrengen. Er is in het kamp geen plaats voor hen. Het is net in de periode, dat veel vrouwen uit andere kampen naar Ravensbrück worden getransporteerd en het kamp is eigenlijk overbevolkt. Na twee dagen is een plaats voor hen gevonden. Ze zijn door de ontberingen van die twee dagen even smerig en zwart en wanhopig als de andere gevangenen. Ze krijgen een koud bad en moeten boven- en ondergoed afstaan. Dan krijgen ze oude lompen aan. Heleen Kuipers wordt geregistreerd onder nummer 67184.
Heleen Kuipers heeft het transport niet helemaal ongeschonden doorstaan. Ze heeft een open wond op haar wreef en ze moet de eerste week van haar verblijf in het kamp meteen al opgenomen worden in het Revier, het ziekenhuis van Ravensbrück. Ze is daar samen met mevrouw Nieuwenhuis-Schilpzand, die zich het volgende herinnert:
‘Ik ben met uw vrouw ( in een brief aan Piet Kuipers na de oorlog) vijf weken in Ravensbrück samen geweest. Toen ons transport 9 september daar aankwam, kon ik niet lopen, had een infectie aan mijn hiel en ben toen met enige andere dames naar het kamp gebracht met een vrachtauto waaronder ook uw vrouw. We zijn toen samen een week in een ziekenbarak geweest, want uw vrouw had een open plek op haar wreef. Van dien tijd zijn we steeds samen geweest, samen hebben we gebeden, gepraat, op appèl gestaan, van thuis gesproken en naar huis verlangd. ’t Was een heel lieve vrouw, zo echt een moederlijke vriendin’.
Na een week wordt ze ontslagen uit het Revier en ze wordt geplaatst in een barak in blok 28, ‘een vreselijk smerig woonblok’. Veel jonge vrouwen krijgen de opdracht om in de nabijgelegen fabriek van Siemens te gaan werken. Volgens Piet Kuipers heeft zijn vrouw dit werken voor de vijand altijd geweigerd en zou ze ook daarin ‘tot het laatst aan toe principieel (zijn) gebleven. Het is echter onwaarschijnlijk, dat ze zich openlijk tegen de Duitsers verzet heeft, omdat die mogelijkheid in Ravensbrück simpelweg niet bestond. Het regiem in het kamp is zo streng, dat werk weigeren niet getolereerd wordt.

Blz. 79

Misschien heeft ze kans gezien zich aan het werk te onttrekken. Waarschijnlijker is het echter, dat ze afgekeurd is voor de ‘Atbeitseinsatz’, zoals mevr. Nieuwenhuis vertelt, ‘voor haar ogen’.
Mevrouw Nieuwenhuis gaat uiteindelijk naar München , Heleen Kuipers blijft in Ravensbrück.

Veel, vooral oudere vrouwen, die niet bij Siemens kunnen werken, worden in andere werkcommando’s geplaatst. Heleen Kuipers komt terecht bij het zogenaamde breicommando, waar kleding voor het Duitse leger gebreid wordt. De vrouwen die in het Siemenscommando moeten werken, worden op den duur allemaal overgeplaatst naar een boven het kamp liggend ‘Siemenslager’.
In zekere zin is het een verbetering voor die vrouwen, omdat de omstandigheden daar naar verhouding beter zijn dan in het eigenlijke kamp. De vrouwen worden dan als arbeidskrachten beschouwd en voor de Duitsers is het blijkbaar belangrijk niet geheel uitgemergelde of gemartelde vrouwen aan de buitenwereld te laten zien. Voor de vrouwen die nog niet zijn overgeplaatst naar het Siemenslager wordt heleen Kuipers na verloop van tijd ‘Tischälterste. Haar taak is het dan om bij terugkomst van de ‘Siemensleute’ in de barakken het eten te verdelen. Dit geeft haar ook de mogelijkheid om ziek lotgenoten af en toe wat extra’s toe te stoppen.
Ondanks het feit, dat er niet veel vrouwen zijn die Ravensbrück overleefd hebben, die Heleen Kuipers langdurig en van nabij hebben meegemaakt, komt uit de spaarzame herinneringen toch een beeld naar voren van een vrouw, die waar het kon hulp biedt en troost probeert te geven. Mevr. Boissevain-van Lennep, die met Heleen Kuipers korte tijd in de barak van blok 28 gezeten heeft, vertelt het volgende: ‘Ik heb onuitsprekelijk veel aan haar gehad. Ik was al na 12 dagen ziek en ging naar en ziekenbarak of blok. uw vrouw was toen nog helemaal gezond en bleef in blok 28, een vreselijk smerig wooblok. nadat ik 8 weken zwaar ziek had gelegen werd ik door de intrique van twee homosexuele vrouwen die mij kwijt wilden plotseling ontslagen uit de ziekenbarak. Ik had nog koorts en dysenterie. Kon amper lopen en had hartzwakten. Ik moest terug in barak 28 waar de meesten van ons niet meer waren op een klein groepje vrouwen na die moesten breien, o.a. ook uw vrouw. Ik kwam daar voetje voor voetje terug en viel onderweg flauw. Gelukkig was juist uw vrouw daar. Ze ving me op en nam me mee. Ik kreeg en paar uur een bed van iemand die werkte en een paar uur een ander bed dito.

Blz.81

Uw vrouw maakte dat telkens in orde. In haar eigen bed was geen plaats. Zij moest daar breien. Ze verzorgde me zo goed als ze kon, sneed hele dunne boterhammetjes van het harde schimmelbrood en belegde die met dunne plakjes aardappel en uisnippers. Altijd wist ze uit de beperkte mogelijkheden nog iets te maken en verspreidde om zich heen liefde en warmte. Zij was altijd blijmoedig en sterk voor anderen.
Ongeveer eind oktober wordt Heleen Kuipers ziek. men vermoedt, dat ze typhus heeft. Ze wordt geheel geïsoleerd, maar later blijkt, dat haar ziekte toch geen typhus is. Ze wordt dan overgebracht naar de gewone ziekenbarak,waar ze op 27 of 28 december 1944 overlijdt. Volgens sommige berichten is de doodsoorzaak toch typhus, andere berichten spreken van een dubbele longontsteking. Het is niet bekend of er iemand bij was toen ze stierf, maar ‘ook dit laatste (heeft ze) met grote overgave en geloof doorstaan, want zo was haar wezen gericht’






LATER MEER

Lees verder

‘Er was zoveel werk nog te doen…’

Door Eppo Kuipers, 1988
Uitgave: Vereniging Het Museum Winterswijk

Blz.29

1940-1944 ‘Er was zoveel werk nog te doen…..’

Op 10 mei 1940 vallen de Duitse troepen Winterswijk via Aalten binnen. Ook voor Winterswijk is de bezetting een feit.
De reactie in het gezin Kuipers op de Duitse inval is niet bij iedereen gelijk. De kinderen, en vooral de jongsten, beseffen eigenlijk niet wat er aan de hand is.
Heleen, die dan ongeveer 8 jaar is, herinnert zich van die eerste dagen niet meer dan blauwe luchten en veel vliegtuigen.
Pas veel later realiseert ze zich hoe verschrikkelijk een oorlog is.
Piet en Helmer zien alleen de spanning en sensatie van de door Winterswijk trekkende soldaten. Ondanks het verbod van hun ouders gaan ze in het centrum van Winterswijk kijken naar de tanks, die daar staan opgesteld. Ze weten dat ze straf zullen krijgen, maar de verleiding is te groot. Dat hier de vijand staat, dringt op dat moment nauwelijks tot hen door.

Heleen Kuipers reageert fel, veel feller dan Piet Kuipers. Ze haat de Duitse bezetter vanaf het begin en er wordt vurig gebeden om Gods hulp, opdat de vreemde invaller verdreven zal worden. Het is een haat, die niet alleen gericht is tegen personen, tegen soldaten of tegen tanks. Ze gaat veel verder. Met name de ideeën van het nationaal-socialisme keurt ze af met een felheid, haar karakter eigen. Ze zijn een gevaar voor Christelijk Nederland en Heleen Kuipers is zich bewust van de schadelijke invloeden die er vooral op jongeren van uit kunnen gaan. Vanuit deze achtergrond moet het verzetswerk, dat Piet en Heleen Kuipers geleidelijk aan beginnen, begrepen worden.
Eigenlijk zijn er twee hoofdmotieven aan te wijzen, die een rol spelen bij de beslissing met ‘illegale’ acties tegen de Duitsers te beginnen. In de eerste plaats is er hun levensovertuiging. Daardoor kunnen ze mensen die een beroep op hen doen niet weigeren. Als gelovige mensen moeten ze het gebod van de naastenliefde in de praktijk brengen. Doordat ze de mensen zelf ook stimuleren om verzet te plegen. komen ze bij hen om hulp. En die hulp moet dan ook gegeven worden. In de tweede plaats spelen vaderlandse gevoelens een rol. Het is voor hen een niet te verteren zaak, dat Nederland overheerst wordt door een vreemde mogendheid. De soevereiniteit van ons land is in het geding. Alles moet daarom in het werk gesteld worden om de mensen ervan te overtuigen, dat het nationaal-socialisme meer dan verwerpelijk is en dat men zich daadwerkelijk tegen de Duitsers moet verzetten.

Blz.30


Zoon Helmer geeft de volgende beschrijving van de redenen, zoals die in zijn ogen ten grondslag liggen aan de verzetsactiviteiten van zijn ouders.
Ook volgens hem is belangrijk, dat er een beroep op hulp gedaan wordt, dat ze niet kunnen en willen weigeren. En daarnaast vinden ze het geweldig, dat jongens liever onderduiken dan voor de Duitsers te gaan werken.
En, zegt Helmer, ze hebben ook de mogelijkheid om te helpen. Zijn moeder heeft de benodigde contacten in het land door haar lidmaatschap van het hoofdbestuur van de Bond van Gereformeerde Vrouwenverenigingen.
En de Achterhoek is een ideale plaats om onder te duiken. Beiden worden gedreven door vaderlandse gevoelens en door hun levensovertuiging.
Hoe sterk die vaderlandse gevoelens zijn blijkt uit het feit, dat Heleen Kuipers zelfs in de oorlog op Koninginnedag met een oranjestrikje blijft lopen. Dit uiterlijke vertoon is voor haar belangrijker dan mogelijke sancties van de Duitsers. Naastenliefde, dat ze zien als het grootste gebod, is belangrijk. Ze zijn echt gelovige mensen, met een groot vertrouwen op God en ze zien het als hun christenplicht mensen in nood te helpen. Dat alles met elkaar maakt, dat ze door willen gaan met het werk, zelfs als ze veilig zijn (wanneer ze zijn ondergedoken in Bennekom in 1944) en eigenlijk kunnen zeggen: we hebben het nodige gedaan, we hebben ons steentje dubbel en dwars bijgedragen.

Heleen Kuipers is ‘vooral de vrouw van het principiële verzet’.
Deze uitspraak van A.R.van Manen geeft het karakter van het verzet van Piet en Heleen Kuipers goed weer.
Het daadwerkelijke verzet in Nederland begint in 1941 na verscheidene razzia’s op de joden zowel in Amsterdam als bijvoorbeeld ook in de Achterhoek. Hier zijn mensen in nood die direct hulp nodig hebben.
Ook Piet en Heleen Kuipers dragen hun steentje bij om de joden te helpen onderduiken. Zelf nemen ze overigens slechts twee joden in huis. Maar de mensen die weigeren deel te nemen aan de Arbeidsdienst, die overigens in de eerste jaren nog niet verplicht is, zijn, om het zo te zeggen, veel interessanter voor Heleen Kuipers. Zelf is ze een vrouw met vaste en duidelijke principers. En ze ziet het als haar taak iedereen ervan te overtuigen dat men zich moet verzetten tegen het werken voor de Duitsers; en dan niet uit opportunistische overwegingen. Want ook dat komt voor, dat mensen zich onttrekken aan de Arbeidsdienst uit angst of gewoon omdat ze geen zin hebben. Maar voor haar gaat het om de principiële weigeraar. Wat ze vooral verfoeit in de Arbeidsdienst is het corrumperende karakter ervan.

Blz.32

Deze dienst is bedoeld als opvoedingsinstituut in de nationaal-socialistische beginselen en daarin ligt voor haar het gevaar voor met name christelijke jongeren.
Tijdens allerlei bijeenkomsten en vergaderingen, bijvoorbeeld van de A.R.P. en van de Gereformeerde mannen-en vrouwenverenigingen, wordt propaganda gemaakt tegen ideeën van het nazisme.
Hierop ligt in de beginjaren veel meer de nadruk dan op het praktische werk. Dat komt later. Piet Kuipers zegt er het volgende over:
‘Mijn vrouw is niet begonnen om een groot opgezette L.O.actie te beginnen. Ik meen, dat het begin was, dat de jongens in de arbeidsdienst moesten. Mijn vrouw en ik stonden met veel jongelui en organisaties in contact. Mijn vrouw heeft zich daarvoor erg druk gemaakt. Het gevolg was dan ook, dat van de jongens van christelijke huize er maar één gegaan is; de anderen zijn door ons weggewerkt. De eerste jongen die hier kwam, had nog nooit in een trein gezeten en vroeg of wij hem helemaal weg konden brengen naar de plaats waar hij onderdak kon. Zo ging het met de tweede ook; de derde kon alleen reizen. Dit was het begin.

Piet Kuipers haalt ook nog een gesprek aan tussen Heleen Kuipers en ds.Slomp dat aardig weergeeft wat hen in de begintijd voor ogen stond. Het gesprek is overigens van wat latere datum dan de eerste verzetsactiviteiten.
‘Mijn vrouw zei (in een reactie op de klacht van ds.Slomp, dat hij er moeite mee had stil te zitten en niets te doen, EK): Ik heb goed werk voor je. We zullen hier grote vergaderingen organiseren voor de Gereformeerde mannen- en vrouwenverenigingen en jeugdorganisaties. We zullen ze dan wijzen op de gevaren voor de arbeidsinzet en de tewerkstelling in Duitsland. Hij voegt er nog aan toe, waarom het naar zijn idee noodzakelijk was dat werk, het bewustmaken van het verwerpelijke karakter van het nationaal-socialisme, ook hier in Winterswijk te beginnen.
‘Hier in de grensstreek waren de de mensen gewend in Duitsland te werken. De lonen waren daar hoger dan hier, dus heel wat jongelui gingen daar werken en maakten daardoor Duitse arbeiders vrij, die soldaat konden worden. Al die dingen werden door ds.Slomp behandeld en het werden enthousiaste vergaderingen.
Piet en Heleen Kuipers houden zich echter niet alleen bezig met het propaganda maken tegen het nationaal-socialisme. Al gauw neemt ook het praktische werk veel tijd in beslag.

Blz.34

Natuurlijk, als je mensen ertoe aanzet verzet te plegen, moet je ook consequent zijn en die mensen ook daadwerkelijk hulp bieden als ze daarom vragen.
Het meeste van dit werk komt neer op Piet Kuipers. Hij trekt de hele Achterhoek door om onderduikers (joden en niet-joden) onder te brengen en om Franse en Engelse krijgsgevangenen, die uit Duitsland zijn gevlucht, weg te helpen. Bonkaarten op de bestemde adressen afleveren of het illegale blad Trouw bezorgen, behoren bijna tot de ‘normale’ activiteiten van het gezin Kuipers. Vooral de jongens Piet en Helmer worden bij het ‘kleinere’ werk ingeschakeld en dit wordt binnen het gezin ook als vanzelfsprekend ervaren. Natuurlijk zijn er risico’s verbonden aan het mee laten werken van zulke jonge jongens. Maar hun ouders zien het waarschijnlijk als een onderdeel van de opvoeding ook de kinderen hun steentje bij te laten dragen in het bestrijden van de Duitsers. Helmer herinnert zich van dat werk het volgende: ‘Binnen het gezin werd het als vanzelfsprekend beschouwd dat mensen die hulp zochten werden geholpen. Ik herinner me dat Franse soldaten die uit Duitse gevangenschap waren gevlucht, vanaf Hemink ’t Laarberg (de boerderij van de latere medewerker van Piet en Heleen Kuipers, H.Hemink, EK) door vader en mij werden weggebracht ’s nachts naar Lichtenvoorde, waar ze verder werden geholpen om naar huis te komen.
De sfeer in huis wordt door dit werk niet wezenlijk aangetast. Daar wordt door Piet en Heleen Kuipers ook bewust aan gewerkt. ‘Zowel vader als moeder deden hun uiterste best de sfeer in huis dezelfde te laten en deze niet te laten beïnvloeden door hun verzetswerk.
De spanning neemt wel meer toe in de loop van de jaren, met name als het werk Piet en Heleen Kuipers bijna te wordt en men zich meer bewust wordt van de risico’s die eraan verbonden zijn.

Is men zich bewust van het waarom van de acties, veel minder is men zich bewust van de gevaren, die er aan het werk gericht tegen de Duitsers kleven. Dit geldt niet alleen voor de kinderen, die de ‘karweitjes’ onder meer zien als een prima middel om van het huiswerk af te komen. Maar zeker ook voor Heleen Kuipers. De volgende anekdote, die zowel door Piet Kuipers sr. als door zoon Helmer naar voren wordt gebracht, maakt dat een beetje duidelijk. Op de vraag, hoe het gesteld is met de veiligheidsmaatregelen in die tijd, geeft Piet Kuipers een antwoord, waaraan dan te zien is, dat zijn vrouw in dit geval zich de gevaren niet voldoende realiseert en ook dat er een zekere nonchalance binnen sluipt in het werk. Misschien dat dat komt, omdat het in het begin allemaal redelijk vlot verloopt.

Blz.36


Hij zegt: ‘Ik herinner me nog goed, dat mijn vrouw met een stel fietsbanden aankwam. We hadden wat bonnen gehad en Gerrit (Gerrit Breteler, EK) uit Enschede zei: Laat mij die bonnen maar, ik weet een adres voor banden. Die zijn toen verdeeld en mijn vrouw kwam uit de trein met vier buitenbanden en vier binnenbanden. (Helmer voegt daaraan toe, dat ze de banden om haar nek droeg en dat ze op de fiets van het station kwam en, wat belangrijk is, dat de banden uiteindelijk voor koeriers bestemd waren).
Ik zei: Ben je daar zo mee over straat gekomen? Ieder agent kon zien, dat ze daar niet eerlijk aankwam, maar ze had zich niet gerealiseerd, dat dit niet goed was.

Het werk tegen de Duitse bezetter begint natuurlijk niet alleen vorm te krijgen in Winterswijk door het werk van Piet en Heleen Kuipers. Op veel andere plaatsen in Nederland komt men in het geweer tegen de Duitse maatregelen. In het begin zijn het vooral de joden die geholpen moeten worden. Geleidelijk aan wordt het de mensen, die er oog voor hebben, duidelijk, dat de joden geen enkele levenskans hebben als ze in Duitse handen vallen. In het najaar van 1941 wordt er, bijvoorbeeld in Driebergen, door joden op kleine schaal ondergedoken. Maar in 1942 neemt het aantal joden, dat zich voor de Duitsers wil verbergen, toe en dientengevolge breidt het onderduikwerk zich snel uit. Zo worden vanuit Rotterdam veel joodse onderduikers naar Driebergen gestuurd. Mej.A.W.Bos, een geboren Winterswijkse en schoonzuster van J.van Manen, die een van de leidinggevende mensen binnen het verzet in Driebergen is, steekt daarbij een helpende hand uit.
Ze is lid van het hoofdbestuur van de Bond van Gereformeerde Vrouwenverenigingen. Ook Heleen Kuipers is lid van dit hoofdbestuur.
En zij wordt gewonnen voor jodenhulp door mej.Bos, samen met mevrouw F.M.L.Nawijn-van Dijk, een predikantsvrouw uit Friesland. Door deze initiatieven van mej. Bos ziet ook Heleen Kuipers een mogelijkheid haar ideeën over verzet in de praktijk te brengen. Ook zij wordt ingeschakeld bij de jodenhulp. De contacten tussen Driebergen en Winterswijk worden geïntensiveerd en ook Aalten, in de persoon van J.Wikkerink, wordt bij het werk betrokken. Hiermee zijn de contacten gelegd, waaruit later in 1942 de landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers zal voortkomen. Ook Piet Kuipers ziet hierin het begin van hun meer actieve verzet naast het voorlichten en propaganda maken. Hij zegt hierover: “Hiermede (met J.van Manen uit Driebergen,EK) stonden wij in contact voor het grote contact werd gelegd(…)

Blz.37


Dat (de jodenhulp,EK) was het begin, behalve natuurlijk propaganda maken tegen de Duitsers en de N.S.B.-beginselen, wat we meer onder elkaar deden.(…)
We hebben hier (ook) een stel joden uit Rotterdam gehad. Mej.Bos, hoofdbestuurslid van de gereformeerde Vrouwenbond, had tegen de joden gezegd, als het spannend wordt gaan jullie maar daar (Winterswijk,EK) naar toe. Toen zijn hier vluchtelingen uit Rotterdam geweest. Het was echter gevaarlijk om hier langer mensen te hebben. Ze moesten naar Varsseveld gebracht worden. Een man bestierf het onderweg bijna van angst, maar hij heeft het leven gered.

De hulp aan onderduikers heeft de eerste twee jaar van de oorlog een wat ad hoc karakter. Moet er iemand geholpen worden, dan wordt op dat moment gezocht naar een plaats. Veel mensen zijn min of meer op eigen houtje bezig hulp te bieden, maar van veel organisatie of onderling overleg is nog geen sprake. Wel wordt er op kleine schaal enigszins georganiseerd gewerkt, zoals bijvoorbeeld in Driebergen. Dat wil dan zeggen, dat er een bepaald systeem bestaat met contactmensen en contactvergaderingen. Geleidelijk wint de gedachte veld, dat een dergelijke organisatievorm uitgebreid moet worden. Het werk wordt de afzonderlijke onderduikhelpers teveel. Er moeten teveel plaatsen gevonden worden voor mensen die voor de Duitsers op de vlucht zijn en men kan het op den duur niet meer alleen af. Dat geldt voor Driebergen, voor Winterswijk, als ook voor andere plaatsen in Nederland. De gedacht van een meer landelijke georganiseerde vorm van hulp aan onderduikers wordt meer gepropageerd als ds.F.Slomp bij het werk betrokken wordt.
Frits Slomp, geboren 1898 te Ruinerwold (Drenthe) en dominee van de Gereformeerde Kerk te Heemse, is zich al snel bewust van de gevaren van het nationaal-socialisme. Vanaf het begin van de bezetting behoort hij tot de predikanten, die preken tegen de principers van het nazisme. Vanaf de kansel en tijdens allerlei vergaderingen houdt hij talrijke anti-Duitse toespraken. Deze toespraken zijn voornamelijk voorlichtend van karakter. Net als bij Piet en Heleen Kuipers in Winterswijk is voor hem belangrijk, dat de mensen zich ervan bewust worden, dat het nationaal-socialisme iets verwerpelijks is. Tot actie en daadwerkelijk verzet roept hij dan nog niet op. In 1942 moet hij vluchten, omdat de Duitsers, die genoeg hebben van zijn ophitsende preken, hem willen arresteren en hij duikt onder.
Op een zondag in 1942 komt hij in Winterswijk, waar hij logeert bij de familie Dulfer.

Blz.40

Hij is gedeprimeerd, kan niet langer tegen het nietsdoen en wil terug naar zijn eigen gemeente in Heemse. Zijn gastvrouw, die deze negatieve gemoedstoestand onderkent, brengt hem in contact met Heleen Kuipers.
Hij gaat bij Piet en Heleen Kuipers op bezoek en zij gaan tijdens het gesprek in tegen zijn negatieve houding en proberen hem te stimuleren met zijn werk door te gaan. Ds. Slomp is duidelijk onder de indruk van de persoonlijkheid van Heleen Kuipers. Door haar principiële opstelling en haar overtuiging dat het werk niet neergelegd mag worden, krijgt hij weer nieuwe moed. Ook wordt hij gewonnen voor de idee van een landelijk georganiseerde hulp aan onderduikers, die al eerder tussen J.van Manen en Piet en Heleen Kuipers besproken is. Hij besluit weer op pad te gaan en als propagandist van de gedachte van een landelijk georganiseerde onderduikhulp zijn werk weer op te pakken. De invloed van Heleen Kuipers op deze beslissing van ds.Slomp is groot.
Vanaf dit moment kan het werk grootser worden aangepakt, alhoewel het nog wel even duurt voor van een echte landelijke organisatie sprake is. Piet Kuipers herinnert zich van dit belangrijke gesprek met ds.Slomp het volgende:
‘Toen op een zondag kwam ds.Slomp hier. Niet bij ons, maar bij de familie Dulfer. Hij zat in de put en de mevrouw, waar hij logeerde zei: Je moet eens met mevrouw Kuipers gaan praten. Hij kwam uit de kerk en zei, dat hij in zijn gemeente niet meer terug kon komen. Hij zei: Ik ben ondergedoken en zit niets te doen. Ik heb geprobeerd te studeren; ik ga weer naar mijn gemeente terug. Wij zeiden, dat dit te gek was. Ja maar stil zitten kan ik niet. Ik moet wat doen. Mijn vrouw zei: Ik heb goed werk voor je. We zullen hier grote vergaderingen organiseren voor de Gereformeerde mannen- en vrouwenverenigingen en jeugdorganisaties. We zullen ze dan wijzen op de gevaren voor de arbeidsinzet en de tewerkstelling in Duitsland, die toen nog niet gedwongen was.
Hij kreeg weer moed het werk te beginnen. Ze (Heleen Kuipers,E.K.) heeft een heel sterke invloed op ds.Slomp gehad.
Over het algemeen wordt dit gesprek op die bewuste zondag in 1942 gezien als het moment waarop de landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers (de L.O.) ontstaan is.
Ook ds.Slomp is die mening toegedaan, zoals blijkt uit zijn weergave van het gesprek met Heleen Kuipers.
‘Toen dacht ik (Heleen Kuipers, E.K.) bij mezelf: ik heb mijn man gevonden….
Ik heb hier en daar al jongens laten onderduiken, ik heb joden opgeborgen, maar je weet toch uiteindelijk er geen weg meer mee. Wij moeten een organisatie stichten opdat wij die onderduikers een plaats kunnen geven.

Blz.41


En nu dacht ik dat jij dat moest doen, dat je ’t land door moet om de mensen warm daarvoor te maken. Ik zeg: Maar dat durf je niet. Waar ik kom…, daar ga ik heen op de fiets, maar ik durf niet in de trein te reizen. En toen sprak ze dit woord dat ik nooit zal vergeten. Ze keek me aan en zei: Kerel, zou ’t nou zo erg zijn als jij om het leven kwam en als er duizenden jongens gered worden? Ik heb daar niks meer op kunnen zeggen.
De gedachte, die Heleen Kuipers tijdens dit gesprek uit om een organisatie te stichten, is echter niet tijdens dat gesprek in de Willinkstraat ontstaan. Er zijn intensieve contacten tussen Driebergen, Winterswijk en Aalten, met lijnen die lopen naar onder meer Friesland.
Bij de mensen die hier bezig zijn ontstaat de behoefte aan een grotere, meer landelijke georganiseerde vorm van onderduikhulp.
Heleen Kuipers, die mede door haar contact met J.van Manen vertrouwd is met de gedachte van een bredere opzet van de hulp, wint ook ds.Slomp voor deze zaak en stuurt hem op pad om de mensen ervoor warm te maken. In het najaar van 1942 begint ds.Slomp, eerst onder de schuilnaam “ouderling van Zanten”, later als “Frits de Zwerver”, aan zijn reis door het land om zoveel mogelijk mensen tot actief verzet op te roepen.
Zijn eerste bezoek geldt Van Manen in Driebergen. Dit op aandrang van Piet en Heleen Kuipers. Veertien dagen na zijn eerste bezoek daar, komt hij weer in Driebergen en er wordt dan besloten een vergadering te beleggen, waarop ds.Slomp de organisatiegedachte uit de doeken kan doen.
Bij dit tweede gesprek is naast Van Manen ook C.B.Ninaber van Eijben aanwezig.
Ninaber is een medewerker van Van Manen, reservekapitein in het leger en van beroep meubelhandelaar. De bewuste vergadering wordt gehouden in de woning van N.Verhoef, een werknemer van Ninaber, omdat het bij Van Manen die dag niet kan.
Het is 25 november 1942 en die avond wordt bij Verhoef, die woont boven de zaak van Ninaber, de organisatie opgericht., die later de landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers zal gaan heten. De volgende dag al wordt bij de familie Stomp in Zeist de eerste echte propaganda-avond gehouden.
Na deze eerste vergaderingen gaat ds.Slomp door om andere delen van het land te bewerken. En het lukt hem steeds vaker commissies benoemd te krijgen.
‘In de meeste plaatsen was het zo dat er wel enig werk verricht werd, doch zonder organisatorisch verband. De brandstof lag klaar. Slomp bracht de vonk die de zaak in vlam zette.

Blz.42

In december van 1942 gaat ds.Slomp ertoe over de belangrijkste verbindingsmannen in de verschillende provincies bijeen te roepen.
Als centrale plaats voor deze bijeenkomsten wordt Zwolle gekozen, waarschijnlijk omdat iedereen deze stad gemakkelijk met de trein kan bereiken. Misschien dat ds.Slomp Winterswijk nog overwogen heeft als plaats van samenkomst door de hoge dunk die hij heeft van Heleen Kuipers.
Maar Winterswijk ligt te ‘Excentrisch’ en is door de slechte treinverbinding veel moeilijker te bereiken.
Ds. Slomp is voorzitter van deze vergaderingen, waarschijnlijk omdat men vertrouwen had in zijn gezag als dominee. Iedereen krijgt hier ‘de gelegenheid de onderduikers welke zich in de afgelopen week bij hem of zijn contacten in de omgeving gemeld hebben en waarvoor men zelf geen plaats gevonden heeft, met de andere bezoekers uit te wisselen’.
Op deze manier is het mogelijk onderduikers, waarvoor men zelf geen plaats heeft, in andere delen van het land onder te brengen. Er ontstaat een soort landelijke ‘beurs’, die spoedig gecoördineerd wordt met de provinciale beurzen. Omstreeks maart 1943 is de zaak, klein begonnen in de gedachte van enkele mensen, al zover uitgebreid, dat de grote landelijke beursvergaderingen gehouden kunnen worden.
Ook Heleen Kuipers is aanwezig op die eerste vergadering van de L.O. in Zwolle. Meestal bezoekt zij als afgevaardigde voor Winterswijk alleen de andere vergaderingen. Een enkele keer gaan Piet en Heleen Kuipers samen.
Piet Kuipers kan namelijk moeilijk tijd vrij maken om aan de beurs deel te nemen, omdat hij ook nog zijn ‘normale’ werk op de fabriek heeft. En ook valt het minder op als Heleen Kuipers op reis gaat. Door haar vele maatschappelijke activiteiten, zoals bijvoorbeeld haar lidmaatschap van het hoofdbestuur van de Bond van Gereformeerde Vrouwenverenigingen, is zij vaker van huis en haar gereis naar ‘illegale’ vergaderingen wekt dan ook geen argwaan.
Van de vergaderingen die Piet Kuipers bijwoont herinnert hij zich een aantal momenten, die uit verschillende perioden van de beursvergaderingen stammen. Zo zegt hij over ds.Slomp en zijn voorzitterschap: ‘Er was ontzettend weinig leiding, Frits was een beste kerel, maar hij gaf geen leiding en dan begon hij met de vraag wie er wat aan te bieden had en wie er plaatsen over had.
Hij begon bijvoorbeeld rechts en wie het eerst aan bod was, had de meeste kans, dat hij zijn jongens kwijt kon. Ik heb wel eens gezegd, dat het anders moest gebeuren, want wie het laatst kwam, kon zijn klanten niet meer kwijt. Hij (de eerste,EK) kon bijna altijd alles gebruiken.

Blz.43


Over de rol van J.Wikkerink uit Aalten (dit geval speelt omstreeks de tweede helft van 1943 en heeft met de langzaam toenemende onvrede met de beurs te maken) : “Wat leuk is, was dat Jan Wikkerink, ome Jan uit Aalten, hier kwam en zei: Ik heb de organisatie niet nodig. Alle jongens die weggewerkt zijn kunnen naar Aalten terugkomen. Dat is inderdaad gebeurd. Hij heeft ontzettend veel gedaan voor de organisatie. Daar waren ze net zo veilig. Aalten is een Gereformeerde gemeente, er waren geen N.S.B.-ers en de politie was goed (hier laat Piet Kuipers zich wat misleiden door een na de oorlog gecreëerd beeld dat Aalten “goed’ was en Winterswijk “fout”.
Ook Aalten kende zijn N.S.B.-aanhang, zij het minder dan in Winterswijk, EK).
Dat was anders dan hier in Winterswijk. Er waren boeren die goed waren, maar die bang waren voor hun buren, die niet goed waren. Wij konden in Winterswijk betrekkelijk weinig jongens onderbrengen. In het begin hebben we wel de jongens weggebracht, maar dat was op den duur te opvallend, want de hele buurt wist: “Kuipers heeft een jongen weggebracht”.
De risico’s zijn groot. Zo weet hij nog een volgend voorval:
“Ik wilde nog vertellen, dat we in Arnhem de vergaderingen hielden vlak naast de Ortskommandantur. In Apeldoorn heeft mijn vrouw een vergadering meegemaakt, ik weet niet meer bij wie (…)
Het was een grote vergadering. Een paar Duitse auto’s houden stil en de S.D. komt naar boven, maar de heren gaan een verdieping hoger, waar huiszoeking is gedaan. Aan de vergadering zelf gingen ze voorbij. Mijn vrouw kwam opgewonden thuis. In die tijd waren ze nogal onder de indruk van alles.

In dezelfde tijd, het najaar van 1942, als ds.Slomp zijn reis door Nederland begint, houdt hij op aandringen van Heleen Kuipers ook nog drie clandestiene lezingen in Winterswijk. Zo zijn er bijeenkomsten in de Gereformeerde kerk, op de boerderij van Jan Simmelink in de buurtschap Miste en in de boerderij van Jan Grevers in de buurtschap Huppel. Het zijn vooral Gereformeerde en Hervormde jongelui, die deze lezingen bezoeken.
Dezelfde bekende thema’s staan ook hier centraal. Er wordt gewezen op de gevaren van het nationaal-socialisme en gewaarschuwd tegen de arbeidsdienst met zijn schadelijke opvoedingsideaal. Deze vergaderingen worden met groot enthousiasme begroet en ds. Slomp weet veel mensen ervan te overtuigen geen dienst te nemen bij de Duitsers.
Ondertussen wordt het werk teveel voor Piet en Heleen Kuipers alleen.

Blz.44


Vooral voor Heleen Kuipers wordt de druk te groot. Niet alleen, dat er een bijna voortdurende stroom onderduikers geplaatst moet worden (vooral na 1942), zelfs hebben ze ook nog geregeld mensen in huis die op de vlucht zijn.
Het wordt op een bepaald moment zoveel, dat ze tegen overspannenheid aanzit en zich gaat afvragen of ze wel met het werk door moet gaan.
Angst speelt daarbij zeker een rol.
Geen van beiden zijn ze helden in de zin van mensen die geen angst kennen en op bepaalde momenten twijfelen ze eraan of het al die moeite wel waard is.
Daar komt dan nog bij, dat van de kant van de familie gezegd wordt, dat ze er beter mee op kunnen houden, omdat het te gevaarlijk is en hun verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld voor het werk op de fabriek, elders liggen. Maar vooral Heleen Kuipers kan het verzetswerk uiteindelijk niet ui handen geven. “Wat ze eenmaal begonnen was, wilde ze doorzetten, al moest ze er bij neervallen”.
Om hun werkzaamheden beter te kunnen verdelen gaan ze in Winterswijk op zoek naar medewerkers. Als eersten worden gevraagd Adriaan Kappers (na de arrestatie van Piet en Heleen Kuipers plaatselijk leider, contactman met het distributiekantoor en verzorging van de financiën), Herman Hemink en Barend Kruisselbrink (beide verzorgen onderduikers, bonkaarten, joden en het contact met de K.P.)
Later wordt deze groep uitgebreid met H.A.Stroes (commandant van de O.D.), die al enige tijd illegale bladen verspreidt en onderduikers doorgeeft aan hun respectieve verzorgers, J.Jansen (contactman met het N.S.F.), die ook al op eigen initiatief bezig is en W.Lelieveld, die als contactman met de Rooms-katholieken optreedt.
De meeste uit deze groep kennen elkaar al van de clandestiene, politieke vergaderingen van de A.R.P., die na 10 mei 1940 belegd worden.
De groep is de vaste kern van het verzet dat met Piet en Heleen Kuipers begonnen is. Af en toe worden ook andere mensen ingeschakeld bij het werk. Zo helpen de ouders van Adriaan Kappers bij het onderbrengen van onderduikers.
Als Piet en Heleen Kuipers van de beursvergaderingen terugkomen, hebben ze meestal vrij veel jongens ‘aangenomen’, die geleidelijk de tocht naar Winterswijk ondernemen. Op het laatst is er in het huis van de familie Kuipers nauwelijks nog plaats, ook al wordt het voornamelijk als doorgangshuis gebruikt.

Blz.46


Dan worden de “oude” meneer en mevrouw Kappers gevraagd om mede voor de tijdelijke opvang te zorgen. Maar ook wordt de Inslagstraat 2, waar ze wonen, gebruikt als arsenaal. Vanaf ongeveer 1943 worden hier onder meer revolvers en ander wapentuig verborgen gehouden. Volgens Piet Kuipers is het een betrekkelijk veilige plek, want “bij oude lui zochten ze nooit”.
Na de totstandkoming van de L.O. breidt het aantal vergaderingen zich snel uit.
Piet Kuipers is de plaatselijke leider van de L.O. in Winterswijk en iedere vrijdag zijn er bijeenkomsten ten huize van de familie Kuipers.
’s Maandagsavonds komen meestal de districtsvertegenwoordigers uit de Achterhoek. Uiteindelijk zijn er vier verschillende vergaderingen, die regelmatig gehouden worden. De plaatselijke vergaderingen en de kringvergaderingen, beide in de Willinkstraat, de interprovinciale vergaderingen (onder meer in Deventer, Winterswijk en Zutphen) en de landelijke vergaderingen (onder andere in Zwolle, Arnhem, Kampen en Apeldoorn). Heleen Kuipers is de speciale vertegenwoordiger van de oostelijke provincies en ze is op al deze vergaderingen aanwezig.

Op de Winterswijkse vergaderingen zijn meestal een twaalf tot vijftien man aanwezig. In het steegje naast het huis staan op die avonden verscheidene fietsen en het is een komen en gaan van mensen.
Volgens Piet Kuipers lijkt dit allemaal gevaarlijker dan het is.
Het valt niet op of het wordt in ieder geval niet verdacht gevonden.
Vooral in de eerste jaren van de oorlog vermoedt men in Winterswijk niet of nauwelijks, dat er in de Willinkstraat illegaal werk gedaan wordt.
Piet Kuipers heeft bijvoorbeeld wel eens aan de politie (“een enkele goed”) gevraagd, of ze iemand van verzetswerk verdenken. Maar, zo is het antwoord, daar zijn geen aanwijzingen voor, “zelfs de chef heeft gezegd, zoiets doen ze hier niet” .
Toch halen ze in de loop der jaren het nodige in huis. Van bonkaarten, illegale bladen, tot revolvers toe. Op een bepaald moment komt men zelfs met een stel ijzers om treinen te laten ontsporen. Deze worden eerst wel geaccepteerd, maar later toch doorgestuurd naar een adres, waar er een beter gebruik van gemaakt kan worden.
Piet Kuipers herinnert zich het volgende van die tijd:
“De dagen waren gek druk. Het was op het laatst geen leven meer. Als de trein om half negen aankwam, kwamen de lui al. Vertegenwoordigers met jongens, jongens met koffers; en tot sluitingsuur, ik meen elf, liep het aan.
Dan gingen we na elf uur de papieren opbergen.

Blz.47

Bij de ene buurman, in zijn geitenhok, onder de grond; je wilde overal voor gewaarborgd zijn. Het was een rare tijd”.
In de Achterhoek hebben Piet en Heleen Kuipers contacten in verschillende plaatsen. Een van de belangrijkste is in Aalten “Ome Jan” Wikkerink, ook een van de L.O. mensen van het eerste uur, die Piet Kuipers al van vroeger kent.
Verder zijn er contacten in onder meer Doetinchem, Dinxperlo, Geesteren, Eibergen (met Gerrit Breteler), Hengelo en Zutphen (met Karel Rietberg, een neef van Heleen Kuipers)
Op de verschillende vergaderingen komt met name het probleem van de onderduikers aan de orde. Maar soms komen ook zaken van een grotere morele orde op tafel. Een van die zaken is het liquidatieprobleem. Op beursvergaderingen is de vraag of mensen gedood mogen worden een aantal keren ter sprake geweest.
Piet en Heleen Kuipers hebben het duidelijk moeilijk met dit probleem.
Ze kunnen daarover niet direct een beslissing nemen. Als Christenen moeten ze het voor hun geweten kunnen verantwoorden als de keuze voor het liquideren van iemand gemaakt wordt.
Piet Kuipers noemt twee gevallen, waarin ze voor een dergelijk moreel probleem gestaan hebben, zonder daarbij overigens veel details te noemen.
Het eerste geval gaat over de vraag of er een onderwijzer uit Aalten “afgemaakt” mag worden. Piet Kuipers wil em kan daar in eerste instantie geen beslissing over nemen. Het is een zaak van de hele vergadering, die uiteindelijk toestemming geeft en de man wordt gedood. Ook in het tweede geval is het voor Piet en Heleen Kuipers moeilijk de verantwoordelijkheid voor het doden van mensen op zich te nemen en wordt de keuze uitgesteld.
Uiteindelijk besluit ook hier de vergadering, twee S.D.-agenten, die te gevaarlijk zijn te doden. Deze twee zoeken overal naar onderduikers, vermoedelijk in Winterswijk en dringen bijvoorbeeld soms ’s nachts bij boeren de slaapkamer binnen om verborgen mensen te betrappen.
Nadat toestemming is gegeven, gaat er maandenlang een aantal mensen van de K.P. achter aan. Maar de actie mislukt.
Door de Winterswijkse organisatie worden zeker 400 onderduikers ondergebracht. het begint met de hulp aan gevluchte joden. Later komt daar de hulp bij aan jongens, die om principiële redenen niet in of voor Duitsland willen werken. Een probleem doet zich voor rondom de vraag welke jongens precies geholpen moeten worden. Op verschillende beursvergaderingen ontspint zich de discussie of iedereen die niet in Duitsland wil werken of alleen de “principiële lui” kunnen rekenen op steun. De conclusie uit deze discussie is, dat bijvoorbeeld jongelui die uit Duitsland komen, omdat ze bang zijn voor de bombardementen, teruggestuurd moeten worden.

Blz.48


Alleen wie er uit principe weigert voor de vijand te gaan werken, krijgt hulp. Een hiermee nauw verbonden vraag is of principiële weigeraars voor de arbeidsdienst of arbeidsinzet zich ook eerst moeten laten keuren of niet.
Ook dit levert binnen de L.O. felle discussies op.
Ds.Slomp is van mening, dat er niet gekeurd moet worden. Het principiële van de weigering staat boven alles. Anderen, zoals onder meer Piet Kuipers, zijn praktischer ingesteld. Zij vinden, dat als je ze afgekeurd kunt krijgen, je wat betreft die jongens van het probleem af bent of op zijn minst uitstel hebt.
Je hebt minder jongens die moeten onderduiken en meer tijd om plaatsen te vinden. Later wordt het standpunt om alleen principiële jongens te helpen prijs gegeven.
Hierdoor komen er meer jongens om hulp en er ontstaan grote problemen om iedereen onder te brengen.
Ook worden soms niet geheel realistische eisen gesteld, zoals blijkt uit het volgende voorbeeld, dat Piet Kuipers aanhaalt.
“Wij hadden hier ontzettend veel mensen die in Duitsland gingen werken en dan hoorden ze, dat we hier onderduikers hielpen en omdat ze bang waren voor de bombardementen kwamen ze hier.
Ik weet, dat een vrouwelijke Doopsgezinde dominee eens hier kwam voor hulp. Ze moest een net kosthuis met vrije kamers, enz. hebben voor jongens uit Duitsland. Mijn vrouw zei: Wij zijn hier geen verhuurkantoor; daaraan kan ik u niet helpen. Ik geloof, dat ze boos is weggelopen”
Het vinden van plaatsen voor bijvoorbeeld arbeidsdienstweigeraars gaat betrekkelijk eenvoudig. Anders ligt het met hulp aan de joden. Zo hebben Piet en Heleen Kuipers weinig of geen bemoeienis met de Winterswijkse joden. Een meisje wordt met hulp weggebracht en vermoedelijk een joodse man duikt in het begin van de oorlog enige tijd bij hen onder. Verder is van jodenhulp door de Winterswijkse L.O. weinig bekend.
Ook van de kant van de Winterswijkse joden weet men blijkbaar niet dat de L.O. in deze plaats actief is. M.de Leeuw (in 1968 voorzitter van de joodse gemeente in Winterswijk) zegt hierover: “Achteraf weet ik maar een joods meisje dat door Tante Riek gered is. Van die organisatie wisten wij toen niks. Van de 278 Winterswijkse joden hebben er 26 de oorlog uiteindelijk overleefd.
Wel worden joden van elders door de Winterswijkse organisatie geholpen. De man die daar meestal voor ingeschakeld wordt is ‘Theo Borstklopper uit Eibergen. Hij is een “buitengewoon actieve kerel, die gespecialiseerd is in het onderbrengen van joden en kinderen.

Blz.50


Na het bombardement van Enschede moet er een groot aantal joden geholpen worden en Theo Borstklopper weet er twintig “in de gauwigheid” onder te brengen. Twee andere gevallen zijn er bekend van door Piet en Heleen Kuipers gegeven jodenhulp. Op een keer krijgen ze van Kari Slomp uit Zeist bericht, dat er joodse baby’s uit Amsterdam weg moeten. Ze bieden hem aan die baby’s in Winterswijk onder te brengen. Uiteindelijk wordt er maar een baby naar Winterswijk gebracht en verder vervoerd naar Theo Borstklopper. Het andere geval is van een joods meisje, op de vlucht voor de Duitsers, dat door Piet Kuipers bij een boer moet worden ondergebracht. Het meisje weet aan haar arrestatie te ontkomen, door tijdens de inval in het huis, waar ze woont, in haar nachtgoed op het balkon vlak achter de deur te gaan staan, zodat de Duitse soldaten haar niet zien.
’s Nachts vlucht ze naar een boerderij, waar ze haar echter niet kunnen helpen. Piet Kuipers brengt haar dan voorlopig bij een boer, tot op een vergadering een definitief adres geregeld kan worden. Ook in dit geval is het Theo Borstklopper, die een oplossing weet en haar naar Eibergen brengt. “Hij had een gammele fiets, en moest toen even verder dat meisje ophalen; zo ging hij naar Eibergen. Het is goed gegaan, maar het had de jongen zijn leven kunnen kosten – met een stel bonkaarten en een jodenmeisje”
Naast het werk, dat het organiseren van de L.O.-akties met zich meebrengt en het fungeren als doorgangshuis voor onderduikers, hebben Piet en Heleen Kuipers ook zelf geruime tijd onderduikers in huis. Zo zitten een tijdlang bij hen de commissaris van politie uit Roosendaal, die moet vluchtten voor de weigering de bevolking te dwingen graafwerk voor de Duitsers te verrichten, de gemeentesecretaris van Hoogeveen, een rechercheur uit Rotterdam, die niet mee wil werken aan de arrestatie van joden en een zekere Reinoud van het C.D.K. (Het Centraal Distributiekantoor).
De laatste komt in overspannen toestand in Winterswijk aan. Bij het C.D.K. verzorgt hij transporten en bonkaarten.
Na al het werk valt het nietsdoen als onderduiker hem zo zwaar, dat hij na een dag of veertien werk voor het Winterswijkse verzet gaat verrichten. Zo gaat hij een paar keer naar Naarden om valse persoonsbewijzen op te halen. Na verloop van tijd kan hij weer met zijn eigen werk doorgaan; een collega komt hem halen, omdat hij niet langer gemist kan worden.
In de loop van de oorlog wordt de hulp aan Engelse en Franse

Blz.51

krijgsgevangenen, die uit Duitsland ontsnapt zijn, en aan neergeschoten piloten steeds belangrijker. Ook in deze gevallen is het Piet Kuipers, die, soms samen met zijn zoons, de krijgsgevangenen verder brengt.
Zo worden de eersten die komen naar Jan Wikkerink in Aalten gebracht. Die brengt ze dan naar de veerman in Huissen, die ze over de Rijn zet. Later krijgt Winterswijk contact met een grote organisatie in Lichtenvoorde, die zo’n 200 piloten en Franse krijgsgevangenen naar het zuiden brengt. Piet Kuipers moet vaak ’s nachts met mensen, die nauwelijks verstaanbaar zijn en vaak niet begrijpen wat er van hen verlangd wordt, naar een plaats op ongeveer tien minuten van Lichtenvoorde om ze aan de organisatie daar over te leveren. En soms betekent dat, zoals zoon Helmer zich herinnert, urenlang in een greppel liggen als er gevaar dreigt. Zelf nemen Piet en Heleen Kuipers op een bepaald moment vier piloten in huis, die later naar Zutphen worden gebracht. Het contact daar is Karel Rietberg, die ze van daaruit naar het zuiden van het land transporteert.
Om onderduikers van al het benodigde te voorzien, zijn in de loop van de oorlog veel bonkaarten nodig. Het distributiekantoor is de aangewezen plek in eerste instantie voor het verkrijgen van deze bonkaarten. Piet Kuipers heeft contact met Ben Harwig, die op het kantoor werkt en via hem krijgt de organisatie de beschikking over de kaarten, die ze nodig heeft.
Aanvankelijk worden de kaarten op normale wijze verstrekt. Het benodigde aantal loopt al gauw op van 8 tot 120 per distributieperiode. Later, als Ben Harwig bij het distributiekantoor verdwijnt, wordt contact gelegd met A.Wiggers. Het aantal bonkaarten per distributieperiode wordt dan opgevoerd tot 200 stuks.
Na 1942 als de beurs tot stand gekomen is, krijgt Winterswijk ook via dit kanaal bonkaarten, onder meer schoenenbonnen, levensmiddelen- en bandenbonnen. Wat het distributiekantoor levert is bij lange na niet genoeg om alle onderduikers te kunnen voorzien.
Ondanks de medewerking van Ben Harwig liggen de contacten met het distributiekantoor moeilijk. Van de 55 mensen die re werken zijn er 16 of 17 lid van de N.S.B.; op ieder afdeling zit wel een N.S.B.-er. Daardoor is het gevaarlijk om allerlei illegale manipulaties te verrichten die nodig zijn om aan de gewenste papieren te komen. Over het algemeen is het personeel bang voor de Duitsers. Toch weet men, ondanks de aanwezigheid van veel N.S.B.-ers, stempels aan de L.O. te leveren. Bovendien worden alle papieren op het distributiekantoor ingevuld en van een handtekening voorzien.

Blz.52

De maatregel van de zogenaamde, tweede distributiekaarten (TDK), een maatregel van de Duitsers om fraude met bonkaarten te voorkomen, wordt door de dan leidingevende persoon van het kantoor gesaboteerd.
Maar nadat hij ziek geworden is, wordt de TDK-maatregel door zijn N.S.B.-plaatsvervanger toch uitgevoerd. Een mogelijkheid is er om de TDK-maatregel te ontduiken. Deze kaarten moeten dan op gefingeerde namen uitgeschreven worden. Maar deze opzet mislukt, omdat de afdeling bevolking van de gemeente Winterswijk niet mee wil werken. Ook hier speelt angst voor de Duitsers een grote rol.
Ook uit Enschede via Gerrit Breteler komt veel materiële hulp, van fietsbanden tot kleding toe. De kleding is afkomstig van de confectiefabrieken van Heek uit Enschede. Ook Winterswijkse textielfabrikanten leveren van alles aan de organisatie van Piet en Heleen Kuipers. “alles wat we nodig hadden voor de jongens, van baby-uitzetten tot overalls. Van de fabriek de Batavier krijgen ze onder meer stof om kostuums te maken. En dat is nodig, omdat de meeste jongens die uit Duitsland komen niets anders bezitten dan dat wat ze aanhebben.
Nieuwe kleding is dan zeer welkom.
Voor al deze activiteiten is veel geld nodig. In het begin worden de gelden door Piet en Heleen Kuipers zelf verzameld bij particulieren of er wordt uit eigen zak betaald. Piet Kuipers herinnert zich een geval, waarin ds.Slomp een keer geen geld heeft om te reizen. Hij en zijn vrouw bieden aan het reisgeld dan te betalen. “Frits (ds.Slomp, EK) had nog geen geld en moest een keer reizen. Mijn vrouw zei: Dan zal ik het betalen. In het begin gingen alle kosten uit onze eigen zak. Hij kreeg bijna ruzie met mijn vrouw. Mijn vrouw zei: Ik zal betalen en Frits zei neen. Mijn vrouw won het met ‘dan kan je niet betalen’. Mijn vrouw ging naar mijnheer Voogd (directeur van de textielfabriek de Batavier, EK) en praatte daar over geld. Ze kwam terug met f 300,- en f 600,- terug. Ik geloof, dat hij het verkregen had van textielrelaties. Voogd heeft nooit iets verteld over hoe hij het verkregen had.”
Regelmatig worden er collectes gehouden in de Gereformeerd Kerk, die gemiddeld f 1000,- opbrengen. Veel inkomsten verkrijgen Piet en Heleen Kuipers uit de opbrengst van het tweede Geuzenliedboek, dat clandestien bij Rutgers in Varsseveld werd gedrukt. Het door “leuren” aan de man brengen van dit boek, levert ruim f 1000,- op. Op allerlei manieren proberen ze aan geld te komen.
Niet alleen moeten hun eigen uitgaven gedekt worden, maar ook moeten ze maandelijks f 250,- aan de beurs afdragen.
Piet en Heleen Kuipers organiseren ook een eigen postdienst ten behoeve van de onderduikers. Familie en vrienden mogen niet rechtstreeks naar een onderduikadres schrijven, omdat de kans op ontdekking te groot is.
Het wordt dan zo geregeld, dat de jongens eens in de maand mogen schrijven. Al die brieven en de antwoorden daarop moeten gehaald en weer gebracht worden. Voor een deel wordt de poste geregeld door de beurs, plaatselijke post bezorgen Piet Kuipers of een van zijn zoons Piet en Helmer zelf. Tot het laatste toe zijn ze doorgegaan met deze postdienst, wetende hoe belangrijk het bericht van thuis voor onderduikers is.



Lees verder

‘Verantwoordelijkheid voor anderen……’

Door Eppo Kuipers, 1988
Uitgave: Vereniging Het Museum Winterswijk

1921-1940 ‘Verantwoordelijkheid voor anderen…..’

Blz.19

Pieter Heyo Kuipers (1892-1978) en Helene Theodora Rietberg (1893-1944) trouwde op 21 april 1921. Het huwelijk heeft voor Piet Kuipers een bepaald gevolg, waar hij het wel wat moeilijk mee heeft. Het betekent namelijk, dat hij niet meer terug kan naar Nederlands-Indië, waar hij vanaf 1912 werkzaam is in het havenbedrijf van Belawan Deli, de haven van Medan.
Na de 3- jarige H.B.S. te Winterswijk en een opleiding tot onderwijzer met goed gevolg doorlopen te hebben, treedt hij in dienst van een Amsterdams bedrijf, dat hem uitzendt, naar Medan. In 1919 komt hij met verlof terug naar Winterswijk, waar zijn ouders wonen. De bedoeling is om enige tijd later, in 1920, weer terug te gaan naar Indië. Hij en Heleen Rietberg hebben dan al trouwplannen en hij wil het liefst met zijn vrouw zijn toekomst verder opbouwen in de Oost.
De bootreis terug is door zijn werkgever al geregeld, als zijn aanstaande schoonouders bepalen, dat hij wel met Heleen mag trouwen, maar niet met haar naar Nederlandsch-Indië mag vertrekken. Piet Kuipers staat dan voor een moeilijke beslissing: alleen naar Indië, of trouwen met Heleen Rietberg en in Winterswijk blijven. Hij koopt zich in de firma Rietberg (graanhandel in Winterswijk), maar toch blijft hij naar Indië verlangen. Het werk bij de firma Rietberg heeft, hoewel hij medefirmant wordt, nooit voor de volle 100% zijn belangstelling en liefde. Het heimwee blijft en zijn kinderen herinneren zich nog goed, dat hij ook in latere jaren met een zekere weemoed over zijn periode in Indië kon vertellen.
Heleen Rietberg volgt ook de (3-jarige) H.B.S. te Winterswijk en in die periode leert ze waarschijnlijk ook haar latere man kennen. Na haar schoolopleiding werkt ze bij haar vader op het kantoor van de graanhandel, de firma Rietberg, en af en toe helpt ze thuis of bij familie in de huishouding, als haar hulp nodig is bij ziekte of iets dergelijks. Dat ze inspringt daar waar het nodig is, is tekenend voor haar karakter en deze bereidheid tot helpen treedt ook in latere jaren duidelijk naar voren bij het redden van mensen die door de Duitse bezetter in moeilijkheden zijn gebracht.
Als ze getrouwd is met Piet Kuipers stopt ze met haar werk op kantoor en neemt de zorg op zich van het gezin.

Blz.21

Piet en Heleen Kuipers krijgen vijf kinderen: Clara (1922), Eddie (1924), de tweeling Piet en Helmer (1926) en Heleen (1932).
Naast haar huiselijke bezigheden ontplooit Heleen Kuipers nogal wat activiteiten op maatschappelijk en kerkelijk terrein en is ze lid van verschillende organisatie.
Zo is ze in 1932 mede-oprichtster van de Gereformeerde Vrouwenvereniging te Winterswijk en later wordt ze hoofdbestuurslid van de Bond van Gereformeerde Vrouwenverenigingen in Nederland, een functie die van groot belang is gebleken voor haar latere verzetswerk, met name door de contacten die via deze bond tot stand komen met vrouwen die ook in het verzet actief zijn.

Het gezin Kuipers is voor de oorlog een ‘gewoon’ gezin, behorend tot de gegoede middenklasse van Winterswijk.
Voor Piet Kuipers is er de vaste regelmaat van zijn werk. Om zeven uur ‘s ochtends naar kantoor, om acht uur thuis ontbijten. Het woonhuis grenst praktisch aan de fabriek. ‘s Avonds om zes uur is hij dan weer thuis. het werk vraagt veel tijd, maar met name in de zomermaanden vindt hij toch ook de ruimte om ‘s morgens af en toe met de kinderen te gaan zwemmen. De avonden worden, als hij niet thuis is, gevuld met vergaderingen. Hij is actief binnen de mannenvereniging en als ouderling en diaken van de Gereformeerde Kerk en lid van de A.R.P.
Daarnaast worden bezoeken afgelegd bij de uitgebreide familie- en kennissenkring.
Heleen Kuipers is eigenlijk de bepalende figuur in huis. Ze regelt veel, zo niet alles. De opvoeding van de vijf kinderen ligt voor het grootste gedeelte bij haar, wat natuurlijk komt door de lange uren die Piet Kuipers op de grutterij maakt.Ze is de vrouw, ‘die zei, hoe het hoorde’, die de regels stelt en er ook op toeziet dat de kinderen die regels naleven. Ze is streng en rechtschapen en de kinderen hebben respect voor haar. Maar ze is toch ook de vrouw die er is als de kinderen haar nodig hebben, ‘di zorgde voor de gezellige sfeer in huis’.
Werk en huishouden slokken de meeste tijd op.
Maar ondanks dat hebben Piet en Heleen Kuipers een ruime belangstelling voor kerkelijke aanverwante zaken, een belangstelling, die ze door hun deelname aan verschillende organisaties en verenigingen ook laten blijken. Ook is er veel aandacht voor het wel en wee van de kinderen.
Heleen Kuipers is een dominerende figuur, niet alleen binnen het gezin. Ze is een vrouw met een duidelijk eigen mening; ze is belezen en kan gemakkelijk over een veelheid van onderwerpen meepraten.

Blz.24


Ze heeft een sterke persoonlijkheid, ze kan de mensen gemakkelijk meekrijgen met haar ideeën, maar ze is ook wel overtuigd van haar eigen gelijk. Daardoor is ze vaak niet gemakkelijk voor anderen. Maar ze is niet hard. Een van haar grote talenten is haar doorzettingsvermogen. Ook een zekere eerzucht is haar niet vreemd. Dat mag hier dan niet zo opgevat worden, dat ze zou streven naar erkenning door anderen, maar meer dat ze er een eer in stelt om het werk, dat ze begonnen is, af te maken. Deze eerzucht, zoals ds.Zwaal (buurman en vriend van de familie Kuipers) het verwoordt: ‘ondergeschikt (…) gemaakt aan het doel’. Ds.Zwaal heeft hier voor ogen, dat, waar eerzucht positief of negatief kan uitwerken, haar eerzucht, naast haar persoonlijkheid, haar overtuigingskracht, en haar doorzettingsvermogen, van Heleen Kuipers, de vrouw hebben gemaakt, die in de oorlogsjaren zo’n belangrijke rol kon spelen in de strijd tegen de Duitse bezetter.
Piet Kuipers is een veel ‘rustiger’ figuur, die minder op de voorgrond treedt. Hij is geen man van veel woorden en heeft ook een meer flegmatiek karakter dan zijn vrouw, Niet dat hij niet staat voor zijn mening, – ook hij heeft zijn vaste overtuigingen,- maar hij heeft veel minder de behoefte een ander van zijn gelijk te overtuigen. Het is dan ook niet zo, dat hij in de schaduw staat van Heleen Kuipers. Je kunt zeggen, dat ze elkaar aanvullen en hun verdiensten, met name in de oorlog, moeten als even groot worden beoordeeld.
‘Hoewel moeder’, aldus Piet Kuipers jr., ‘als tante Riek alle naam en eer kreeg en die zeker ook verdient, moeten we de activiteiten van vader niet vergeten.
Als hij er tegen was geweest en niet mee had willen doen, had moeder niet meegewerkt.

Piet en Heleen Kuipers hebben een diepgeworteld geloof en komen daar ook duidelijk voor uit; vooral Heleen Kuipers steekt haar mening over een veelheid van theologische onderwerpen niet onder stoelen of banken. ‘Maar ze deed dat op zo’n wijze, dat iedereen dat van haar kon hebben, aldus zoon Helmer, die zelf graag de discussies en gesprekken, vaak op de zaterdagavond of zondagmorgen, met de familie of kennissen mocht volgen. En uit dit geloof trekken ze ook de consequenties, die het heeft voor hun leven en handelen.
Vanzelfsprekend worden hun opvattingen over geloof en hoe men moet leven doorgegeven aan de kinderen. De jongens gaan naar de knapenvereniging. ‘s Zondags gaat men tweemaal naar de kerk. Ook het orgelspelen thuis behoort tot het normale patroon van het gezin Kuipers. Maar het zijn niet uitsluitend of in hoofdzaak de uiterlijke kanten van het geloof, die op de voorgrond treden.

Blz.26

Met name naar buiten toe, in het omgaan met anderen is het geloof, met de regels, die men daaraan ontleent, richtlijn voor het handelen.
Vooral in de 30-er jaren, de crisistijd, worden mensen, die het (vooral financieel) moeilijk hebben, geholpen.

Klanten die problemen hebben met betalen kunnen op rekening kopen, of andere vormen van betaling aanbieden. Zo wordt er een keer een piano aangeboden om de rekening te voldoen.
En Piet Kuipers, hij vooral, omdat het de zaak aangaat, accepteert deze ook. Er wordt bewust gekocht bij winkeliers in nood die een zekere relatie met het bedrijf van Rietberg onderhouden, waarbij nogal eens voorbij gegaan wordt aan het principe van ‘kopen in eigen, gereformeerde kring’. 

Waar in die dagen zelfs vanaf de preekstoel de gelovigen vermaand worden bij ‘huisgenoten van het geloof’ hun inkopen te doen, kunnen bij de familie Kuipers ook ‘andersdenkenden’ op steun rekenen.
Deze bereidheid hulp te geven wordt duidelijk ingegeven door het geloof, een daardoor bepaald gevoel van verantwoordelijkheid voor anderen, wat overigens wat gemakkelijk wordt gemaakt door het feit, dat ze het in die tijd zelf betrekkelijk goed hebben, De fabriek blijft ook in de crisisjaren goed draaien en angst voor een sterke teruggang hoeven ze niet te hebben.
In de jaren voor de oorlog gaat het gezin Kuipers vrij vaak vlak over de grens in Duitsland winkelen, omdat veel goederen daar goedkoper zijn dan in Nederland. Alhoewel de dreiging er dan la is, maakt men zich over een mogelijke oorlog eigenlijk nauwelijks zorgen. Als de Nationaal-Socialistische Beweging in 1932 in Winterswijk begint, bezoekt Piet Kuipers de oprichtingsvergadering. Hij vertelt later, dat hij, net als veel Nederlanders, in eerste instantie wel gecharmeerd was van de ideeën  van de N.S.B. Misschien dat vooral het vaderlandslievende en de roep om een sterke leiding hem wel aanspreekt/ Hij is er echter snel uitgekeken en bij deze ene vergadering blijft het dan ook. Dit eenmalige bezoek is hem tijdens de oorlog nog wel eens verweten en deze zeer tijdelijke sympathie voor de N.S.B. blijft hem in later jaren enigszins achtervolgen.
Maakt men zich geen zorgen over een mogelijke oorlog, toch weten Piet en Heleen Kuipers wel degelijk wat nazi-Duitsland is en wat er aan de gang is. Er is in de Achterhoek natuurlijk vrij veel contact met Duitsland en men merkt, zij het misschien niet in detail, wat er gaande is. Tekenend voor hun opvattingen is het volgende voorval, dat dochter Eddie zich herinnert. Op een keer zijn Piet en Heleen Kuipers op bezoek bij familie in Duitsland, waar een portret van Hitler is opgehangen.

Blz.27

Daar wordt vooral door Heleen Kuipers verontwaardigd op gereageerd en ze wijst de familie op de verfoeilijke principes van het nationaal-socialisme. Het tegenargument, dat men wel mee moet doen om de kinderen een kans te geven, accepteert ze niet en ze neemt duidelijk stelling tegen dit schipperen met principes.
Tegenover de kinderen wordt weinig over Nazi-Duitsland gesproken, waarschijnlijk omdat die daar nog te jong voor zijn. De keren, dat het nationaal-socialisme ter sprake komt, wordt wel duidelijk gemaakt, dat het Nazi-systeem verfoeilijk, dat wil zeggen onchristelijk, is.
Als de Duitse troepen op 10 mei 1940 Nederland binnenvallen, is vooral de reactie van Heleen Kuipers fel en heftig. Ze haar de bezetter vanaf het begin. ‘Toen de eerste berichten melding maakten van het neerschieten van enkele Duitse vliegtuigen, zag moeder dit als een verhoring van het gebed en de hoop werd gewekt, dat het met Gods hulp toch zou kunnen lukken om de Duitsers terug te dringen. Er wordt veel gebeden voor de overwinning en voor Nederland. De kinderen worden van meet af aan anti-Duits opgevoed en het wordt hun nadrukkelijk verboden naar de Duitse tanks en de door Winterswijk trekkende troepen te gaan kijken, wat ze, dat os kinderen eigen, toch doen.
Het vertrek van de Koningin en de leden van het Koninklijk Huis is voor Piet en Heleen Kuipers in eerste instantie onbegrijpelijk. Zij vinden, dat Wilhelmina bij haar ‘volk’ had moeten blijven, ook als het land bezet is en zien het vertrek als een vlucht, iets wat ze  eigenlijk afwijzen.
Waar de kinderen nog de romantiek en de spanning zien van soldaten en tanks, zien Piet en Heleen Kuipers het gevaar van het nazi-systeem , dat haaks staat op hun christelijke waarden en levensovertuiging. Zij besluiten dit systeem te bestrijden en een ieder te helpen, die door dit systeem in moeilijkheden raakt.







Lees verder

Het Monument

Monument Mevr.Kuipers-Rietberg 
4 mei 1955

Ontwerper: Gerrit Bolhuis 

Het monument

Vorm en materiaal
Het monument voor ‘Tante Riek’ in Winterswijk is een standbeeld van een staande vrouwenfiguur die bescherming biedt aan een opgejaagd jong hert. Het beeld is geplaatst op een voetstuk met plaquette.

Teksten
De tekst op de zijkant van het voetstuk luidt: 

‘DE VIJAND WEERSTAAN’.

De tekst op de plaquette is een gedicht van de Winterswijkse predikant F.C. Zwaal en luidt: 

”T GELOOF HEEFT HAAR GEDRAGEN, 
DE LIEFDE GAF HAAR KRACHT, 
DE HOOP DEED NIET VERSAGEN, 
TOT REDDING WAS GEBRACHT’.

Symboliek
Het opgejaagde hert staat symbool voor de vervolgden die door mevrouw Kuipers-Rietberg (‘Tante Riek’) behoed werden voor deportatie.

Oprichting
De oprichting was een initiatief van het Comité Monument Mevrouw Kuipers-Rietberg. Uit heel Nederland kwamen indertijd giften binnen om het gedenkteken te kunnen realiseren.

Onthulling
Het monument is onthuld op 4 mei 1955 door Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Wilhelmina. Op 4 mei 1961 werd het gedenkteken opnieuw onthuld, omdat het beeld op een hoger voetstuk was geplaatst.

Locatie
Het monument is geplaatst in het plantsoen naast het gemeentehuis, gevestigd aan het Mevr. Kuipers-Rietbergplein te Winterswijk.

Lees verder

Mevr.Kuipers-Rietberg

Helena Theodora Kuipers-Rietberg (Winterswijk, 26 mei 1893 – Ravensbrück, 27 december 1944) was een Nederlands verzetsstrijder die een voorname rol heeft gespeeld in de Tweede Wereldoorlog. Zij was de grote en stille kracht achter de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. In het verzet werd zij Tante Riek genoemd.

Lees verder