oudwwijk
Digitaal erfgoed

Batavier 1866-1941

Toen de “damp” er nog niet afvloog

Als in het midden der vorige eeuw, omstreeks 1860, de eerste “wévedamp” boven Winterswijk de lucht ingeblazen wordt, heeft de plaatselijke textielnijverheid in feite al een respectabele voorgeschiedenis achter de rug.
In totaal klepperden er zeker in de 16e eeuw reeds meer weefgetouwen in de gemeente dan thans in al de plaatselijke fabrieken te zamen. Echter met dit verschil, dat dat aantal toen over het gansche kerspel over bijkans evenveel particuliere woningen verdeeld was.
Onze kerspelbewoners waren toen nog op de bijkans volledige “self-help” aangewezen. Het brood werd nog merendeels zelf gebakken, de kousen en sokken waren van de eerste tot de laatste bewerking toe product van eigen vlijt en van de stapels (rollen) linnen in moeders kast, welke vaak met zekeren trots getoond werden, kon men recht hetzelfde worden gezegd. Linnen was in die dagen de beste geldbelegging, welke men zich denken kon. De dienstbode kreeg haar loon zelfs voor het grootste deel in linnen uitgekeerd.

In nagenoeg elke boerenwoning klepperden een paar weefgetouwen. Grootvader, te zwak geworden voor het zware “buitenwerk”, bracht vrijwel het gansche jaar in de weefkamer door, waar hij ’s winters veelal gezelschap kreeg van den jongen boer of den knecht, die dan meteen aan den slag gingen.
Op tal van erven kwamen de z.g. “oompjes” dan nog bij. Dat waren de ongehuwde broers van de bevoorrechte oudste zoons, die de boerderijen overgenomen hadden en op wier erven zij als helpende, doch meestal slecht betaalde krachten waren blijven hangen. Met toestemming van den boer, die dan voor een deel van hen “af” was, hadden zij zich veelal voor eigen rekening ook aan het weven gezet en waren dan metterdaad zelfs beroepswevers geworden.

Sommigen van hen hadden ook wel in het dorp een eenvoudig huisje gehuurd en zich dan aangesloten bij de daar reeds talrijke nijvere werkers, die in het weven hun hoofdbestaan vonden en verder met wat landbouw in hun onderhoud voorzagen.
Reeds kort na 1500 waren al deze lieden in een gilde verenigd, dat onder landheerlijke bescherming voor hun rechten waakte en de onderlinge verhoudingen regelde.
Dat weversgilde wal weldra tot grooten bloei gekomen en bezat reeds vele landerijen, uit welker opbrengsten en renten de behoeftige broeders op hun ouden dag eenigen onderstand ontvingen.

In den langen 80-jarigen oorlog met zijn onnoemelijke ellende, vooral in dit deel van den Achterhoek, was de mooie instelling echter totaal weer te niet gegaan. Zijn leden waren her- en derwaarts gevlucht en deels nooit meer terug hegomen en anderdeels tot groote armoede vervallen.
En het zou nog tot den 18en April 1682 duren eer de broeders door Stadhouder Willem III in hun oude privileges hersteld werden. De perkamenten Gildbrief, waarbij het Winterswijksche weversgilde andermaal opgericht en geoctroyeerd werd, wordt nog steeds bewaard, evenals de door Willem III geschonken beker, welke vroeger op de gildenbijeenkomsten van mond tot mond placht te gaan.

Hoewel de katoen toen al bekend was en zekerlijk al in 1570 in het nabije Bocholt druk tot z.g. “bomezijde” verwerkt werd, bleef men zich hier nog de gansche 18e eeuw door vrijwel uitsluitend aan de oude linnenweverij houden.
De wevers verkochten hun product aan kooplui te Stadtlohn en Bocholt, of ook wel aan plaatselijke “linnenreeders’ – zooals ze genoemd werden – van wie er verscheidene in dagen van geloofsvervolging uit Westfalen herwaarts gekomen waren, o.a. de Willinks , de Walyens e.a.

Het weefloon, dat in rekening gebracht kon worden, varieerde van 3 1/2 tot hoogstens 5 gulden per breed linnen van 50 el lengte. Maar er waren ook wel slechte tijden, dat er zoo goed als niets verdiend kon worden. Dat was o.a. het geval in den z.g. Franschen Tijd, nu ruim 130 jaar geleden, toen van de ruim 250 beroepswevers hier in het dorp er minstens 150 geheel werkloos waren.
Juist was men hier toen even te voren op bescheiden schaal ook met de katoen begonnen. In 1812 bestonden er n.l. een tweetal inrichtingen met een spinmachine voor het fabriceeren van bomezijde. Doch slechts enkele wevers vonden daarin werk en uitsluitend menschelijke energie vormde er nog de aandrijfkracht.
En nu door den oorlog de toevoer van de katoen geheel stop kwam te staan, was het weldra met deze nieuwigheid weer volkomen gedaan. Het groote publiek stond trouwens nog afwijzend tegenover de katoen, welke ongezond zou zijn om op het bloote lijf te dragen, zoodat men vooral in onzen Achterhoek nog immer aan het duurdere linnen de voorkeur bleef geven. Tot weldra de bittere armoede – nasleep van de lange oorlogsperiode – den menschen wel noodgedwongen over de vermeende bezwaren heen deed stappen, dezelfde geschiedenis als met den aardappel, die ook heel wat vooroordeelen te overwinnen had en eerst na het hongerjaar 1772 daarin behoorlijk slagen kon.
Zoetjesaan is het daarna in de eerste helft der vorige eeuw met de katoen crescendo gegaan. Omstreeks 1840 mocht men zelfs van een hoog-conjunctuur spreken, zoodat overal in den Achterhoek calicot-weverijen opgericht werden, welke echter na een 15-tal jaren meerendeels al weer te niet waren gegaan of kwijnden, doordat de katoen duur en schaarsch geworden was en in de meeste dorpen geen kernen van ervaren wevers gevonden werden, zooals te Aalten, Winterswijk en Neede, welke daar een niet te onderschatten basis en voorsprong vormden. Vooral het jaar 1861 vracht groote stagnatie, doordat wegens het uitbreken van den Amerikaanschen burgeroorlog de aanvoer van de grondstof zoo goed als geheel stop kwam te staan.
Inmiddels was er ook in de plaatselijke ambachtsverhoudingen een merkbare verandering gekomen. Hoe langer hoe meer waren de wevers afhankelijk geworden van de plaatselijke kooplui, linnenreeders of “fabriquers” (zoo ze zich later noemden), die steeds grooter initiatief waren gaan toonen. Kochten ze aanvankelijk slechts het aangeboden linnen van de wevers op, weldra deelden ze zelf de garens uit om die te laten weven en eindelijk begonnen ze zelfs schuren of andere gebouwen in te richten voor de plaatsing van een aantal getouwen, waarop zij voor hun rekening door wevers, die om de een of andere reden niet over een eigen “stoel” beschikten, tegen dagloon lieten werken.
Zoo’n primitieve inrichting werd destijds, heel deftig, al wel een “fabriek” genoemd, maar centrale drijfkracht ontbrak er ten eenen male nog en ieder wever moest zijn getouw zelf in beweging brengen.

DE “VOORLOPER” VERRIJST, MAAR NOG GEEN “DAMP”

Onder de bovenbedoelde ondernemers vinden wij in het midden der vorige eeuw hier in Winterswijk den heer Jan Willink, den later zoo wijd en zijd bekend geworden spoorwegpionier, aan wiens initiatief en onvermoeid werken de Nederlandsch Westfaalsche Spoor, de Geldersch-Overijsselsche Locaal-spoorwegen en zelfs de Noord-Ooster Locaal haar ontstaan te danken hebben gehad. De gedenksteen, in den frontmuur van het tegenwoordige fabrieksgebouw ingemetseld getuigt nog van de openlijke hulde, welke men hem daarvoor indertijd gebracht heeft.
Geen wonder, dat deze voortvarende man, gesproten uit een bekend Winterswijksch koopmans-, speciaal linnenreedersgeslacht ook op het terrein der aloude familie-traditie niet stilzitten kon.
Uit een nagelaten rekeningboek, van een zijner voorvaderen uit het begin van 1700 blijkt ons, dat deze in die jaren al reeds een uitgebreiden linnen- en wolhandel dreef en in wijden omtrek voor zijn rekening spinnen en weven liet.
Een paar facsimile’s uit genoemd rekeningboek vind de lezer hiernaast opgenomen. En vrijwel op denzelfden voet dreef in het midden der vorige eeuw ook Jan Willinks vader Abraham de zaken nog, toen hij zijn zoon naar Gladbach en Vierssen zond om hem daar de noodige vakkennis op te laten doen.
Van daar uit blijkt de jonge Jan reeds over beraamde hervormingsplannen geschreven te hebben, want zoowel vader als moeder, Christine Willink- Ten Cate, reageeren daarop in hun brieven, waaruit we hier een en ander overnemen.

Moeder, die blijkbaar in vaders zaken terdege ingewijd is, schrijft o.a. aan haar zoon in 1854:
“De stalen uit de Oost zijn nog niet aangekomen, ik heb al gezegt, of het ook in bedenk zoude komen de stalen, die gij van den Gladbacher fabrikant overzendt, dat die in een van de menigvuldige kisten met calicots, die hier tegenwoordig ter verzending naar de Oost gepakt worden, bij in gevoegt wierden, om eens te weten, of daar ook het een of ander bij was, waarop in die streken gereflecteerd wordt, want natuurlijk zoude dit het oprichten van een nieuwe fabriek dubbel belangrijk maken.
Hoe meer hier toch nu in het vervolg op een voorzichtige en solide manier de zaken uitgebreidt kunnen worden, hoe beter, te meer daar gij, drie broeders, het voorrecht zult hebben, dat zoo velen moeten missen, van namelijk op jeugdigen leeftijd al over kapitaal te kunnen beschikken.
Er is hier dezen winter veel calicots gemaakt en hoewel er geklaagt wordt, dat het tegenwoordig slegt in de Oost is en er overproductie is. Enz…….”

Dat vooral vader niet over één nacht ijs placht te gaan en, hoewel belangstellend, nu en dan ook wel eens remmend uit den hoek meende te moeten komen, blijkt overduidelijk uit diens brief van Januari 1854:

“Ook van mij en uwe broeders zult gij alle mogelijke medewerking ondervinden. Doch komt het mij tevens voor, dat gij te driftig zijt om alles zoo dadelijk bij Uw komst in huis in orde te hebben, hetwelk onmogelijk is, en ik ook, niet inzie zulks zoo volstrekt noodig is, daar gij toch zoo dadelijk niet kunt trouwen en vooreerst hier aan huis de kost voor het eten hebt.

Om linnen weefstoelen te koopen of te huren is hier wel gelegenheid; er zijn ons al 5 stuks door een eigenaar, die naar Amerika gaat, aangeboden, doch zijn noch te duur. Hij zal dezelve later wel lager afgeven. De fabriek op den Zonnenbrink is volmaakt geschikt om wevers in te zetten.
Om garens geverfd te krijgen zie ik ook weinig of geen zwarigheid in.
Hier in de plaats zijn twee zogenaamde blauwververs, die het misschien kunnen, en ook heeft van Eyk in Bredevoord een garenververij.

Enfin, Uw ambitie voor een en ander is mijn zeer aangenaam; doch alles kan zoo dadelijk niet gereed zijn, er moet nog veel overlegd worden en bedaard aan, gaat beter dan overijld. Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd, vooral raad ik nochmaals ten sterkste aan, om dadelijk geen werkmeester mede te brengen, komt U een geschikte voor, bespreekt die dan, om op nader te bepalen tijd in dienst te treden”.

Zoon Jan, niet te best over deze opmerkingen gesticht, had ijlings een hartig woordje teruggezonden, waarop vader weer antwoordde bij schrijven van 11 februari 1854:

“In antwoord op uw schrijven van 2 deze, was het mij aangenaam te bemerken uwe ambitie voor uw vak.
Voor zoover ik kan beoordeelen, komt het mij voor, dat dit wel gunstige resultaten kan en zal afwerpen. Dat gij Uw op een en ander voorbereid en de benoodigde machines aankoopt, vindt ik ook heel goed, en hebt gij mij vorige brief niet goed begrepen, als gij van meening zijt, dat ik nog een jaartje met overleggen wilde doorbrengen. Alleen is mijn principe om alles bedaard en goed te overwegen, alvorens tot belangrijke zaken over te gaan.
Dat gij met een scheermachine goed geslaagd zijt voor 186 Thaler is mijn aangenaam, doch als dezelve bij anderen 450 en 350 Th.kosten is die, welke gij besteld hebt, dan wel goed? Daar ik van papieren platen en van een twernmolen geen verstand heb, moet ik alles aan U overlaten met aanbeveling om niet te overijld te handelen en vooral goed spul te nemen.
Wat eene apprêtteermachine betreft, die machine ken ik weinig, doch heb er dikwijls van hooreb spreken, ik bedoel zoo eene machine waardoor men zware calicots (Nessel) kan apprêteeren, zooals de Engelschen de watertwist apprêteeren, ik verbeeldde mij, dat het goed dan door een dunne pap of brij op rollen of persen loopt, doch hoed het dan droog wordt, begrijp ik niet, ook twijfel ik wel of dezelve voor onze zoogenaamde dikke Calicots wel genoegsaam pap of brij zou aannemen. Er wordt hier thans verschrikkelijk veel geweven, zoodat wij nog nooit zooveel goed hebben klaar gekregen (ruim 600 stuk per week) en zijn daarbij de vooruitzichten voor de Calicots in de Oost niet gunstig, doch hoopt men op beterschap, doch kan ik U de verzekering geven, dat hier (vooral in den winter) geen gebrek aan wevers is, waaronder ook veel knappe wevers, die voor Uw goed wel geschikt zijn.
Met een powerslom (mechanisch touw) -weverij is het nog niet verder, alsdat even voor Hendrik (andere zoon) zijn vertrek uit Engeland is gekomen ene teekening van een fabrieksgebouw (later witstoom) voor 60 stoelen en prijsopgaaf van de laatsten, of hiervan wat komen zal, weet ik nog niet.
Ik voor mij zie er verschrikkelijk tegen op en ben er niet voor, daar een betrekkelijk aanzienlijk kapitaal in te steken, zonder vooruitzicht van genoegzaam débouché, terwijl er nu reeds overproductie is. Ook de politieke omstandigheden in aanmerking genomen, hoop ik tenminste, dat er het aanstaande zomer nog niets van komen zal.
Ingevolge Uw verzoek gaat hierbij Thaler 100,- waarvan ik vertrouw dat gij een noodzakelijk en nuttig doch zuinig gebruik maakt”

Niet lang daarna in Winterswijk teruggekeerd, blijkt de jonge Jan toen spoedig effectief doorgetast te hebben.
De ouderwetsche huisweverij moest noodig in nieuwe banen worden geleid. Zij was niet economisch genoeg: de geringe technische vakkennis der wevers, de sleur en het gemis van goede leiding en toezicht maakten het product duur en het aantal weeffouten groot.
De eerste maatregel door hem genomen, was dan ook: het aanstellen van een volkomen deskundig vakman, n.l. den heer Leopold Waters, afkomstig uit Westfalen, dien hij belastte met het toezicht over en het geven van leiding aan de verspreid wonende huiswevers te Aalten, Bredevoort, Varsseveld en in de kom en de buurtschappen van Winterswijk, die geregeld voor de zaak werkzaam waren.
Doch dat was slechts een begin.
Een tweede, belangrijker stap was een poging tot centralisatie door de vorming van een bedrijfskern, welke op zich zelf beter te leiden was en bovendien zou kunnen dienen om de materiaalvoorziening voor de thuiswerkers op practischer basis te brengen.
Hij liet daarvoor op den Zonnebrink, hoek Verlengde Ratumsche Straat, ter plaatse, waar thans de winkel van Help U Zelven en de slagerij van den heer Wassink staan een gebouw inrichten, waarin een aantal getouwen, een scheerpers en een apprêtteermachine konden worden ondergebracht. Het hoogst eenvoudige gebouw, circa 30 m.lang en 10 m.breed, was aanvankelijk in slechts enkele bescheiden ruimten verdeeld, doch is later, buiten gebruik zijnde, tot een blok van zes arbeiderswoningen ingericht.
En in dien vorm moeten vele ouderen onder ons het nog gekend hebben, want een 25 jaar geleden stond het er nog.
In het Provinciaal Verslag van 1855 vinden wij de oprichting gememoreerd. Er is daar sprake van “de nieuwe fabriek van den heer Willink voor het vervaardigen van halfwollen stoffen voor kledingstukken”.
Maar een fabriek in den zin, dien wij daar gewoonlijk aan hechten, was het stellig nog niet, in feite slechts een onderdak voor een aantal hand-weefgetouwen, meer niet.
Dat als product de halfwollen stof uitverkozen was, is zeer wel verklaarbaar. Door als inslag wol te gebruiken had de ondernemer zich ten minste voor de helft onafhankelijk gemaakt van de katoen, welke vooral in die jaren zoo dikwijls onbetrouwbaar in den aanvoer gebleken was en aan groote prijsschommelingen onderhevig was geweest. Rapporteerde b.v. datzelfde Prov.Verslag van 1855 niet nog meer onheilspellend, dat de katoenweverijen te Bprculo zeer slecht gingen, dat één inrichting er reeds gesloten was en een andere op apegapen lag, dat te Dinxperlo, te Eibergen en te Ruurlo de met zooveel hoop opgerichte bedrijfjes met den dag achteruit gingen, enz.enz.
Sommige werkten in den zomer heelemaal niet meer en sleepten zich in den winter met veel goedkoope kinderexploitatie nog met moeite voort.

Voorzoover enkele der oudste wevers van “De Batavier” zich, hetzij uit mededeelingen van hun vader of – zooals de nu 88- jarige Willem Bekker – nog uit eigen jeugdervaring weten te herinneren, waren in deze weverij hoogstens slechts een 25-tal arbeiders werkzaam, doch in de officieele rapporten is reeds dadelijk bij de oprichting in 1855 sprake van niet minder dan 75 personen, terwijl in 1859 opgegeven worden 60 wevers en 60 andere arbeiders ( onder wie vrouwen en kindreen) en in 1860 in totaal 110 arbeiders. Vermoedelijk hebben wij deze getallen zoo te verstaan, dat daaronder mede begrepen zijn de huiswevers en spinsters, die verspreid voor de zaak werkzaam waren.
Recht gemoedelijk ging het er nog toe in “de fabriek” hier aan de Ratumsche straat. Had een wever op zeker moment particuliere werkzaamheden, welke hem nader aan het hart lagen, dan stapte hij vrijmoedig naar den baas toe en zei b.v. doodgewoon: “morgen mo’k boonen potten of ale naor ’t land brengen en dan kom ik neet”, ja er waren er, die ’s zomers zich helemaal niet lieten zien en enkel maar ’s winters op het appèl kwamen.
Af en toe, als de vingers van de kou wat stijf geworden waren, hokten de wevers om de kachel knus bij elkaar en terwijl de getouwen zwegen, was het woord dan aan de praatjesmakers.