oudwwijk
Digitaal erfgoed

Batavier 1866-1941

Toen de “damp” er nog niet afvloog

Als in het midden der vorige eeuw, omstreeks 1860, de eerste “wévedamp” boven Winterswijk de lucht ingeblazen wordt, heeft de plaatselijke textielnijverheid in feite al een respectabele voorgeschiedenis achter de rug.
In totaal klepperden er zeker in de 16e eeuw reeds meer weefgetouwen in de gemeente dan thans in al de plaatselijke fabrieken te zamen. Echter met dit verschil, dat dat aantal toen over het gansche kerspel over bijkans evenveel particuliere woningen verdeeld was.
Onze kerspelbewoners waren toen nog op de bijkans volledige “self-help” aangewezen. Het brood werd nog merendeels zelf gebakken, de kousen en sokken waren van de eerste tot de laatste bewerking toe product van eigen vlijt en van de stapels (rollen) linnen in moeders kast, welke vaak met zekeren trots getoond werden, kon men recht hetzelfde worden gezegd. Linnen was in die dagen de beste geldbelegging, welke men zich denken kon. De dienstbode kreeg haar loon zelfs voor het grootste deel in linnen uitgekeerd.

In nagenoeg elke boerenwoning klepperden een paar weefgetouwen. Grootvader, te zwak geworden voor het zware “buitenwerk”, bracht vrijwel het gansche jaar in de weefkamer door, waar hij ’s winters veelal gezelschap kreeg van den jongen boer of den knecht, die dan meteen aan den slag gingen.
Op tal van erven kwamen de z.g. “oompjes” dan nog bij. Dat waren de ongehuwde broers van de bevoorrechte oudste zoons, die de boerderijen overgenomen hadden en op wier erven zij als helpende, doch meestal slecht betaalde krachten waren blijven hangen. Met toestemming van den boer, die dan voor een deel van hen “af” was, hadden zij zich veelal voor eigen rekening ook aan het weven gezet en waren dan metterdaad zelfs beroepswevers geworden.

Sommigen van hen hadden ook wel in het dorp een eenvoudig huisje gehuurd en zich dan aangesloten bij de daar reeds talrijke nijvere werkers, die in het weven hun hoofdbestaan vonden en verder met wat landbouw in hun onderhoud voorzagen.
Reeds kort na 1500 waren al deze lieden in een gilde verenigd, dat onder landheerlijke bescherming voor hun rechten waakte en de onderlinge verhoudingen regelde.
Dat weversgilde wal weldra tot grooten bloei gekomen en bezat reeds vele landerijen, uit welker opbrengsten en renten de behoeftige broeders op hun ouden dag eenigen onderstand ontvingen.

In den langen 80-jarigen oorlog met zijn onnoemelijke ellende, vooral in dit deel van den Achterhoek, was de mooie instelling echter totaal weer te niet gegaan. Zijn leden waren her- en derwaarts gevlucht en deels nooit meer terug hegomen en anderdeels tot groote armoede vervallen.
En het zou nog tot den 18en April 1682 duren eer de broeders door Stadhouder Willem III in hun oude privileges hersteld werden. De perkamenten Gildbrief, waarbij het Winterswijksche weversgilde andermaal opgericht en geoctroyeerd werd, wordt nog steeds bewaard, evenals de door Willem III geschonken beker, welke vroeger op de gildenbijeenkomsten van mond tot mond placht te gaan.

Hoewel de katoen toen al bekend was en zekerlijk al in 1570 in het nabije Bocholt druk tot z.g. “bomezijde” verwerkt werd, bleef men zich hier nog de gansche 18e eeuw door vrijwel uitsluitend aan de oude linnenweverij houden.
De wevers verkochten hun product aan kooplui te Stadtlohn en Bocholt, of ook wel aan plaatselijke “linnenreeders’ – zooals ze genoemd werden – van wie er verscheidene in dagen van geloofsvervolging uit Westfalen herwaarts gekomen waren, o.a. de Willinks , de Walyens e.a.

Het weefloon, dat in rekening gebracht kon worden, varieerde van 3 1/2 tot hoogstens 5 gulden per breed linnen van 50 el lengte. Maar er waren ook wel slechte tijden, dat er zoo goed als niets verdiend kon worden. Dat was o.a. het geval in den z.g. Franschen Tijd, nu ruim 130 jaar geleden, toen van de ruim 250 beroepswevers hier in het dorp er minstens 150 geheel werkloos waren.
Juist was men hier toen even te voren op bescheiden schaal ook met de katoen begonnen. In 1812 bestonden er n.l. een tweetal inrichtingen met een spinmachine voor het fabriceeren van bomezijde. Doch slechts enkele wevers vonden daarin werk en uitsluitend menschelijke energie vormde er nog de aandrijfkracht.
En nu door den oorlog de toevoer van de katoen geheel stop kwam te staan, was het weldra met deze nieuwigheid weer volkomen gedaan. Het groote publiek stond trouwens nog afwijzend tegenover de katoen, welke ongezond zou zijn om op het bloote lijf te dragen, zoodat men vooral in onzen Achterhoek nog immer aan het duurdere linnen de voorkeur bleef geven. Tot weldra de bittere armoede – nasleep van de lange oorlogsperiode – den menschen wel noodgedwongen over de vermeende bezwaren heen deed stappen, dezelfde geschiedenis als met den aardappel, die ook heel wat vooroordeelen te overwinnen had en eerst na het hongerjaar 1772 daarin behoorlijk slagen kon.
Zoetjesaan is het daarna in de eerste helft der vorige eeuw met de katoen crescendo gegaan. Omstreeks 1840 mocht men zelfs van een hoog-conjunctuur spreken, zoodat overal in den Achterhoek calicot-weverijen opgericht werden, welke echter na een 15-tal jaren meerendeels al weer te niet waren gegaan of kwijnden, doordat de katoen duur en schaarsch geworden was en in de meeste dorpen geen kernen van ervaren wevers gevonden werden, zooals te Aalten, Winterswijk en Neede, welke daar een niet te onderschatten basis en voorsprong vormden. Vooral het jaar 1861 vracht groote stagnatie, doordat wegens het uitbreken van den Amerikaanschen burgeroorlog de aanvoer van de grondstof zoo goed als geheel stop kwam te staan.
Inmiddels was er ook in de plaatselijke ambachtsverhoudingen een merkbare verandering gekomen. Hoe langer hoe meer waren de wevers afhankelijk geworden van de plaatselijke kooplui, linnenreeders of “fabriquers” (zoo ze zich later noemden), die steeds grooter initiatief waren gaan toonen. Kochten ze aanvankelijk slechts het aangeboden linnen van de wevers op, weldra deelden ze zelf de garens uit om die te laten weven en eindelijk begonnen ze zelfs schuren of andere gebouwen in te richten voor de plaatsing van een aantal getouwen, waarop zij voor hun rekening door wevers, die om de een of andere reden niet over een eigen “stoel” beschikten, tegen dagloon lieten werken.
Zoo’n primitieve inrichting werd destijds, heel deftig, al wel een “fabriek” genoemd, maar centrale drijfkracht ontbrak er ten eenen male nog en ieder wever moest zijn getouw zelf in beweging brengen.

DE “VOORLOPER” VERRIJST, MAAR NOG GEEN “DAMP”

Onder de bovenbedoelde ondernemers vinden wij in het midden der vorige eeuw hier in Winterswijk den heer Jan Willink, den later zoo wijd en zijd bekend geworden spoorwegpionier, aan wiens initiatief en onvermoeid werken de Nederlandsch Westfaalsche Spoor, de Geldersch-Overijsselsche Locaal-spoorwegen en zelfs de Noord-Ooster Locaal haar ontstaan te danken hebben gehad. De gedenksteen, in den frontmuur van het tegenwoordige fabrieksgebouw ingemetseld getuigt nog van de openlijke hulde, welke men hem daarvoor indertijd gebracht heeft.
Geen wonder, dat deze voortvarende man, gesproten uit een bekend Winterswijksch koopmans-, speciaal linnenreedersgeslacht ook op het terrein der aloude familie-traditie niet stilzitten kon.
Uit een nagelaten rekeningboek, van een zijner voorvaderen uit het begin van 1700 blijkt ons, dat deze in die jaren al reeds een uitgebreiden linnen- en wolhandel dreef en in wijden omtrek voor zijn rekening spinnen en weven liet.
Een paar facsimile’s uit genoemd rekeningboek vind de lezer hiernaast opgenomen. En vrijwel op denzelfden voet dreef in het midden der vorige eeuw ook Jan Willinks vader Abraham de zaken nog, toen hij zijn zoon naar Gladbach en Vierssen zond om hem daar de noodige vakkennis op te laten doen.
Van daar uit blijkt de jonge Jan reeds over beraamde hervormingsplannen geschreven te hebben, want zoowel vader als moeder, Christine Willink- Ten Cate, reageeren daarop in hun brieven, waaruit we hier een en ander overnemen.

Moeder, die blijkbaar in vaders zaken terdege ingewijd is, schrijft o.a. aan haar zoon in 1854:
“De stalen uit de Oost zijn nog niet aangekomen, ik heb al gezegt, of het ook in bedenk zoude komen de stalen, die gij van den Gladbacher fabrikant overzendt, dat die in een van de menigvuldige kisten met calicots, die hier tegenwoordig ter verzending naar de Oost gepakt worden, bij in gevoegt wierden, om eens te weten, of daar ook het een of ander bij was, waarop in die streken gereflecteerd wordt, want natuurlijk zoude dit het oprichten van een nieuwe fabriek dubbel belangrijk maken.
Hoe meer hier toch nu in het vervolg op een voorzichtige en solide manier de zaken uitgebreidt kunnen worden, hoe beter, te meer daar gij, drie broeders, het voorrecht zult hebben, dat zoo velen moeten missen, van namelijk op jeugdigen leeftijd al over kapitaal te kunnen beschikken.
Er is hier dezen winter veel calicots gemaakt en hoewel er geklaagt wordt, dat het tegenwoordig slegt in de Oost is en er overproductie is. Enz…….”

Dat vooral vader niet over één nacht ijs placht te gaan en, hoewel belangstellend, nu en dan ook wel eens remmend uit den hoek meende te moeten komen, blijkt overduidelijk uit diens brief van Januari 1854:

“Ook van mij en uwe broeders zult gij alle mogelijke medewerking ondervinden. Doch komt het mij tevens voor, dat gij te driftig zijt om alles zoo dadelijk bij Uw komst in huis in orde te hebben, hetwelk onmogelijk is, en ik ook, niet inzie zulks zoo volstrekt noodig is, daar gij toch zoo dadelijk niet kunt trouwen en vooreerst hier aan huis de kost voor het eten hebt.

Om linnen weefstoelen te koopen of te huren is hier wel gelegenheid; er zijn ons al 5 stuks door een eigenaar, die naar Amerika gaat, aangeboden, doch zijn noch te duur. Hij zal dezelve later wel lager afgeven. De fabriek op den Zonnenbrink is volmaakt geschikt om wevers in te zetten.
Om garens geverfd te krijgen zie ik ook weinig of geen zwarigheid in.
Hier in de plaats zijn twee zogenaamde blauwververs, die het misschien kunnen, en ook heeft van Eyk in Bredevoord een garenververij.

Enfin, Uw ambitie voor een en ander is mijn zeer aangenaam; doch alles kan zoo dadelijk niet gereed zijn, er moet nog veel overlegd worden en bedaard aan, gaat beter dan overijld. Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd, vooral raad ik nochmaals ten sterkste aan, om dadelijk geen werkmeester mede te brengen, komt U een geschikte voor, bespreekt die dan, om op nader te bepalen tijd in dienst te treden”.

Zoon Jan, niet te best over deze opmerkingen gesticht, had ijlings een hartig woordje teruggezonden, waarop vader weer antwoordde bij schrijven van 11 februari 1854:

“In antwoord op uw schrijven van 2 deze, was het mij aangenaam te bemerken uwe ambitie voor uw vak.
Voor zoover ik kan beoordeelen, komt het mij voor, dat dit wel gunstige resultaten kan en zal afwerpen. Dat gij Uw op een en ander voorbereid en de benoodigde machines aankoopt, vindt ik ook heel goed, en hebt gij mij vorige brief niet goed begrepen, als gij van meening zijt, dat ik nog een jaartje met overleggen wilde doorbrengen. Alleen is mijn principe om alles bedaard en goed te overwegen, alvorens tot belangrijke zaken over te gaan.
Dat gij met een scheermachine goed geslaagd zijt voor 186 Thaler is mijn aangenaam, doch als dezelve bij anderen 450 en 350 Th.kosten is die, welke gij besteld hebt, dan wel goed? Daar ik van papieren platen en van een twernmolen geen verstand heb, moet ik alles aan U overlaten met aanbeveling om niet te overijld te handelen en vooral goed spul te nemen.
Wat eene apprêtteermachine betreft, die machine ken ik weinig, doch heb er dikwijls van hooreb spreken, ik bedoel zoo eene machine waardoor men zware calicots (Nessel) kan apprêteeren, zooals de Engelschen de watertwist apprêteeren, ik verbeeldde mij, dat het goed dan door een dunne pap of brij op rollen of persen loopt, doch hoed het dan droog wordt, begrijp ik niet, ook twijfel ik wel of dezelve voor onze zoogenaamde dikke Calicots wel genoegsaam pap of brij zou aannemen. Er wordt hier thans verschrikkelijk veel geweven, zoodat wij nog nooit zooveel goed hebben klaar gekregen (ruim 600 stuk per week) en zijn daarbij de vooruitzichten voor de Calicots in de Oost niet gunstig, doch hoopt men op beterschap, doch kan ik U de verzekering geven, dat hier (vooral in den winter) geen gebrek aan wevers is, waaronder ook veel knappe wevers, die voor Uw goed wel geschikt zijn.
Met een powerslom (mechanisch touw) -weverij is het nog niet verder, alsdat even voor Hendrik (andere zoon) zijn vertrek uit Engeland is gekomen ene teekening van een fabrieksgebouw (later witstoom) voor 60 stoelen en prijsopgaaf van de laatsten, of hiervan wat komen zal, weet ik nog niet.
Ik voor mij zie er verschrikkelijk tegen op en ben er niet voor, daar een betrekkelijk aanzienlijk kapitaal in te steken, zonder vooruitzicht van genoegzaam débouché, terwijl er nu reeds overproductie is. Ook de politieke omstandigheden in aanmerking genomen, hoop ik tenminste, dat er het aanstaande zomer nog niets van komen zal.
Ingevolge Uw verzoek gaat hierbij Thaler 100,- waarvan ik vertrouw dat gij een noodzakelijk en nuttig doch zuinig gebruik maakt”

Niet lang daarna in Winterswijk teruggekeerd, blijkt de jonge Jan toen spoedig effectief doorgetast te hebben.
De ouderwetsche huisweverij moest noodig in nieuwe banen worden geleid. Zij was niet economisch genoeg: de geringe technische vakkennis der wevers, de sleur en het gemis van goede leiding en toezicht maakten het product duur en het aantal weeffouten groot.
De eerste maatregel door hem genomen, was dan ook: het aanstellen van een volkomen deskundig vakman, n.l. den heer Leopold Waters, afkomstig uit Westfalen, dien hij belastte met het toezicht over en het geven van leiding aan de verspreid wonende huiswevers te Aalten, Bredevoort, Varsseveld en in de kom en de buurtschappen van Winterswijk, die geregeld voor de zaak werkzaam waren.
Doch dat was slechts een begin.
Een tweede, belangrijker stap was een poging tot centralisatie door de vorming van een bedrijfskern, welke op zich zelf beter te leiden was en bovendien zou kunnen dienen om de materiaalvoorziening voor de thuiswerkers op practischer basis te brengen.
Hij liet daarvoor op den Zonnebrink, hoek Verlengde Ratumsche Straat, ter plaatse, waar thans de winkel van Help U Zelven en de slagerij van den heer Wassink staan een gebouw inrichten, waarin een aantal getouwen, een scheerpers en een apprêtteermachine konden worden ondergebracht. Het hoogst eenvoudige gebouw, circa 30 m.lang en 10 m.breed, was aanvankelijk in slechts enkele bescheiden ruimten verdeeld, doch is later, buiten gebruik zijnde, tot een blok van zes arbeiderswoningen ingericht.
En in dien vorm moeten vele ouderen onder ons het nog gekend hebben, want een 25 jaar geleden stond het er nog.
In het Provinciaal Verslag van 1855 vinden wij de oprichting gememoreerd. Er is daar sprake van “de nieuwe fabriek van den heer Willink voor het vervaardigen van halfwollen stoffen voor kledingstukken”.
Maar een fabriek in den zin, dien wij daar gewoonlijk aan hechten, was het stellig nog niet, in feite slechts een onderdak voor een aantal hand-weefgetouwen, meer niet.
Dat als product de halfwollen stof uitverkozen was, is zeer wel verklaarbaar. Door als inslag wol te gebruiken had de ondernemer zich ten minste voor de helft onafhankelijk gemaakt van de katoen, welke vooral in die jaren zoo dikwijls onbetrouwbaar in den aanvoer gebleken was en aan groote prijsschommelingen onderhevig was geweest. Rapporteerde b.v. datzelfde Prov.Verslag van 1855 niet nog meer onheilspellend, dat de katoenweverijen te Bprculo zeer slecht gingen, dat één inrichting er reeds gesloten was en een andere op apegapen lag, dat te Dinxperlo, te Eibergen en te Ruurlo de met zooveel hoop opgerichte bedrijfjes met den dag achteruit gingen, enz.enz.
Sommige werkten in den zomer heelemaal niet meer en sleepten zich in den winter met veel goedkoope kinderexploitatie nog met moeite voort.

Voorzoover enkele der oudste wevers van “De Batavier” zich, hetzij uit mededeelingen van hun vader of – zooals de nu 88- jarige Willem Bekker – nog uit eigen jeugdervaring weten te herinneren, waren in deze weverij hoogstens slechts een 25-tal arbeiders werkzaam, doch in de officieele rapporten is reeds dadelijk bij de oprichting in 1855 sprake van niet minder dan 75 personen, terwijl in 1859 opgegeven worden 60 wevers en 60 andere arbeiders ( onder wie vrouwen en kindreen) en in 1860 in totaal 110 arbeiders. Vermoedelijk hebben wij deze getallen zoo te verstaan, dat daaronder mede begrepen zijn de huiswevers en spinsters, die verspreid voor de zaak werkzaam waren.
Recht gemoedelijk ging het er nog toe in “de fabriek” hier aan de Ratumsche straat. Had een wever op zeker moment particuliere werkzaamheden, welke hem nader aan het hart lagen, dan stapte hij vrijmoedig naar den baas toe en zei b.v. doodgewoon: “morgen mo’k boonen potten of ale naor ’t land brengen en dan kom ik neet”, ja er waren er, die ’s zomers zich helemaal niet lieten zien en enkel maar ’s winters op het appèl kwamen.
Af en toe, als de vingers van de kou wat stijf geworden waren, hokten de wevers om de kachel knus bij elkaar en terwijl de getouwen zwegen, was het woord dan aan de praatjesmakers.

Van hun oogen werd nog al wat gevraagd, want voor de verlichting deden nog de ouderwetsche “prik- of snotlampjes” dienst, waarin patentolie of huttentut gebrand werd. De petroleumlamp was in die dagen nog een luxe-apparaat, uitsluitend voor de deftige salon gereserveerd.
Er werd 70 uren per week gearbeid voor een loon, dat voor den vlijtigen wever gemiddeld f 3,- bedroeg. Het spoelen en spinnen werd echter nog veel kariger beloond; de vaardigste spinster mocht met 30 a 40 ct. per dag stellig al heel tevreden zijn.
Gansch niet ten onrechte klaagde een oud Achterhoeksch liedeke dan ook:

Jao, wee met spinnen
Den kost wil winnen
Den mot zik naerig wèèren,
Den mag wal ’s morgens vroo beginnen
En de botter nog dunnekes smèèren

Lange arbeidstijden en lage loonen dwongen den vorige eeuwschen textielarbeider wel tot aanvullenden landarbeid om althans voor de noodige voeding grootendeels zelf te kunnen zorgen.
Ofschoon dan voor den eersten overgangstijd de motieven wellicht precies andersom moeten worden gesteld. De oude huiswevers n.l. waren nu eenmaal van oudsher steeds ook landbouwers geweest en zouden zelfs bij betere fabrieksloonen, die traditie toch niet hebben laten varen. Er gaat nog een verhaal onder de oudere wevers van een arbeider, die ’s nachts heelemaal niet naar bed was geweest om den oogst binnen te kunnen halen en die, staande tegen een ladder, maar een beetje gedommeld had, om ’s mrogens bij het krieken van den dag, voor de stoomfluit ging, maar spoedig bij de hand te kunnen zijn en ook dan nog een paar uurtjes op het land te werken.
Wel een schril beeld van een zwoegersbestaan, zooals dat eens het lot van duizenden was.
De heer Waters werd bedrijfschef in de inrichting en deed daarbij nu en dan de ronde langs de huiswevers in diverse gemeenten van den omtrek. Natuurlijk kwam de heer Willink er ook geregeld een kijkje nemen, niet zelden in den winter op blank geschuurde klompen van zijn huis naar den Zonnebrink wandelend, doch het was hem al gauw duidelijk dat hij de regeling best aan den “baas” overlaten kon.
In hoofdzaak werden gestreepte halfwollen broekstoffen geweven van zwarte katoenen schering met zwart geverfde wollen inslag, meerendeels voor den binnenlandschen afzet, doch ook wel reeds voor export, waarop al van meet af het oog gericht schijnt te zijn geweest.
Volgens overlevering was het goed zoo stevig en zwaar, dat de er van gemaakte broeken gemakkelijk op de pijpen konden blijven staan, terwijl de kwaliteit er van tegen een dragen van minstens 25 a 30 jaar volkomen bestand bleek te zijn. Degelijkheid ging nog voor alles in die dagen.

De goede naam van het product deed de zaken dan ook behoorlijk goed gaan. Telken jare werd officieel van de halfwollen stoffen-fabriek van den heer Willink nieuwe vooruitgang gemeld.
Er blijkt voortdurend geëxperimenteerd te zijn en al vrij spoedig aan nieuwe mogelijkheden te zijn gedacht, vermoedelijk onder den stimulans van de Nederl. Handelsmaatschappij, welke hoe langer hoe meer op Indie de aandacht vestigde.

Nauwelijks nog maar zeven jaar heeft de inrichting gewerkt, als dan eensklaps officieel in 1862 wordt gerapporteerd, dat de heer J.Willink tevens bonte katoentjes voor Indie is gaan weven. Hetgeen trouwens ook uit het Grootboek van dat jaar wel blijkt door de vermelding, dat een tweetal kisten met sarongs en cotonettes aan de firma Dummler te Padang verzonden zijn.
De uitvoering der bestelling schijnt naar genoegen geweest te zijn, want de orders herhalen zich en weldra wordt in de weverij het roer nu reeds ten deele omgegooid.
Er openen zich hoopvolle perspectieven en er zit bovendien nog iets anders in de lucht. De stoommachine heeft reeds elders een opzienbarende omwenteling in het bedrijf gebracht en ook de heer Willink ziet wel in, dat zijn onderneming, als zij haar vleugelen uitslaan wil, de diensten van dit befaamde “krachtwonder” niet lang meer ontberen kan.
Plannen rijpen en laten geen rust. En terwijl de bestaande inrichting nog nauwelijks 10 jaar haar diensten verleend heeft, lichten in den geest de omtrekken al reeds van een moderner gebouw, waarbinnen de “wonderen van kracht en techniek” eerlang een gewichtige rol spelen zullen.

De stoomfluit gilt, wevedamp boven den Zonnebrink

Het is daar op den Zonnebrink als de heer Willink en architect Richter er in 1863 terreinopmetingen komen doen, meerendeels nog een echt landelijk dorpsrandgebied.
Wat thans straat is, is dan nog maar een landweggetje, waaraan dan, zooals we weten, op den hoek Verlengde Ratumsche straat het ons reeds bekende handweeffabriekje staat en op de plek, waar thans de heer Hulscher woont, juist de eerste Winterswijksche gasfabriek in aanbouw is.
Van de R.H.B.S. of de later daar gebouwde villa’s en heerenhuizen is er echter nog geen spoor of aanwijzing te vinden.
Maar het is een snel opgaande tijd voor Winterswijk en nu staan daar tegenover de gasfabriek al weer richtpaaltjes in den grond geslagen voor een anderen, veel beteekenenden nieuwbouw.

Het werk blijkt uitgevoerd te zijn door Nuys en Ribbelink, de eerste timmerman, de tweede vermoedelijk metselaar.
Doch van grooten omvang schijnt het karwei nog niet geweest te zijn. Ofschoon het bestek een machinekamer, een weverij, een spoelerij en een ververij vermeldde, wijzen alle gegevens er toch op, dat de inrichting eerst maar bescheiden en voorzichtig is opgezet.
Het gebouwencomplex, waaruit zij nog voor den brand van 4 December 1937 bestond, blijkt het resultaat geweest te zijn van herhaalde verbouwingen en vergrootingen, welke natuurlijk met de gestadige zakenuitbreiding in de goede jaren ten nauwste verband hielden.

De eerste stoommachine, de ketel en het drijfwerk, werden door Stork (destijds nog te Borne) geleverd, terwijl diverse machines in Engeland werden besteld.
Volgens de boeken zou de fabriek den 1 Juli 1866 met 52 getouwen zijn begonnen te draaien, doch het schijnt, dat dit cijfer meer het aantal bestelde “stoelen” betreft dan de werkelijk op dien datum in gebruik gestelde.
De oudste nog levende wevers meenen zich namelijk te kunnen herinneren, dat aanvankelijk met slechts een klein aantal getouwen begonnen is, daar de andere nog niet aangekomen waren en eerst geleidelijk later zijn bijgezet.
De reeds genoemde Willem Bekker, die het weten kan, omdat hij thans 88 jaar is en reeds op 11-jarigen leeftijd in de fabriek kwam, bevestigt zulks en beweert altijd goed onthouden te hebben het groepje personen, dat hij daar bij zijn intrede aantrof, te weten:
in de eerste plaats bedrijfschef Waters, die van de oude weverij mee naar hier overgegaan was. Jan Wevers, die eenigermate als zijn assistent fungeerde. Arend Kobus, stoker. Jan Kobus, wever, Gerrit Renskers, wever, later aandraaier. Willem Lobeek, aandraaier, Martinus Rotmans, wever, Albert Kobus, later touwbaas. Wiggers, later scheerbaas. Gerrit ter Haar, later scheerbaas. Hendrik Hofste en dan hij zelf, die de eerste was, aan wien twee getouwen werden toevertrouwd en die thans de eenige is, die van dit groepje nog in leven is.

In den beginne werden dezelfde artikelen van de oude weverij ook hier geproduceerd, zij het dan nu met bekwamer spoed en verbeterde machines en zonder dat iedere arbeider nog zelf tevens als aandrijfmotor te fungeeren had. De halfwollen stoffen domineerden nog en de gebruikte verfstoffen waren nog zoo overwegend aan den donkeren kant, dat de volksmond ter onderscheiding van de nadere plaatselijke bedrijven, welke meest wit goed fabriceerden, al gauw een passenden naam gevonden had, n.l. “zwartstoom”, welke tot op den huidigen dag gebleven is.

De ouderwetsche broekstoffen geraakten door de veranderde mode geleidelijk echter meer en meer in de verdrukking en toen werd het zwartepunt allengs naar de bontgoederen verlegd, als beddetijk, schortenbont, meubelbont, boezeroengoed, e.d., terwijl daarnaast toen ook al sarongs geweven werden, welke weldra geheel de overhand nemen zouden. De heer B.Nijenhuis, chef Binnenland, reeds sedert 1888 aan de fabriek verbonden, vertelde ons zich nog best te herinneren, hoe al vroeg de firma Gebr. Veth te Padang, W.B.Ledeboer & Co te Makassar en Gorontalo, e.a. tot de geregelde afnemers behoorden. Geberk aan werk was er in die dagen nooit. Indie zond meestal zooveel orders en aanbevelingen dat de beste er uitgenomen konden worden en de rest niet uitgevoerd werd.
De noodige steenkolen moesten in de eerste jaren per voermanstransport uit Empel en Iepenburen (D) herwaarts worden gehaald. Dat was een kostbare geschiedenis, want de vracht was minstens 2 1/2 maal zoo duur als de kolen zelf. De partij welke in Empel voor f 18,- beschikbaar was, kostte als zij hier thuis was f 58,-

De fabriek groeit gestadig.

Intusschen was de oorspronkelijke ruimte voor de uitvoering der ruim toevloeiende orders al spoedig te klein gebleken. En toen de heer Nijenhuis in 1888 de fabriek betrad, hadden er dan ook reeds twee uitbreidingen plaats gehad. Doch er zouden er weldra meer bolgen, zooals kan blijken uit het volgende lijstje:

1866
Ongeveer 1 Juli de stoombariek in werking

1883
De eerste uitbreiding

1886
De tweede uitbreiding

1900
Belangrijke vergrooting en vernieuwing. Geheel nieuwe machinekamer en ketelhuis, waarin stoomachine Stork van 400 PK en drie ketels: de stoommachine ging bij de brand verloren.
Bouw van een 3 verdiepingen hoog gebouw voor kantoren en magazijnen. Dit gedeelte ging door den brand verloren.
Whemepad voor de eerste maal verlegd.

1904
Reeds weer vergrooting van dit voorgebouw. Waar dit nieuwe gebouw door middel van branddeuren van het in 1900 opgerichte was gescheiden, bleef dit bouwwerk bij den brand gespaard.

1913
Bouw van de weverij “De Pol”, plaats biedend voor 350 getouwen met electrische aandrijving en de modernste toepassingen op het gebied van luchtverversching, bevochtiging en verwarming. Achter het kantoorgebouw werd een nieuwe betonbouw opgericht voor appreteerderij, kalanderij en opmakerij. Tevens werden ververij, aandraaierij en scheerderij door betonbouw vergroot.

1920
Uitbreiding der ververij, waarboven de sterkerij werd aangebracht, tevens werd een nieuw Directiekantoor gebouwd.

1924
Aankoop tuin achter bewaarschool, welke na den brand voor de helft in gebruik werd genomen door ruwerij en garenloods en tevens als opslagplaats. Het verlegde Whemepad werd bebouwd, en dit pad werd opnieuw verlegd, nu langs de bewaarschool.

1937
4 Dec. Groote brand, die het eigenlijke bedrijf aan den Zonnebrink geheel verwoestte.

1938
Heropbouw van deze fabriek

BEDRIJFSVORM EN DIRECTIE

Ook de bedrijfsvorm is in den loop der jaren niet steeds dezelfde gebleven.
De oude handweverij was eigendom van den heer J.Willink en ook met de nieuwe stoomfabriek is hij aanvankelijk in zee gegaan.
In 1869 werd zijn neef W.Paschen in de directie opgenomen en de vennootschap Firma J.WILLINK & PASCHEN opgericht.
De heer J.Willink had intusschen met zijn succesvolle spoorwegvoorbereidingen de handen zoo vol gekregen, dat hij in 1879 zijn fabriekswerkzaamheden overdroeg aan zijn zoons A.Willink em J.H.Willink, toen resp.23 en 22 jaar oud.
In 1897 overleed de stichter, de heer J.Willink, op 65-jarigen leeftijd.

Mede wegens uitbreiding van zaken werd de bestaande firma op 1 October 1902 omgezet in de N.V.Bontweverij “De Batavier” v/h J.Willink en Paschen en wel onder directie van de gewezen firmanten A.en J.H.Willink, terwijl als commissarissen optraden de heeren W.Paschen te Winterswijk, Mr.J.B.Roelvink te Amsterdam, W.Willink en B.W.ter Kuile te Enschede.


LEIDERS VAN HET BEDRIJF VAN 1866-1941

DIRECTEUREN:
Jan Willink 1866-1879
W.Paschen 1869-1902
Abr. Willink 1879-1913
J.H.Willink 1879-1921
J.Willink Azn.1913-1939
A.J.Willink 1913-heden
J.G.Korteling 1931-1938 (daarna gedelegeerd commissaris)
A.Willink Jzn. 1938-heden

BEDRIJFSLEIDERS:
L.Waters 1866-1889
Mais 1889-1895
Eicken 1898-1903
H.G.Dalenoord 1903-1931
H.J.Voogd 1931-1939 (daarna onder-directeur)

HUIDIGE COMMISSARISSEN:
Ir. F.Willink, President-commissaris
J.G.Korteling, Gedelegeerd
J.G.G.Ledeboer
G.B.W.ter Kuile
J.Willink Azn.

PRODUCTIE EN AFZET DER FABRIEK















Lees verder

Batavier

Jao, wee met spinnen
Den kost wil winnen,
Den mot zik naerig wèèrn,
Den mag wal ’s morgen vroo beginnen
En de botter nog dunnekes smèèrn.

Batavier handweverij, gesloopt 1914
Hoek Zonnebrink-Verl.Ratumsestraat

Jan Willink (geb: 1831) werd door zijn vader Abraham Willink naar het buitenland gestuurd om een textielopleiding te volgen.

Op 1 juli 1866 werd schuin aan de overkant op de Zonnebrink de nieuwe batavier gestart.

De oude fabriek werd opgebouwd tot zes arbeiderswoningen.
In 1869 kwam Willem Paschen (een neef, zoon van zijn zus, Maria Geertruid) in het bedrijf en werd voortgezet onder de naam:
Firma J.Willink & Paschen.  

W.Paschen
5 april 1909, Arnh.courant
10 april 1909, N.v.d.D
Tubantia
Foto: Inge Klein Gunnewiek
Plm.1900


Jan Willink ging zich steeds meer toeleggen op zijn spoorplannen en droeg zijn werk in 1879 over aan zijn beide zonen:

1 oktober 1902 werd de naam: N.V.Bontweverij “De Batavier” v/h J.Willink & Paschen,

Willem Paschen is overleden in 1909 te Monte Carlo.
Na het overlijden van Abraham Willink in 1913 kwamen zijn zoon J.Willink Azn. (geb.1882) en A.J.Willink (Bram), zoon van Jan Hendrik in de directie.
In 1921 trad Jan Hendrik Willink af.

In 1931 werd J.G.Korteling in de directie opgenomen.

Foto: Het Museum

Groote Brand in Winterswijk

ZATERDAG 4 DECEMBER 1937, Utrechts Nieuwsblad

GROOTE BRAND TE WINTERSWIJK

BONTWEVERIJEN “DE BATAVIER” GEHEEL VERWOEST

DE SCHADE BEDRAAGT ONGEVEER KWART MILLIOEN

Ongeveer driehonderd en vijftig arbeiders zijn door dezen brand tot werkloosheid gedoemd.

Winterswijk,4 dec. Hedennacht te ongeveer kwart voor twee is brand uitgebroken in de bontweverij “De Batavier” v.h. firma J.Willink en Paschen, gelegen aan de zonnebrink, in de kom der gemeente.
Deze fabriek, waar in normalen tijd een achthondertal arbeiders werkzaam zijn, staat op het oogenblik in lichte laaie. En de hoog opgaande vlammen zetten de geheele omgeving in rooden gloed.
De brandweer te winterswijk is met groot materiaal uitgerukt, daar de fabriek aan alle zijden begrensd wordt door perceelen, welke groot gevaar loopen door de geweldige vonken regen welke naar alle zijden uitspat. Omtrent de oorzaak is tot nog toe niets bekend.
Onmiddelijk, nadat men voorzag, dat de brand een groote uitbreiding zou aannemen, werd ook de assistentie in geroepen van de brandweer van omliggende plaatsen.
Hoewel het vuur de fabriek, waarin de brand is uitgebroken, totaal heeft verwoest, mocht vroeg in de morgen geconstateerd worden, dat de brandweer erin geslaagd is, een ramp, welke op zeker oogenblik dreigde, te voorkomen. Zij is er in geslaagd den hevigen vuurgloed, die dreigde over te slaan naar een aantal aan de overzijde van de straat gelegen gebouwen, waar eenige perceelen reeds vlam hadden gevat, tijdig te stuiten.
Het was omstreeks half twee vannacht, toen eenige commiezen die op nachtpatrouille waren, in het achterbouw van de bontweverij ” de Batavier” , v.h. J.Willink en Paschen, een hevigen vuurgloed ontdekten. Ook eenige bewoners uit de omgeving die wat laat naar bed gingen, bemerkten ongeveer gelijktijdig dat er brand in de fabriek was uitgebroken. Onmiddelijk werden de brandweer en de plaatselijke autoriteiten gewaarschuwd, terwijl ook in de nabijheid wonende machinist werd geroepen. Hij was een der eersten, die met eenige personen, die het vuur ontdekt hadden, ter plaatse kwamen. 
Deze laatsten gingen de fabriekspoort binnen en begaven zich naar de achter het voorgebouw gelegen binnenplaats. Hier sloegen de loeiende en brullende vlammen, die gretig voedsel vonden in het laag opgetrokken oude deel van de fabriek, hen tegemoet.
Daar Winterswijk slechts over 1 motorspuit – naast de handspuiten, welke op de waterleiding werken- beschikt, achtte de burgemeester, de heer J.A.R.Bosma, die spoedig na de ontdekking van den brand ter plaatse verscheen, het wenschelijk de hulp in te roepen van de motorspuiten van Aalten, Groenlo en Lichtenvoorde. Van deze heeft echter alleen de motorspuit uit Aalten medewerking behoeven te verleenen, daar, toen de andere motorspuiten op de plaats van den brand kwamen, men het vuur zoover meester was, dat voor verdere uitbreiding niet behoefde te worden gevreesd.

HULP VAN BUITEN
De brand is ontstaan in de eigenlijke bontweverij. Door den fellen wind sloeg het vuur over naar de spoelerij, de pretteerderij en de ververij, welke afdeelingen in het drie verdiepingen hooge voorgebouw waren gelegen. Als een brandende fakkel, die tot ver in den omtrek zichtbaar was, stond de fabriek in den donkeren winternacht, de directe omgeving hel verlichtend.
Op zeker oogenblik sloeg het vuur over naar de gebouwen, welke aan de andere zijde van de Willinkstraat zijn gelegen en vatten de gereformeerde kerk, de societeit “de Eendracht” en een zestal particuliere woningen vlam. Het was toen, dat vaststond, dat er van de fabriek zelf niets meer te redden viel en dat de brandweer, werkende met zestien stralen, zich er in hoofdzaak toe beperkte, de reeds aangetaste gebouwen te behouden en verdere uitbreiding te voorkomen. Daarin is de brandweer, zooals gezegd, geslaagd. Wel hebben al deze gebouwen aan de buitenzijde  brandschade gekregen en enkele particuliere huizen zooveel waterschade op geloopen, dat zij op het oogenblik onbewoonbaar zijn,  doch het vuur is gestuit. Fel woedde het vuur den geheelen nacht in de fabriek. Nu en dan stortte een gedeelte van de gebouwen in, of vielen machines van de hoogste verdieping door de vernielde vloeren naar beneden, daarbij steeds het vuur doen oplaaiend. Met man en macht  werd gewerkt om het vuur te stuiten aan den eenen kant, om te redden wat er te redden viel aan den anderen kant. Uit het directiekantoor, dat door een brandmuur van de eigenlijke fabriek is gescheiden, werden de boeken en belangrijke bescheiden gehaald en voorloopig ondergebracht in de nabijheid gelegen Rijks Hoogere Burgerschool. Ook uit de gebouwen aan de overzijde van de straat, welke door de bewoners moesten worden ontruimd, werd zooveel mogelijk gered.

TOT STAAN GEBRACHT
Heden morgen tegen zes uur stond wel vast, dat verdere uitbreiding van den brand niet te vreezen is. Van toen af kon aan de nablussching, welke met acht stralen hedenmorgen om negen uur mog voortduurde, worden begonnen. Van de fabriek is niet veel meer over dan eenige stukken muur.

Het gedeelte van de Willinkstraat nabij de fabriek toont een beeld, als na een bombardement. Het geheel is een groote ruine en het verkeer door de straat is onmogelijk geworden. Dit moest worden omgelegd. tengevolge van dezen brand kan ook de tweede fabriek “De Pol” van dezelfde onderneming niet werken, daar de transformatorinrichting in de afgebrande fabriek was gevestigd en de tweede fabriek derhalve nu zonder stroom zit. In totaal zijn daardoor voorloopig driehonderd vijftig werkloos. Bovendien zullen de weverijen van Poppers en de stoomweverij van Meijerink vandaag moeten stilstaan, daar het provinciaal electriciteitsbedrijf in verband met mogelijk groot gevaar, ook de stroom naar deze fabrieken heeft afgesneden.

Hoe groot de schade zal zijn, kon hedennacht nog niet worden vastgesteld. Deze zal zeker ongeveer een kwart millioen gulden bedragen.
De oorzaak van de brand kon nog niet worden vastgesteld. Er is gisteren op de gewone wijze in de fabriek gewerkt en toen het personeel de fabriekslokalen verliet, was er niets bijzonders aan de hand. Voor zoover bekend zijn de gewone controle maatregelen genomen.
Behalve de burgemeester waren nog verscheidene andere plaatselijke autoriteiten op het terrein van den brand aanwezig. Ook de drie directeuren der onderneming, de heeren J.Willink, A.J.Willink en J.G.Korteling verschenen spoedig na het uitbreken van den brand ter plaatse.
Gedurende den nacht was er niet veel publiek op de been, doch in de loop van den ochtend had de politie druk werk met het afzetten van de omgeving van de fabriek. 

Overleden 19 maart 1940, Volkskrant
23 April 1914
Nieuwe ketel Stork
De Pol
Tekening van Dugteren
Technische Dienst
Met  V.L.N.R.: Herman ten Hagen, ??  ,??, Cees Kuiperij?,  Derk v.d. Berg 
Batavier Plm.1960
Onderste rij v.l.n.r.: Gerrit Klein Langenhorst, Henny Wevers, ????, ?Grevink, Geert Ubbing,Johan Kempers, Willem Maas, Jan Meijberg
Tweede rij v.l.n.r: Gerrit Kobus, ??????, ?????, ??????, Willem Woordes, Bernard Wevers, Bernard Dieker, ? Ansink
Derde rij v.l.n.r.: (6 personen): Harm Kluitenberg, Willem ter Haar, Jan Heinen, Bennie Onnink, ? Grevink, Jan Bruggers.
Vierde rij v.l.n.r.: (5 personen): Kas de Vries, Gerrit ter Haar, Berend ter Haar, Gerhard Jansink, Gerrit van Diek
Vijfde rij  v.l.n.r.: (6 personen): ??????, Navis?, Marinus Arendsen, ?????, Derrek van Eerden, ??????

De eerste Batavier

Onlangs werd medegedeeld, dat de oude fabriek „de Batavier” door de Coöperatieve Winkelvereeniging was aangekocht, om aldaar een winkel te openen.
Zoo zal dan spoedig het gebouw verdwijnen, waarom wij vermeenden goed te.doen hiervan een reproductie te geven, waardoor aan het nageslacht getoond kan worden, waar de belangrijke industrie, waaraan de gemeente Winterswijk mede hare snelle ontwikkeling te danken heeft, het eerst zetelde.
Sinds jaren heeft de oude fabriek dienst gedaan als woonverblijf voor arbeidersgezinnen, zooals onze afbeelding te zien geeft.
Vroeger bestond, evenals in andere gemeenten van onzen achterhoek, de huisindustrie en voornamelijk was dit het geval met het weven en spinnen. Zoowel in het dorp als in de buurtschappen, zoo vertelt ons de heer B. Stegeman in zijn „Winterswijks Verleden”, trof men zelden een huisje aan, of men hoorde er het spinnewiel snorren of het weefgetouw klepperen. Hoe geheel anders is dat tegenwoordig.
De spinnewielen zijn verdwenen en in de buurtschappen alleen vindt men die soms nog in een hoekje op den hooizolder staan.
In huis worden geen .weefgetouwen meer aangetroffen. De huisindustrie beeft plaats moeten maken voor de snellere en goedkoopere productiewijze in de fabriek.
Machines, reeds in andere landen in gebruik, bracht den huiswever in verlegenheid, terwijl de nieuwe grondstof, katoen, met het linnen in concurrentie kwam, redenen waarom de huisindustrie gestaakt moest worden om voor het moderne fabriekswezen plaats te maken.
Het machinale bedrijf werd in een ander gebouw, dan het hier afgebeelde, onder dak gebracht en het tegenwoordige complex van gebouwen doet zien, tot welk een ontwikkeling de katoenindustrie het gebracht heeft.
De katoenindustrie is nog steeds de voornaamste tak van industrie voor Winterswijk en wordt thans door meerdere firma’s vertegenwoordigd.
Meer dan 1000 arbeiders zijn in dienst dezer industrie.

Batavier 75 jaar

De N.V. Bontweverij „De Batavier”, v.h.’ J. Willink & Paschen, zal 1 Juli a.s. driekwart eeuw bestaan. Ook dit bedrijf kan prat gaan op een zeer belangwekkende historie, die aanvangt bij het snorrende spinnewiel en die weldra, dank zij het initiatief en den durf van zijn stichters, volkomen wordt gesynchroniseerd met de geschiedenis van stoom en electriciteit.
Langzaam maar zeker breiden zijn relaties zich uit, ver over de landsgrenzen heen. De Winterswijksche arbeider vervaardigt sarongs voor den Indiër. Heeft laatstgenoemde een slecht jaar, zoodat hij zich in een eenvoudiger baadje hult, zoo ondervindt het bedrijfsleven in een kleine
plaats in het Oosten van het kleine Nederland den terugslag. Machtig interessant is die grootsche wisselwerking. Ze heeft uit den aard der zaak haar voor en haar tegen. Het bedrijf biedt velen een bestaan, maar is juist in verband met zijn omvang en zijn connecties een uiterst gevoelige graadmeter voor de schommelingen der wereldmarkt. 

Dit zal zoo aanstonds duidelijker blijken, wanneer’wij iets vertellen over de geschiedenis van deze bontweverij en over haar stichters. Blijkensde kronieken begon „De Batavier” — aanvankelijk een stóómweverij — op 1 Juli 1866 met 52 getouwen te draaien. Eigenaar en oprichter wasde heer Jan Willink, zoon van Abraham Willink, door wiens nazaten de nu nog bestaande 3 Winterswijksche textielbedrijven H. Willink & Co.,de jubileerende bontweverij en de Tricotfabriek G. J. Willink werden opgericht. De eigenaar van het jonge bedrijf was allerminst een vreemdeling
in het Jeruzalem der textielindustrie, want hij bezat reeds een handweverij op de Zonnebrink en de vergeelde koopmansboeken vermelden in het jaar 1862 export van cotonettes en sarongs naar Padang. Trouwens, de heer Jan Willink stamde uit een reeds van oudsher te Winterswijk gevestigd linnenreedersgeslacht, dat reeds in’het begin van 1700 in wijden omtrek spinnen en weven liet en daarnevens ’n linnen- en wolhandel dreef. 
In 1869 kwam een neef, de heer W. Paschen in de zaak en verleende mede zijn naam aan de firma. Bedrijfschef was de heer Waters. Hoofdzakelijk legde men zich toe op de fabricage van de schier onverwoeste .halfwollen broekstoffen, later op bontgewevn katoenen stoffen, zoowel voor het binnenland als voor export bestemd.
In 1879 droeg de heer Willink zijn werkzaamheden over aan zijn zoons. A. Willink voor het technische en J. H. Willink voor het mercantische gedeelte van de zaak. Nog getuigt een gedenksteen van het vele werk, door wijlen den heer Jan Willink verricht voor het tot stand komen van betere verbindingen. Hij was de grondlegger voor de Ned. Westfaalsche en de Geldersch-Overijselsche lokaalspoorwegen.

Mede wegens uitbreiding der zaken werd de bestaande firma in October 1902 omgezet in de N.V. Bontweverij „De Batavier”, v.h. J. Willink & Paschen. In 1913 overleed de heer A. Willink.
Het was hem niet vergund zijn schepping „De Pol” in vol bedrijf te mogen zien. Na zijn dood traden zijn zoon, de heer J. Willink Azn. en de heer A. J. Willink, zoon van den overblijvenden directeur, in de directie.
Als wij denken aan de enorme ontwikkeling van de verfindustrie, aan namen als I.G. Farben en Defa, dan beseffen we, welke hooge eischen werden gesteld aan een bontweverij, die met haar collecties up-to-date wenschte te blijven. Een vergelijking tusschen de Nederlandsche en de Engelsche bontweverij toont duidelijk aan, dat het vaderlandsche product ongenaakbaar was voor de Britsche concurrentie, zélfs op de modieuze Burma-markt. Het Nederlandsche bedrijf is een geheel, d.w.z. het verft zelf zijn garens, finisht,- kalandert en verpakt.
Het Engelsche daarentegen is een zuiver weefbedrijf, laat het verven, finishen en opmaken over aan derden.

In nouveauté’s en kleurenvariaties won de Nederlandsche industrie het met glans. Haar zwakke zijde was evenwel het beduidend hoogere risico, groote. ongedekte kosten in geval- van slapte.
“De Batavier” heeft dat moeten” ondervinden.”
Gelijk andere .sarongwevers heeft men tijden gekend van voorspoed en van tegenslag. Toen de Japansche concurrentie eensklaps losbarstte, wankelde onze bontweverij even op haar grondvesten. Het was toen, dat van de 4 Hengelosche sarongwevers er slechts één overbleef. Op de binnenlandsche markt kreeg.men bovendien een zware concurrent aan het steeds beter wordende bontgedrukte goed en het tricotgeweven ondergoed. In die periode hebben de bontwevers met den rug tegen den muur voor hun bestaan moeten vechten en „De Batavier” heeft het gehaald.

Sedert 1936 bleek de inzinking overwonnen. In 1921 trad de heer J. H. Willink als directeur af.
Nieuwe mutaties volgden in 1931 ten tijde der groote moeilijkheden. De heer J. G. Korteling trad in de directie en wijlen de heer H. G. Dalenoord werd als bedrijfschef opgevolgd door den heer H. J. Voogd. Er is welhaast geen plaatsgenoot. of hij herinnert zich nog één der grootste branden, welke Winterswijk ooit teisterden.
In den nacht van 3 op 4 December 1937 was de hemel rossig gekleurd door een enorme vlammenzee, die met verbijsterende snelheid het verleden van „De Batavier” uitwischte. Van de oude fabriek restten slechts rookende puinhoopen. 

Als een Phoenix uit de asch herrees een nieuwe fabriek onder een verjongde directie. De heer J. Willink Azn. is overeenkomstig zijn wensch wegens gezondheidsredenen afgetreden. Zijn plaats werd ingenomen door A.Willink Jzn., terwijl de heer H. J. Voogd als onderdirecteur tevens een directieplaats innam. De heer Korteling trok zich eveneens om gezondheidsredenen uit de directie terug, doch blijft als gedelegeerd
commissaris voor „De Batavier” werkzaam. De onderlinge verhouding in het bedrijf mag goed genoemd worden. En wat zijn zakenrelaties aangaat: ter illustratie zij hier vermeld, dat er nog afnemers zijn, die 75 jaar geleden voor het eerst een order plaatsten.
Het jubileum valt in een moeilijken tijd, maar men vertrouwt ook ditmaal, de dreigende gevaren te’boven te zullen komen.

De eigenlijke herdenking zal een sober karakter dragen. In de ochtenduren van 1 Juli hopen directie en personeel een feestelijke bijeenkomst te organiseeren; des middags vindt een receptie plaats ten kantore.

Brand Batavier

03 MAART 1914
WINTERSWIJK,
Hedenmorgen brak brand uit in de droogkamer der bontweverij „de Batavier” te Winterswijk. De brand liet zich aanvankelijk ernstig aanzien. Binnen ren half uur was men echter het vuur meester.
Een groote hoeveelheid garens zijn verloren.

Kortsluiting

04 FEBRUARI 1926
WINTERSWIJK, 2 Febr.
Hedennacht zag een dienstdoende agent van politie vuur in de fabriek „de Batavier” alhier. Hij waarschuwde onmiddellijk den directeur van de
fabriek.
Het bleek dat er kortsluiting was ontstaan bij de electrische geleiding.
Met eigen krachten kon het vuur worden gebluscht.
Door het spoedige ontdekken is de fabriek voor een grooten brand vrij gebleven.

J.Willink Azn. overleden

10 AUGUSTUS 1959
Oud-directeur van „De Batavier”
Vrijdag 7 augustus j.l. is in het Algemeen Ziekenhuis te Winterswijk op 77-jarige leeftijd overleden de heer Jan Willink Azn, oud-directeur van de NV. Bontweverij „De Batavier” v.h. J. Willink en Paschen aldaar.
Vandaag heeft te Dieren de crematie van het stoffelijk overschot in alle stilte plaats gehad
De thans overledene genoot zijn opleiding aan de H.T.S. te Enschede en was van 1913 tot 1939 directeur van genoemde N.V.
Bij zijn aftreden als directeur werd de heer Willink tot commissaris van „De Batavier” benoemd. In het openbare leven van Winterswijk heeft de thans overledene vooral grote belangstelling aan de dag gelegd voor sociale vraagstukken en voor het verenigingsleven ter plaatse
Zo was hij van 1918 af eerst bestuurslid, later administrateur van de Nutsspaarbank, die door zijn grootvader Jan Willink (o.a. medestichter van de Geldersch-Overijsselsche Lokaal Spoorwegmaatschappij) was opgericht.
De heer Willink was voorts van 1919 tot 1931 lid van de gemeenteraad van Winterswijk en had in de twintiger jaren ook zitting in de Provinciale Staten van Gelderland.

Benoemingen bij De Batavier

10 MEI 1966
WINTERSWIJK —
Tot directeur van de NV Bontweverij „De Batavier” is benoemd de heer A. J. Borren, tot onderdirecteur de heer K.J. Stroes en tot procuratiehouder de heer W. B. Thomasson.

100 jaar Batavier

N.V. Bontweverij „DE BATAVIER” v/h J. Willink & Paschen Winterswijk
Op 1 juli a.s. bestaat onze vennootschap 100 jaar.
Belangstellenden zullen wij gaarne ontvangen op zaterdag 2 juli a.s. van
14.00—16.00 uur in Sociëteit „De Eendracht,” Zonnebrink alhier.
De direktie

Oud-directeur Batavier A. J. Willink (81 jaar) vandaag gecremeerd

13 JUNI 1969
WINTERSWIJK –
Vanmorgen is in Dieren het stoffelijk overschot gecremeerd van de heer A. J. Willink, oud-directeur van de N.V. Koninklijke Weverij de Batavier v/h J. Willink en Paschen te Winterswijk. De heer Willink is maandag op 81-jarige leeftijd in het Algemeen Ziekenhuis in Winterswijk overleden.
In 1913 werd hij benoemd tot directeur van de Batavier. Deze functie heeft hij gedurende veertig jaar vervuld, totdat hij in 1953 met pensioen ging.
Ook in het maatschappelijk leven van Winterswijk, waar de overledene zijn leven lang heeft gewoond, heeft de heer Willink een belangrijke rol vervuld.

Oud-directeur A.Willink overleden

20 MAART 1974
WINTERSWIJK —
In het Wilhelmina ziekenhuis in Doetinchem is vannacht plotseling overleden de heer A.Willink Jzn, oud-directeur de Koninklijke Weverij De Batavier v.h. J. Willink en Paschen in Winterswijk.
De heer Willink is ruim 40 jaar directeur van het bedrijf geweest,
Enkele jaren geleden, op 60-jarige leeftijd nam hij als zodanig afscheid.
Hij werd toen benoemd tot commissaris van het bedrijf.

Textielfabriek ontslaat 50 man

04 DECEMBER 1974
WINTERSWIJK —
De textielfabriek De Batavier in het Gelderse Winterswijk gaat 50 van de 370 personeelsleden ontslaan.
Deze maatregel, die los zou staan van een al lopende werktijdverkorting, moet het bedrijf uit de rode cijfers halen. De ontslagen zijn gebaseerd op een advies van het raadgevend bureau Berenschot en treffen alle sectoren van het bedrijf.
De directie van De Batavier is nog in overleg gewikkeld met de vakbonden.

De Batavier Textiel in Winterswijk sluit

18 SEPTEMBER 1980
WINTERSWIJK (ANP) —
De Koninklijke Textielfabrieken De Batavier in Winterswijk gaat dicht. De circa 240 medewerkers moeten worden ontslagen. Deze week zal de rechtbank waarschijnlijk al het faillissement uitspreken. Dit blijkt uit een gisteren door de raad van commissarissen en de directie uitgegeven verklaring

Lees verder