oudwwijk
Digitaal erfgoed

De oude Dorpsschool

In nauw verband met de kerkelijke aangelegenheden stonden ook de zaken van het onderwijs, hier ter plaatse toevertrouwd aan de zorgen van den Kerkeraad en den Drost van Bredevoort. 
Maar een koesterende zorg heeft deze “tak van dienst” voor den aanvang der 19e eeuw nimmer genoten. En veel prijs werd er door de bevolking blijkbaar ook niet op gesteld, daar er anders wel protesten opgegaan zouden zijn over den verre van rooskleurigen toestand, waarin een en ander verkeerde. 
Het eenige schooltje in het dorp, dat tegen het einde der 16e en de eerste helft der 17e eeuw nog voor de leergierige jeugd van het gansche kerspel (dus ook de buurtschappen)  bestemd was, leek meer een armelijk “hok” dan een eenigszins betamelijk schoollokaal. In 1739 b,v, werd verordonneerd, dat het toch noodzakelijk wat opgeknapt diende te worden, “opdat de kinderen niet genootzaakt mogen worden wegens regen en wint, sneeuw of kouwde, daer uyt te moeten loopen”. 


En de meester – tevens voorganger in de kerk – paste doorgaans wonderwel in die primitieve omgeving. Zijn kennis en zijn vaardigheden – uitgenomen dan zijn “bekwaeme handt van schrijven” – gingen niet hoog en zijn dagelijksche handel en wandel konden vaak allerminst een stichtelijk voorbeeld heeten voor de lieve jeugd aan hem toevertrouwd. 
Als wij, wat dit laatste betreft, thans nog eens kennis nemen van de vele “buitensporigheden” onzen 17e en 18e eeuwschen dorpsschoolmeesters zooal aangewreven, dan vragen wij ons af, wat dat toch voor een tijd moet zijn geweest en hoe van een dergelijke “ordening” nog zegenrijke vruchten uitgaan konden.


Omstreeks 1600 vinden wij het schoolmeesterambt van Winterswijk waargenomen door zekeren Godefridus Bucherus, eigenlijk prediker van beroep, die laatselijk te Almen gestaan had, doch aldaar wegens ergerlijk levensgedrag ontslagen was. 
Naar Winterswijk afgezakt, had hij hier weldra een van pastoor Rauwerts dochters leeren kennen en met deze een vrij huwelijk aangegaan. Aan die bijzondere relatie was het zeker te danken, dat hem tevens de kerkelijke administratie was opgedragen en hij nu en dan “den jetzigen pastoren (dat was dus zijn schoonvader)  den kerckendienst mocht helffen verwalten”. 

Dit laatste vernemen we uit een alleszins gunstige attestatie, die hij den 6 October 1600 van kerkmeesteren had weten los te krijgen en waarmee hij zich weldra weer een plaatsje als prediker wist te veroveren, n.l. te Varsseveld, waar men toen erg verlegen zat. Maar de Zutphensche kerkeraad had er van gehoord en schreef er over aan het Geldersche Hof, dat onmiddelijk den drost van Wisch gebood Bucherus als prediker uit Varsseveld te verwijderen. 

Doch nu deed zich het zonderlinge geval voor, dat “die” van Varsseveld den man wel wilden houden en zelfs een goed woordje voor hem gingen doen bij de Gedeputeerden van het Zutfensche kwartier. 
“Dat hie sich in dronckenschap oft andere faute hadde verloopen” en zulke dingen “nicht recht sind an eijnen leerar” , wilden zij toegeven, maar het waren hun inziens “nochtans ghene schelmstucken, maer sodane joegdtlicke gebreken, die mitt betterschafft konnen affgelacht worden, als albereitt geschieden ist” . 


Gedeputeerden lieten zich vermurwen en zonden de ontvangen verzoekschriften met een vergoelijkend woordje hunnerzijds naar het Hof, dat echter de correspondentie met verzoek om advies doorzond naar de Zutphensche Classis, die thans een uitvoerig zondenregister van den betrokkene opstelden. Daarin vinden wij o.m. het volgende: 

“Godefridus Bucheris ,gewezen kerckendienaar te Almen, is al voor lanck om sijne daegelickse dronckenschap, lichtvaerdicheit ende onchristelick leven van sijnen dienst nomine Classis gesuspendeert geworden, aengesien hij alle goede ende ernsthaftige vermaenynghen ende dreijgementen heeft bespottet ende in den wint geslaeghen, also levende ende wandelende dat eerbare burghers haere sonen hebben moeten vermaenen siin geselschap te vermyden, jae hij is zelfs den soldaeten tot eenen spot, anderen derselfder tot een erghernisse geweest. 
Anno superiori is hij tot Arnhem voor den christelijken Synode verschenen ende heeft begert wederom tot den kerckendienst to mogen op ende aengenomen worden, edoch de broeders der Synodi, verstaen hebbende de oorsaecken sijner suspentye als ooc dat hij nae de suspentye sonder voorwete des Classis, jae ooc tegen het expresse verbot eenige der broederen onses Classis, die vernomen hadden, dat sulckes ophanden was, heeft dorven bestaen binnen Grol to predicken, alwaar eenighe der vromster ledemaeten hierdoor so siin ontsticht geworden, dat sy in der kercke niet en wouden comen, als ooc dat hij daernae ordinarie sonder voorwete des Classis te Wenterswick mede gepredickt heft, ende dat men noch al heel geene beterschap aen hem en hadde vernomen, maar veelmer continuatye in drockenschap ende anderen ongeregeldheit; so is over hem eensamtlick besloten ende gedecreteert, dat men hem onweerdich achtte het H. predickamt langer te bedienen. Hij heeft gesecht, dat hij woude uut Nederlant vertrecken, maer hij is gegaen nae Wenterswick, vandaer hij gecomen was, alwaer hij des pastoors dochter gevrijet heeft, met dewelcke hij eenighe maenden lanck geleghen ende geboeleert heeft sonder deselfde openblick in der kercke te trouwen nae christelicken ordonnantye. dwelck dan wederom een faute is, die in een gemeijn litmaat der kercken niet te dulden en is, ik geswijge in eenen, die sich voor eenen leeraer uutgeeft. Wij en connen ooc niet weten, of hij se noch deze wijze gekerckganckt heeft”…….. 

Meteen kregen ook “die van Winterswijk” een veeg uit de pan voor hun leugenachtige attestatie, waaruit – God moest het geclaecht siin” – wel bleek, hoezeer “vele heden ten daege de dronckenschap ende andere sonden, die daeruit ontstaan, so licht achten, dat deselfde niet alleen geenen gemeijnen man, maer ooc selfs geen kerckendienaar eenes goeden ende wettelicken testimonie onweerdich en soude maeken”. 

Dat Bucheris na zoo’n ernstig requisitor andermaal het veld moest ruimen, valt te begrijpen. Slechts in tijdelijken dienst schijnt hij later hier en daar toegelaten te zijn. 

Eenige jaren later vinden wij het schoolmeesterambt van Winterswijk bekleed door zekeren Fredericus van Lint, wien in 1627 door Stadhouder en Raden dezer Provincie 2/3 der inkomsten van de vicarie St.Catharina worden toegewezen, vermits “de gemeente van Winterswijk”  geklaagd heeft, dat zij geen voldoende middelen bezit om den schoolmeester te “onderhouden” en de kosten “voor de onderwijsinge der jeugd in de latijnsche tale” te dragen. 
Na dezen verschijnt o.a. een zekere meester Gerrit, die herhaalde malen door den Kerkeraad onderhanden genomen moet worden wegens zijn “ergerlijk levensgenoegen, tot den Drancke en het spelen” , maar die daarvan blijkbaar geen afstand kon doen en deswege uit zijn dienst “gedeporteerd” werd. 

Zijn opvolger, Gerhardus Henrics, stierf reeds binnen het jaar, zoodat nu gezocht werd naar een candidaat, “die het beqaemste zou zijn ’t onderwijzen ende het stigtelijkste van leven”. 

De uitverkoren man bleek te zijn Joost Vits – ook wel genaamd Smits – , die in 1664 zijn post aanvaardde, maar aanstonds tot de voor hem min aangename ontdekking kwam, dat zich reeds een concurrent in het dorp gevestigd had. 
Vits beriep zich op de “schoolordening”, die hem, als den wettig benoemde, het monopolie van het Winterswijksche schoolhouderschap verzekerde, en drong er daarom bij den Kerkeraad op aan om, “dezen persoon van een andere religie, wiens herkomst, handel en wandel onbekend was”, terstond te , disqualificeeren.  De kerkerraad is hem hierin gaarne ter wille, doch als eenige jaren later – in 1608 – Vits komt klagen over de oprichting van enkele bijscholen in de buurten, die hem “gansch onrechtmatig” benaadelen, loopt de samenwerking niet zoo vlot van stapel. Speciaal gaat de klacht over de brinkheurne, “waar sich seker afgedankt soldaat uit Groll” als schoolmeester gevestigd heeft, maar de “Gildemeesters en andere Huislieden uit die boerschap” komen binnen om den Kerkeraad ernstig te verzoeken hierin toch niet tusschenbeide te treden “daer het haere kleyne kinderen niet doenlijk was omme bij wintertijt de schoole in ’t dorp te frequenteren”. 

Hoewel de klager naar de letter der “schoolordening” misschien geen ongelijk heeft, durft de Kerkeraad toch niet ten zijnen gunste in te grijpen en de bijschooltjes gaan dan ook op den ouden voet door. Wel is dit College bereid dadelijk tegen een “Paapschen schoolmeester” in Meddo op te treden, maar de hoofdzaak is voor Vits in ’t onzekere gelaten en daarover toont hij zich ten hoogste gebelgd. De gewenschte verstandhouding tusschen hem en den kerkeraad is verbroken en Vits kan voortaan geen goed meer doen.

Of er werkelijk zooveel op hem viel aan te merken, vermogen wij niet te beoordelen; zeker is alleen, dat de Kerkeraad in 1669 het noodig vond, “hem te belasten den kerkeraad meerder eerbiedigheid te betoonen” en verder “alle kinder, van wat religie, tot het kerkgaen en cathecisatie sonder oogluikinge te houden ende ordentelijk twee aen twee nae en uijt de kerke te geleyden’. 
Een gelukkige oplossing voor beide partijen komt in 1680, als Vits naar Zutfen beroepen wordt en zijn plaats ingenomen wordt door Noël du Pré.
Deze weet het negen jaar zonder ernstige berispingen vol te houden, maar dan komen ook tegen hem de grieven los. (In de vergadering van 23 Dec. 1689 wordt hem o.m. “ernstiglijk afgevraeght, of hij niet wist van seker gerucht, dat al over jaegen en daegen van hem gegaen heeft en of hij nadesen niet wilde naelaten en vermijden die eensame en aenstotelijke ommeganck, met getrouwde en ongetrouwde “en waarop hij “stoutelijk” geantwoord heeft, “of men dan een kluysenaer van hem maeken wilde”. 
Wel wonder dat men in 1695, toen de man stierf, er geen bezwaar in zag zijn zoon, Sebastiaan du Pré, als opvolger aan te wijzen, temeer wijl al spoedig bleek, dat deze allerminst neiging vertoonde, om in alles een onderdanig dienaar des kerkeraads te zijn. 
Geprikkeld door de voortdurende concurrentie der bijscholen en het telkens opduiken, ook in het dorp, van nieuwelingen, die probeerden onder zijn duiven te schieten, had hij eenmaal zulk een hooglopende kwestie met een der diaconen gekregen, dat ettelijke vergaderingen noodig bleken om de zaken weer in ’t reine te brengen. Over zijn onderwijs was men ook allerminst tevreden en speciaal het ‘leiden der kinderen naer de kerke’ liet volgens de heeren veel te wenschen over. 
Niettemin wist hij zich tot op zeer hoogen leeftijd te handhaven, nl. tot 1765, toen zijn zoon Noël Du Pré waardig gekeurd werd zijn voetstappen te drukken. 

Deze Noël treffen we nog aan in 1815, in hetzelfde schooltje en in dezelfde woning, waarin ook zijn vader en zijn grootvader geleefd en gewerkt hadden. Op de Wheme, ter plaatse ongeveer waar thans de woning van Mej. Te Winkel gevonden wordt, stond zijn inrichting, die ons in 1815 als een armelijk hok wordt afgeschilderd. 
’t Was 31 voet lang en 12 voet bree; de muren wankelden en ’t dak was defect. ’s Meesters woming, beter gezegd: kamer, was er aangebouwd en een klein moestuintje lag er achter. 

En de meester? Een halve eeuw dienst had de 79- jarigen grijsaard er reeds opzitten en nog zwoegde hij voort in de school en in de kerk, waar hij het voorzangerschap bekleedde. En geen wonder: ’s mans tractement was er niet naar geweest om de schaapjes op het droge te krijgen: f 150 uit ’s lands kas plus de schoolgelden, die een stuiver per week en per kind, of met rekenen er bij, twee stuiver bedroegen. Het voorzangerschap nijil. In den winter stond hij voor f 60, in de zomermaanden voor slechts 25 leergierige knapen en meisjes. 
Zijn collega’s in de buurt waren er intusschen nog slechter aan toe en hun schooltjes verdienden – naar de maire in die dagen (1815) getuigde – eer “beestenhokken” genoemd te worden dan “inrichtingen, waar kinderen van menschen onderwijs moesten ontvangen”. 
—————————————————–
(Noël du Pré, ged. Zutphen 05-01-1651, schoolmeester en koster in Winterswijk, ov. Winterswijk okt. 1695, tr. ca. 1670 Anna Luthart (Luthert), ov. Winterswijk 06-03-1733
In deze stamreeks komen twee schoolmesters voor die in Winterswijk gewerkt hebben, (zie III en IV). Vanaf 1680 tot 1815 waren zonen uit de familie du Pré schoolmeester in de dorpsschool in Winterswijk. De laatste was Noël du Pré, geb. 1735, die in het jaar 1765 benoemd werd. Pas in 1815, hij is dan 79 jaar oud, mag hij van de Provincie Gelderland met pension. Van de Gemeente Winterswijk ontvangt hij een gratificatie van fl. 175 per jaar en mag hij in zijn huis blijven wonen.
-Bron: Oud-Scherpenzeel)
—————————————————


Miste: 
In Miste was destijds nog pas een nieuw schooltje gebouwd, zoodat de toestand daar wel ’t best was; ’t eenige wat er nog ontbrak was een vloer! 
Derk Jan Hesselink, 27 jaar en ongehuwd, was er de meester. Hij was door den schoolopziener toegelaten zonder eenigen rang of acte, maar men hoopte, dat hij weldra den 4en rang zou verkrijgen. 
’s Winters werd zijn school bezocht door 100, ‘w zomers slechts door 15 leerlingen. De groote vacantie was er van 1 juli – 1 sept. 

Corle
Corle had als school een oud vervallen hutje, 10 voet breed, 20 voet lang en 8 voet hoog, met als meester Jan Veenhuis 31 jaar, ongehuwd en bezitter van den 4en rang. 
’s Winters telde zijn schooltje 70, ’s zomers 15 leerlingen. Vacantie van 1 juli – 1 Nov. 

Meddo
In Meddo een vervallen gebouwtje 12 voer breed, 18 voet lan en 7 voet hoog. Schoolmeester: Abraham ten Hulzen, 29 jaar, gehuwd en van beroep landbouwer, maar tevens bezitter van den 4en rang. 
’s Winters stond hij voor 70 en ’s zomers voor slechts 10 kinderen. 
Vacantie van ’t laatst van Mei – 1 November. 
( In Meddo had men in 1702 als schoolmeester een zekeren Teunis, die met goedvinden van den Kerkeraad tijdelijk voor du Pré in het dorp school gehouden heeft. Zijn opvolger was Berent te Kolste.)

Huppel en Henxel
In Huppel had men destijds een zekeren Jan Groeping (Greupink) als schoolmeester. 
Voor Huppel en Henxel bestond een schooltje, nog kort geleden gebouwd en dus in vrij goeden toestand, al was ’t veel te klein. Meester was hier Jan Willem Knuivers, van den 4en rang, 21 jaar oud en ongehuwd. Zijn leerlingen wasren ’s winters 90 ’s zomers 30. Vacantie: 1 aug.- 1 Oct. 

Ratum: 
Ratum had een zeer slecht gebouw, ook veel te klein. Abraham Bouwmeester, schoolmeester van den 3den rang, 23 jaar en ongehuwd, stond er ’s zomers voor 20 en ’s winters voor 60 leerlingen. 
Vacantie van 1 Aug-1 October. 

Kotten
Te Kotten vond men een oud huisje, 16 voet breed, 24 voet lang en 8 voet hoog en als schoolmeester Jan Willem Geelink, 38 jaar, gehuwd en landbouwer van beroep. ’s Zomers onderwees hij 50 en ’s Winters 100 leerlingen. De man had den 4en rang en genoot een vacantie van een maand in den oogsttijd,

Woold
het Woold had een schooltje, waarop het niet, maar een meester waar het wel trotsch op mocht wezen voor dien tijd. Het gebouwtje, 18 voet in het vierkant en 9 voet hoog, met een schoorsteen in ’t midden, telde des winters 140 en ’s zomers 20 kinderen. Vacantie was er van 1 juli- 1 nov.
Meester was hier de 42 jarige landbouwer Jan Willem Schepers, bezitter van den 3en rang. Bij hem gingen ook sommige dorpskinderen ter school en ’s avonds kwam hij vaak privaatles geven in ’t dorp. Hij had voor zijn doen een goeden naam, evenals trouwens Bouwmeester uit Ratum, die al spoedig van hier vertrokken is. 

Veel geleerd werd er in die inrichtinkjes niet; men was tevreden als de kinderen wat lezen en schrijven en op zijn mooist wat tekenen konden. Enkele van bovengenoemde schoolmeesters wisten met de bewerkingen van gebroken getallen (breuken) zelfs geen weg. Niettemin waren ze een zegen voor de gemeente, zooals de maire H.Willink aan den gouverneur der provincie rapporteerde. “De beschaving en verligting”, zoo schreef hij in 1815, ” heeft in de laatste 30, 40 a 50 jaren groote vorderingen gemaakt onder den boerenstand dezer gemeente, hetgeen grootendeels aan de bijscholen te danken is”. 

De jongere boeren konden nu teminste wat lezen en schrijven wat nog niet zoo heel lang geleden alleen van de scholteboeren gezegd kon worden. 
In 1815 begonnen de autoriteiten in te zien, dat het met de onderwijstoestanden in het dorp niet langer zoo blijven kon. 
De “aflijvige oude man van 80 jaer” kon niet meer. Uit de gemeentekas werd hem een pensioentje van f 175 ’s jaars benevens vrije woning toegezegd en hij kon zijn ruste nemen. 
Het schoolgebouw zou thans vernieuwd worden, maar de timmerman rapporteerde, dat van den ouden rommel niets meer te maken was en dat ter plaatse zelfs de ruimte ontbrak om een enigszins fatsoenlijk nieuw gebouwtje op te trekken. 

Nu kwam mej.Anna Geertruida Gijsbers der vroedschap te hulp, door haar huis en erf tusschen Wheme en Wooldstraat te koop aan te bieden, van welk aanbod voor de som f 1550 dankbaar gebruik gemaakt werd. Dit terrein was zoo gunstig gelegen, dat de heeren meteen op de idee kwamen tevens een nieuw gemeentehuis te bouwen, wat ook geen weelde heeten mocht, daar de gemeenteraadsvergaderingen altoos in de gelagkamer van een herberg gehouden waren. 
Zoo kwam in 1818 naar het plan van den Zutpfenschen architect Lijsen het in die dagen hooggeprezen bouwwerk tot stand, dat tegelijk schoollokaal, onderwijzerswoning en secretarie in zich vereenigde en dat thans nog aanwezig is, maar reeds eenige jaren geduldig op zijn slooping te wachten staat. 

B.Stegeman , 1927


De openbare lagere scholen hadden allemaal een letter:

School A  en B Wheme, later Sleeswijk
School C Wheme
School D Miste
School E Corle
School F Meddo
School G Huppel
School H Ratum
School I Brinkheurne
School J Kotten
School K Woold
School L Sleeswijk
School M Haitsma Mulierweg
School N Keizers
School O Vredenseweg

De christelijke lagere scholen hadden allen een naam.