oudwwijk
Digitaal erfgoed

De Zondagsklok

1641

2200 Kg.

ANNO – 1641 – RENOVATA – PER – MAMERTUM – ET – JOANNEM – FORMIC Æ – FRATRES

D.w.z.: Hersteld (hergoten) door de broeders Mamertus en Johannes Formicae in de jare 1641.

Of de klok is werkelijk voor de laatste maal in 1641 door genoemden hergroten, in welk geval haar vrij moderne vorm verwondering wekt, of er heeft nog een tweede hergieting in b.v. de 18e of 19e eeuw plaats gevonden, bij welke gelegenheid dan de bovenvermelde inscriptie getrouwelijk op den nieuwen vorm zoude moeten zijn overgebracht.
(B.Stegeman, Het oud Kerspel, 1027, blz.235)

11 februari 1943
v.l.n.r: De Zondagsklok, de Brandklok en de Middagklok

Randschrift
GLORIA -IN-EXCELSIS-DEO-IN-TERRA-PAX-HOMINIBUS-BONE-VOLONTATIS

Betekenis:
Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde in de menschen van goeden wille.

Tweede randschrift:
WILHELM VAN HAESOLTE TOT ELSEN, Drossaert und Richter der amts Bredevoort; GERHARDT VAN BRUNKHORST,voogt, CORNELIS SMIT en LAMMERT WAMLINK,Kerkmeesteren.

De opdrachtgevers.
Wilhelm van Haesolte (1596-1646)

Lees verder

Hervormde kapel

Spoorstraat

In 1858 gingen ontevreden Hervormden stichten een eigen lokaal.
‘Vereniging van Vrienden der Waarheid’
Later werd dit Nederlands Hervormde Evangelisatie Vereniging.

Geopend: 01 december 1860
Afgebroken: 1976

Lees verder

Doopsgezinde kerk

Torenstraat 4

Gebouwd: 1711 De Vermaning
Eerste steen 17 augustus 1711

——————————–
SIET HOE FYN
en liefelyk ’t allen stonden
DAT BROEDERS ZYN
in eendragtigheit bevonden
Psalm 133 Vers 1.

ANNO 1711
Als men den 17 augustus seit
is alhier den eersten steen geleit
door
H.en M.Walijen,
als directeurs
——————————-

Toen in het naburige Munstersche na 1535 de vervolging der Wederdopers begon, hadden ook zij – als met hun fanatieke broeders vereenzelvigd, – daaronder weldra bloedig te lijden en het gevolg was, dat tal van Doopsgezinde familiën het raadzaam oordeelden de wijk naar het Geldersche te nemen, waar onder het bewind van den meer humanen hertog Willem (van Kleef) het leven minder benauwend bleek.
Vooral uit Bocholt, Borken, Vreden e.a. Westfaalsche gemeenten zijn toen verscheidene Menniste broeders naar Winterswijk uitgeweken, volgens een Kroniek der Stad Bocholt van Bernard van Raesfeld in 1611 uit die stad o.m. de familiën Waliën, Willink en ongeveer 18 andere meer, die door den vorst-bisschop verbannen waren.

B.Stegeman, Het oude Kerspel, 1927, blz.257

Foto:
Rijksdienst voor Cultureel erfgoed CC BY-SA 4.0
Foto:
Rijksdienst voor Cultureel erfgoed CC BY-SA 4.0

De historie van de doopsgezinden te Winterswijk en ook die van hun kerkgebouw is zeer interessant.

We gaan terug naar 1555. Toen vertrokken er Mennonieten, zoals de doopsgezinden ook wel worden genoemd vanuit Winterswijk naar Danzig. Het duurt dan tot 1568 voor er weer meldingen over deze groep naar buiten komen, als de Drost van Bredevoort er over bericht.

De namen Mennisten of Mennonieten zijn afkomstig van Menno Simons, die leefde van 1496 tot 1561. De invloed van deze gewezen pastoor uit het Friese Witmarsum is beslissend geweest voor de hele doperse stroming. Door de opvattingen over de doop, die alleen aan mondige mensen kan worden bediend, kregen deze geloofsgenoten de naam doopsgezinden. Momenteel wordt algemeen aanvaard dat de huidige gemeente in 1611 werd gesticht. Dat gebeurde door de komst van een aantal families, die om veiligheidsredenen Bocholt hadden verlaten. Omdat er geen kerkgebouw voorhanden was, vonden de godsdienstoefeningen plaats in de achterkamer van een huis van een van de leden. Dat was zeer waarschijnlijk in het pand van de familie Waliën, dat stond op de plek van de huidige pastorie. 

Het duurde toen nog bijna een eeuw voordat er werd begonnen met de bouw van een eigen kerkgebouw, waarvan de voltooiing plaats vond in 1711. Het ging hier om een zogenaamde schuilkerk, niet goed zichtbaar vanaf de weg. Het pandje oogde ook niet uit als een kerk. Het leek meer op een pakhuisje met twee kelders, een met een tongewelf en een met een troggewelf. De reden voor deze ‘onzichtbaarheid’ was dat de overheid eigenlijk liever geen doopsgezinde kerken zag. Deze groep was veel te tegendraads en te lastig. Toch was een algeheel verbod op de bouw niet vol te houden, dus er werden restricties gegeven. Ook was er in de kerk een vluchtdeur, waardoor gelovigen konden ontsnappen naar de belendende tuinen als het hun te heet onder de voeten werd. De restanten hiervan zijn nog steeds te zien. 

Het dak van de Vermaning, zoals de doopsgezinden hun kerkgebouw ook wel noemen, is een zogenaamd tentdak. Op het punt waar de vier ribben elkaar ontmoeten bij de koningsstijl, straalt de zon uit Maleachi 4 vers 2 ( ‘Die Mynen Namen Vreest; Sal de Sonne der Gerechtigheid Opgaan’) over de gemeente.

In 1994 heeft het kerkgebouw een grondige restauratie ondergaan. Het dak werd hersteld er zijn toen weer originele leipannen geplaatst en er kwam een nieuwe haan op. Daarop is in 1998 het interieur fors aangepakt. De preekstoel is gezakt, het balkon werd vergroot en er kwam een toiletgroep met garderobe. Ook werd het binnenwerk in authentieke kleuren geschilderd. 

Bron: Doopsgezinde gemeente Winterswijk
https://www.dgwinterswijk.doopsgezind.nl/


Lees verder

Synagoge

Synagoge 1847-1889
Hoek Jonenstraat-Misterstraat
Later lokatie Hotel Centraal

NIEUW ISRAELISCH WEEKBLAD
Vrijdag 19 Juli 1889
Winterswijk, 15 Juli.
De nieuw te bouwen synagoge is in zooverre gereed, dat de inwijding reeds is vastgesteld, en wel op Woensdag 14 Aug. e.k. De weleerw. heer Tal is feestredenaar.

November 1967
A.J. (Ton) van der Wal  Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL (wiki)
November 1967
A.J.(Ton) van der Wal Licentie CC-BY-SA-3.0-NL (wiki)
1995
Galen Licentie CC-BY-SA-3.0-NL (wiki)
1995
Galen Licentie CC-BY-SA-3.0-NL (wiki)
Lees verder

Jacobuskerk

Gebouwd: 1868-1869
Toren: 1901
Hoogte: 55 mtr.

De emancipatiestrijd van de Winterswijkse Katholieken

Uit: 200 Jaar St. Jacobus Parochie Winterswijk
Uitgave: Het Museum,1995
Christien Saris, Ilse Saris
Eindredactie: Peter Meerdink en Wim Scholtz

Wanneer Karel de Grote in of omstreeks het jaar 785 aan abt Bernrad opdracht geeft in West- Saksen het christelijk geloof te verkondigen, vormt deze benoeming het begin van de kerstening van Winterswijk en omstreken. Winterswijk wordt volgens J.Prinz het middelpunt van de missieactiviteit van abt Bernrad, die er een “Taufkirche”  – een klein houten kerk of kapel – opgericht moet hebben. De plaats, waar het eerste ( houten) kerkje verrezen is en nu het huidige kergebouw staat, was een deel van de zogenaamde Hoofdhof van Winterswijk, die door grachten omgeven moet zijn geweest.

Na de dood van abt Bernrad droeg Karel de grote in 792 de verkondiging en bevestiging van het Christendom in West- Saksen op aan de Fries Ludger. Op 30 maart 804 werd Ludger tot bisschop gewijd. Hij was daarmee de eerste bisschop van Munster. Tot zijn bisdom behoorde ook het oerspel Winterswijk.
De hoofdhof Winterswijk werd omstreeks het jaar 1070 door de toenmalige bisschop van Munster geschonken aan het St.Mauritiusklooster te Munster. dat deed hij om het klooster inkomsten te verschaffen. Mensen die op de hoofdhof woonden waren horeig, dus min of meer eigendom van het klooster.
Het is niet zeker, of de Winterswijkse kerk werd gesticht op een bestaande hoofdhof, zoals destijds voorgeschreven. Het is ook mogelijk, dat de monniken van “St. Mauritius” ten behoeve van hun eigen mensen, een kapel hebben laten bouwen op de hoofdhof binnen de begrachting, zodat deze goed beschermd lag.

De Jacobskerk, de vroegere katholieke kerk 

De Jacobskerk in Winterswijk behoort in oorsprong dus tot de allereerste kerken van het oude bisdom Munster. De eerste, waarschijnlijk houten kerken werden opgevolgd door een romaanse, stenen kerk. Vanaf het einde van de Middeleeuwen is in verschillende fasen het huidige, gotische kerkgebouw tot stand gekomen.

De oudste fase, zoals die nu nog zichtbaaris, is het koor. Daaraan herinneren de jaartallen 1472-1474 boven het middelste koorvenster en het alliantiewapen van de toenmalige pandheer van de heerlijkheid Bredevoort, de  heer van Gemen, en zijn echtgenote, in een van de koorgewelven.
Met de bouw van de otren werd begonnen in 1507; omstreeks het midden van de zestiende eeuw had de Jacobskerk zijn huidge vorm bereikt. Herinneringen aan de katholieke oorsprong zijn onder meer de gewelfschilderingen en het gebeeldhouwde kerkportaal, met daarin de tekst:

Anno Domini MDVII in den naem uns Heren ende
Maria sine lieve Moeder ende uns Hillighen Patroens
Sinte Jacob is angelacht dye yrste steyn van desen
Toern up ten derden dach in der maent Septembri.

De Reformatie

De reformatie kwam ook in Winterswijk. De omwenteling bestond in het begin slechts uit het verkondigen van nieuwe ideeen buiten de officiele kerken in schuren en stallen, op hagepreken en huisbezoek. Volgens aantekeningen uit het Winterswijkse parochie-archief hebben hervormingsgezinden omstreeks 1574 een poging gedaan om de katholieken uit de Jacob sterk te weren.

Een verhaal spreekt zelfs van een verdrijving van de katholieken. Maar dezen telden in de volgende veertien dagen hun mensen en concludeerden, dat zij nog de meerderheid hadden, zodat zij de daarop volgende zondag door een trouwe opkomst de minderheid buiten de deur wisten te houden.
De katholieken zouden zich daarna nog ruim 20 jaar in de kerk handgaven. Maar uiteindelijk kreeg de reformatie steeds meer aanhangers. Politieke belemmeringen verdwenen langzamerhand en ook de geestelijken wankelden, maar durfden nog niet openlijk voor hun mening uit te komen.

Over wie in Winterswijk de reformatie echt op gang heeft gebracht bestaat enige onduidelijkheid. Zo moet al omstreeks 1556 een zekere Hermanus Herberts, een ontvluchte monnik uit het klooster van Gross Burlo, de hervormde leer aan de Winterswijkse katholieken bekend hebben gemaakt.
Andere menen, dat Pastoor Rauwerts, de belangrijkste persoon voor de reformatie in Winterswijk geweest is. Op 25 juli in het jaar 1599, tijdens het feest van de heilige Jacobus, zo werd verteld, zou hij tijdens een processie een preek ten gunste van de reformatie hebben gehouden en vervolgens op de splitsing van de Kottenseweg en de Wooldseweg de monstrans in de doornenstruiken hebben geworpen.

Een monumentje bij boerderij Schmittmann – Oldenkott aan de weg Sudlohn – Oeding herinnert ons aan het verhaal dat daar de weggegooide Winterswijkse monstrans teruggevonden zou zijn. Waar het monument nu staat, vond men, volgens overlevering, in de sloot de monstrans met een hostie uit de Winterswijkse St. Jacobskerk.

De toenmalige pastoor van Sudlohn ( oeding behoorlijk oorspronkelijk tot de parochie Sudlohn)  zorgde voor de overbrenging van de monstrans in een feestelijke processie naar de St. Vituskerk. Jarenlang is het heilig vaatwerk in Sudlohn gebleven, tot op het moment dat de katholieke kerken in Nederland weer toegestaan waren. De sokkel van de in Sudlohn gevonden monstrans zou toen weer naar Winterswijk zijn gegaan, maar is nu niet meer terug te vinden.

De tekst van het monumentje is een oproep aan protestanten om zich aan de katholieke versie van de avondmaalsviering te houden:

Komm Calvinist komm Mennonist
hore was hie gesprochen ist
diess nicht vergisst, nehmt hin und isst
das brod mein Fleisch geworden ist
Kanst nicht o Christ das Wortlein ist
zur pur Bedeutnuss ziehen
Ein testament am lebens end
muss der bedeutnuss fliehen
Auf welche Weiss wortlich ein Speis
Jesus sein Fleisch genennet
als Fleisch dann iss glaub all gewiss
was unser glaub erkennet

De katholieken na de reformatie

Voor de overgebleven katholieken in Winterswijk braken er na de reformatie moeilijke tijden aan. Ze waren van kerk en priester verstoken en moesten verre tochten ondernemen in de omgeving om zo aan hun godsdienstige verplichtingen te kunnen voldoen. Soms kwamen ook priesters en monniken naar Winterswijk om er in het geheim met de gelovigen de Heilige Mis te vieren. Er zijn verschillende pogingen gedaan door bisschoppen van Munster om de katholieken niet helemaal aan hun lot over te laten.

Een van die bisschoppen die zich dat aantrok was Ferdinand van Beijeren. Hij bestuurde het bisdom Munster van 1622 – 1650. Hij richtte verschillende kloosterhuizen op, zodat in de zielzorg van de verlaten streken zou worden voorzien.
De kerspelen Aalten, Dinxperlo, Eibergen, Geesteren, Groenlo, Hengelo, Neede, Silvolde, Zelhem, Varsseveld en Winterswijk en de drie stadjes Bredevoort, Lichtenvoorde en Borculo behoorden tot het bisdom Munster.

Ferdinand I stichtte in 1628 een Franciscaner – klooster in Bocholt, zodat van hier uit de nodige hulp aan de vervolgde en van priesters verstoken katholieken in het grensgebied kon worden gebracht.
de paters trotseerden hoge boetes en gevangenisstraffen, om het geloof te verkondigen. vanuit Bocholt was het pater Hugelinus Flegen, die met zijn helpers door prediking en bediening van de Heilige Sacramenten veel bijdroeg aan de instandhouding van het katholicisme in deze streken.
Om het apostolische werk met meer gezag en zekerheid te kunnen voortzetten, kon Flegen rekenen op de steun van bisschop Ferdinand van Munster.

Grenskapellen

Het werd steeds moeilijker om het katholieke geloof in de Achterhoek te belijden. Verschillende paters werden door soldaten van Bredevoort gevangen genomen en tegen zeer hoog losgeld vrijgelaten, dat uiteraard door de katholieken moest worden betaald.
De kloosterlingen konden steeds moeilijker de grens over zonder gevangen te worden genomen. Daarom besloot men tot de oprichting van grenskapellen, die zeer belangrijk voor de Winterswijkse katholieken werden. Degene die zich hiervoor vooral heeft ingezet is de Munsterse bisschop Christoph Bernard van Galen, ook wel “Bommen Berend” genoemd.
Zo gingen de katholieken van Meddo en Huppel naar de speciaal voor dit doel opgerichte kapel in Zwillbrock; vanuit Huppel ging men ook naar de parochiekerk in Vreden. Naar de parochiekerk van Sudlohn gingen de mensen uit Ratum. Vanuit Corle en Miste gingen ze naar de – eveneens hiervoor gebouwde – Kruuskapelle bij Aalten.  Uit het dorp en de buurtschappen Dorpbuurt., Kotten, Brinkheurme en Woold gingen de Katholieken naar de slotkapel van Oeding en een ander deel van Kotten ging naar het klooster Gross Burlo.

De kapel in Oeding

Voordat we het gaan hebben over de heroprichting van de katholieke kerk in Winterswijk, zullen we eerst naar de slotkapel in Oeding moeten kijken. Deze was namelijk het toevluchtsoord voor de grootste groep Winterswijkse katholieken. Oeding was oorspronkelijk een burcht, die behoorde aan Johan van Bernsfeld, die dit adellijke goed in 1353 aan de bisschop van Munster verkocht.

In 1672 kwam er tijdelijk verandering in grote delen van nederland, want door invallen van de Fransen en Munstersen – de laatsten onder leiding van bisschop “Bommen berend” – werden de katholieken in hun rechten hersteld. Maar al spoedig kregen de protestanten weer de overmacht. De priesters, die nog maar net waren aangesteld, moesten wederom het land ontvluchten.
Tot deze priesters behoorde ook de Winterswijkse pastoor Plaiman. Hij moest in 1674 uitwijken naar Sudlohn en kwam ook bij de Oedingse kapel, waar hij tijdelijk de heilige Mis opdroeg. Plaiman verliet Oeding in 1674 (hij ging naar Ramsdorf) en zijn opvolger in 1680. Ze werden beiden op eigen verzoek door de bisschop overgeplaatst, omdat de plaatselijke gemeenschap hen niet kon onderhouden en zij niet van aalmoezen konden leven.

Wellicht is door bemiddeling van pastoor Plaiman het Mariabeeld van Winterswijk in Ramsdorf terecht gekomen.
De kapel, die naast kasteel Oeding binnen de grachten lag, werd langzamerhand te klein om alle katholieken bijeen te brengen. Bovendien was het kasteel Oeding sinds 1750 in handen van de protestantse familie Van keppel, die de plaatselijke katholieke gemeenschap erg vijandig gezind was. Ook was de oude kapel bouwvallig geworden.

Een uitkomst bood Conradus Bernardus Schutte, pastoor van Harreveld, die op 22 augustus 1757 in zijn testament een schenking deed. Hij schrijft in zijn testament, dat hij een kapel of openbare ruimte, bij de burcht in zijn geboorteplaats Oeding wil hebben. Die ruimte zou voor de verlaten katholieken van Holland, met name voor die van Winterswijk moeten dienen. Verder wil hij met toestemming van bisschop van Galen, dat men in deze kapel zowel aan zijn kerkelijke verplichtingen kan voldoen, als de sacramenten kan ontvangen. In zijn testament geeft Schutte ook aan dat de bestaande kapel bijna een ruine is.
Omdat de pater-missionaris, die belast was met de zorg voor de Winterswijkse katholieken, tot nu toe geen permanent onderdak had, wilde Schutte zijn ouderlijk huis met brouwhuis en tuin schenken, onder de voorwaarden, dat het woonhuis zodanig vergroot werd, dat er voldoende ruimte kwam voor een kapel ter ere van de apostel Jacobus en dat het brouwhuis ter beschikking gesteld werd en aangepast werd tot huisvesting voor de pater-missionaris. Hij vermaakte deze goederen met de uitdrukkelijke bepaling, dat deze ten dienste zouden komen van de zielzorg voor de katholieken uit Winterswijk. Deze droegen zelf ook het nodige bij in materiele zin, op grond waarvan zij zich later als rechtmatige mede-eigenaars beschouwden. Tevens moest de dienstdoende pater elke maand voor de schenker en zijn gestorven ouders en overige familieleden een Heilige Mis opdragen.

Deze schenking werd door de kloosterorde, met toestemming van de bisschop aanvaard. Zo werd de bouw door de bisschop in Munster in 1765 toegestaan. Voor de bouw kwamen giften van de Franciskaner – Orde in Munster. Verder kwamen er giften uit Ahaus en Bocholt door middel van een collecte.
De katholieken uit Winterswijk, Oeding en de buurtschap Nichteren droegen door bijdrage in stenen, hout, hand- en spandiensten – geen geld, althans niet voldoende – aan de bouw bij. Men kon pas in 1766 beginnen, nadat freule Th.S. van Furstenberg bij testamentaire beschikking een fonds oprichtte, waaruit ten behoeve van de kapel te Oeding jaarlijks een vast bedrag werd uitgekeerd voor het onderhoud van de twee priesters. Om die reden was de kerk pas in 1768, de klokketoren pas in 1771 klaar.
Op 10 maart 1765 werd de eerste steen voor de nieuwe kerk in Oeding gelegd. Op 10 maart 1768 werd voor het laatst in de oude kapel een mis opgedragen en op de 13de maart van datzelfde jaar de eerste Heilige Mis in de nieuwe kapel aan de Burgring.
De Winterswijkse katholieken bleven naar deze kerk gaan totdat ze een eigen kerk in Winterswijk kregen.

De verhouding katholiek – protestant

In de zeventiende en achttiende eeuw was de verhouding tussen protestanten en rooms-katholieken slecht.
Vooral in de 18 e eeuw komt dit tot uiting doordat de katholieken, zelfbewuster geworden door de geestelijke steun uit het naburige  Munsterland, herhaaldelijk aandringen op een eigen kerkgebouw. Hiertegen werd van protestantse zijde fel geprotesteerd. Zoals verteld gingen zij, die het oude geloof trouw waren gebleven, naar de voorposten in het Munsterland, te weten het klooster Zwillbrock, de kapel in Oeding, de parochiekerken in Vreden en Sudlohn en de Kruuskapelle bij Aalten. De katholieken waren vrij om deze kerken en kapellen te bezoeken, maar hen was in die tijd verboden om in eigen land de mis te laten opdragen, kinderen te laten dopen of een huwelijk te laten inzegenen.

De paters Franciscanen van Bocholt hebben zich het lot van de Winterswijkse katholieken aangetrokken. Om hen de moeite van de reis naar Oeding te besparen, hebben deze paters herhaaldelijk in het geheim ( vaak als boer of marskramer verkleed) , Winterswijk bezocht om in een huis of schuur samenkomsten te houden. 
Zodra de protestanten er lucht van kregen, was het ermee gedaan. In het begin van de 18e eeuw kregen de katholieken meer durf, waarschijnlijk doordat de toenmalige drost van Bredevoort, baron van Coeverden tot Walvaert hen heimelijk steunde.
In 1719 komt het tot een openlijke uitbarsting. Op 29 december 1718 schreef een notulist van de Hervormde Gemeente dat er sedert enige tijd geruchten de ronde deden dat het Pausdom de vrijheid nam om in dit kerspel haar godsdienst te beoefenen en dat ze daarmee een begin zouden maken. Tot dusver had men daarvan nog niets vernomen. Op 28 december waren op boerderij Balink in de dorpsbuurt in een kamer verschillende “papisten” bijeen gekomen. 
Men zei, dat een zekere pater Jurien, een monnik uit het klooster van Zwillbrock, daar  “een soorte van Godsdienst soude verricht hebben”. Dit bericht werd door anderen bevestigd en daarom oordeelde de kerkeraad, dat dit een “kwaad beginsel”  was, dat tegengegaan moest worden. men wilde bij de drost een klacht indienen en als ze daat hun gelijk niet konden behalen, zouden ze naar andere instanties gaan. De drost zou een onderzoek instellen, maar daar kwam niets van terecht.
Op 19 maart 1719 heeft men bij Balink zelfs weer een kerkdienst gehouden, waar veel katholieken op af kwamen. De kerkeraad van de hervormde gemeente reageerde hier bedroefd op en stuurde nogmaals een request. Ondertussen gingen de katholieken door met hun godsdienstoefeningen. Op 25 en 26 maart kwamen ze opnieuw bij Balink bijeen, waar een monnik uit Vreden de mis opdroeg.
De hervormde gemeente vernam dit en de dominee en de voogd gingen naar Balink. Toen ze daar aankwamen konden ze de priester niet vinden.
Na het eindigen van de kerkdienst van de hervormde gemeente ging een andere dominee met enkele kerkgangers naar balink en zochten net zolang totdat ze de priester op zolder onder het stro vonden. De priester kreeg geen straf, zelfs geen boete, tot ongenoegen van de Hervormde Gemeente.

Op 3 september 1751 kwamen er weer klachten binnen over het gedrag van de katholieken die poogden om kerkdiensten te houden. Men vroeg de raadsheren het verzoek van de katholieken niet in te willigen, ter voorkoming van alle problemen.

Pogingen tot het bouwen van een kerk

De katholieken dienden herhaaldelijk, in 1765, 1774, 1784 en 1787, requesten in, zowel bij de Prins van Oranje als Heer van Bredevoort, als bij de Staten van Gelderland, om toestemming te krijgen voor de bouw van een kerk. Zij droegen daarvoor enkele argumenten aan.
Het eerste argument was de grote afstand die bejaarden en kinderen moesten afgleggen naar de kerken. Een lijst werd bij gevoegd met vermelding van het aantal personen, het aantal uren die men moest lopen en om welke kerken het ging. In het dorp betrof het 82 gezinnen met 333 personen. In het totale kerspel waren het 180 gezinnen met 861 personen. 
Het tweede argument was, dat er niet goed voor de armen gezorgd kon worden, omdat de katholieken naar verschillende kerken gingen. Er was dus geen centrale armenkas; wanneer de katholieken naar een kerk gingen, kon men de armenzorg beter organiseren. Bovendien werden na de mis huishoudelijke zaken gekocht, zodat de winkeliers in Winterswijk inkomsten mis liepen. Er waren dus ook nog argumenten op economische gronden.
De hervormden waren natuurlijk tegen deze plannen en dienden daarom een klacht in bij de drost. Volgens hen hadden de katholieken helemaal geen reden van klagen over  de verre afstanden, die afgelegd moesten worden om een kerk te bezoeken. Veel hervormden moesten immers ook van ver komen.
Drost Van Pallandt nam een gematigde positie in. De drost kon niet openlijk voor de katholieken uitkomen, omdat hij bang was problemen met de hervormden te krijgen. De drost van Bredevoort moest eens in de twee weken te Winterswijk het gericht voorzitten. De zittingen duurden soms zo lang, dat de drost ’s avonds , met name in de winterdag, in het donker naar huis moest, onder welke omstandigheid zijn tegenstanders hem gemakkelijk kwaad zouden kunnen doen. Bovendien had het hem al de grootste moeite gekost om de woedende bevolking in de hand te houden toen de katholieken mis hielden bij Boer Balink.

De drost pleitte dan ook voor een kerk een eind buiten Winterswijk, door de Staten van Gelderland in overweging te geven om de kerk te bouwen op de grens van de Heerlijkheden Bredevoort en Borculo.
Dat was nog geen verbetering van het lot van de katholieken, want dan moesten ze net zo ver lopen naar een kerk aan de andere kant van Winterswijk. De drost gaf nog een “oplossing” voor het probleem: “bouw een kerk in Bredevoort; als de hervormden amok maken hebben we altijd nog soldaten bij hand.” Kennelijk wilde de drost wel medewerking verlenen, maar hielden de Staten van Gelderland alles tegen. De situatie bleef tenminste ongewijzigd tot de Bataase Revolutie in het voorjaar van 1795.

De Franse tijd en daarna

Toen op 4 mei 1795 de Fransen in Winterswijk kwamen, brak er voor de katholieken een betere tijd aan. De leus:  “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap” betekende voor hen dat ze vrij waren in het uitoefenen van hun geloof. Veertien dagen later, 17 mei, kwam pastoor Bonsmann vanuit Oeding naar Winterswijk en droeg in het huis van mej. Anna Geertruida Gijsbers de eerste Heilige Mis op, zonder dat men angst hoefde te hebben. Het huis van Anna Gijsbers werd in 1815 aan de gemeente voor f 1550,- verkocht voor de bouw van een gemeentehuis. Na pastoor Bonsmann kwam pater Linnius Verhorst die tot 1797 pastoor bleef. 
Hij werd opgevolgd door Hermanus Johannes Schreven.

Het archief van de RP Parochie bevat een manifest aan mede-Christenen met het verzoek om ondersteuning en hulp bij de bouw van een kerk. Het aantal katholieken was niet talrijk en onder hen waren wel enige vermogenden, maar de meesten waren van geringe of geen middelen voorzien.
Tevens is er bij de gemeente een verzoek ingediend om een collecte te mogen houden.
Behalve dit manifest is er door G.Schreven C.zoon, G.Schreven H.zoon, Berent Schuurmans H.zoon en Aalbert Balijnk een brief naar de Vertegenwoordigers van het Vrije Volk van Gelderland geschreven, d.d. 28 juni 1795, ook met het verzoek om een vergunning te krijgen voor de koop van een huis en grond voor een katholieke kerk en een pastorie in de Misterstraat.

De koop wordt 29 maart 1798 gesloten en gaat in op 1 mei. Voorwaarden voor de ondertekening van de koopakte waren dat de verkopers er voor half mei uit moesten zijn. 
Ze mochten voor een jaar de twee voorkamers gebruiken, tot mei 1799.
De bouwkosten bedroegen f 420,-.
Op 22 juni 1799 mocht pastoor Johannes Schreven de eerste steen van de nieuwe kerk leggen, waar inmiddels een bouwvergunning voor gegeven was. Op 16 november 1799 werd het gebouw plechtig ingewijd en de andere dag werd de eerste Heilige Mis daarin opgedragen. Dit eerste kerkje stond in de Misterstraat aan de achterzijde van winkelpand “De Zon”. 

Herstel van de bisschoppelijke hierarchie

In 1823 werd de eeuwenoude band met het bisdom Munster verbroken, toen Winterswijk en andere grensgemeenten bij decreet van paus Pius VII d.d. 19 maart 1823 werden ingedeeld bij het werkgebied van de priesters van de zogenaamde Hollandse Zending.
De revolutie van 1848 bracht Thorbecke aan het bewind. De grondwetsherziening van hetzelfde jaar bracht de algehele vrijheid van kerkregeling, onderwijs en vergadering. De weg tot wederinvoering van de hierarchie voor de rooms-katholieke kerk was hiermee in principe vrijgekomen. Utrecht werd opnieuw aartsbisdom, Breda, Den Bosch, Haarlem en Roermond werden suffragaanbisdommen.

De emancipatie van de katholieken in Winterswijk is dan ook, althans op kerkelijk gebied, op 22 juni 1854, voltooid met de oprichting van de parochie van de Heilige Jacobus.

Voor 1901 zonder spits

De bouw van Sint Jacobus

Uit: 200 Jaar St. Jacobus Parochie Winterswijk
Uitgave: Het Museum,1995
Lennaart Elgershuizen/Nathalie Kolkman
Eindredactie: Peter Meerdink en Wim Scholtz

Hoewel de katholieken vanaf 1799 weer konden beschikken over een eigen kerkgebouw, waren hiermee alle problemen nog lang niet opgelost.
Van het begin af aan was de kerk te klein. Sinds het klooster Zwilbroek in 1811 was opgeheven, kwamen ook de Meddose parochianen weer in Winterswijk ter kerke, zodat regelmatig zo’n 800 mensen de mis bijwoonden, deelde pastoor Schreven in 1819 burgemeester Willink mede.
In antwoord op diens verzoek om inlichtingen omtrent de toestand van de kerk, klaagde hij onder meer, dat in de winter de halve gemeente buiten in de sneeuw moest staan, terwijl in de zomer vaak 1/3 tot 1/4 deel buiten de kerk op het plein moest blijven.
En over de slechte staat van de kerk:  “in geval van drijfregen of jagtsneeuw gebeurt het derhalve haast altoos, dat niet alleen het plafond van boven nat en vochtig wordt en daardoor te schande gaat, maar dat ook vaak gehele plassen water in de kerk staan en het altaar vaak heel en al nat wordt “.
Na nog wat klachten over de situatie, merkte de pastoor noh op, dat hij van mening was, dat men de mensen door de omgeving moet laten ervaren, dat ze in Gods huis zijn.
Toen pastoor Schreven op 15 november 1826 overleed, liet hij een legaat van f 1000,- na.
Er zijn echter geen bewijzen gevonden, dat de kerk toen ook inderdaad verbeterd is.

De eerste stappen tot de bouw van een nieuwe kerk.

Sinds Schrevens klacht zal er heel wat zijn nagedacht en gepraat over verbetering van het kerkgebebouw. In elk geval lag er in 1855 een uitgewerkt plan klaar, in opdracht van het kerkbestuur vervaardigd door architect H.J. Wennekers te Zutphen. De kerk zou ongeveer op het terrein van de toenmalige kerk moeten verrijzen. Het is merkwaardig, dat we dit weten uit een schrijven van de architect uit 1882, waarin hij het kerkbestuur verzoekt hem uiteindelijk eens zijn resterende honorarium van de afgelopen decennia volledig uit te betalen! 

Het kerkbestuur werkt door, want in 1858 gaat er een schrijven naar Mgr.J.Zwijsen, aartsbisschop van Utrecht, waarin om toestemming wordt gevraagd voor de aankoop van een half huis naast de kerk, benodigd voor toekomstige vergroting van de bestaande kerk. Het was ook in te richten als bewaarschool, deze was al “lang gewenscht ” , en als vergaderruimte voor de armmeesters. Bovendien zou de pas opgerichte St. Vincentiusvereniging er haar spijskokerij naar toe kunnen verplaatsen.
Als argument voor de koop wordt ook nog aangevoerd, dat een belendend perceel aan de andere kant van de kerk in het bezit is van een protestant, die zijn huis waarschijnlijk slechts voor een heel hoge prijs zou willen afstaan. De brief is ondertekend door pastoor H.Hemming en notaris J.B. Dericks, secretaris van het kerkbestuur. Mgr.zwijsen stemt toe.

In 1860 komt men echter met heel andere plannen. Dan wordt namelijk goedkeuring gevraagd om de pastorie en het aangekochte halve huis te ruilen met J.H. Lindeman voor twee andere huizen in de Misterstraat, niet ver van de kerk. Het ene huis was geschikt voor pastorie en het andere voor een bouwplaats van een nieuwe kerk. Opnieuw stemt mgr. Zwijsen toe. Op de verworven plek zal de nieuwe huidige St. jacobuskerk verrijzen. In oktober inspecteert architect Wennekers het terrein en maakt een nieuw ontwerp.

Financien

De financiering levert flinke problemen op. Het kerkbestuur stelt in september 1861 een verzoekschrift om subsidie op, gericht aan de koning, en schrijft daarin, dat de rooms – katholieke gemeente al lang de behoefte heeft gehad aan een ruimer kerkgebouw. De oude kerk bevat door “ophooping van zitbanken” 360 zitplaatsen ,terwijl ze slechts voor 280 ruimte heeft, waar er 400 nodig zijn. Deskundigen hebben echter verklaard, dat het niet mogelijk was de kerk te vergroten zonder het oude muurwerk, eigenlijk het gehele gebouw af te breken.

Men is steeds voor de grote kosten van nieuwbouw terug gedeinsd. De gemeente had al een schuld van f 5000,- vanwege de aankoop van de pastorie. de kosten van een nieuwe kerk zijn geraamd op f 14.450,-. Samen met de schuld is dus f 19.450,- nodig,
De gemeente heeft een zielental van 700, hieronder zijn 75 armen, en ruim de helft kan weinig of niets geven.
De overigen zouden samen een bedrag van f 4000,- kunnen opbrengen. De verkoop van het terrein van de oude kerk zou ongeveer f 1000,- kunnen opleveren. De jaarlijkse ontvangsten worden op rond f 4000,- geraamd. De kleine en weinig gegoede gemeente zou tot de gezamelijke kosten aldus f 9000,- kunnen bijdragen.

De koning wordt verzocht om de ontbrekende f 10.450,- beschikbaar te willen stellen.
Blijkbaar is dit verzoek om onbekende redenen toch niet verzonden, of niet gehonoreerd, want in december 1865 wordt een nieuw concept opgesteld.
De omstandigheden zijn dan ingrijpend gewijzigd. 
De parochianen in de buurtschap Meddo hadden inmiddels in het voorafgaande jaar uit zelf verworven fondsen met aartsbisschoppelijke toestemming een eigen kerkgebouw gesticht. Hoewel zij nog tot 1889 tot de Winterswijkse parochie zouden blijven behoren, weigerden zij voortaan om ook financieel bij te dragen in de bouwkosten van de nieuwe kerk in het dorp. Onder hen bevonden zich nu juist veel welgestelde landbouwers, waarop de pastoor zijn hoop had gevestigd. 
De resterende RK- gemeente bestond voor het grootste gedeelte uit onvermogende handwerklieden, dagloners en wevers. het financiele verlies door deze afscheiding was van dien aard, dat pastoor hemming alle hoop op voltooiing van de onderneming opgaf, overplaatsing aanvroeg en verkreeg!

Zijn opvolger pastoor van Oppenraay liet zich niet uit het veld slaan. Ter bestrijding van de kosten werd bisschoppelijke toestemming gevraagd voor het oprichten van een plaatselijke penningvereniging. 
De bedoeling hiervan was om in vier jaar tijds f 5000,- te laten inzamelen door benoemde collectanten. Ook wilde men proberen om op andere manieren geld bijeen te brengen en vroeg daartoe permissie om elders in het aartsbisdom te mogen laten collecteren. De aartsbisschop gaf de pastoor verlof en een aanbeveling om liefdegiften in te zamelen onder vermogende katholieken en schonk zelf f 1000,- , welke aanmoediging door anderen met f 2000,- werd vermeerderd.

In september 1864 werd ook een collecte gehouden onder niet-katholieke inwoners, hetgeen f 600,- opleverde. Hoge inschrijvers waren de textielfabrikanten A. en H.C.J. Willink, doopsgezind predikant F. Meijes, bankier C.P. ten Houten en enkele scholteboeren. De resultaten van de inzamelingen waren goed, dus nam men met meer kracht de voorbereidende werkzaamheden onder handen.

Voorbereidende werkzaamheden.

De bekende architect P. Cuypers maakte enkele tekeningen in november 1864 en in december stuurde architect Wennekers aan de pastoor een drital ontwerpen. De begroting der bouwkosten varieerde van f 21.000,- tot f 27.000,-. Alle ontwerpen waren in dezelfde stijl uitgevoerd en hielden rekening met 500 zitplaatsen. De bouwdeskundige van het bisdom, G.W. van Heukelum, en de aartsbisschop, mgr. Schaepman, bogen zich samen ruim twee uur over de tekeningen. Daarop stuurden ze een aanbeveling aan pastoor van Oppenraay om het ontwerp van Wennekers te kiezen, en aldus geschiedde.

In 1865 werd een nieuwe begroting gemaakt, waarin er vanuit werd gegaan, dat de afbraak van de oude kerk en een woonhuis 140.000 bruikbare hele en halve stenen zou opleveren. Bestek en voorwaarden werden opgesteld, volgens welke de bestaande kerk zou worden afgebroken. Al het afbraakmateriaal, dat nog bruikbaar was, moest worden klaargemaakt voor hergebruik. het bouwterrein zou worden gezuiverd van zwarte grond en tot peilshoogte worden opgehoogd. Er moest een loods worden geplaatst voor de berging en bereiding van kalk, die uit Kotten zou worden aangevoerd.

Gezien de goede resultaten van de inzamelingen en andere gunstige perspectieven, besloot men in december 1865 opnieuw een verzoekschrift aan Zijne Majesteit te richten om subsidie. Naar verwachting zou de sloop van kerk en woonhuis een besparing van f 3000,- opleveren. Men meende in totaal over een kapitaal van f 12.000,- te zullen kunnen beschikken en wilde daarnaast een lening van f 8000,- afsluiten.
Uitgaande van het momentele aantal van 500 communicanten en een verwachte vermeerdering van het zielental door uitbreiding van het fabriekswezen en door aanleg van een spoorwegverbinding van Amsterdam over Zupthen en Winterswijk naar Dortmund, wenste men nu ruimte voor 700 zitplaatsen. De aanvankelijke begroting werd daardoor overschreden. In een nieuwe begroting werden de bouwkosten nu geraamd op f 31.500,-. zodat het tekort dus f 11.500,- bedroeg. Het was allemaal duur, maar het was de bedoeling een kerk met voldoende ruimte en grote duurzaamheid te bouwen.

Bij het Ministerie van Justitie, dat de “Administratie van de zaken der RK eeredienst” behartigde, wees men de aanvraag in eerste instantie af.
Men vreesde, dat de financiering van het tekort door lening zou mislukken en eiste daarom bezuinigingen. Het ingediende plan voor een kerk met drie beuken moest herhaaldeijk worden veranderd. Pastoor van Oppenraay wilde eigenlijk niet op ruimte en kwaliteit bezuinigen en overwoog daarom een verzoek in te dienen om de subsidie te verhogen tot f 6000,- . De aartsbisschop waarschuwde hem echter, dat hij daardoor hoogst waarschijnlijk de gehele subsidie zou verliezen. Gelukkig verzekerde Wennekers, dat de kerk voorlopig zou kunnen worden gebouwd met de toren tot aan de nok van het dak, met weglating van presbyterium, absis en torenspits.

Bij Koninklijk Besluit van 3 maart 1867 werd aan de parochiaal kerkbestuur te Winterswijk uiteindelijk een subsidie verleend voor de bouw van kerk en toren zonder presbyterium, sacristie, torenspits en vieringtorentje. Deze onderdelen zou men dan naderhand uit nog te verwerven middelen kunnen toevoegen.
De toegekende subsidie bedroeg voor 1867 f 1000,- en voor drie volgende jaren totaal f 2.500,- , uit te keren in drie jaarlijkse termijnen.

Op 3 oktober 1867 vond de inschrijving plaats voor het bouwen van de kerk zonder de gemelde onderdelen. De laagste inschrijver was aannemer G. .Weijtjens te Huissen, aan wie de bouw voor f 22.875,- werd gegund.

In januari 1868 werd bisschoppelijke goedkeruing gegeven voor het sluiten van een loterijlening van f 8000,- ten bate van de financiering van het kerkgebouw. Er werden 800 aandelen uitgegeven ter waarde van f 10,- per stuk. De aflossing zou geschieden in 30 jaar. Om de verkoop van de aandelen te stimuleren werd er een loterijg aan verbonden, waarvan ieder jaar op 1 mei door de pastoor de trekking werd verricht. Aan de houders van uitgelote aandelen werd het verschuldigde terugbetaald. op enkele nummers viel daarbij een geldprijs.

De feitelijke bouw.

De bouw werd spoedig krachtig ter hand genomen. In maart 1868 werden de fundamenten voltooid en werd in de voorgevel de eerste steen gelegd in de rechter zijbeuk, met als inschrift het jaartal 1868. Hierachter werd een fles ingemetseld, waarin zich een perkament bevindt met de tekst in het latijn, waarvan de vertaling alsvolgt luidt:

“In het jaar des Heren 1868 op 4 april, de feestdqag van de heilige Isidorus, tijdens het pontificaat van onze allerheiligste vader in Christus en Heer, door Goddelijke voorzienigheid paus Pius de Negende, tijdens het archiepiscopaat van de zeer eerwaarde en doorluchtige heer Andrea Ignatius Schaepman en de regering van Willem de Derde, hebben in de parochie van de H.Jacobus te Winterswijk, in het aartsbisdom Utrecht, de eerste steen van deze kerk gelegd:
J.M. van Oppenraay, pastoor; H.F. Schoenmaker, kapelaan; J.B. Dericjs. W.B. Smeek, J.F. Wissing, J.A. Mensinck, leden van het kerkbestuur”.

De fundamenten en opmetselingen moesten 1 december 1868 klaar zijn.
Voor elke duizend stenen, die gemetseld werden, werd f 4,50 uitgekeerd.
De betaling hiervan was elke zaterdagavond. Op 20 januari 1869 was de nieuwe kerk uitwendig geheel voltooid. de afwerking van het interieur, zoals het leggen van de vloer, moest tot het voorjaar uitgesteld worden.
De bijzondere aanleiding daartoe was, dat de parochianen eigenlijk niet tevreden waren met de bestelde ramen van groen “broeiglas” en daarom geld hadden ingezameld voor de aanschaf van echte gebrandschilderde ramen.
Bij het aanbreken van de winter waren deze nog niet gereed. De kerk lag aldus open voor alle weersinvloeden, zodat de gewelven nog niet konden worden gevoegd en de vloer nog niet kon worden gelegd, om vorstschade te voorkomen. Dat zou jammer zijn geweest van deze fraaie vloer van rode, blauwe en witte plavuizen in geometrische patronen, die een geschenk was van de gezamelijke jongelingen.

Op 27 juli 1868 werd de nieuw gebouwde kerk plechtig ingewijd en op 2 november werden de staties uit de oude kerk plechtig in de nieuwe opgehangen.

Hierna werd er zo’n tien jaar niet meer gebowud, hoewel reeds in 1876 machtiging werd vergregen voor de bouw van een sacrisitie. Aanleiding vormde een schenking door de familie Dericks van een tombe voor een Jozef-altaar, waarvoor de noodsacristie zou moeten wijken. Pas in 1879 werd er door J.F. Wissing een vergunning gevraagd aan het gemeentebestuur, om een steenbakkerij op te richten in de buurtschap Brinkheurne “tot het bakken van steenen ter voltooijing der Roomsch Catholieke Kerk te Winterswijk”..
Deze oven zou komen te staan op een stuk grond bij boerderij Buskers, dat eigendom was van notaris Dericks, lid van het parochiebestuur. De benodigde leem werd ter plekke gegraven en in een steenoven van tijdelijk karakter, een zogenaamde veldbrandoven, gebakken. De “katholieke steenbakkerij” produceerde vanaf 1880. De stenen werden gebruikt voor de bouw van het priesterkoor en de sacristie. Overigens leverde ook J.B. Overkamp uit Meddo stenen voor de bouw:  Voor de 15.000 stenen, die hij in de maanden augustus, september en november 1881 aanvoerde, ontving hij f 165,-. Het geheel stond wederom onder architectuur van H.J. Wennekers.

Voor de bouw werd f 1000,- geschonken door Anna Maria Geesing onder de voorwaarden, dat na haar dood in perpetuum een gelezen jaargetijde werd gehouden en dat haar naam blijvend op de beide dodenlijsten werd geschreven. De eerste steenlegging geschiedde in juli 1881 door notaris Dericks en echtgenote,  die hiermee als weldoeners werden geeerd. Achter het altaar werd een steen ingemetseld met het jaartal 1881, vergezeld van een oorkonde in een fles. Op 18 december 1881 werd het nieuwe priesterkoor plechtig ingewijd. Daarmee was de  verbouwing nog niet klaar, want ter gelegenheid van het zilveren priesterfeest van pastoor Maas werden diezelfde maand gelden ingezameld voor o.a. de voltooiing van de kerkvloer.

De bouw van de toren.

Nu was er nog maar een halve toren, die nauwelijks boven het dak van de kerk uitstak, bekroond met een laag puntdakje. Er ontbraken nog acht en een halve meter muurwerk en een torenspits. Op 22 januari 1901 werd machtiging gevraagd om de bouw van de toren te voltooien.
Een maand later onderzocht J. Roodenrijs de toren in verband met de opbouw, waarvoor hij f 15,- ontving. Hij keurde de bouw goed. Architect te Riele vroeg, welke fabriek de toren tot zover had opgebouwd en of deze nog bestond. Er was al een schets gemaakt van de toren. Het was de bedoeling, dat er kleine raampjes in zouden komen en dat er plaats was voor een uurwerk, waarboven een klokkestoel kon worden geplaatst.

In april van hetzelfde jaar werd de spits, of beter gezegd het puntdakje afgebroken. Hiervoor werd na inschrijving T.H. Nales te Groenlo voor het vedrag van f 7.968,- aangesteld. De kosten waren eerst op f 8.000,- geraamd, maar wegens stijging van het werkloon en van de prijzen van de bouwmaterialen moesten deze worden bijgesteld tot f 10.000,- . Door de parochie was in totaal f 4.000,- bijeengebracht, de rest moest worden geleend. Na de voltooiing van alle overige werken bracht de aannemer ter afsluiting nog de stenen latei, console en treden van de entree van het torenportaal aan. De torenspits werd bekroond met een fraai kruis, vervaardigd in de plaatselijke smederij van B.ter Hart. Met klokkengieterij Petit & Edelbrock in Gescher werd in juni 1901 een kontract afgesloten voor de levering van drie bronzen klokken in de toonhoogten G,B en C, met een gewicht van resp. 600, 350 en 240 kg. Deze werden op 17 maart 1902 geleverd en kostten 3.224 Mark.

Overige verbouwingen

In 1920 moest het priesterkoor worden gerestaureerd. Dit gebeurde onder architectuur van C, Croonen uit Oldenzaal door aannemer H. Willemsen. De ramen werden uitgehakt, de muren afgebikt en door schilder Konings opnieuw gedecoreerd. De kosten hiervan waren ruim f 4000, -.

Een bom, die op 9 maart 1945 in de tuin van notaris van Eekelen terecht kwam, vernielde alle ruiten van de pastorie en zeventien kerkramen. De stenen raamtraceringen waren weggeslagen, evenals de leien aan de westzijde van het kerkdak. De schade was dusdanig, dat de kerk een tijdlang onbruikbaar was. Voor zover er plaats was, konden de gelovigen de mis bijwonen in de kapel van het Elizabeth Ziekenhuis. Vele gelovigen trokken naar de kerk in Meddo. Een aanbod van de kerkvoogden der Hervormde kerk om in hun kerkgebouw tijdelijk de mis op te  dragen werd onder dankzegging afgeslagen, want meneer pastoor wilde liefst zo spoedig mogelijk weer in eigen kerk celebreren. Het enige beschikbare materiaal om de ramen te dichten was echter dik bordpapier, dat niet tegen de vele regen bestand bleek, zodat op eerste Paasdag geen mis kon worden opgedragen. De Goede Weekplechtigheden werden daarom gevierd in de kapel van het Elizabeth ziekenhuis en op eerste Paasdag werd de mis gecelebreerd in modemagazijn De Duif in de Wooldstraat.
De ramen werden tijdelijk gedicht met stenen van gebombardeerde huizen en het beschadigde deel van het dak afgedekt met dakvilt. Pas in juli 1947 koden de ramen weer van glas worden voorzien. in 1949 werd voor de verbouwing en uitbreiding van de kerk in een huis – aan – huiscollecte f 23.500,- opgehaald. In de daaropvolgende jaar werd een begin gemaakt met de verbouwing van de kerk, die werd uitgebreid met een doopkapel, een Maria-kapel, een Antoniuskapel en een koorgalerij. De oude ramen kregen nu alvast de vorm, die voor het toekomstige nieuwe gedeelte was ontworpen, en werden van glas – in – lood voorzien. De toren werd gerestaureerd, waarbij helaas het neogotische raam met roosvensters niet werd hersteld, maar uit het torenportaal verwijderd.

Door de schade, die de kerk in de oorlog had opgelopen, moesten de verbouwingsplannen versneld worden uitgevoerd. 
Al sinds 1944 lag er een ontwerp voor een nieuw koor klaar. Op 4 mei 1952 werd afgekondigd van de preekstoel, dat de toestemming voor de uitbreiding was verleend en op 28 mei had reeds de aanbesteding plaats. Het werk werd opgedragen aan de laagste inschrijver, aannemer W.Wamelink te Winterswijk.

Architect  was H.B. Koldewey te Voorburg. Ondanks dat men reeds in juni aan de slag ging, bleef de kerk tot eind november in gebruik. Op 7 december werd voor het eerst de mis opgedragen in de noodkerk, ingericht in het gebouw “Excelsior” in de Tuunte, tijdelijk ter beschikking gesteld door de firma J.W.Meijerink & Co. Pastoor en kapelaan moesten nu ’s zondags vier missen celebreren. In het parochiehuis werd een afzonderlijke mis opgedragen voor de kinderen. Mensen, die nabij het Elizabeth ziekenhuis woonden, gingen daar zondags ter kerke.

Tijdens de zeer ingrijpende verbouwing kreeg de oorspronkelijk driebeukige hallenkerk een kruisvorm. Dit werd mogelijk door rondom het oude priesterkoor, dat geheel werd afgebroken, zowel naar achteren als naar beide zijden uit te bouwen. Alle ramen waren nu eender uitgevoerd met vullingen van zogenaamd antiek glas, afkomstig van atelier Mengelberg te Utrecht.
Door bijplaatsing van nieuwe blank-eiken banken was het aantal zitplaatsen uitgebreid tot 903. De geheel gerestaureerde en vernieuwde St.Jacobuskerk werd op donderdag 9 juli 1953 ingewijd door aartsbisschop – coadjutor Mgr.B.J.Alfrink en op zondag 12 juli daaraanvolgend officieel in gebruik genomen.

Om de kerk ‘in het hart van de straat te krijgen” werd in 1956 een loggia gebouwd tegen de westzijde van de toren met een nieuwe entree tot het torenportaal. De oude deuropening in de voorzijde van de toren werd dichtgemetseld. Tegen deze muur werd de calvariegroep uit vde oude kerk geplaatst.

In 1986 werd er een inzamelingsaktie gehouden voor de restauratie van de toren. De hele spits lag als het ware los, zodat het gevaar bestond, dat men bij storm de kerkdiensten moest afgelasten. Behalve de toren werden ook de ramen onder handen genomen. De totale kosten bedroegen ongeveer f 120.000, – . De heflt van de kosten kon door het kerkbestuur zelf opgebracht worden. De rest moest worden bijeengebracht door middel van landelijke giften en door de verkoop van een honderdtal beeldjes van ” oudpastoortypetjes”, die waren vervaardigd door mevrouw Ubbink uit Lichtenvoorde. De aktie heeft uiteindelijk de grens van f 50.000,- overschreden.

In hetzelfde jaar werd de restauratie uitgevoerd en op vrijdag 31 oktober 1986 keek het haantje van de St. Jacobus weer over Winterswijk uit. J.Jansen van het leidekkersbedrijf Koenders beklom de 55 meter hoge toren en voerde de operatie uit. Kort daarvoor was beneden op het terrein voor de kerk een oude traditie in ere hersteld. Lang geleden was het namelijk de gewoonte, dat een briefje van f 25,- werd aangeboden aan de werklieden. Dit werd dan ook door pastoor Schuurmans gedaan. Na 85 jaar was dit de eerste keer, dat het haantje er af was geweest.

In 1992 krijt de St.Jacobuskerk opnieuw een fikse opknapbeurt. De daken van het jongste gedeelte van de kerk worden opnieuw van leien voorzien. Binnen worden de muren in een creme-kleur, de gewelven en de plafonds in grijsgroene tint en de gewelfribben en balken terra-rood geschilderd. De financiering wordt betaald van het geld, dat de laatste vijftien jaar gereserveerd is. Deze opknapbeurt is het sluitstuk van jarenlang groot onderhoud aan de kerk.

Hoogte toren 55 mtr.

Herders der Parochie 1795-1995

Uit: 200 Jaar St. Jacobus Parochie Winterswijk
Uitgave: Het Museum,1995
Madeleine Hendriks/ Meike Doorn
Eindredactie: Peter Meerdink en Wim Scholtz

H.J.Schreven 1797 –1826
G.J.Laarberg1826 –1827
H.J.Janssen1827 –1852
J.H.Ringelenberg1852
H.Hemming1852 –1863
J.M.van Oppenraay1863 –1876
M.Maas1876 –1888
J.Th. Schilderink1888 –1904
A.J.Kanitz1904 –1915
W.G.A.H.van Berkel1915 –1919
J.B.J.Kaeter1919 –1943
W.J.Tempelman1943 –1959
T.J.Lutz1959 –1967
L.J.van Jaarsveld1967 –1980
W.H.Schuurmans1981 –1995
J.B.J.Kaeter
40 jaar Priester
21 augustus 1943
15 juni 1950, Tubantia
Tempelman
40 jaar Priester
Pastoor Jaarsveld



Janus Dagelinckx, De Koster
Verhalen -Jos Drubers

https://www.oudwinterswijk.nl/verhalen/jos-drubers/

Lees verder

Zonnebrinkkerk

De Zonnebrinkkerk

In 1841 werd de Christelijk Afgescheiden Gemeente gesticht.
Er werd een stuk grond gekocht van een zeker Slats aan de Zonnebrink voor f 235,–
Er werd een kerk opgebouwd welke in 1844 in gebruik is genomen.
In hetzelfde jaar werd waarschijnlijk ook de pastorie gebouwd.
In 1873 werd een orgel gekocht.
Op 5 augustus 1892 gingen de Christelijk Gereformeerde Gemeente samen met de Nederduits Gereformeerde Kerk en ontstond de Gereformeerde Kerk gemeenschap.

In 1905 werd besloten om tot de bouw van de nieuwe kerk over te gaan en dat gebeurde op de oude grond. 
Ook de pastorie, eigendom van Dominee Franssen, die in 1899 afscheid van de gemeente had genomen werd aangekocht voor f 3602,–
Op 30 november 1906 werd de kerk in gebruik genomen. 

In de periode 1920- 1930 nam het aantal gemeenteleden flink toe en werd besloten een galerij boven de hoofdingang aan te brengen. 
Ook in 1949 werd er verbouwd. 
In 1954 werd het compex Fides et Concordia (Geloof en Eendracht)  aangekocht aan de Stationstraat. 
Ook hier konden nu kerkdiensten gehouden worden. 
Aangezien de naam voor het bijbehorende horecabedrijf niet geheel passend was, werd dit gedeelte Victoria genoemd.
In 1978 werd Fides weer verkocht. 

In 1981 volgde een grondige restauratie van de kerk aan de Zonnebrink en de bouw van het kerkelijk centrum, die op 22 oktober 1981 werd geopend. 
De hoofdingang werd hierbij naar de zijkant verplaatst.
In 1981 werd tevens het orgel vervangen.


Ca.1910
Foto: Ecal
1971
Foto: André van Dijk Veenendaal – Reliwiki

Lees verder

Jacobskerk

De St.Jacobskerk behoort tot de allereerste en alleroudste kerken van het oude bisdom Munster, is gesticht en in de organisatie van het bisdom toegevoegd door de eerste bisschop van Munster, Liudger, bisschop van 804-809.

Unzen Jacob

Olden toorn van onze dörpken,
‘k Mag oew toch zoo geerne lien;
A’k van .wietens hierhen komme, 
Kan’k oew altied ’t eerste zeen. 
Veermaol honderd jaor noo roem al
Stao’j daor zoo in wèèr en wind,
Nee, wi’j könt oew vast neet missen,
Olden, griezen, trouwen vrind.
Zonder oew zo’k haost’ neet weten,
Hoo mien olde dörpken heet,
Zonder oew zol ’t vrömd mi’j wezzen,
Zonder oew ken ‘k Wenters neet. 

B. Stegeman,1939

“Anno Domini MDV II in den naem uns Heren ende Maria sine lieve Moeder ende uns Hillighen Patroons Sinte Jacob is angelacht dye yrste steyn van desen Toern up ten derden dach in der maent Septembri”

1507- Tekst boven hoofdingang


Mei 1598 verklaarde Pastoor Rauwerts te Zutphen, dat hij zich aan de Reformatie onderwierp. De Katholieke periode eindigde hierbij van de Sint-Jacobskerk en werd Jacobskerk. Rauwerts werd de predikant.

BotMultichillT – June 1895 | Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL (wiki)
Steenbergh, C. (Fotograaf) – | Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL (wiki)

Inleiding


De huidige kerk is een laat gotische, overwelfde pseudobasiliek met een eenbeukig koor en aan de westzijde een forse toren, die aan drie zijden door de kerk is ingebouwd. Bij nadere beschouwing blijkt uit de overgang van baksteen op natuursteen en van een laag dak op een hoog dak, dat het gebouw niet ineens gebouwd is, maar in een aantal fasen. Bij de opgravingen in de kerk tijdens de restauratie (in de jaren 1968-1975) zijn zelfs funderingen gevonden van een nog oudere kerk, in verschillen de gedaanten. Die restauratie bood de gelegenheid tot een bouwhistorisch onderzoek van de kerk. Het onderstaande is de neerslag van de resultaten daarvan,

 De oudste kerk 

De oudste kerk, waarvan herkenbare restanten onder de vloer van de bestaande kerk werden teruggevonden, bestond uit een driebeukig schip, waarvan de zijbeuken aan de oostzijde door absiden werden afgesloten, en een eenbeukig koor met een half-elliptische sluiting.

De vorm van de sluiting van het koor is in ons land uniek; andere voorbeelden daarvan zijn (nog) niet bekend. Zijbeuken met absidiale sluiting zijn ook al zeldzaam: zij zijn bij opgravingen teruggevonden in de kerken van Bocholt, Zelhem, Bemmel en Maasdriel. In de eerste drie gevallen betrof het – net als in Winterswijk – beide zijbeuken en in het laatste geval alleen een zuider zijbeuk. Al deze voorbeelden worden gewoonlijk als laat-romaans bestempeld (tweede helft 12de eeuw – begin 13de eeuw).

De fundering van de absis van de zuider zijbeuk maakt een geheel uit met de fundering van de zijbeuk zelf; bij de noorder zijbeuk wekken de funderingen de indruk, dat de absis een wat jongere toevoeging was.

Tussen de middenbeuk en de noorder zijbeuk zijn gedeelten gevonden van een doorgaande fundering, waarop de kolommen met scheibogen gestaan zullen hebben, Aan de zuidzijde is maar een klein fragment van zo’n fundering aan het licht gekomen. Niet nagegaan kon worden of de zijbeuken wellicht jongere toevoegingen waren aan een ouder eenbeukig schip. Tegen de buitenzijde van de zuider zijbeukmuur zijn enkele secundaire muurverzwaringen gevonden, waaruit kan blijken, dat de zijbeuk in vier traveeen was verdeeld.


In de middenbeuk zijn de funderingen van enkele muurverzwaringen voor een deel bloot gelegd – in de noordwesthoek en in het midden van de noord- en de zuidzijde – , waaruit misschien geconcludeerd mag worden dat deze middenbeuk overwelfd is geweest met twee kruisgewelven. Mogelijke restanten van deze gewelven zijn de twee laat-romaanse kapiteeltjes, die thans de gewelven dragen in de noordoost – resp.zuid-oosthoeken van de vijfde traveeen van de huidige zijbeuken, Onzeker is of de zijbeuken ook gewelfd waren; te denken valt aan tonggewelven, die versterking van de zuidmuur met steunberen noodzakelijk maakten. 

Van de westelijke begrenzing van het schip is niets teruggeonden. Misschien heeft hier een toren gestaan, die voor de bouw van de huidige toren geheel het veld moest ruimen. Aan de oostzijde van het schip werd de noordelijke triomf – boogpenant teruggevonden met een verbrede voet aan de westzijde, waarop waarschijnlijk een altaar heeft gestaan. De fundering van de zuidelijke triomf-boogpenant bleek minder herkenbaar te zijn.

Of het koor ook overwelfd geweest is, is onzeker. Aan de buitenzijde van de sluiting zijn – vlak bij de fundering van de latere 3/8 koorsluiting – twee omhoekingen aan de fundering waargenomen, die erop lijken te wijzen, dat hier steunberen zijn geweest.

De funderingen bestaan uit grote en kleine zwerfkeien, uit Wintersijkse steen (een sterk leemhoudende zandsteen), een geel – witte kalksteen van verdere herkomst en uit oersteen. Vormen (m.n. de absiden en de mogelijke overwelving) en materialen (m.n. de afwezigheid van baksteen) wijzen erop, dat het een laatromaanse kerk is geweest, die vermoedelijk uit het einde van de 12de eeuw of het begin van de 13de eeuw dateerde.

De eerste vergroting

De eerste vergroting van de kerk bestond uit het vervangen van de koorsluiting door een wat grotere sluiting, die steunberen op de hoeken kreeg.
In hoeverre de noord- en de zuidmuur, van het oude koor vernieuwd werden is niet duidelijk. Tegen de noordmuur is een steunbeerfundering gevonden, die bij de vergroting lijkt te horen, hoewel dat niet vaststaat. Zijn zuidelijke tegenhanger kon niet ontgraven worden door de aanwezigheid van een grafzerk.

Aan de binnenzijde van de noordmuur is een uitmetseling aangetroffen, die minder diep is gefundeerd en onderaan koud tegen die muur is gemesteld maar hogerop in verband hiermee. Hij hoort dus blijkbaar bij de koorvergoting. Aan de zuidzijde blijkt uit een sprong in de fundering, dat daar ook een uitmetseling geweest moet zijn.

De fundering van de nieuwe koorsluiting is – net als de romaanse – van natuursteen; een restant van het opgaande werk van baksteen bleef echter bewaard. van het formaat ? x 13 X 6 1/2 -7 cm.

De koorvergroting dateert blijkens zijn sluiting uit de gotiek, vermoedelijk uit de 14de eeuw. Een vroegere datering lijkt gezien het baksteenformaat niet zo waarschijnlijk; een wat latere datering behoort wel tot de mogelijkheden.

De bouw van de oostpartij van de huidige kerk

Het zal kort na het midden van de 15de eeuw zijn geweest, dat men begon met een grootscheepse vernieuwing van de kerk, die ongeveer een eeuw zou duren en die de kerk in zijn huidige gedaante zou brengen, Zoals ook vaak bij andere kerken het geval was, begon men aan de oostzijde. het koor van de kerk werd gesloopt en vervangen door twee driebeukige schiptraveeen en een eenbeukig koor van een travee met een sluiting van zijden van een achthoek. het driebeukige gedeelte was breder dan het oude driebeukige schip, dat voorlopig nog gehandhaafd bleef. De westelijke zijbeuktravee aan de zuidzijde werd voorzien van een overhoekse steunbeer, waarvan de fundering is teruggevonden. Aan de noordzijde was vermoedelijk hetzelfde het geval. Op deze wijze was een plattegrond ontstaan, die enigszins aan een kruiskerk doet denken; van een dwarsschip was echter geen sprake. In de hoek tussen het koor en de noordelijke zijbeuk werd tegelijkertijd een sacristie gebouwd.

Boven de gewelven zijn duidelijke bouwnaden aanwezig tussen deze nieuwbouw en de later gebouwde westelijke schiptraveeen. Ook zijn er staande tanden zichtbaar bij het begin van het hoofdkoor; blijkbaar is er wel een zekere fasering geweest in het bouwen. De kap op de hoofdbeuk, die zich thans door zijn hoogte duidelijk onderscheidt van de lagere kap westelijk ervan, is in een fase gebouwd. 

 ———————————————————————————

Plattegrond – ontwikkeling van de kerk.
In elke fase is de omtreklijn van het uiteindelijke gebouw ook aangegeven, Van de gewelven is met streepjeslijnen de projectie op de vloer getekend.
Met stippellijnen is de veronderstelde vroegere toren getekend, waarvan overigens niets met zekerheid is.

1. Omstreeks 1225
Romaanse kerk bestaande uit een vermoedelijk overwelfde hoofdbeuk, absidiaal gesloten zijbeuken, een half – elliptisch gesloten koor en misschien een toren.

2. Omstreeks 1400
Het romaanse koor vervangen door een gotisch koor met drie rechte slutingszijden. Steunberen toegevoegd aan de zuidelijke zijbeuk.

3. Omstreeks 1570
Koor en zijabsiden vervangen door een nog niet overwelfde nieuwbouw, bestaande uit twee driebeukige schiptraveeen, een driezijdig gesloten koor en een sacrastie.

4. Omstreeks 1490
Koor overwelfd (1474); het romaanse schip vervangen door een driebeukig gotisch schip van drie traveeen lengte met een voorlopige westmuur en nog niet overwelfd.

5. Omstreeks 1550
De kerk heeft zijn definitieve omvang bereikt door de toevoeging van de toren (begonnen in 1507), verlenging van de zijbeuken langs de toren en overwelvng van het schip 

  Tekeningen G.Berends 

——————————————————

Hij is van eiken en telt acht spanten, die elk uit twee op elkaar geplaatste dekbalkjukken bestaan (beide met rechte benen). In de sluiting bevinden zich twee halve spanten. De spanten zijn van west naar oost genummerd met gesneden rechts gebroken telmerken. Alleen ter plaatse van de traveescheidingen staan de spanten op trekbalken; de tussenspanten staan op sloffen, die – evenals de trekbalken – op de muurplaatsen rusten.

Boven de gewelven van de zijbeuken zijn nog duidelijk de sporen zichtbaar van de weggebroken westelijke eindmuren, die in verband gemetseld waren met de middelbreukmoren (boven de scheibogen) en met de buitenmuren. Het dak van de zijbeuken wordt gedragen door halve jukspanten, die ook afwisselend op trekbalken en op sloffen staan.
Tegen de middenbeukmuren staan muurstijlen, afgedekt door een plaat en wat lager verbonden door een regel, waarop respectievelijk de sporen en de haanbouten rusten. 
De oorspronkelijke topgevels van de zijbeuken zowel als van de sacristie zijn kennelijk pas na het stellen van de kapcontructie opgemetseld; dit blijkt uit staande tanden, die steunbeer – achtige uitmetselingen van het koor scheiden van de rest van de topgevels. Deze staande tanden lopen niet verder naar beneden door, zodat er geen sprake is van verschillende bouwperioden.

 Plattegrond van de kerk (horizontale doorsnede vlak boven de vloer)

Het opgaande muurwerk is van arceringen voorzien, waarbij de opeenvolgende bouwperioden zijn aangegeven door verschil in arcering. De bij de laatste restauratie opgegraven funderingen zijn niet van arceringen voorzien; zij zijn voor een deel in stippellijnen gecompleteerd.
Tekeningen: G. Berends, naar opmetingen van architectenbreau W.A. Heineman te Velp (Gld.) en eigen detailmetingen.

—————————————————-

De nieuwbouw kreeg twee toegangen aan de zuidzijde, die beide later gedicht zijn. De toegang in de westelijke travee van de zuidbeuk is binnen en buiten nog duidelijk zichtbaar. In de westelijke travee van het koor kwam een smallere deur, die tijdens de restauratie aan de binnenzijde zichtbaar werd en nu aan de buitenzijde nog vaag herkenbaar is. Deze toegang, die nog te zien is op de tekeningen van de kerk van Jan de Beijer uit 1743, werd later oostwaarts verplaatst, maar ook die is al lang weer gedicht.

De doorgang van het koor naar de sacristie is oorspronkelijk; hij wordt afgedekt door een zandstenen latei. Hierboven is ook een doorgang zichtbaar: 55 cm. breed, afgedekt door een natuurstenen latei en voorzien van dito blokken voor de duimen en de sluiting van de deur. Hoe die deur vanuit de kerk bereikbaar was, is niet bekend. Erg lang heeft hij niet gefunctioneerd, want de schildering van het Laatste oordeel gaat over de dichting van deze doorgang heen.

In de oostwand van de noordelijke zijbeuk zijn twee muurkastjes gevonden en een kleine lampnis daartussen. Onder het noordelijke kastje is een altaarfundering gevonden. Vermoedelijk heeft ook onder het andere kastje een altaar gestaan, waarvan de fundering indertijd weggebroken kan zijn bij de aanleg van een luchtkanaal voor de centrale cerwarming. Ook in de oostwand van de zuidelijke zijbeuk zijn restanten van een dergelijk muurkastje gevonden vlak naast de 19de -eeuwse toegangsdeur die zich daar tot de restauratie bevond.  Wat zuidelijker werd tegen deze muur ook een altaarfundering ontdekt, waarboven echter geen muurkastje aanwezig was, maar een muurschildering. Wel is hier een lampnisje gevonden, dicht bij de zuidelijke hoek.

Bij het trekken van een sleuf door het koor is op enige afstand van de oostelijke sluitingszijde een fundering aangetroffen, waarop kennelijk oorspronkelijk het hoogaltaar heeft gestaan.

De oostpartij werd voltooid in 1474. Een geschilderd opschrift met dat jaartal werd bij de restauratie teruggevonden boven het venster in de oostelijke sluitingszijde van het koor. Het hoort bij de gewelfschilderingen, die spoedig na het metselen van de gewelven aangebracht zullen zijn (zodat men niet opnieuw hoefde te steigeren). Omdat er een korte periode zonder gewelven is geweest, kan de bouw van de oostpartij bezwaarlijk later zijn begonnen dan omstreeks 1460.

De bouw van het schip van de huidige kerk

Wanneer men met de bouw van het schip is begonnen is niet bekend, maar het moet al vrij spoedig na of zelfs nog voor de voltooiing van de oostpartij zijn geweest. Het romaanse schip werd afgebroken en de daarmee vrijkomende tufsteen werd gebruikt voor de buitenbekleding van de nieuwe muren en steunberen van de zijbeuken. De ingangstravee aan de noordzijde werd echter met Baumberger steen bekleed, welke steen ook werd gebruikt voor lijsten, vensterdagkanten en delen van de steunberen.

Het nieuwe schip werd even breed gemaakt als de oostpartij en dus breder dan het oude romaanse schip. Voorlopig werd het echter niet langer gemaakt dan zijn voorganger. Bij de opgravingen werden de bakstenen funderingen van de westelijke afsluitmuren van de zijbeuken teruggevonden, gemetseld op de funderingen van hun romaanse voorgangers. In het middenschip werd een dergelijke fundering niet gevonden, maar boven de schipgewelven zijn de aanhechtingen van de afsluitmuur nog wel te zien (evenals boven de zijbeukgewelven) . De nieuwbouw werd drie traveeen lang; samen met de reeds gebouwde traveeen van de oostpartij werd het schip dus vijf traveeen lang. In de muren van de zijbeuken zijn de naden tussen de natuurstenen bekleding en de baksteen van de later gebouwde westelijke traveeen duidelijk te zien. Toegangen werden gemaakt in de middelste van de drie nieuwe traveeen, zowel aan de noord- als aan de zuidzijde. Voor de restauratie waren beide gedicht; de noordelijke is thans weer in ere hersteld. 

Adolph Mulder, de latere Rijksarchitect voor de Monumenten, zag bij die ingang in 1892 nog een jaartal: MccccLxF II, waarvan hij zich afvroeg of dat misschien 1482 moest beduiden. Dat zou in de bouwgeschiedenis inderdaad goed uitkomen. Het kan echter ook 1472 zijn; in dat geval was men al aan het schip van de kerk begonnen voor de oostpartij was overwelfd.

De kap van de middenbeuk telt zes kapsanten, waarvan de westelijke pal naast de gesloopte westmuur staat. De spanten zijn van eiken en bestaan elk uit twee dekbalkjukken (beide met kromme benen) op elkaar. Zij zijn van west naar oost genummerd met gesneden telmerken 1 t/m IIIIII; aan de zuidzijde is aan elk merk een X-teken toegevoegd, terwijl aan de noordzijde door elk merk een dwarsstreep getrokken is. Ook de sporen zijn van gesneden telmerken voorzien; de telling loopt eerst normaal van 1 t/m 9, waarna drie reeksen van 1 t/m 4 volgen. De merken van deze drie reeksen zijn voorzien van een dwarsstreep, waaraan bij de tweede reeks een schuine streep is toegevoegd en bij de derde reeks twee. Bij deze merkwaardige nummering zijn vermoedelijk Duitse invloeden in het spel. De kap heeft een veel geringere helling dan de kap van de oostpartij, zodat het hoogteverschil duidelijk opvalt. De kappen van de zijbeuken vertonen grote overeenkomst met de kappen van de zijbeuken van de oostpartij.

De overwelving is blijkbaar pas aangebracht in de volgende bouwcampagne, aangezien met name in de zijbeuken de bestaande gewelven niet aangesloten kunnen hebben op de westelijke afsluitmuren.

In de middelste van de drie schiptraveeen, tussen de zuidelijke kolommen en aansluitend in het middenschip, is vrij dicht onder de vloer en lemen vloer gevonden van 9 – 9 1/2 cm. dikte, op een bed van zand met kleine keitjes en een laag kalk. De vloer kan bezwaarlijk bij het romaanse schip hebben behoord, gezien de romaanse muurverzwaring, die er gedeeltelijk onder werd aangetroffen. Blijkbaar is het huidige schip dus aanvankelijk nog met leem bevloerd geweest. Ook tussen de middelste kolommen aan de noordzijde werd een restant van die vloer gevonden.

De bouw van de toren en zijn belendingen

Uit het opschrift boven de westingang van de toren blijkt, dat de bouw daarvan in 1507 begonnen is. De toren werd voorzien van een hoge doorgang aan de oostzijde en latere doorgangen aan de noord- en zuidzijde. Van meet af aan is het dus de bedoeling geweest, dat hij aan deze zijden ingebouwd zou worden; de westelijke verlengingen van de zijbeuken van het schip behoren dus tot dezelfde bouwfase. Boven de gewelven kan men zien, dat het traptorenetje in verband is gemetseld met de toren, terwijl aan de buitenzijde het traptorentje duidelijk een geheel uitmaakt met de zuidelijke zijbeuk. Ook op deze wijze blijkt dus de gelijktijdigheid.

De nieuwe zijbeuktraveeeen zijn van baksteen en onderscheiden zich daardoor duidelijk van de oudere. Aan de zuidzijde bevindt zich daarin een toegang met een geprofileerde natuurstenen omlijsting, die echter eerst naderhand aangebracht lijkt te zijn. Misschien is hij afkomstig uit het oudere deel van die zijbeuk. De dichting van die voormalige toegang is van een kleiner formaat baksteen dan de nieuwe zijbeuktraveeen.

De nieuwe zijbeuktraveeen hebben kapconstructies, die overeenkomen met die van de oudere traveeen. De kleine afstand van de toren tot het bestaande schipkap wordt overbrugd door twee spanten, waarvan een als strijkspant langs de toren staat. Elk spant bestaat uit twee op elkaar geplaatste dekbalkjukken, beide met rechte benen.

De toren is gebouwd van balksteen, turfsteen, Bentheimers zandsteen en Baumberger kalksteen; voor de balklagen, de klokkestoel en de spits is eikehout gebruikt.

De klokkenstoel is kennelijk nog oorspronkelijk, met uitzondering van verscheidene later toegevoegde schoren. Hij bestaat uit twee etages, die op twee kruislings op elkaar rustende balklagen (elk van vier balken)  staan, waaronder nog eens een onderslagbalk in het midden. De klokken hangen in de bovenste etage, tussen vier noord-zuid staande kopbalkgebinten, voorzien van tussenstijlen en schoren.
De diverse onderdelen zijn genummerd met gesneden telmerken.

Ook de spits moet nog in zijn geheel uit de bouwtijd dateren, afgezien van een aantal onderdelen die in later tijd vernieuwd zijn. Dit blijkt uit de eenheid van houtsoort, constructie en telmerken. De vroeger wel geuite veronderstelling, dat het ingesnoerde bovenstuk van de spits van jongere datum zou zijn, is dus kennelijk onjuist.

Bovenin de torenromp rusten twee noord-zuid balken in de torenmuren, met vlak daaronder twee oost-west liggende balken. Alle vier balken worden ondersteund door korbeels en muurstijlen. Op deze dubbele balklaag en de muurplaten rust een 22 1/2 gedraaid balkenkruis, dat de basis is voor de achtzijdige houtconstructie van de spits. Deze houtconstructie bestaat uit een stapeling van halve dekbalkjukken ( om en om voorzien van andreas-kruisen) rondom een centrale koningsstijl, die tot in de top doorloopt. Er zijn drie etages in de jukken constructie;  bij de onderste daarvan is de koningsstijl onderbroken. Hier is nl. twee elkaar kruisende hele jukken aanwezig, in de hoeken waarvan raveelbalken (zwaarden) zijn aangebracht, waartegen vier halve jukken zijn geplaatst. Op de onderste jukken-etage rusten twee draagbouten, waarop de insnoering van de spits begint. Op de middelste en de bovenste jukken-etages rust steeds een draagbout, waartegen de sporen en hoekkepers hun steun vinden. De hoekkepers zijn met een houten nagel verbonden aan de uitstekende einden van de jukbalken.

Ca, 2 1/2 m boven de bovenste jukken bevindt zich een krans van oorspronkelijk acht (thans zes)  haanboutjes tussen de koningsstijl en de hoekkepers, waaronder vier van de hoekkepers afgeschoord zijn (of waren)  op de koningsstijl. De telmerken die op de onderdelen van de spits voorkomen, zijn alle gesneden; alleen bovenin komen ook enkele gehakte telmerken voor, die bij de oorspronkelijke constructie lijken te horen. Gehakte telmerken kwamen in ons land in het tweede kwart van de 16de eeuw in gebruik; de voltooiing van de torenspits zou dus omstreeks het midden van die eeuw plaats gevonden kunnen hebben.  Daarmee kwam een einde aan de bouwgeschiedenis van de kerk; wat er nadien gebeurde, waren wijzigingen en herstellingen.

Ir. G. Berends
De Jacobstoren
Uitgave: Het Museum
Redactie: Astrid Goorhuis- Wijmans, Wim Scholtz, Elsabeth Verhey, Ru Wever.

Lees verder