VOLKSZIEKTEN
Dit artikel komt uit een oud boekje, waarvan maar de helft aanwezig is.
Wie het geschreven heeft en wanneer? Wie het weet mag het zeggen
Er heeft in de afgeloopen maand in sommige streken van ons land een oogenblik een bange vrees geheerscht. De dagelijksche berichten in de bladen over het constateeren van Cholera-gevallen te Rotterdam en elders, wekten al dadelijk bij nerveuse personen de somberste voorstellingen van een epidemisch optreden dezer gevaarlijke ziekte, waarvan nog zoo kort geleden uit Rusland de treurigste berichten tot ons gekomen waren.
Er waren er – men heeft het in één onzer dagbladen kunnen lezen – die bij de minste ongesteldheid, maar vooral bij verschijnselen van onschuldige diarrhée, wel tien keer per dag den dokter lieten ontbieden, om uitgemaakt te zien of de gevreesde ziekte mogelijk ook hen reeds had aangetast, maar die door zenuwachtigheid en angst al dermate van streek waren geraakt, dat zelfs de meest geruststellende verklaringen met wantrouwen bejegend werden.
De vrees alleen had de menschen ziek gemaakt en dat nog wel in deezen tijd, nu iedereen eigenlijk weet, wat de cholera is, hoe zij ontstaat en op welke wijze men zich voor haar in acht nemen kan! Wat moeten dan onze voorouders menig maal bange tijden hebben doorgemaakt als de gevreesde ziekte ook hen bezocht en zόό verwoed om zich heen greep, dat gigantische families als met één slag werden weggerukt en de kerkhoven somtijds te klein bleken om de talrijke slachtoffers een behoorlijke rustplaats te bezorgen! Wat wisten zij van een besmetting door middel van “ bacillen”, van die kleine geheimzinnige wezentjes, die het lichaam binnendringen en zich daar op ongelooflijk snelle wijze honderdvoudig vermenigvuldigen? Zij waren immers nog grootgebracht in de meenig, dat dergelijke “swaere besoeckingen” door booze geesten werden aangebracht of wel aan den toorn Gods dienden te worden toegeschreven. En als dit laatste het geval was, kon immers niemand zich aan het noodlot onttrekken en hielp het niet of men al gebruik maakte van de middelen door de “chirurgijns” voorgeschreven of ten slotte nog baat zocht bij een wijdvermaarden “heksenbezweerder”, die onder ’t prevelen van geheimzinnige tooverformules de booze ziekte verdrijven zou.
Genezen was nog zoo dikwijls tooveren in die dagen, omdat de eerste medicijnmeesters eigenlijk priesters en tegelijk toovernaars waren geweest, die de overgeleverde wijsheid als een soort geheimzinnige Macht aan enkele ingewijden hadden nagelaten.
en van voorzorgmaatregelen – dubbel noodig meestal, omdat de reinheid zooveel te wenschen overliet in die dagen – had men helaas zulke eigenaardige opvattingen, dat in gewone omstandigheden juist daardoor ’t gevaar nog verergeren moest.
’t Dagenlange vasten (en bidden) toch, door sommigen als een soort boetedoening al te serieus opgevat en toegepast, moest wel op bedenkelijke wijze het weerstandsvermogen van ’t lichaam doen afnemen, terwijl ook ’t kinderlijke geloof, dat ’t bij zich dragen of thuis hebben van bepaalde voorwerpen of relequien (als b.v. overblijfselen van ’t heilige Paaschvuur, die n.b.onder de bedstede werden gelegd) voor ramp of ziekte behoeden zou, veelal een tegenovergestelde werking had, aangezien de gerustheid, hierdoor ontstaan, zoo licht leidde tot de meening, dat voorzichtigheid nu minder geboden zou zijn.
’t Was een Volkswijsheid, voor een deel misschien reeds in heidenschen tijd op gedaan, die zelfs voor de knapste redeneering niet maar zoo voetstoots aan ’t wankelen kon worden gebracht en die wellicht nog zou bestaan (of hoort men er niet somwijl nog de nagalmen van!) als in de opeenvolgende eeuwen de overheid, door ernstige mannen voorgelicht, niet steeds er op uit was geweest door gepaste vermaningen en waarschuwingen de openbare meening in betere banen te leiden. Wel kunnen wij veelal een glimlach niet onderdrukken, als ons de vaak zonderlinge explicaties van vermeende ziekte -oorzaken uit die dagen – zonderlinge natuurlijk, wijl de ware oorzaak nog zoo gansch en al verborgen lag – onder de oogen komen, maar ze hadden, althans wat de vermaningen en voorschriften betreft, toch altijd deze onschatbare verdienste, dat zij, door reinheid en voorzichtig levensgedrag als eerste en voornaamste voorzorgen hoog te houden, den weg effenden voor een hygiëne, die later blijken zou de eenig noodige te zijn.
‘t Is nu, naar aanleiding van voorgaande opmerkingen, dat wij een oogenblik willen stilstaan bij de vraag, in hoeverre de bewoners van dit gewest, speciaal die van Winterswijk en omgeving, in vroeger tijd met ziekten te kampen hebben gehad. Ruim vloeien de berichten daaromtrent nu wel juist niet, maar de enkele gegevens, hier en daar verspreid, mogen toch voldoende heeten ons den indruk te geven, dat vooral de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw in dit opzicht treurige tijden zijn geweest. Daar hadt ge allereerst die vreeselijke ziekte, welker naam alleen U reeds den schrik op het lijf zou jagen: DE PEST.
Dood en verderf en ellende om zich heen verspreidend, heeft zij al die eeuwen door als een ware geesel ons volk bedreigd, telkens en telkens weer opduikend en zόόveel slachtoffers vergend, dat ik menige Geldersche stad de inwoners bij honderdtallen hunne besmette woonplaats ontvluchtten.
Haar verwoed karakter wordt ons beschreven in een eigenaardig boek, in 1646 door een Nijmeegsch geneesheer uitgegeven (Dr.J.S.van Veen:”De Pest en hare bestrijding in Gelderland.”),die o.m.beweert, dat deze pest de dieren had ontzien, den menschen alleen den oorlog had verklaard. Vooze lichamen spaarde zij dikwijls, terwijl zij door en door gezonden aangreep. Niemand was voor haar veilig, alleen grijsaards bleven veelal gespaard. In ’t begin der ziekte ontstonden de meeste gevallen – zoo schrijft hij – door besmetting van persoon op persoon, maar daarna kreeg zij zulk een omvang en geraakte de lucht zoo besmet, dat bijna geen plaats in de geheele stad daarvan vrij bleef.
Vooral kort vόόr en na nieuwe of volle maan – meende hij – was de ziekte meetal het ergst(!), zoodat men dan niet zelden drie of vier personen uit eenzelfde gezin grafwaarts kon zien dragen en bijna huis aan huis een stroowisch aan den deurpost kon zien bengelen, ten teeken, dat de gevreesde sluipmoordenaar ook daar zijn werk reeds verricht. Curieus klinkt de verzekering, dat de ziekte uit den hemel zou neerdalen en door tal van voorteekenen werd aangekondigd, o.m. door het begrafenis spelen der kinderen en een ongelooflijke menigte insecten, die bijwijlen de binnenmuren der huizen, zwart maakten en zoowaar het daglicht konden temperen. Maar de eigenlijke oorzaak bestond in drieën, meende hij, te weten: de rechtvaardige toorn Gods over de vreeselijke zonden van het menschdom, de uit den hemel neerdalende vergiftiging der lucht en de hieruit ontstaande besmetting. Zoodat hij dan ook als eerste en voornaamste voorbehoedmiddel aanbeval het toonen van berouw ter verzoening van Gods toorn, een middel trouwens, dat meermalen op groote schaal toepassing vond in den vorm van bid- en vastendagen, door de overheid in kritieke tijden uitgeschreven.
Zoo verzichten in 1603 de Gedeputeerden van ’t kwartier van Zutphen aan het Hof om uitschrijving van zoo’n algemeenen boetedag, “dewijle wij die handt des Heeren sehen verheven om ons ahn aller hoecken deser graffschap mit swaere siekten der pestilentiën te besoecken.”
De nood was blijkbaar hoog gestegen in dezen Achterhoek, die trouwens ook vroeger al meermalen door hevige epidimiën geteisterd was. De stad Zutfen o.a. had er herhaaldelijk onder gelden en zich zelfs genoodzaakt gezien een expressen pestmeester aan te stellen, terwijl Lochem in 1555 zόό besmet was, dat de inwoners van Barchem er niet ter kerke durfden gaan. Maar ook de heerlijkheid Bredevoort – onze naaste omgeving – is er niet van verschoond gebleven, hetgeen o.m. blijkt uit het telkenmale uitstellen van den jaarlijkschen hofdag te Miste, maar vooral uit een brief van den Drost van Bredevoort aan den Zutfenschen Magistraat, waarin verzocht wordt om tijdelijke hulp en bijstand van den reeds genoemden pestmeester, aangezien “ die van Bredevorth van Godt den Heere mitte peste gevandet sijn” (1622). Bovendien wordt ook in andere geschriften, zoowel uit de eerste als laatste helft der zeventiende eeuw,telkens op de een of andere wijze aan de immer herhaalde werkzaamheid der “pestilentie” herinnerd en wordt ons duidelijk, hoe onze arme voorouders in die, ook
door oorlog zoo zeer geteisterde eeuw, aan veel jammer en ellende ten prooi zijn geweest.
Vooral de jaren 1603,1622,1630,1636 en 1666 staan in de annalen der pest met eene zwarte kool aangeteekend, hetgeen voornamelijk blijkt uit de vele “pestordonnantiën” destijds in onderscheidene Geldersche steden uitgevaardigd. Eerst tegen het einde der zeventiende eeuw scheen het kwaadaardig karakter der ziekte eenigszins af te nemen, daar het aantal slachtoffers minder werd en bepaalde epidemiën niet meer voorkwamen. Maar wel woedde de ziekte over de grenzen, zoodat onze Staten het raadzaam vonden, voortdurend een oogje in het zeil te houden. Zij namen in 1712 toen het pestgevaar andermaal onze provincie bedreigde, het besluit, dat de verschillende toegangswegen tot dit gewest door militaire posten zouden bewaakt worden, teneinde te voorkomen, dat besmette goederen herwaarts werden gevoerd of personen de grenzen overschreden die geen behoorlijke “gezondheidsbrieven” konden toonen. Ook te Winterswijk werd zulk een wacht gestationneerd, evenals te Neede, Rekken, Eibergen, Aalten, Dinxperlo, Gendringen en ’s Heerenberg maar een erg verantwoordelijk werk hebben die “posten” daar blijkbaar niet gevonden, omdat nergens van een hernieuwd uitbreken der ziekte gewag wordt gemaakt en het gevaar zich dus meer en meer achter onze grenzen schijnt te hebben teruggetrokken.
Voor onze arme bevolking was dit stellig een hoopvol ervaren, maar wij zullen zien dat zij daarmede nog geenszins van alle ellende was verlost. Weldra waarde een andere booze volksziekte rond, die vooral in onzen Achterhoek honderden slachtoffers maakte en meer malen zulk een omvang aannam, dat de overheid zich genoodzaakt zag ook daartegen handelend op te treden.
Als een ware verlichting was dan eindelijk de gerustheid over het Geldesche volk gekomen, dat het pestgevaar zoo goed als geweken scheen.
Maar, - zooals heden ten dage na ’t verdwijnen van oude kwalen niet zelden weer nieuwe ongemakken den mensch overvallen en bedreigen, zoo werden ook onze voorouders alras weer bezocht door een andere gevreesde ziekte, die vooral in deze gewesten hare slachtoffers scheen te hebben uitgekozen.
’t Was de z.g.g.’ROODE LOOP”, ook wel “braak- of persloop” geheeten, waarvan onze Winterswijksche archieven herhaaldelijk melding maken, in ’t bijzonder gedurende het tijdvak 1780-1820, toen expresse maatregelen noodig bleken om den voortgang der ziekte te stuiten. In 1783 vooral schijnt zij epidemisch te hebben geheerscht en zulk een dreigend karakter te hebben aangenomen, dat de Drost van Bredevoort ongerust begon te worden en ’t noodig oordeelde, dat hem op geregelde tijden uit de verschillende deelen der Heerlijkheid over den aard en den omvang der ziekte gerapporteerd werd. En nu blijkt uit die rapporten, dat vooral Winterswijk in niet geringe mate onder de ziekte te lijden had. Voor ons ligt b.v. een verslag over de maanden October en November van genoemd jaar, waarin Dr.BECKING, mede uit naam van de “Chirurgijns” F.RABELINK, J.H.POPPINK, S.WIJGING en den boer HARMEN OONK verklaart, dat de ziekte vooral in de buurtschappen steeds ernstiger begint op te treden. Enkel in die beide maanden waren 169 gevallen officeel geconstateerd, waarvan het verloop was geweest als volgt:
OVERLEDEN: 44
GENEZEN: 72
NOG LIJDENDE: 53
Geen wonder, dat onze “achtbare” chirurgijns de handen vol werk hadden en dat zoowaar WANDER-KOSSINK , timmerman en houtkooper te Ratum, die de doodkisten voor de armen maakte, begon te klagen, dat hij ’t werk onmogelijk alleen meer af kon, temeer niet, wijl de overheid had gelast, dat de gestorvenen zoo spoedig mogelijk begraven dienden te worden. En zoo was het nu niet enkel in 1783, - zoo woedde de ziekte met varieerende hevigheid nog onderscheidene jaren voort. Getuige b.v. een oude statistiek uit die dagen, die het epidemisch heerschen van den persloop aldus beschrijft:
“Verschrikkelijk was de verwoesting welke toen (1783) deze ziekte in Gelderland aanrichtte, alleen zich in die plaatsen weinig of niet vertoonende, waar dezelve vier jaren vroeger geheerscht had. Te Arnhem werden van het midden der maand Juli tot het laatst van Augustus 198 menschen weggerukt en men rekende er op dier zieken één doode, te Zutfen overleden in drie maanden 258 menschen, waarvan 170 aan den persloop (dysenteria epidemica). Echter woedde dezelfde ziekte van tijd tot tijd meermalen in mindere mate in de provincie. In 1793 leed hierdoor vooral een gedeelte van het Zutfensche kwartier, waar sommige dorpen in twee maanden tijds een tiende gedeelte hunner bevolking verloren. Ook heeft in 1810 de persloop in eenen geringen graad te Arnhem en in de nabijheid dier stad en in 1811 op de Veluwe en vooral ook te Wenterswyk en elders geheerscht en ook nog laatstelijk in den nazomer van 1822, welke verschillende epidemiën van persloop telkens door de geneesheeren dier tijden zijn erkend geworden te zijn van eenen catarrhalen aard en aan de afwisseling van koude en warmte van het weder toe te schrijven.”
Dat Winterswijk hier met name genoemd wordt, bewijst wel, dat de ziekte er inderdaad ernstig heeft huisgehouden. Trouwens, dat bleek ook uit de rapporten die bovendien nog angeven, dat ook in 1803 en 1804 en zelfs gedurende het geheele tijdvak 1779-1794 de ziekte in het uiterste Oosten der Graafschap heeft rondgewaard en er honderden slachtoffers heeft gemaakt. Doch naast 783 zal toch vooral steeds 1811 met een bijzonder zwarte kool blijven aangeteekend, aangezien de epidemie van dat jaar in korten tijd zooveel personen ten Grave sleepte, dat de bevolking werkelijk door een algemeende vrees bevangen werd. Mag men de overlevering gelooven, dan was ’t zelfs zoo erg, dat de Municipaliteit het geraden achtte het traditioneele “overluiden” der dooden tijdelijk achterwege te laten, wijl op sommige dagen de klokken wel vier-,vijfmaal werden aangetrokken en dat veelvuldig gebeiër voortaan al te verontrustend op het gemoed der burgers werken zou!
En welke waren nu de kenmerken der ziekte? Hoe werd zij door de overheid en de mannen der geneeskundige praktijk bestreden?
Die vragen, Lezer, vindt gij beantwoord in een eigenaardig geschrift, dat in 1779 en volgende jaren ter waarschuwing en voorlichting onder het volk verspreid werd en waarvan ons toevallig nog een ongeschonden exemplaar in handen kwam. ’t Is te uitvoerig om het hier in zijn geheel af te drukken, zoodat wij volstaan met de vermelding van enkele passage’s die echter curieus genoeg zijn om menigeen bij het lezen nog een glimlachje te ontlokken.
“Onderrichtinge, ter voorbehoeding tegen den ROODEN LOOP, die zig op sommige plaatsen heeft geopenbaart.
Na een nauwkeurig onderzoek op de Plaatsen zelve, van de toevallen van de Ziekte en vergelyking van hetgeene wij gezien hebben met de berigten, die ons bezorgd zijn, van Perzoonen, die de Ziekte hebben waargenomen, zijn wij overtuigt, dat zij een galagtige, algemeene, een zelfs besmettende Roode Loop is. Zij is overal van dezelfde aart, ofschoon zy op verschillende Plaaatsen en zelfs in verschillende onderwerpen van dezelfde Plaats, minder of meerder zwaar is gescheenen, in zoo verre, dat men in zommige gevallen niet meer dan een eenvoudige Diarrhee heeft waargenoomen, of een Gal-rotagtige Koorts, zonder eenige Buykloop of Geelzuccht. Het komt ons buyten twijfel voor, dat de ongemeende droogte en hitte van den laatsten Zoomer het beginsel en de eerste oorzaak geweest zijn van deeze Krankheid.
In het algemeen hebben wij ons gehouden aan de geneeswijze van den heer Tissot. Bij gevolg hebben wij vastgesteld, dat men aanstonds op de eerste teekenen van deeze Ziekte een Braak-middel aan den Kranken ingeeve, zonder in aanmerking te neemen, nog zijne Jaaren, nog schoon hij er te vooren een had genomen, nog die omstandigheden, die men gemeenlijk aanmerkt als tegenstrijdig, bij voorbeeld al te groote zwakheid, zwangerheid en zoo voorts. Zoo het eerste Braakmiddel geen effect genoeg scheen gehad te hebben, zal het goed weezen, dat men het zelve 6 of 7 uren naderhand herhale, ten minsten den volgenden of den tweeden dag daarna. Men moet van een Braakmiddel tot een gepast Laxeermiddel overgaan, hetgeen voor Menschen, die in langen tijd niet gepurgeerd hebben, kan bestaan uit 2 oncen Pap van Tamarinde een oogenblik gekookt en één en een half pint zuyver Water en vervolgens doorgezeegen. Men neemt daar van een Glas van 4,5 of 6 oncen, en zoo men na verloop van vier of vijf uuren niet purgeert, neemt men nog eens dezelfde hoeveelheid.
Zoo men goed vind om een once Manna (Hars,dat vroeger wel als tabak gekauwd werd) of een of twee dragmen Cremor Tartari, (Wijnsteen (voor bloedzuivering)) in een van deeze giften te laaten smelten of wel om 3 of 4 oncen Laxatief-water van Weenen in derzelver plaats te neemen, dat zal meer kragt doen aan sommige Menschen, die meer met moeite tot purgeeren te brengen zijn. Het oogmerk van deeze geneeswijze is, om terstond van deeze geneeswijze is ,om terstond buyten het Lichaam te brengen alle kwaade stoffen, die in de Maag en derzelver nabuurschap huysvesten, en om de Galblaas van al derzelver Gal kragtdadig te ontlasten, en naar beneden uit te drijven het geene in de Darmen zoo ver mogt weezen afgedaald, dat het niet naar boven kan worden uitgebragt. Het is van het uiterste belang, dat de Kranke dikwijls drinkt, ’t zij Huy van Zoete Melk of Karnemelk, die wel gezyd is, hetzij Gartse-Water, of Rijst, of Brood-Water met Citroen eenvoudige Oxymel neemen, of zuyvere Rhynscne of Moezelwijn, of zelfs Roden Wijn, na dat de Geneesheer zulx best zal oordeelen volgens de omstandigheden. Men kan zig van dezelve Dranken bedienen tot Clysteren die dikwijls in dit soort van gevallen nodig zijn, of men kan neemen een afkookzel van Verbascum of Wolle-kruyd of van Malva, of van Althea met Bloemen van Vlier, van Camonille, en een weinig Zuiker, of het geene nog beter is, Syroop van Violen; deeze afkookzels kunnen ook dienen om den Anus te stoven, indien de persingen al te hevig zijn”….
Men begrijpt wel, dat wij niet volstrekt afkeuren hetgeene wij niet bepaaldelijk noemen, bij voorbeeld Dranken, die met Arabische Gom zijn gepraepareerd, of met Gom Dragant of de Saleb of de Sago, of het afkooksel van Sydenham, in de beginselen zonder en naderhand met een weinig Caneel, nog zoete Amandelmelk, nog zelfs Zaadmelken van verkoelende zaaden, die niet schaden en bekend zijn, en zoo voorts.
Ook ziet men gemakkelijk in welk geval en op wat tijd een afkooksel van Simarouba of van Cachou of iets zoortgelijks den voorrang verdiene voor slijmerige en slapmakende Middelen of wanneer het den tijd zij, om van boven en van onderen versche Melk te geeven met een Net; of wanneer het tijd zij om den kranken te versterken, vooral door hartsterkende Meelvoedzels met of zonder Wijn; of toevlugt te neemen tot goeden Kina Kina, tot de Virginische Serpentaria, Contrajerva, Campher, Rhabarber in een aftreksel, of tot de Cascarille, of zelfs tot de muscaatnoten met voorsigtigheid hoe en onder wat gedaante, of eyndelijk, wanneer het de tijd zij van het Diacordium of van den Theriakel. Wij zeggen niets van den Wortel van Colombo of van de Lopesiana, die wij voor het laatste Hulpmiddel in zekere gevallen zouden houden.
Wanneer het blijkt, dat het alleen de Endeldarm is, die aangedaan blijkt, gelijk dikwils gebeurt, en dat de gekookte Melk met een stuk van een Net, geen uitekering genoeg hebben, dan kiesen wij boven de Zalven een aftreksel van Vlierbloemen in Melk, waerbij men de Violenstroop voege en somtijds de Stroop van den Smeerwortel, al was het zelfs Room van Melk met Eijerdooijeren, en Zalf genaemt Polelium & C.
Voor het overige veragten wij niet het Clysteren met Melk, met Terpetijn, Eijerdooijeren en Theriakel. Men moet zien of in zulk een geval eenige Bloedzuigers aan den Anus niet van nooden zijn; het gebeurt somtijds dat men niet anders tot zijn oogmerk komen kan. Men moet verder zonderling zorge draagen om zijn lichaam zeer zuiver te houden en zijne Voeten, Handen en Aangezigt dagelijks wel te wasschen. Men moet ook voorzigtig zijn om niet te veel Vleeschspijzen te eeten en vooral toezien, dat men daar van niet proeve, wanneer er eenige reuk aan is. Het is goed, zoo men Citroen, Zuring, Azijn of Cremor tartari voegt bij alle toebereidzels. Men moet het zelve in agt nemen ten aansien van Visch; het is boven alles goed Groentens tot zijn voedzel te neemen. Endievie, Chichory tot Slaa met Azijn, rauw, wanneer dezelve malsch zijn, of gestoofd met Zuring, wanneer zij te hard zijn, zijn de geschikste Groentens.
De Aard-appelen met Azijn-sauce doen geen kwaad, maar wel integendeel….enz.enz…..
Men ziet het; de overheid zat niet stil en de middelen, door haar aanbevolen, waren, althans wat de zindelijkheidsvoorschriften betreft, zoo kwaad nog niet!
Jammer alleen, dat ze zoo weinig doeltreffend mochten heeten ,waar menig armen lijder het hoofd wel duizelen moest als hij uit zoo’n lange opsomming van allerhande mengsels, aftreksels en kruiden, tenslotte eene voor hem passende keuze moest doen! Wat had men aan zoo’n labyrinth van geleerde raadgevingen, waar een beproefd huismiddeltje zooveel eenvoudiger en………. Toch minstens even heilzaam heeten mocht.
Kende men dan niet het overoude middel van “Vrouw Barths”, dat in 1702 bij de toen heerschende epidemie wonderen verricht zoude hebben en dat ook in 1736 weer algemeen toepassing gevonden had, te weten; “3 oncen Jenever of wijn, met even zooveel oncen Boomoly en 2 oncen suiker”!
Daar ging men liever toe over; zegt de hoogleeraar van Geuns in zijn in 1874 verschenen verhandeling over den Persloop dan tot “onze werkelijk verzagtende middelen, die nog wel voor niet te bekomen waren!
Of men nam zijn toevlucht tot een met hooge aanprijzing uit den Haag gezonden voorschrift: “3 Dooijeren van Eyeren, 2 lepels vol Boomolie, een halve Moscaatnoot, 2 oncen broodsuiker en 10 oncen Rhijnsche wijn”.
En mocht onverhoopt ook dat nog niet helpen, dan was er immers nog het “Beproefde middel tegen den Rooden Loop, openlijk in een bekend Tijdschrift aanbevolen en zelfs in de “Nieuwspapieren” dier dagen met veel ophef aangekondigd, te weten: “4 oncen versch vet spek, met 6 eyeren in een pan gebakken en in drie deelen met vet en al warm opgegeten”.
Daar waren nu al zooveel wonderen van verteld en de ingrediënten lagen ook zoo geheel binnen ieders bereik, dat ’t wel onverantwoordelijk heeten mocht, als iemand verzuimde er een proef mee te nemen.
Ten minste zoo dacht de goê-gemeente er over. Maar de mannen van het vak werden bij den dag ongeruster over de gevolgen van die hooggeprezen olie-en brandewijnmiddelen, die in elk geval voor zwakke magen al te “machtige kandeeltjes” moesten zijn. Ja, zij toornden tenslotte, toen het reeds genoemde “spek-en eierenpreparaat” in vollen ernst door sommige nieuwsbladen openlijk werd aanbevolen. Dat was volksmisleiding meenden zij, waar toch ieder wel begrijpen kon, dat zulk een walgelijk vet baksel zelfs de beste maag van streek brengen moest. “Immers wie grilt niet” – schreef spottend de hoogleeraar van Geuns in 1784 – “op de gedagte van zulk een smeerigen, magtigen darmprop! Ellendige lijders, die tot zoo eene proef, die zeker geen ernstige weerlegging waardig is, verweezen wierden! Eenen Groenlander, wiens Kraamvrouw op een soepje van Walvischspek vergast wordt, moge ook deze Spekstruif wel bekomen!”
Edoch! Wat kon zoo’n protest in die dagen voor uitwerking hebben, waar nu, honderd jaar later, de strijd tegen de dwaze “Volksgeneeskunde” en de z.g. “Kwakzalverij” nog verre van uitgestreden is. Nog altijd zijn de huismiddeltjes in eere en nog altijd worden de geheimmiddelen van wonderdokters en “waterkijkers” door de groote massa met bijzondere voorliefde genuttigd. En meer dan ooit staan de dagbladen tegenwoordig vol met reusachtige aanprijzingen van allerhande universeel- en kwakzalversmiddelen, die den bereider wel het gewenschte voordeel, doch den armen lijder meestal geen baat verschaffen.
Hoe bedenkelijk dat ook zijn moge, - enenerzijds mag ’t gelukkig heeten, dat de “Roode Loop” er geen part of deel meer aan heeft.
Voor de zoo gevreesde Aziatische Cholera, in den aanvang dezer beschouwingen genoemd, zijn onze Winterswijksche voozaten voorzoover wij weten gespaard gebleven. Gelukkig!
Maar de schrik is hun wel terdege om het hart geslagen, toen vooral in 1886 in sommige plaatsen van ons land eene ontzettende epidemie was uitgebroken. Zondag op Zondag werd toen in onze groote kerk voor Winterswijk en zijne bevolking Godes bijzondere bescherming afgesmeekt, terwijl de arme lijders elders zoowel in den gebede als bij de collecte met broederlijke liefde herdacht werden. Ook in 1830 had dit reeds plaats gevonden, maar onze ongeletterde Winterswijksche bevolking, die nog nimmer van de “nieuwe ziekte” – die trouwens eerst in 1825 de Europeesche grenzen overschreden had – gehoord of gelezen had, schijnt toen nauwelijks begrepen te hebben, welk gevaar nu eigenlijk dreigde. In den beginne althans – we mochten het dezer dagen nog uit den mond van een achtenswaardig ingezetene vernemen – moeten er geweest zijn, die onder ’t voorlezen der cholera-berichten uit de courant door den schoolmeester Van Dijk, geenszins gedacht hebben aan het epidemisch heerschen eener kwaadaardige ziekte, maar in hun onnoozelheid zich een gevreesden Russischen generaal (“Cholera aziatica” geheeten) hebben voorgesteld, die met een bende kozakken de grenzen was overgetrokken en aan wiens moorden en plunderen het groote getal dooden te wijten zou zijn, waarvan in de alarmeerende berichten telkens sprake was. Dubbel gelukkig, dat die generaal te Winterswijk is uitgebleven; hij zou van de onkunse en de weerloosheid der bevolking al te veel partij hebben kunnen trekken!
EEN DOKTER-TARIEF
In geval van ziekte zijn de menschen gewoon aan een dokter te denken. Tegenwoordig vooral. En men ziet er niet tegen op, zelfs den “duursten” professor te raadplegen, als er maar even kans op genezen bestaat. Gelukkig voor den patiënt, voordeelig voor den dokter!
Vroeger echter zagen de menschen het geval liever nog eens aan en telden dan ten slotte hun penningen wel terdege na, om te overwegen of zoo’n gang naar den “man der wetenschap” finantieel niet een al te groot waagstuk zou kunnen zijn! Zoodat onze vroegere dokters, al was er veeltijds van onderlinge concurrentie nog zoo goed als geen sprake, toch altijd voorzichtig moesten zijn met de vaststelling hunner tarieven, die er dan ook meestal zeer billijk uitzagen. Ziehier b.v. eene prijslijst van DR.J.REICHMAN, medicinae doctor te Winterswijk, in den jare 1840 op verzoek van Armbestuur der Ned.Herv.Gemeente afgegeven:
Voor een mixtuur of drank 25 cents
Kina-mixtuur in geval van rood-zakelijkheid 45 cents
Een poeder om op eens te nemen 1 ½ cents
Kruiden voor elk lood 5 cents
Een Spaansche vliegenpleister 5-10-15 cents
Gezuiverde levertraan met kwartpond Nederl. 30 cents
Bloedzuigers het stuk 12 cents
Een aderlating 20 cents
Een lavement 20 cents
Een visite buiten de plaats voor elk half uur afstands 25 cents
Deze dokter REICHMAN was reeds sedert 1812 te Winterswijk gevestigd. Uit de gemeentekas genoot hij aanvankelijk een jaarlijksche toelage van f 150, maar na 1816 moest hij dit bedrag deelen met G.J.ZWANEVELD, die als tweede “heelmeester” was aangesteld.


