WALIEN
NIEUWE TILBURGSCHE COURANT
28 JANUARI 1908
BRANDEN:
Uit Winterswijk schreef men van 26 dezer:
Hedenavond is het kasteel "Het Walien", gelegen op een klein half uur afstands van Winterswijk, uitgebrand. De brand moet ontstaan zijn door een petroleumstel. Het kasteel is thans bewoond door de familie v.d.M en is voor enkele jaren inwendig gerestaureerd. Voor dien tijd heeft het eenige jaren als vacantie-kolonie huis gediend. De muren, zowel de buiten-als binnenmuren, zijn blijven staan, en geen wonder, sommigen ervan zijn 70 a 80 cm.dik. huis en inboedel zijn verzekerd.
Met dezen brand gaat een der oude havezaten in het graafschap verloren. Wel zijn de muren blijven staan, doch het is nu de vraag of het kasteel weer zijn vroegere gedaante zal herkrijgen. Trouwens in den loop der tijden heeft het reeds verschillende moderniseeringen ondergaan, zoodat het, zoowel wat vorm als wat grootte betreft veel van zijn vroegeren toestand heeft ingeboet. De naam van het kasteel komt omstreeks 1570 ’t eerst voor.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------

’t Waliën is een voormalige havezathe in de Nederlandse gemeente Winterswijk, noordelijk gelegen van het dorp Winterswijk, in de buurtschap Huppel.
De naam Waly of Walyen komt voor het eerst voor in documenten uit 1340. Evert van Walyen werd in 1402 beleend met de goederen Keylwinck, Boefkinck en Bennekinck in de Buerschap van Hoeppele. Van een huis Waliën wordt nog niet gesproken. Deze drie erven moeten wel de kern van het latere goed Waliën hebben gevormd, want in het leenregister werd later de naam Walyen er aan toegevoegd. Pas in 1570 wordt gesproken van een huis Walyen, naast Keylwinck, Boevekinck en Bennekinck, met bouw- en weilanden, zowel hoog- als laaggelegen en nat of droog. Het goed was in bezit is van de Westfaalse adellijke familie Van Munster. Jacob van Munster heeft veel schade geleden in de Tachtigjarige Oorlog. Zijn huis was mogelijk verwoest en hij verkeerde in geldnood, wat zijn zoon Herman ertoe gebracht moet hebben om zijn erfenis in 1607 te verkopen aan de Zutphense burgemeester Henrick van Eck tot Medler. Na nog enkele malen van eigenaar verwisseld te zijn, kwam het in 1725 in bezit van de familie Van Heeckeren. In 1749 verloor het huis de status van havezathe, en daarmee het recht tot zitting in het gewestelijk bestuur, de Staten van het Kwartier van Zutphen. De Van Heeckerens lieten dit recht overschrijven op huize De Kemnade bij Doetinchem.
Het huis werd daarna verwaarloosd. In 1805 werd het door nieuwe eigenaren verbouwd. Het Waliën bestond daarna uit een herenhuis, grachten, tuinen, boomgaarden en een aantal boerenerven. Toen vanaf 1840 praktisch alle Waliënse pachters naar Amerika vertrokken moesten de eigenaren zelf het land van de verlaten pachtboerderijen ploegen en bebouwen.
Begin 20e eeuw werd het huis een vakantiekolonie van de Nederlandse Protestantenbond. In 1905 kwam het in handen van iemand die er een raskippenfokkerij wilde beginnen. Het huis werd daarbij geheel gerestaureerd.
Brand
Op 26 januari 1908 ontstond er een brand door een omgevallen petroleumlamp, waarbij het huis volledig afbrandde. Het werd niet meer herbouwd. Het enige overblijfsel is een stuk van de westmuur met acht familiewapens. Tevens is nog een deel van de gracht bewaard gebleven en enkele bijgebouwen. De restanten zijn vanaf de openbare weg te bewonderen.
In juli 1908 is het landgoed geveild. Hierbij is het uiteengevallen. Tien boerderijen en alle gronden werden verkocht. De gemeente Winterswijk kocht een stuk grond voor de bouw van een school, de huidige OBS ’t Waliën.De ruïne met moestuin en een stuk bos zijn gekocht door een zoon van de Winterswijkse textielfabrikant Jan Willink.
Het muurrestant is nu een rijksmonument.
(Bron: Wikipedia)
Het Huis Waliën
“In Memoriam!” zouden we kunnen zeggen! Want Waliën’s oude behuizing is niet meer; – de felle vuurzee van Zondagavond j.l. heeft de wit gepleisterde muren in een grauwe ruïne veranderd, heeft het torentje en het uurwerk naar beneden doen storten en daarenboven alles verteerd, wat zich daar op die talrijke ruime kamers aan huisraad etc. bevinden mocht.
Hoog sloegen de vlammen boven het omringend geboomte uit, en, als een prachtige gouden-regen dwarrelden de knetterende en sissende vonken neer in de grachten, waarin de dikke ijskorsten bijkans smolten door de hitte, die het woedende vuur alom verspreidde. En een hel roode gloed teekende zich af aan de donkeren hemel ver in den omtrek het onheil verkondigend en van heinde en verre de talrijke nieuwsgierigen lokkend, die weldra in breeden kring ’t indrukwekkende schouwspel stonden gade te slaan.
Het was een treffend moment, van historische beteekenis tevens voor de plek, waar die honderden toeschouwers een wijle geschaard stonden. Daar verging immers het oud-adellijk huis Waliën, zooals het zich steeds aan het jongste geslacht vertoond had, met zijn oude, zware muren, die nog herinnerden aan de fundamenten van de oorsponkelijke behuizing, zooals ze eenmaal in de Middeleeuwen bestond, met zijn breede trap aan de voorzijde en den historischen steen met diverse wapenfeiten, aan de westzijde onder één der ramen ingemetseld.
Daar werd door het vuur verzwolgen een overblijfsel van Winterswijk’s voormalige burchten, een weliswaar gemoderniseerd, maar toch voor een deel nog authentiek, stuk van Middeleeuwschen arbeid, een laatste origineele herinnnering aan den luister, dien zoveele adellijke geslachten hier hebben tentoongespreid.
In “Uit Winterswijk’s Verleden” hebben wij van Waliën’s vroegere grootheid, zijn bewoners en lotgevallen het een en ander gemeld, dat stellig bij vele lezers van dit blad niet onbekend zal zijn gebleven. Maar sedert de verschijning van het werkje hebben wij gemeend omtrent enkel daarin vervatte gegevens een andere
opvatting te moeten koesteren, zoodat het niet geheel overbodig mag heeten, daarop nog even terug te komen, temeer wijl door de jongste gebeurtenissen veler aandacht weer een wijle op het oude landgoed gevestigd is geworden.
Waliën, schreven we, moet reeds in 1402 hebben bestaan. De drie goederen Kelwinck, Bennekinck en Bovekinck, die ook in 1805 in eene acte nog aldus genoemd werden, kwamen destijds in het bezit van heer Evert van Waliën, wiens nakomelingen tot 1489 als eigenaren geboekt zijn gebleven. Van een kasteel of slot was toen wellicht nog geen sprake, omdat eerst later bij eene belening in het jaar 1570, afzonderlijk van het bestaan van een huis Waliën melding gemaakt wordt. Zeer waarschijnlijk strekte echter één der drie genoemde goederen den eigenaar tot verblijf, daar het zoo goed als zeker is, dat de Van Waliëns hier ook woonachtig waren. In 1440 namelijk, lezen we, dat de knechten van de heer Willem van Waliën uit de Onlanden bij Groenlo eenige koeien gestolen hebben, voor welke rooverij genoemde Willem van den Groenloschen richter terecht moest staan. Een feit, zouden we meenen dat tevens doet uitkomen, hoe machtig en aanmatigend de Van Waliens toen der tijd reeds konden optreden. Geheel in overeenstemming met de tijdsomstandigheden deden ze zich als echte roofridders gelden, geenzins zich storend aan bepalingen of rechten, die naburige dorpen of buurten hadden vast gesteld. Daarvoor voelden ze zich blijkbaar te veillig op hun landelijk verblijf te Waliën, achter breede grachten zich wellicht sterk genoeg wanend om lastige aanklagers en indringens van het lijf te houden.
Want het lijdt geen twijfel, dat ook destijds de goederen Kelwinck, Bennekinck en Bovekinck reeds van versterkingen voorzien waren. Aan den loop der grachten op de havesathe is dat thans nog vrij gemakkelijk te ontwaren. Van het kasteel toch loopt de gracht noordwaarts door tot ver voorbij de school, om zich om te buigen naar het tegenwoordige “Jageweg” (dat, zooals we nader zullen zien, één der drie oorspronkelijke goederen is), welke plaats eenmaal door het water omgeven evenals het op de ander zijde liggende “Pas”, dat
eveneens tot de drie oorspronkelijke hoeven gerekend moet worden. Toevallig waren we dezen zomer er nog getuige van, hoe bij funderingswerken voor de nieuwe onderwijzerswoning te Huppel de werklieden te kampen hadden met een lastige “wel”, op een plek, waar zij die geenszins verwacht hadden, namelijk verscheidene Meters ten Z. van de nog bestaande gracht tegenover “Jageweg” en de School. Naar de situatie van den bodem en andere omstandigheden te oordelen, verklaarden zij ten slotte het geval zich enkel aannemelijk te kunnen maken, door aan te nemen, dat ook daar, waar nu de onderwijzerswoning staat, eenmaal een gracht moet hebben geloopen.
Niet onmogelijk zou dit dan het water zijn geweest, dat eertijds ook het “Pas” binnen den veiligen kring besloten hield.
Maar dan rijst de vraag: welke van de tegenwoordige goederen vroeger onderscheidenlijk “Kelwinck”, “Bennekinck” en “Bovekinck” moeten hebben geheeten. In Winterswijk’s Verleden” (bladz.52) meenden wij, afgaande vooral op etymologische gronden, in “Bovekinck” het tegenwoordige “Bovenhuis” (de boerenwoning vlak naast het kasteel) te herkennen, om Kelwinck en Bennekinck dan onderscheidenlijk voor “Jageweg” en “het Pas” aan te zien, doch er zijn ook overwegingen, die een andere veronderstelling aan de hand doen en zelfs geloofwaardiger doen schijnen.
Vooreerst toch moet het wel bevreemding wekken, waarom in al de acten, die in de verschillende eeuwen omtrent Waliën gewisseld zijn, steeds het goed “Kelwinck” het eerst wordt genoemd. Zou dat, in overeenstemming met de gewoonte om het belangrijkste vooraan te plaatsen, er niet op doelen, dat Kelwinck de hoofdbezitting moet zij geweest? En zo ja, zou dan niet tevens daaruit moeten volgen dat de oude ridders van Waliën oorspronkelijk op “Kelwinck” verblijf hebben gehouden, om eerst later, in de eerste helft der 16e eeuw, een meer trotsche burcht naast de oude versterkte hoeve te hebben doen verrijzen?
Dan moet het oude “Kelwinck” het tegenwoordige “Bovenhuis” zijn geweest, hetgeen inderdaad niet onwaarschijnlijker wordt, als men de constructie van dit buitengewoon groote en ruime boerenhuis, heden ten dage nog eens van nabij opneemt. Aanstonds valt het op, hoe diep die kelders nog zijn en hoe stevig de muurfunderingen er uitzien, terwijl ook de forsche schoorsteen (schouw) ¹) en andere opmerkelijke zaken onwillekeurig nog doen of denken aan iets buitengewoons, dat geen ander huis in de omgeving kenmerkt.
Inderdaad de omstandigheden van thans staan de geopperde veronderstelling niet in den weg. En wat meer zegt: de acte van 1805, waarbij de Van Heecherens de havasathe aan Harmen Jan Tentink en Catharina Maria Kossink overdragen, schijnt er, bij aandachtige beschouwing zelfs geheel mede in overeenstemming te zijn. Daarin wordt gesproken van de onder de havesathe “gehoorende boerenerven met dezelver getimmertens, met namen: Keijewijk, Bonekink en Bovekink, modo Jageweg en het Pas, bevens de catersteden Buitenbos, Alofsplaatsje en Pashuisken, en waarin het latijnsche modo de beteekenis van “thans”, tegenwoordig heeft, zoodat men, met inacht neming van de komma achter “Keijewijk, feitelijk moet lezen, dat “Jageweg”en het “Pas”voorheen respectivelijk “Bonekinck”en “Bovekink”, waren geheeten.
Over het kasteeldak bestaan met de wapenschilden en erkerbijzonderheden, valt aldus ook nog wel het een en ander te zeggen, maar om niet te uitvoerig te worden, stellen we ons voor daarvoor de aandacht te vragen in een volgend artikel.
Enkel willen we den belangstellenden lezen hier nog verwijzen naar een afbeelding van een zeer oude tekening van Waliën en zijn omgeving, zoals die gevonden is in het archief der familie van Rhemen (archief Geldersche Toren, Arnhem) die, zooals men weet, een tijdlang op “Ravenhorst” verblijf heeft gehouden. Het teekeningetje is in de etalage van den heer Albrecht te bezichtigen en biedt een eigenaardig contrast met de tevens geëxposeerde afbeelding van het huis Waliën, zoals het er vóór den brand heeft uitgezien. Zoo heeft zoowaar ook deze prentbriefkaart plots een historische waarde verkregen, omdat ze in afbeelding bewaart wat eensklaps meedoogenloos in een puinhoop veranderde.
In dezelfde etalage zijn tevens geplaatst eenige fraaie foto’s van de ruïne, vervaardigd door den heer J.H. Konings, zoodat daar nu in beeld een groot gedeelte van Waliëns geschiedenis te bezichtigen valt.
De vermelding van het archief van de van Rhemens doet ons ten slotte nog denken aan eene onder acte, eveneens in dat archief gevonden en mede op Waliën betrekking hebbende, zoodat we ook deze nog even willen renoveeren. Ze betreft den verkoop van een oud en bouwvallig huis op de havesathe Waliën en luidt woordelijk aldus.
“Op dach unde tijdt als nemptlich den X en dach July anno 1604 ist ein guetlich unde wisslich koep geschehen tusschen den Edlen unde erenfesten Jacobus van Munster unde den edelfesten Steven van Remen van vijff gebundt huses, als ze itzigen tijdt daer staen up ten huyse to Waliën met gevel, plancken unde ander holtwerk, dat naegelvast is. Wat aver die vier gebundt angaet, am mangel van dien sal die voerbenoemde vercoeper daerbij doen unde die gebrecken verbeteren. Dis sal die vercoeper oick lieveren een dusent steenen schonn unde drie hundert pannen.
Wat wijder belanget an den aven, dat die niet sal gemolistiert worden unde wat die vercoeper begert te beholden, dat die aven niet beschadigt werdt sal den vercoeper vrij staen umb datselvige daerjegens guetlich te vollen doen unde daer ander holdt voer in die stadde to leveren. Ende voerts onder dat vierkante werck (datwelck die coeper zal laten doen leggen op sijn kosten) sal vercoeper dat saelholt rundt daerby leveren, unde so in den dalebrecken ennich holt befunden wierde daer mangel oder fuyle an ware an stijle, balcken, latten ofte ander holtwerck, sal die vercoeper mit runden holten daerbij leveren was an die vier gebundt huses an latten mangelen werden sall. Die vercoeper oick een rundt holt toe lieveren voor de somma van vijftig daleren ad 30 stuvers ’t stuk.” Was geteekend: Jacob van Munster, Steven van Remen.
Oude teekeningen van Waliën – een zestal mochten we terugvinden – brengen behalve het huis, ook eenige der onder hoorige erven en bijgebouwen in beeld. Een paar daarvan geven ook de ophaalbrug te aanschouwen, die eertijds het verkeer met den buitenweg willekeurig kon stremmen of onderhouden. Onmiddellijk daarnaast (of daarachter) ontwaart men de woning van den poorter, den man, wien de bediening van brug en poort toevertrouwd was en van wiens voortdurende waakzaamheid het voor een groot deel afhing, of de ridders en edelknapen, de baronnessen en jonkvrouwe daar binnen op het erf der avonds veilig hun hoofd ter ruste konden leggen. Want hoe aanlokkelijk het avontuurlijke ridderleven uiterlijk ook schijnen mocht, hoe machtig en driest ze in de naaste omgeving ook optreden konden, meer dan de arme landlieden, die sidderen voor hunne bevelen, waren ze overgeleverd aan de listen en lagen van andere machtige concurrenten, kostte het hun moeite en zorg te behouden en te verdedigen en, als ’t kon, ook te vergrooten het bezit en de macht, die ze eenmaal verworven hadden.
En over de heeren van Waliën moet nu heusch niet zoo gering gedacht worden, als men b.v. leest, hoe Vijt van Munster, de edelman, die er in 1534 vertoefde, met allerlei hooge functies bekleed was, en men zich een oogenblik indenkt in de beslommeringen, die daaraan wel verbonden moeten zijn geweest. Hij was o.a. ritmeester van Hertog Karel, en hoe dikwijls zal men hem daarom niet door de Waliënsche laan hebben zien draven op zijn edel ros, om zijn hoogen meester te volgen op verre reizen, tournooien en veldtochten! Hij was Drost van Anholt, Gedeputeerde van de Ridderschap in ’t kwartier van Zutfen, en later, in 1589, Drost van Harderwijk, om in die kwaliteit zelfs door de Ridderschap van de Veluwe te worden afgevaardigd om Willem van Kleef uit den eed te ontslaan.
Waarlijk, voor zulk een “grand seigneur” was een poorter geen overbodige weelde, temeer , waar zijn collega’s, de heeren van “Ravenhorst” en “Buurse” zich in dat opzicht niet minder veroorloofden. Op al deze havesathe’s namelijk was de “hofhouding” naar de eischen des tijds ingericht, en de poorterswoningen zijn er zelfs tot den huidigen dag nog bewaard gebleven, al zijn ze dan ook van plaats van bestemming veranderd. Op Walien is de oorspronkelijke plek nog terug te vinden vlak aan de gracht aan het begin van den oprijweg naar het erf, waar de oude fundamenten niet diep in den grond verscholen liggen. Bejaaarde lieden weten zich trouwens nog zeer wel te herinneren, hoe in de eerste helft de vorige eeuw het huisje geslecht en verplaatst is geworden naar een ander gedeelte van de havesathe, waar de nieuw verrezen woning den tradotioneelen naam “De Poorte” voor het nageslacht zou hebben te bewaren … en nóg bewaart.
De overige bijgebouwtjes op de teekeningen zijn, zonder nadere aanduiding, moeilijk naar hunne afzonderlijke bestemming te onderscheiden. Doch waar in de vroeger gemelde koopacte van 1604 reeds gesproken wordt van een “bakoven”, die niet “gemolestirt”, dat is beschadigd mochten worden, daar ligt het wel eenigszins voor de hand, één van de gebouwtjes daarvoor te houden, evenzeer als men aannemen mag, dat op een zoo aanzienlijk erf toch eigenlijk geen voorraadschuur of een z.g. “bouwhuis” ontbreken kon. En dan was er immers in 1604 op Waliën nog een zeker oud en bouwvallig huis van “vijff gebundt” (zooeven genoemd) waaromtrent Steven van Remen (de kooper) den 12 December 1604, accordirde unde verdroeg met meister Harmen, Stadt-timmerman van Groll unde Derrik t’Osterholt, dat sie hem timmeren unde maecken sollen vier gebundt huses up Groot Oosterholt”, waarvoor de nog bruikbare restanten van het “Olde gekofte huus to Walien” dienst moesten doen.
Doch genoeg hierover. De herkomst en de beteekenis van den steen met de wapenfiguren mogen thans een wijle onze aandacht vragen. En feitelijk zijn we daarmede gekomen aan een punt, dat betrekkelijk van het meeste gewichyt geacht mag worden voor de historie van het gebouw. Want wat daar in de loop der eeuwen op Waliën ook veranderde of verdween, de massieve steen met de gebeeldhouwde wapenschilden wist weer en wind te trotseren, werd ten allen tijde door de latere bewoners geëerbiedigd en gespaard en mag derhalve ook thans nog worden gerespecteerd als het meest autenthieke overblijfsel van Waliën’s oorsponkelijke burcht.. En de ouderdom van het huis, zoodat het van belang is, te weten omstreeks welken tijd het merkwaardige gedenkstuk geplaatst is geworden.
Doch nergens staat dat met zooveel woorden opgeteekend, geen stichtingsacte van Waliën – zoo zij ooit bestaan heeft-- is bewaard gebleven en ook de steen zelf draagt het jaartal niet in zich, dat ons in deze ter voorlichting zou kunnen dienen.
Hoe dan dit tijdstip, zij het ook slechts bij benadering, te bepalen? Wij antwoorden: uit de beteekenis van den steen.
Die acht verschillende wapenfiguren zijn daar immers niet zonder eenige reden geplaatst,. Zij stellen de z.g. “kwartieren” voor van dengene, die ze liet aanbrengen of wiens nagedachtenis zij moeten eeren, en wel zoodanig, dat eerst worden afgebeeld de familiewapens van de beide over-grootvaders en over-grootmoeders van vaderszijde en vervolgens de beide over-grootvaders en over-grootmoeders van moederszijde.
En dan vinden wij, aldus de familieverwantschap opsporende, dat hier sprake is van de kwartieren van Jacob en Sondach van Munster, de beide zoons van den reeds genoemden Vijt van Munster en diens vrouw Dorethea van Ermel, wier ouders en grootouders, voor zoover bekend, verder zijn aangegeven in onderstaand schema:
Sondach en Jacob van Munster,
zoons van :
Vijt van Munster en Dorothea van Ermel,
zoon van : dochter van:
Munster en Gemen read van Ermel en …. van Eyll,
zoon van : dochter van : zoon van : dochter van :
... van Munster Joost van Gemen Wessel … van Eyll
van Ermel
en en en en
… van Besten Hermine van … Holtmolen.
Aeswijn. Agnes van Galen
¹) Door de jongste verbouwing van het huis echter reeds verdwenen
Winterswijk, 29 Jan. 1908
uit: de Winterswijksche courant van 31 Januari 1908
B. Stegeman.
Bovenstaande stond als artikel ook afgedrukt als compleet verhaal in een boekje:
“Uit Winterswijks Verleden”.