Verhalen uit de tweede wereldoorlog:
1. ONDERDUIKERS: Ru Wever, uit: De Winterswijkse Politie,1994
2. HOE WAS HET IN DE OORLOG?: Riet Addink-van den Berg
3. BESTE MENSEN: Gerrit Nekkers
4. GEEN ZUIVERE KOFFIE: Willem Wilterdink, Uit:Verhalen van de grens,1987
5. DE OORLOGSJAREN: Jaap Dulfer: Uit:Onder de Jacobstoren,2001
6. CISKE DE RAT: Antoon Olthof
7.
1.ONDERDUIKERS
Verhaal uit: De Winterswijkse Politie van Ru Wever:
"Kiek is," zeg Moeder Anna, de boerin, terwijl ze naar het keukenraam wees. "Daor kump joh ne politieagent an. Wat zol den hier motten? "Waarschuw de onderdukers, dat ze zich opbargt."
Snel keken de opgroeiende kinderen door het raam en zagen dat een agent per fiets het boerenerf van huize Harmelink in Meddo opreed. Meteen stroomden zij de daele op om de mannen, die hier ondergedoken waren, te waarschuwen.
Het was vrij koud in het begin van het jaar 1945 en de politieman Van Drie kwam handenwrijvend de woonkeuken van de boerderij binnen waar moeder Anna, wat zenuwachtig, een en ander rechtzette. met een "Goede morgen" werd van Drie ontvangen en amicaal als hij was zei hij: "Ik kroep eerst maor wat bi-j de kachel." Gastvrij als moeder Anna steeds was, zei ze: "Agent, lust oew wal ’n kop koffie?"
Natuurlijk lustte van Drie dat wel na zo’n koude tocht per fiets. Terwijl hij zijn koude handen nogmaals wreef zei van Drie: "Ik heb ja de tijd wel. Of ik nu vijf minuten eerder of later bij Elferink kom, zal wel niet erg zijn." "Elferink", zo ging hij verder, "is na de kerst niet meer verschenen bij zijn legeronderdeel in Den Bosch, waar hij als Duits soldaat gelegerd was. Nu moet ik hem ophalen en op transport naar Den Bosch zetten."
Moeder Anna liet niet merken, dat ze geschrokken was door de mededeling van Van Drie en hield zich van den domme. Ze wist heel zeker, dat Elferink, een buurman, die al tientallen jaren in de nabijheid woonde, een hekel had aan die Duitse bedoening en vooral aan dienstname in het leger. Om erger te voorkomen was hij enkele maanden geleden, na een oproep van Duitse overheid, met grote tegenzin vertrokken naar Den Bosch en had toen al tegen zijn vrouw Leida gezegd: "Als het even kan smeer ik hem en duik ik thuis onder."
Moeder Anna liep de keuken in om koffie te zetten en trok de deur achter zich dicht. Haar eerste reactie was vervolgens een der kinderen weg te sturen naar buurman Elferink met de boodschap, dat de politie naar hem onderweg was. Bovendien wist Anna, dat de spoorwegconducteur Rauwers daar ook verbleef als onderduiker. De koffie smaakte Van Drie prima en toen moeder Anna vroeg, of hij nog en kopje lustte, werd dat niet afgeslagen. Zodoende kreeg men bij Elferink de tijd om weg te komen en vluchtten Elferink en Rauwers naar buurman Kersten, waar ze zich verstopten boven de koeistal, in het daar aanwezige hooi.
Van Drie, die de nog ouderwetse kopjes koffie goed hadden gesmaakt, dankt de boerin hartelijk en vroeg tot verbazing van de boerin;" Waar woont eigenlijk die Elferink? Ik weet het niet precies en daarom dacht ik, laat ik het maar vragen bij Harmelink.
Moeder Anna, die inmiddels zeker was, dat haar boodschap goed was overgekomen en dat zowel Elferink als Rauwers zich in veiligheid hadden gebracht, ging met Van Drie naar buiten en wees hem de boerderij Elferink. Vanuit een raam in de slaapkamer werd de tocht van Van Drie naar Elferink nauwlettend gevolgd, vooral toen hij, tien minuten later, op zijn eentje weer terugfietste naar het dorp, zonder Elferink.
Natuurlijk was men bij de fam.Harmelink nieuwsgierig hoe het bij Elferink gegaan was tijdens dit politiebezoek. Moeder leida, nog wat wit rond de neus, vertelde direct: "Toen agent Van Drie mij vroeg of Elferink in huis was, heb ik hem doodkalm gezegd, dat hij in dienst was in Den Bosch en Van Drie had er vlot vrede mee."
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------
2.Hoe was het in de oorlog?
Met dank aan Riet Addink-van den Berg voor het mogen plaatsen
Iets van de oorlog merkte ik, toen in de 3e klas, dat moet dus in 1938 of 1939 geweest zijn, 2 Duitse kinderen bij ons kwamen. Een tweeling, Helga en Helmuth. Nu realiseer ik me, dat de familie gevlucht was voor het Hitlerregime. Toen was het alleen maar interessant. Onze juf probeerde hen in het Duits wat van onze taal bij te brengen. Op een gegeven moment zei ze : “Helmuth, Du bist ein Faulpelz”. Wij kwamen niet meer bij van het lachen. Een Faulpelz. Wat een gek woord en wat betekende het? Een van de kinderen wist het: faul was vuil en pelz was een paddestoel. Een vuile paddestoel dus. Nog meer hilariteit.
De tweeling is maar kort gebleven. Na een paar maanden bleef hun plaats leeg. Ze waren naar Amerika, werd gezegd.
Aan dat kalme leventje kwam een abrupt einde op 10 mei 1940, de overval door Duitsland, hoewel er na de eerste hectische week, zeker voor ons kinderen, weinig veranderde. Ja, er liepen Duitse soldaten rond, er werden aanplakbiljetten opgehangen in 2 talen, waarop stond wat niet meer mocht, maar in die eerste tijd na de capitulatie gingen de Winterswijkers door met wat ze altijd al deden. De school begon weer, iedereen ging gewoon naar zijn werk en de winkels bleven verkopen, al was niet alles meer voorhanden zoals eerst. De bonkaarten hadden al hun intrede gedaan, maar schaarste........nee, dat niet.
In de eerste week na onze capitulatie kwam het bevel: totale verduistering. Dat hield in, dat, zodra het donker werd, er geen straaltje licht te zien mocht zijn. De straatlantaarns bleven uit, uit huizen mocht geen spoortje licht meer komen, anders kreeg je een forse boete of erger. Fietslantaarns moesten worden afgedekt, zodat ze niet van boven te zien zouden zijn.
Winkeldeuren kregen een contact, waardoor het licht in de winkel uitging, als een klant de deur opende. Vooral als er veel klanten waren, was het een komiek gedoe. Je stond telkens met z’n allen in het donker tot de deur weer sloot. Het waren gouden tijden voor zaken, die verduisteringsartikelen verkochten en misschien ook wel voor winkeldieven. Dat verduisteringsgebod bleef de hele oorlog van kracht en contrôle erop was streng. Om het minste straaltje licht, die tussen de gordijnen doorkierde, kon je worden gearresteerd.
Opeens ging er een gerucht: Iedereen moet zijn ramen beplakken met brede stroken plakband. Als je die in vierkanten aanbracht, kon je voorkomen, dat glasscherven naar binnen zouden vliegen als er bommen vielen. Wie als eerste op het idee kwam is niet bekend, maar het werd een rage, waar iedereen aan meedeed.
Later, veel later, toen er inderdaad bommen waren gevallen bleek, dat door luchtdruk verbrijzelde ruiten niet naar binnen, maar naar buiten vallen. Dat lijkt onlogisch, maar zo gebeurde het toch. Ondanks dat hebben bruine stroken nog lang de ramen gesierd.
Op een morgen in 1942 liep ik naar school en in de Wooldstraat was een opstopping. Duitse legervrachtwagens, zwaar gewapende militairen en veel kijkers. Ik keek ook. De deur van hotel De Klok bovenaan de trap ging open en gillend kwamen een paar mannen, vrouwen en 2 kinderen de trap af, aangepord door Duitse geweren. Schnell, schnell! Joden! De jodenvervolging was net begonnen en deze mensen hadden wellicht niet meer thuis durven blijven en waren in het hotel neergestreken. Een paar droegen een koffer, een van de kinderen had een pop bij zich. Ze werden ruw in de achterbak van een vrachtwagen geduwd en de wagens vertrokken.
Het was mijn eerste kennismaking met de wreedheid van de oorlog, al had ik geen flauw idee, wat die mensen te wachten stond. Ik wist wel zeker: het zou vast heel erg zijn. De banken van mijn joodse klasgenootjes waren al langer leeg, maar ik had er nooit goed bij nagedacht, wat er gebeurd kon zijn. Nu was dat overduidelijk. We hebben hen na de oorlog niet meer teruggezien.
Ik weet nog hun namen en wil die hier noemen:
De 3 Hannie’s: Hannie Hamme, Hannie Philips en Hannie van Klaveren, verder Margot Eskens en
Henri Mogendorff.
Een ander meisje, dat een klas lager zat heeft de oorlog wel overleefd, ondergedoken in Boekelo, samen met haar zusje. Na de oorlog is ze naar Amerika gegaan en heeft daar jaren later een boek geschreven over haar oorlogsbelevenissen: Johanna Reiss – De schuilplaats. Dat boek is in ons land beroemd geworden. Wij kenden haar als Annie de Leeuw.
Eind 1944.
Vader fietste iedere zaterdagmiddag naar een bakker in Aalten, die goede connecties had met boeren, die, natuurlijk clandestien, meel leverden. Hoe vader aan dat adres van die bakker kwam weet ik niet. Voor die tijd was hij vast niet op de hoogte van het bestaan van de goeie man. Ik denk, dat een zakje steenkolen wonderen deed.
Er waren elke dag aanvallen van Engelse jabo’s (jachtbommenwerpers) op voertuigen. Die konden alleen maar Duits zijn. Wij Nederlanders hadden alleen een fiets, soms met houten banden.
Mannen werden verplicht om op kleine afstanden van elkaar gaten langs de weg te graven, diep genoeg voor een mens om te schuilen. Ze waren zo’n 1.20 meter diep, hadden een klein afstapje en als je niet te dik was kon je er met z’n tweeën in staan of bukken. Na verloop van tijd werd de bodem modderig of er verscheen een laagje water, waarin padden en kikkers zich thuis voelden. Het moest wel heel erg nodig zijn, voor ik daar in zou springen.
Op de terugweg van zo’n broodtocht (die ook nog wat koekjes en een paar eieren had opgeleverd), kwam vader een colonne vrachtwagens tegen. Hij kon alleen maar hopen, dat er geen jabo’s in de buurt waren. Mis! Hij zag ze met z’n tweeën aankomen, met ratelende mitrailleurs omlaag duikend boven de weg.
Gelukkig was er in de berm zo’n mangat. Vader sprong erin, zijn ene arm met daarin de koekjes en eieren gestrekt in de lucht houdend. Stel je voor, dat ze zouden breken. De jabo’s keerden en doken opnieuw, nu om een paar bommen te gooien op de moffen. Vader dacht, dat er nogal wat schade was, maar heeft niet al te lang gekeken en is hard naar huis gefietst.
Daar werd het verhaal in geuren en kleuren verteld, waarschijnlijk een beetje aangedikt, want zo was-ie wel.
Maar de koekjes en eieren waren allemaal heel gebleven.
Wij gingen bij luchtalarm naar de schuilkelder van de buurman. Die schuilkelder was een wonderlijk bouwsel. Normaal was zo’n ding echt een soort kelder, onder de grond dus. Maar dit was een bovengronds exemplaar, omdat de buurman invalide was en geen trap kon lopen. Het was een bouwsel met muren en dak van 75 cm dik, hout en beton van buiten en gevuld met zand. Binnen waren langs de kant banken getimmerd en er konden zo’n 12 mensen in.
Op een nacht kwamen er weer honderden bommenwerpers over in de richting van het Ruhrgebied. Je hoorde ze al van ver aankomen, en zodra ze over ons dorp vlogen leek het of de wereld verging. Honderden vliegtuigen, alles dreunde. Zoeklichten in de omgeving en verderop in Duitsland flitsten aan en soms zag je een kist gevangen in het licht daarvan.
Wij holden de achterdeur uit naar de schuilkelder. Er was een luchtgevecht aan de gang en het gelijkmatig brommen van de vliegtuigen, die met hun zware bommenlast onverstoorbaar doorvlogen naar Duitsland werd afgewisseld met het gierende geluid van een duikvlucht. Je zag niks, alleen lichtflitsen. Hulzen van mitrailleurkogels ratelden over de dakpannen, af en toe klonk het luide dreunen van het boordgeschut. Plotseling, rennend naar de schuilkelder, voelde ik een ruk aan mij jas. Later bleek, dat daar een gat in zat. Er was een kogel doorheen gegaan, maar ik had niks.
Toen vader de volgende dag ons huis en dat van de buren inspecteerde, bleken er veel kogelgaten in de daken te zitten en overal vond je de hulzen.
Na een van mijn dagelijkse melkhaaltochten was ik op weg naar Opoe en Opa Fuut om een paar flessen melk te brengen. Opeens dook er een landwachter op. Landwachters waren leden van de NSB, die zo’n beetje voor politieagent speelden. Ze droegen een bruin soort uniform (werden daarom bruinhemden genoemd) en werden door de goede Nederlanders diep geminacht. Ze deden wat in hun hoofd opkwam, zich sterk voelend als sympathisanten van de bezettende macht.
Dit exemplaar riep: Halt!" Hij pakte het stuur vast: ”Afstappen! De fiets is in beslag genomen.” Ik protesteerde, maar bereikte natuurlijk niks. “Je krijgt hem wel terug”, zei-d-ie nog. “Mijn fietstassen krijg je niet”, zei ik strijdlustig, want daar zaten de kostbare melkflessen in. Ik haalde meteen de tassen van de fiets, wat kennelijk mocht, want hij zei niks. Op naar mijn grootouders om de melk af te leveren.
Nog steeds woedend kwam ik thuis en zei vastbesloten, dat ik aan het eind van de middag de fiets ging ophalen, maar vader vond dat een beetje riskant. “Vooral niet overhaast te werk gaan. Laten we het eerst maar eens aankijken”. Daar voelde ik niet voor en zonder er iemand iets van te zeggen liep ik naar café Boer Balink, waar de landwacht zijn hoofdkwartier had. Ik had geen flauw idee wat ik daar zou moeten doen en hoopte op een ingeving. Voorzichtig sloop ik langs de zijgevel en keek om de hoek. Het lot was me goedgezind. Ik merkte twee dingen. In de eerste plaats stond daar mijn fiets tegen de muur en verder klonken er harde ruziënde stemmen. Conclusie: die lui hadden op dit moment iets anders aan hun hoofd en de tijd was dus gunstig. Ik rende naar mijn fiets en racete weg. Geen mens, die me tegenhield.
Triomfantelijk kwam ik thuis. Ze waren blij, maar “Kind, het is nu goed afgelopen, maar je bent wel erg onvoorzichtig geweest.” Dat vond ik helemaal niet, integendeel. Ik had heel goed uitgekeken. Altijd die slag om de arm van de grote mensen. O, wat haatte ik dat.
Schoenen waren schaars en na korte tijd waren alle kinderen eruit gegroeid. Wij liepen daarna ’s winters op klompen. Als er sneeuw lag had je binnen korte tijd grote kluiten daarvan onder je klompen. Kloetens, noemde we die. Lastig om op te lopen, maar om te glijden was er niks beter dan klompen.
Elke winter (en volgens mij was er tijdens de oorlog elke winter een dik pak sneeuw) was er een superlange glijbaan op het parkeerterrein bij onze oude lagere school. Dat plein liep iets af en de glijbaan was vast de mooiste van het land. De eerste keer moest ik wel moed verzamelen, want voorzichtig uitproberen was er niet bij. Meteen vol erin. Een flinke aanloop en dan met een ruk mijn klompen erop kletsen en met een rotgang naar beneden. Heerlijk. Ik kon er niet genoeg van krijgen.
In de zomer droegen we sandalen met houten zolen. De klompenmaker had zijn productie uitgebreid en leverde de zolen kaal of met riempjes, zoals-ie die ook op de klompen spijkerde. Dat vond ik niks. Aan moeder de taak om mooie bovenstukjes te borduren, die door Opa werden vastgespijkerd. Je kon er alleen niet goed hard op lopen, want dan scheurden ze.
Een paar huizen bij ons vandaan woonde Opa Geerdes. Iedereen noemde hem zo. Vaak stond hij bij het tuinhek een pijpje te roken en een praatje te maken met iedereen die langs kwam. Hij hield achter zijn huis een paar kippen en een fret.
Met die fret ging hij “op jacht”. Het beestje verstopte hij zorgzaam in de binnenzak van zijn jekker en hij wandelde dan rustig de weg af en het bos in, op zoek naar een konijnenhol. Had hij er een gevonden, dan zocht hij alle uitgangen zorgvuldig op, en stopte ze dicht op één na. Daar ging de fret in, een fel en bloeddorstig beestje, dat korte metten maakte met konijnen. Dan was het wachten op het moment, dat fret met konijn naar buiten kwam. Regelmatig kwam Opa met een brede grijns terug van zijn wandelingen.
Hij had heel bijzondere uitspraken. Was het een beetje koud, dan placht hij te zeggen: “Het dut vannacht vrezen doon en dat dut’t”.
Op een dag, waarop de jabo’s erg actief waren, stond hij bij zijn hekje dat aan te zien. Later vertelde hij: "Ik zag opeen twee van die dingen naar beneden komen en er viel wat uut. Ik dachte, nou wordt het tied om naar binnen te gaan. Ik stond net in de gang, toen ze neer kwamen. De deur ging vanzelf dicht”. Drie kleine bommen waren in de tuin van drie huizen terecht gekomen, ook bij hem en de luchtdruk deed de rest.
De vader van mijn vriendinnetje moest onderduiken. Ook de rest van het gezin moest verdwijnen, want het was heel goed mogelijk, dat de Duitsers zouden komen om ze te arresteren. Tineke fietste met haar moeder en jongere broertje naar Pake en Beppe in Friesland. Daar hebben ze van zomer 1944 gewoond tot begin mei 1945 en gingen er zelfs naar school.
Haar vader was ondergedoken bij een van de boeren waar wij melk haalden en mijn vader wist ervan. Op een dag zei hij: “Zou je Tineke niet eens schrijven? Vindt ze vast leuk. Schrijf gewoon een brief naar haar grootouders, die sturen hem wel door, want die zullen vast wel weten waar ze nu is”. Hij zal wel op de hoogte zijn geweest, maar ik had geen flauw idee. De brief kwam aan en er kwam zelfs antwoord. We hebben nog een paar keer geschreven, maar daaraan kwam een eind door de spoorwegstaking.
Begin september 1944 werd de HBS gesloten. Gevorderd door de Wehrmacht. In het begin werden er nog wel enkele lessen gegeven aan kinderen, die in Winterswijk woonden. Dat gebeurde o.a. in een café, maar heeft niet lang geduurd. Voor mannen en jongens was het gevaarlijk op straat, want je kon zomaar opgepakt worden en naar Duitsland gestuurd om te werken in de oorlogsindustrie.
Wat deden we in die tijd? Als ik er aan terugdenk, zie ik mezelf alleen maar bezig met het binnenhalen van voedsel. Boodschappen doen was erg tijdrovend. Elke zaterdag knipte moeder de bonnen uit, die in de komende week geldig waren voor alle levensmiddelen en ik deed die boodschappen. Dat was een missie waarvoor je veel geduld nodig had. Je had er een dagtaak aan. Voor alles moest je in de rij staan: voor brood, voor groenten, voor melk, bij de kruidenier. Een supermarkt bestond niet. In de kruidenierswinkel gaf je je boodschappenbriefje aan de verkoper; de spullen werden gepakt, afgesneden, gewogen, in een papiertje gedaan en als alles verzameld was, werd gecontroleerd of de bijgeleverde bonnen klopten. Daarna kon je afrekenen met het lelijke oorlogsgeld, gemaakt van....ja van wat? Nikkel? In ieder geval, boodschappen doen duurde eindeloos. Datzelfde gold voor de slager. Vaak was de rij wachtenden tientallen meters lang. Het was niks bijzonders om buiten te moeten wachten. Alles kostte uren en als je te laat aan de beurt was, was het op. Gelukkig konden wij en iedereen in ons dorp die rantsoenen aanvullen bij de boeren in de omtrek.
Maar in het westen van het land was het moeilijker. De hoeveelheid, die op één bonnetje verkrijgbaar was, werd steeds kleiner naarmate de oorlog langer duurde. De Winterswijkers werden door de boeren in leven gehouden en bovendien hadden ze vaak een moestuin. maar in Amsterdam waren de schappen van de winkels leeg en ook al had je bonnen, je kon weinig of niks kopen, want er was niks. Dit gold vooral tijdens de winter van 44/45, de hongerwinter.
De zussen van vader woonden met hun familie in Amsterdam en daar stuurden we elke week een groot pakket levensmiddelen naar toe, o.a. een groot roggebrood van een paar kilo, dat ik elke week haalde bij bakker Konings in het Woold, een begrip voor alle dorpelingen van die tijd. Dat ging goed tot de spoorwegstaking in september 1944. Daarna liepen er geen treinen meer en was het afgelopen met het sturen van pakjes.
Wij haalden in de oorlog elke dag melk bij de boeren; daarvoor hadden we verschillende adressen. Elke dag naar Kruisselbrink, daarnaast twee keer per week naar Mien Geesink in Kotten, één keer naar vrouw Wibbels, ook in Kotten en twee keer naar een boer waarvan ik de naam vergeten ben vlakbij de grens. Bovendien af en toe naar van Eerden in Corle. We bleven wel in superconditie op die manier. Dat melk halen kwam neer op vader en mij. Mijn zusje was te jong en moeder deed de huishouding. Dat was geen punt van bespreking. Die melk was voor beide grootouderparen en voor onszelf.
Op de boerderijen werden de melkflessen gevuld via een trechter, zo vanuit de melkbus. We hadden dubbele fietstassen en in elke pasten 4 flessen. Om ze te beschermen tegen stuk rammelen, deden we er een oude (dikke) kous omheen, die op het laatst meer gat dan kous was. Bij boer Kruisselbrink hadden ze veel onderduikers en als het druk was met melkhalers, (hij verkocht al zijn melk aan de dorpelingen), hielpen die de klanten wel eens. Eén van hen (een ex-Duitser), had het dan over “de zondagse kousen van Frau Vandenberg".
Een fiets was van levensbelang. De mijne - of beter gezegd, die van moeder - heeft de hele oorlog trouw dienst gedaan. We hadden wat banden in voorraad en onze fietsenmaker zorgde er voor, dat-ie in goede conditie bleef. Ik werd expert in het plakken van banden. Een paar keukenlepels deden dienst als bandenwippertjes en dat ging prima.
Ik herinner me een ijskoude morgen in de winter van, ik denk, 43/44. Ik moest melk halen bij de boer vlakbij de Duitse grens. Eerst de grote weg richting Duitsland tot je de douanegebouwen zag en dan linksaf een smal paadje in langs de akkers. Er was de laatste dagen veel sneeuw gevallen, het vroor dat het kraakte, het paadje lag laag, de akker hoog, en de sneeuw had alles geëgaliseerd. Je zag niet meer waar de ene ophield en de andere begon. Mijn fiets liep vast in een halve meter sneeuw en ik kon alleen nog maar duwen. Heel zwaar en bijna niet te doen. Ik kreeg zo’n verschrikkelijk medelijden met mezelf, dat ik de fiets liet vallen, in de sneeuw ging zitten en heel hard heb zitten huilen. Dat vader en moeder me dit aandeden!
“Dit mocht ik niet en dat mocht ik niet, maar wel je kind zo’n klus laten opknappen”. Ik voelde me vreselijk zielig.
Na een poosje kwam ik tot de slotsom, dat daar blijven zitten huilen ook niks oploste. Teruggaan zonder melk was mijn eer te na, dus ik liet de fiets liggen waar hij lag, gespte de tassen los en ging lopend naar de boer. Toen ik thuiskwam heb ik alleen maar verteld, dat het heel moeilijk geweest was en dat ik daar niet meer naar toe ging zolang er sneeuw lag.
Ik heb wel eens uitgerekend, dat vader en ik in de oorlog meer dan 7000 liter melk hebben gehaald. Om te drinken, pap te maken (oorlogsbrood was bijna niet te eten, zo vies) en vooral om te karnen. Opa had een apparaat in elkaar geknutseld, dat een boterkarn moest voorstellen. Een houten deksel met een gat in het midden, dat paste op een flinke pan. Door dat gat stak je een steel met onderaan een schijf met gaatjes. In die pan ging de room van de boerenmelk. Die melk, vers van de koe, schonk moeder in een grote schaal en liet hem een dag staan. Bovenop vormde zich dan een laagje room, dat je er afschepte. De oogst aan room van een paar dagen ging in een pan met de deksel van de door Opa gemaakte constructie erop en door minstens een half uur te “plonderen” , d.w.z. de gaatjesschijf met de hand op en neer te bewegen, ontstond vanzelf een klont boter. De melk werd intussen karnemelk. Daarvan kookte moeder roggepap voor het ontbijt. Op zich best te eten, als er maar niet honderden vliesjes van de alleen maar gedorste rogge in zaten. Het was geen doen om die er van te voren uit te vissen en mijn zus en ik aten de pap dan ook vaak buiten op, bij slecht weer staande onder het glazen afdak achter ons huis. Zo konden we de vliesjes lekker makkelijk in het rond spugen.
Winterswijk werd vanaf september 1944 bijna elke dag gebombardeerd door Engelse jabo’s (jachtbommenwerpers), die het gemunt hadden op het spoorwegemplacement, op kruispunten en wegen. Bovendien dreunden regelmatig eskaders van wel 1000 Amerikaanse bommenwerpers over Winterswijk richting Ruhrgebied of verder Duitsland in. Het was een spectaculair gezicht , achter elkaar in een onafzienbare rij groepen van wel 50 of meer vliegtuigen, waarachter dikke condensstrepen uitwaaierden. Ze hadden het dan wel niet op ons gemunt, maar soms kwamen er Duitse jachtvliegtuigen, er ontstonden luchtgevechten en bommenwerpers in nood gooiden nog wel eens hun bommen lukraak weg, omdat ze daardoor lichter werden en beter konden manoeuvreren. Er zijn dan ook in Winterswijk en omstreken heel wat bommen terechtgekomen en daarbij zijn ook mensen gedood en gewond.
Ook ’s nachts vlogen honderden geallieerde vliegtuigen over Winterswijk richting Ruhrgebied. Voordat zo’n geweldige armada verscheen kwam nog wel eens even een Duitse jager de zaak verkennen, maar zodra de Engelse vliegtuigen in de buurt kwamen, was de Duitser verdwenen. De Winterswijkers noemden hem “De nachtzuster”.
We brachten heel wat tijd door in de schuilkelder van mijnheer S. Dat was een bezienswaardigheid. Veel mensen met een tuin hadden een schuilkelder gegraven, waarin je enigszins beschermd was tegen rondvliegende scherven en kogels. Dit was echter een bouwsel bovenop de grond, omdat mijnheer S. geen trappen kon lopen. Heel wat bouwvakkers waren er op los gelaten en het resultaat was een soort kazemat met muren en dak van 75 cm dik. Binnen waren banken en er konden ongeveer 12 mensen in. Genoeg voor onze beide families. In de schutting, die onze tuinen scheidde, was een deur gezet.
Op een nacht kwamen er weer honderden bommenwerpers over in de richting van het Ruhrgebied. Je hoorde ze al van ver aankomen en zodra ze over ons dorp vlogen leek het of de wereld verging. Honderden vliegtuigen, alles dreunde. Zoeklichten in de omgeving en verderop in Duitsland flitsten aan en soms zag je een kist gevangen in het licht daarvan. Wij holden de achterdeur uit naar de schuilkelder. Er was een luchtgevecht aan de gang en het gelijkmatig brommen van de vliegtuigen, die met hun zware bommenlast onverstoorbaar doorvlogen werd afgewisseld met het giererende geluid van een duikvlucht. Je zag niks, alleen lichtflitsen. Hulzen van mitrailleurs ratelden over de dakpannen, af en toe klonk het luide dreunen van het boordgeschut. Plotseling, rennend naar de schuilkelder voelde ik een ruk aan mij jas. Later bleek, dat daar een gat in zat. Er was een kogel langs gegaan, maar mij mankeerde niks. Toen vader de volgende dag ons huis en dat van de buren inspecteerde, bleken er veel kogelgaten in de daken te zitten en overal vond je de hulzen.
Vader was dan zenuwachtig, gejaagd, rusteloos. Was hij bang en wilde hij dat niet laten merken? Ik vermoed het, maar weet het niet zeker. Ik was zelf doodsbenauwd, maar moeder was als altijd kalm en hield de moed erin. “Maak je maar niet druk, ‘t komt allemaal wel goed, ik weet het zeker”, zei ze dan. Zij was in feite het rustpunt in ons gezin en in de hele familie.
Af en toe kreeg vader een waarschuwing van “goede” landgenoten: “Jan, je kunt maar beter een poosje verdwijnen”, waarop vader naar Kotten fietste, een buurtschap bij Winterswijk, waar in een bos een primitief hol met een dakje erop was. Hij verdween daarin dan een paar dagen en werd intussen verzorgd, zeg maar gerust verwend, door vrouw Wibbels, een boerin uit de buurt en een bijzonder aardig mens, bij wie ik elke week eieren en melk haalde en soms ook als extraatje een stukje spek kreeg. Dan vloog ik naar huis. “Kijk eens, wat ik van vrouw Wibbels gekregen heb!!”
Elke keer als er in Winterswijk bommen gevallen waren, fietste ik de 8 km naar vrouw Wibbels, zodat zij vader kon geruststellen dat wij allemaal nog in leven waren. (Zelf mocht ik niet naar hem toe, want zijn schuilplaats was strikt geheim).
Ik ben ontelbare keren naar Kunnert, zo heette de boerderij, gefietst, soms wel 2x op een dag, maar dat was geen straf, want ik ging er graag heen. De mensen waren erg gastvrij en als ik er kwam, altijd onverwacht, leek het wel of ze die dag speciaal op mij hadden zitten wachten. De boerin was een klein wijffie met een lief gezicht, waarin een bruin en een blauw oog je vriendelijk aankeken. Kunnert was een van de oudste boerderijen van Winterswijk. Stromend water was er niet, evenmin als gas en riolering, water moest je halen bij de put. Je plonsde een emmer aan een lange ketting naar beneden en haalde hem vol water weer op. De vloer van het woongedeelte bestond uit kleine keitjes, die zaterdags, als het werk was gedaan, bestrooid werd met fijn schelpzand in mooie patroontjes. Zodra je er overheen liep, was het weer een rommelige zandige vloer, maar dat gaf kennelijk niet. Elke zaterdag strooien!
Toen ik er weer eens was voor melk en als het kon een paar eieren, zei vrouw Wibbels:”Ik heb een kip voor je. Ze is van de leg, die mag je van me hebben. Wacht, ik zal haar even voor je pakken”. Nou, dat was wat. Thuiskomen met een kip! Ik zag al helemaal voor me, hoe de familie zou staan te juichen. Maar hij moest nog wel even gevangen worden. Ik wist uit ervaring, dat dat niet makkelijk was. Denk je, dat je zo’n beest te pakken hebt, schiet-ie toch weer de andere kant op. Maar voor vrouw Wibbels was het een fluitje van een cent. Ze nam een stuk staaldraad, boog het uiteinde in een bocht, zocht de goede kip en trok die met dat gebogen draadeinde zo van de sokken. Hebbes! Ze pakte de kip bij de poten, greep in het voorbijgaan een bijl, legde het beestje met de kop op de stronk van een afgezaagde boom en hakte met één haal de kop eraf. Kip fladderde zonder kop nog even rond en viel toen om. “Alsjeblieft, laat moeder er maar een lekker soepje van koken”.
Nu zou ik het niet leuk gevonden hebben om dit te zien, maar toen was ik vast minder teerhartig. Kip moest dood en het ging zo snel, dat ze het vast niet gemerkt heeft. Ik at toch ook met smaak het konijn, dat ik het hele jaar verzorgd had en dat voor de Kerstdagen het loodje legde...... nou dan.....
Thuis werd ik als een heldin ontvangen. Nadat het beestje aan alle kanten bewonderd was, werd hij mij in de handen gestopt:”Nou, jij gaat haar wel even plukken hè?” De soep was hemels.
In de laatste oorlogswinter hadden we, zoals veel Winterswijkers, een door een smid gemaakt kacheltje in de kamer staan. Het had in het midden een heel klein vuurpotje met daar bovenop een grote kookplaat. Zo sloeg je drie vliegen in één klap. Je kon er zuinig op koken, de kamer werd meteen verwarmd en moeder hoefde niet in de koude keuken te staan. Elektriciteit was er niet meer, en we hebben een tijd de achterkamer verlicht met een gaslamp. Maar we woonden niet ver van het ziekenhuis, dat nog wel stroom had; vader had connecties en “ritselde” wat, zodat wij de laatste maanden van de oorlog bevoorrecht waren en weer elektrisch licht hadden.
In maart 1945 voelde iedereen, dat de oorlog snel op z’n eindje liep. De Duitsers waren verslagen bij het Ardennenoffensief in de winter van 1944/45 en de Amerikanen hadden de oever van de Rijn in Duitsland bereikt. Bovendien trokken ze vanuit Duitsland richting Nederlandse grens. Winterswijk kreeg steeds vaker met bombardementen van de Engelsen te maken om het de Duitsers, die aan het terugtrekken waren, moeilijk te maken. Langs de weg, waar wij woonden, zagen we ze langskomen, de moffen. Terug naar Duitsland. Niet in gloednieuwe tanks en pantserauto’s, zoals ze gekomen waren, maar lopend naast buitgemaakte (zeg maar rustig: gestolen) boerenwagens of karretjes met hun spullen erop. Het was voor ons een hemels gezicht.
Omdat het aan onze weg erg onveilig werd, regelde vader voor ons vanaf midden maart 1945 een verblijfplaats bij een boer, die een kilometer verderop woonde. Daar wemelde het al van de onderduikers en mensen uit het dorp, die net als wij een rustiger plekje hadden opgezocht, wachtend op de bevrijding. We sliepen met z’n allen op een rijtje op de deel. Vader bleef overdag op zijn kantoor en kwam ’s avonds op de fiets naar ons toe.
Op een dag kwam hij tegen het eind van de middag terug op de boerderij en vertelde, dat Emmy van Santen, een vriendinnetje uit mijn klas, samen met haar vader en moeder bij een bombardement die dag gedood was. Ze was een van mijn beste vriendinnen en we hadden samen in een vriendinnenclubje gezeten, dat elke zaterdagavond bij één van ons bij elkaar kwam, totdat dat niet meer ging wegens de avondklok. Die avondklok wilde zeggen, dat iedereen na 8 uur ’s avonds niet meer buiten mocht zijn. Werd je gesnapt, dan gold het standrecht, wat betekende, dat je ter plaatse doodgeschoten kon worden. Maar veel tijd om toen bij Emmy’s dood stil te staan was er niet, want er gebeurde van alles.
Eerst de beschieting met granaten, die rondom de boerderij insloegen. Maar gelukkig werd niemand geraakt, al was het heel angstig. Je hoorde die rotdingen aan komen gieren en dan was het met kloppend hart in spanning afwachten waar de klap zou vallen.
Toen kreeg de boerderij bezoek van een terugtrekkende Duitse luchtdoelbatterij. De bijbehorende soldaten waren behoorlijk dronken, en schoten een paar granaten af, volgens henzelf op een kruispunt bij Borken, volgens vader in het wilde weg. Gelukkig vertrokken ze weer gauw. Terug naar de Heimat! De mannelijke tijdelijke bewoners van de boerderij zagen nog wel kans om de moffen een paar flessen “foezel” afhandig te maken. Goed om op de overwinning te drinken!
Daarna kwamen er een paar Duitse soldaten, die de paarden van de boer “vorderden”. Een eufemisme voor gewoon jatten en de boer speelde het spelletje mee. Hij deed net of hij ze de paarden wilde laten zien. Toen de soldaten de paardenstal inliepen, sloeg hij de deur achter hen dicht en sloot hen op. “Het duurt niet lang meer voordat de Amerikanen komen. Tot zo lang blijven jullie hier”. De Duitsers maakten niet eens erg veel kabaal en leken het wel best te vinden. Waarschijnlijk hadden ze ook schoon genoeg van de oorlog. Ze kregen een bos stro en een bord eten en dat was dat. Niks om je druk over te maken. Sommige mensen lieten zich door niets van de wijs brengen en deze boer behoorde ook tot dat soort.
Niemand ging die nacht slapen. We hoorden heel in de verte het dreunen van kanonnen, dat steeds dichterbij kwam. Het schieten duurde uren en toen............ opeens....... werd het stil. Doodstil. Griezelig stil. Iedereen luisterde gespannen en na een poos hoorden we, ver weg en nauwelijks hoorbaar, een zacht gebrom, dat steeds sterker werd. Amerikaanse tanks! Die morgen verdwenen de laatste Duitsers uit ons dorp, terwijl de Amerikanen van de andere kant binnenreden.
Iedereen probeerde zo snel mogelijk naar het dorp te komen, want daar was het feest, de “Tommies” werden omhelsd en op straat werd gedanst en gehost. Ik ging naar Mily, een vriendinnetje, dat met haar familie uit Vlissingen was geëvacueerd en nu bij iemand in huis woonde. De hele familie was in de keuken, waar het fornuis brandde met hout, dat in de afgelopen weken verzameld was in het bos. Opeens een geweldige knal en het leek alsof het fornuis ontplofte. Een ijzeren ring vloog door de lucht, gelukkig zonder iemand te raken. De reactie was, dat iedereen hard begon te lachen: "Nou, dat is goed afgelopen, we hebben geluk gehad". Wat kun je gek reageren in ongewone situaties.
Het Amerikaanse leger trok diezelfde 31e maart 1945 verder en juist over de weg, waaraan de boerderij van de familie P. lag. Het duurde 2 dagen en 2 nachten voordat de colonne tanks, jeeps en vrachtwagens (samen een hele divisie vormend) voorbij was. Het wegdek zag er daarna uit als een omgeploegde zandweg.
Wij stonden natuurlijk te kijken en te juichen. Af en toe stopte de colonne om te eten en te tanken. Ik heb toen een grote stommiteit begaan. Tijdens zo’n pauze kwam een Amerikaanse soldaat naar me toe met een grote lap stof. Meterslang en breed. Prachtige zijde van een parachute. Ongelofelijk! “Hier, dit is voor jou”. Maar ik wou het niet hebben, want de stof was aan één kant een beetje vies. Achteraf spijt als haren op mijn hoofd. Wat voor schitterende dingen had moeder daarvan kunnen maken.
Winterswijk werd eind maart 1945 door de Canadezen bevrijd, maar omdat ook zij na het vertrek van de Duitsers onze school in gebruik namen, duurde het tot september voordat de leerlingen weer terug konden komen.
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
3.Beste mensen
Ik wil bij deze gelegenheid even terug gaan naar mijn jeugd en over wel de periode van 10 mei 1940 tot na de tweede wereldoorlog; ik woonde in Winterswijk. Toen de oorlog uitbrak was ik ruim 6 jaar en zat nog op de kleuterschool. Er vlogen die morgen vele vliegtuigen over en dat was voor mij heel bijzonder, want dat gebeurde in die tijd bijna nooit. De juffrouw zei; dat het oorlog was en dat wij allemaal naar huis mochten. Ik, Bennie Lammers en Wim Deunk moesten eerst nog een zak grasplukken voor de geitjes en de konijnen, daarna mochten wij ook naar huis. Wat er tot september 1944 zoal gebeurd is, is aan mij voorbij gegaan. Van de gevechten op de Grebbeberg en het bombardement op Rotterdam heb ik pas later gehoord. Wel zijn er in die periode enkele V-1’s ( een soort onbemand straalvliegtuig die werden afgeschoten met als doel Londen en later de haven van Antwerpen) in Winterswijk terecht gekomen: één op het kerkhof en één bij een stalhouderij aan de Misterweg, waarbij een buurjongen van mij, Jan Deunk is omgekomen.Mijn Vader was locomoter-bestuurder bij de spoorwegen en ging ook staken samen met zijn collega’s. Hij kwam thuis, pakte de fiets en ging naar een onderduikadres, waar ook al een oudere broer van mij was. Daar waren meer onderduikers en ze kenden elkaar alleen bij de voornaam. Er was toen ook al klasse verschil, want mij vader en mijn broer moesten helpen op de boerderij en met knecht en de meid in de keuken eten; de anderen mochten bij de boer en boerin aan tafel in de voorkamer.
Als er een razzia kwam werden ze vaak gewaarschuwd en vluchten dan naar het bos, waar een ondergrondse schuilkelder was. Die was afgesloten met een luik die beplant was met struiken, zodat het van buitenaf niet was te zien.
We gingen niet meer naar school, want daar zaten Duitse soldaten in.
Ook begonnen toen de bombardementen op het spoor. Eerst met kleinere jachtvliegtuigen (jabo’s ?); die doken huilend naar beneden en gooiden dan hun bommen af, met als doel het spoor, maar dat lukte vaak niet en dan kwamen ze wel eens op een huis terecht. Later met grotere bommenwerpers die het spooremplacement grotendeels vernielden; gelukkig is het station blijven staan. Ook het station van de Gols (Gelderse Overijsselse Spoorwegmaatschappij) staat er nog.
We werden op 30 maart 1945 bevrijd. In de buurtschap het Woold, enkele kilometers van ons dorp, is nog wel een hevige strijd geleverd, er waren enkele boerderijen en meerdere tanks stuk geschoten. Winterwijk zelf is gelukkig gespaard gebleven
Treinen reden er niet meer. Naar Arnhem en Zutphen reden bussen met een truck ervoor.
De eerste personentrein die er reed ging naar Eibergen waar een wandeldag werd georganiseerd. De plaatselijke wandelvereniging wou daar graag heen, maar er was geen vervoer. Er is toen in overleg met de NS voor vervoer gezorgd. Dat was een loco-motor (sik) bestuurd door mijn Vader, een oud rijtuig en een goederenwagon. En zo vertrok op 26 augustus de eerste personentrein met de wandelaars vanuit Winterswijk naar Eibergen. (zie foto)
Dit was in het kort mijn oorlogsbeleving in Winterswijk. Ik ben mij er van bewust dat ik geluk had, dat ik in de Achterhoek ben geboren. Velen zullen het vele malen moeilijker gehad hebben.
G.Nekkers
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
4.GEEN ZUIVERE KOFFIE!
(Wilterdink,Uit:Verhalen van de grens.1987)
Willem De Duitse douane maakte zich er een leuk zitje. Het was er ook een ideeal plekje voor. Je hebt het idee dat je er in een park zit. De boerderij ligt er in alle rust. Een mooie tuin ligt ervoor. Maar de "hofhaege" staat al in Duitsland. De weg er naar toe, van Holland uit, versmalt zich waar de grens loopt en gaat dan als een simpel landweggetje Duitsland in. De boerderij ligt op een unieke plek. Ze nodigt uit om eens even halt te houden. De marechaussees lieten er hun boekje aftekenen en dronken er intussen koffie. Want de koffie stond altijd klaar voor iedereen. Vaak zaten de Duitse en Hollandse douanes er gezellig samen in de keuken. De geweren stonden knus bij elkaar in een hoekje. Er was natuurlijk verder ook veel aanloop. Duitsers die even wat kwamen halen. Want natuurlijk hadden ze ook een winkel, waar men dag en nacht terecht kon. En omdat ze zo erg in een uithoekje zaten, hadden ze ook al gauw telefoon. Waar ook de Duitsers graag even gebruik van maakten. De mensen die er woonden zagen er natuurlijk van alles over de grens komen. Mensen, zaken en dingen waar men verder niets mee te maken had en waar men dan verder maar over zweeg. Horen, zien en zwijgen was hier de meest bruikbare leuze. Er gebeurden ook interessante dingen. Dingen waar men nog jaren over praatte. Zoals de honderden krijgsgevangenen, die in 1918 Nederland binnenkwamen . Na de wapenstilstand op 11 november 1918 zette Duitsland de kampen open en men wees hun de weg.
"Daarginds is Holland, ga daar maar naar toe. Die helpen jullie wel naar huis." En ze kwamen met grote groepen de spoorbaan langs die er vlak in de buurt ligt. Maar je kijkt er toch van op als er plotseling 12 Engelse oficieren de grens over komen, die te kennen geven dat ze graag vervoer willen naar Hotel Stad Munster. Hoe weten ze de naam van dit hotel?
Enige tijd voor de tweede wereldoorlog kwam er een mooie auto over het landweggetje aanwaggelen. Het weggetje was niet zo best en eigenlijk niet geschikt voor een auto. Trouwens, zoveel auto’s zag je nog niet in die tijd en zeker niet daar aan de grens. Geen wonder dat de mensen opkeken. "Wat zullen we nu hebben?" Vlak voor de grens stopten ze. Vier keurig geklede heren stapten uit en kwamen naar de boerderij stappen. De auto bleef op Duits gebied staan. Ze klopten netjes aan en vroegen of ze gebruik mochten maken van de telefoon. Natuurlijk mocht dat. Ze mochten ook binnen komen. Ze bleken naar B. te willen bellen. Dat was een Duitser die in Winterswijk woonde en Duitsland was ontvlucht omdat hij nog vier jaar tuchthuis tegoed had. De man kwam een poosje later met een auto en gezamelijk gingen ze Nederland in.
Nu had men zich er verder niets van aangetrokken als het later niet met grote regelmaat opnieuw gebeurde. Een soms zelfs twee of drie keer per week. Ofschoon men zich in dergelijke gevallen meestal wat bescheiden opstelde, wekte het toch steeds meer de nieuwsgierigheid op. Wat waren dat toch in vredesnaam voor kerels? Weliswaar straalde de netheid er af en betaalden ze steeds royaal alle onkosten, maar men begon het steeds vreemder te vinden. Toen men ook nog een keer een Winterswijkse manufacturier uitnodigde en men zich met de hele familie in het nieuw stak, werd het nog vreemder. Want alle gekochte waren werden keurig in de meegebrachte koffers naar de auto gebracht,die, net als steeds, rustig op Duitse grond stond te wachten. En de douanes die er toevallig stonden legden hun geen strobreed in de weg !!
Zoetjesaan kwamen ze erachter hoe de heren heetten: Berger, Ullmich, Schneider en Hanchen. Via hun Duitse kennissen kwam men erachter dat ze een kantoor hadden aan de Bocholtsestraat in Borken. En toen viel ook het woor GESTAPO!
GESTAPO!!! Wat had de Gestapo te maken in en met Nederland?
En nog wel met een contactpersoon die vier jaar tuchthuis te goed had? "Dat is gin zuuvere koffie," zei moeder onder het eten.
"En at noo de politie is kump vraogen of der nog wat bezunders is an de grenze vertel ik ut aer!!"
Dat was natuurlijk iets bijzonders. Ofschoon de politie ook geregeld een kopje koffie haalde, werd ze verder overal buiten gehouden. Men zei vrijwel altijd: Wi’j heb der niks met te maken en waorumme zo’w der dan ovver praoten?". Horen, zien en vooral zwijgen! Maar Gestapo, dat was toch wat anders.
Kroese, een bekende politieagent in Winterswijk, kwam eens gezellig achterom en werd door moeder van de hele zaak in kennis gesteld. Natuurlijk leek het hem ook een vreemde zaak en hij beloofde er op het bureau eens over te praten. Verder spraken ze af dat ze de politie onmiddelijk op de hoogte zouden brengen als de heren weer Holland ingingen, zodat men hen na kon gaan.
Maar tot hun grote verbazing waren de tripjes van de Gestapoheren via hun landweggetje meteen afgelopen. Ze kwamen niet meer terug! Waren ze gewaarschuwd?? Maar dan zouden ze een tip gekregen moeten hebben via de politie!! Maar dat leek toch...........
Maar na de inval in mei 1940 kwam de heer Berger "afscheid" nemen. Ze hoefden niet meer via de groene grens te gaan en hij wilde hun bedanken voor hun "medewerking". Nou, medewerking??
Ze hadden steeds duidelijk laten merken dat ze van de Nazi’s niets moesten hebben. De zoon had moeten vechten op de Grebbeberg en nu was voor Duitsland elke sympathie wel helemaal verdwenen. Glimlachend zei hj dat hij van hun weerzin wel op de hoogte was, maar dat ze desondanks op zijn medewerking konden rekenen, mochten ze ooit eens "Schwierigkeiten" krijgen met de bezettende macht.
Ze zagen de heren nooit weer.
B., de in Winterswijk wonende Duitser, werd een bekende N.S.B.-er. Maar ook de Hollandse chauffeur van de heren bleek lid te zijn van de N.S.B.! En wie nog meer?? Inderdaad, de baas van de politie in Winterswijk zelf!!! Had hij zelf de Gestapo toen de tip gegeven, maar niet meer langs dat punt te gaan, Nederland in?? En wat hebben de Gestapo-heren telkens in Nederland gedaan??
Vragen waarop nooit een antwoord is gekomen!!
Of toch?
5.DE OORLOGSJAREN
Jaap Dulfer:Uit Onder de Jacobstoren, 2001
Van de U.L.O. had ik een vriendinnetje overgehouden. Ze heette Annie. Haar vader was keurmeester op het slachthuis en ze woonden er vlakbij. Hoe ze eigenlijk, samen met haar zusje Marietje, op de chr.U.L.O. terechtgekomen waren, is me nooit duidelijk geworden. Mogelijk warenze elders gestruikeld. Maar ze was lief, had lichtblond haar en bezorgde me vlinders in de buik. Och, je weet wel, hoe dat gaat; als het raam op de eerste verdieping openstond, was de kust vrij en waren we dus welkom! Haar zus had ook een vriendje. Met z’n tweeen gingen we er dus naar toe. Jan met marietje in de achterkamer en Annie en ik in de voorkamer.Daar leerde ik dus de eerste beginselen van het vrijen. Nou ja, vrijen, een kusje en verder haar handje vasthouden. Best interessant en het beleven waard! Maar op een avond was er onraad. We hoorden dat er een sleutel in het slot van de voordeur gestoken werd, dus moesten we maken, dat we wegkwamen. Als twee kwajongens, die gegeten hadden van de verboden vrucht, grepen we onze jassen en vluchtten door de openslaande deuren in de achterkamer naar buiten, dwars door de achtertuin, die uitliep op een boomkwekerij. Al ploeterend en onze schoenen onder de modder stonden we even later hijgend op straat. We hadden het dus gered en waren net niet betrapt. En wat bleek nu achteraf? De collega van pappa, die avonddienst had, bracht de sleutel van het bedrijf even terug en was misschien wel verlegen om een praatje. Dit was een keer en dus niet voor herhaling vatbaar!.
Toen kwam de tiende mei 1940. Vlak voor die tijd waren ons reeds de meest wilde geruchten over de toestand in Hitler-Duitsland ter ore gekomen en thuis was het steeds weer het gespreksonderwerp van de dag, zodanig, dat we een enorme afkeer kregen van alles, wat maar met het Nationaal Socialisme te maken had.
Over dit tijdperk is echter al zoveel gepubliceerd, dat ik hierop verder niet inga. Ik wil me daarom slechts beperken tot de feiten, waarmee ik te maken kreeg, voor de inval van onze Oosterburen een feit was. Ik zat toen middenin de eindexamentijd van de U.L.O., maar weet me nog heel goed voor de geest te halen, dat de Duitse legereenheden zich op de Markt verzamelden.
Nieuwsgierig als we waren, dromden we er natuurlijk omhen en beseften nauwelijks, dat ons land in oorlog was met de Duitsers. Op die bewuste morgen zagen we pas, hoeveel mensen sympathiseerden met de invaller!.
We zagen een groentenboer, die vlak bij de Markt een zaak had, repen chocola en sinaasappels uitdelen aan de bemanning van een legervoertuig en veel Winterswijkse meisjes stonden te flirten met hoge Duitse officieren!. We konden die grieten wel ik weet niet wat doen! Maar je wist wel meteen, wat voor vlees je in de kuip had!
M’n broer Henk, die net als zo velen van zijn leeftijd, kort tevoren gemobiliseerd was, lag in de voorste linies in de Betuwe in Lienden. Natuurlijk dachten we in deze spannende dagen veel aan onze jongens en werden de schaarse berichten van het front met de grootste belangstelling gevolgd.
Al spoedig kwamen de berichten door, dat het Nederlandse leger met mannenmoed verzette, maar niet in staat bleek, de enorme overmacht van de Duitse legereenheden te weerstaan.
De titanenstrijd duurde maar 3 dagen nadat het centrum van Rotterdam en passant nog even platgegooid was! Nederland werd bezet gebied met alle gevolgen van dien. Mijn broer Henk, die tijdelijk geinterneerd werd en in krijgsgevangenschap terechtkwam, was gelukkig al weer spoedig thuis, mismoedig en erg teleurgesteld. Moesten daarvoor nu zoveel jonge jongens, vooral op de Grebbeberg, hun leven opofferen? Ook diverse Winterswijkers sneuvelden en lieten het leven voor hun vaderland, waarbij jonge gezinnen uit elkaar gerukt werden. Natuurlijk was hij ook dankbaar, dat hij het er levend afgebracht had.
Het normale leven, ja, wat heet normaal, hernam z’n loop en ogenschijnlijk ging alles weer door alsof er niets gebeurd was. Maar dat kon je wel onder je klomp schrijven. Een vos is nu eenmaal sluw en slim en alles was erop gericht, het Nederlandse volk te indoctrineren. Het nationaal socialisme zou onze denkwijze dermate moeten beinvloeden, dat er geaccepteerd werd, wat ons van hogerhand was opgelegd. Een allesomvattende maatregel ,waarmee ik persoonlijk geconfronteerd werd, was de Arbeitseinsatz in Duitsland. Overal werden grote posters opgehangen met als opschrift: ’ Hij is gelukkig, hij werkt in Duitsland’.
Voor de arbeidsdienst was ik te jong. Daarvoor moest je 18 jaar zijn en ik was nog maar net 16 geworden, dus kwam ik alleen in aanmerking voor tewerkstelling in ’das grosze Vaterland’, waarvoor ik natuurlijk nul-komma-nul voelde, mede als gevolg van de voorlichting, die je thuis kreeg.
Inderhaast werd er een legerkamp aan de kloetenseweg uit de grond gestampt, waar de arbeidsdienst gehuisvest werd. Hier kwamen onze jongens terecht, die, als alles normaal gebleven was, voor hun nummer hadden moeten opkomen in militaire dienst. Op zich dus eigenlijk niets abnormaals. Maar het was, zo later bleek, op een totaal andere leest geschoeid.
ze werden volledig gehersenspoeld en opnieuw opgevoed en wel in de beginselen van het nationaal socialisme ondet het mom van ’arbeid maakt vrij’! Er werd geexerceerd met een schop in plaats van een karabijn, op zich maar een zielig gezicht. Met hun apenpakjes aan namen ze deel aan parades in het dorp, b.v. ter gelegenheid van een bezoek, dat Anton Mussert aan Winterswijk bracht. Wat een vertoning was dat op het Marktplein!
Al spoedig ontstond er verzet tegen deze manier van heropvoeding. ’s Zondags mochten de jongens naar de kerk en werden veelal op de koffie uitgenodigd in diverse gezinnen.
Hier werd van gedachten gewisseld en al spoedig bleek uit de gesprekken, elke bedoelingen er achter deze dienstplicht zaten. Er was maar een mogelijkheid, de jongens uit deze invloedsfeer te bevrijden en dat was; onderduiken, maar ja, dat had nu eenmaal consequenties! Waar moesten ze naar toe en hoe zouden ze aan de nodige papieren en bonkaarten moeten komen?
Maar het verzet was inmiddels, zij het nog summier, van de grond gekomen en voor deze rekruten was er wel een oplossing!. Bij Truus Huiskamp in de Goudvinkenstraat thuis werden verschillende uniformen verwisseld voor burgerkleren. Ze werden hoofdzakelijk naar Aalten gebracht, waar Ome Jan Wikkerink zich over hen ontfermde en zorgde, dat ze ineen of andere buurtschap bij boeren ondergebracht werden. Zo werd Aalten een bolwerk van het verzet. Hierbij moet je onwillekeurig terugdenken aan de grote razzia op een zondagmorgen in de Oosterkerk, waar een groep onderduikers kans zag, zich in de kerktoren te verbergen. Met name confesionelen, die het calvinisme hoog in het vaandel droegen, waren fel anti-Duits.
De berichten van over de grens, die zo langzamerhand bij ons binnen druppelden, zoals de jodenvervolging, de discriminatie van kerkelijke genootschappen en zigeuners, maakten de algemene stemming steeds grimmiger en de tegenstellingen werden almaar groter.
Zo ontstonden de verzetsgroepen die een storend effect zouden moeten ontwikkelen onder de bezettingstroepen. Hierbij waren natuurlijk wapens nodig, die door de R.A.F. via de lucht werden gedropt op van tevoren vastgestelde en gemarkeerde plaatsen.
Al deze activiteiten vonden in de nachtelijke uren plaats. Het illegale blad Trouw verscheen, waarvan Henk Groot Enzerink, de fietsenmaker uit Vorden, de grote drijfveer was en iedere dag waren er uitzendingen van Radio Oranje uit Londen, de stem van strijdend Nederland.
Toen de vijand merkte, dat lang niet alle radio’s ingeleverd waren en de Engelse zender overal te besluiteren was,werden de Duitsers steeds fanatieker! Als ergens een radiotoestel ontdekt werd, volgde niet alleen de inbeslagname van het verboden apparaat, maar de eigenaar werd gearresteerd en moest dan maar afwachten, wat hem boven het hoofd hing. Het kamp Amersfoort was hiervoor wel een zeer milde straf! Hier werden eveneens de zwarthandelaren en de landestiene slachters ondergebracht, alsmede gegijzelden, die zonder meer gearresteerd werden als represaillemaatregel tegen een aanslag op een hoge Duitse officier! Uit voorzorg doken vele notabelen in het dorp onder. Zo verdween de heer Huiskamp uit de Goudvinkenstraat uit het gezichtsveld, na de arrestatie van Dr.Jagerink en de heren Ruepert en van Amstel.
En wat waren er nog veel radiotoestellen.
En hoeveel varkens en kalveren zouden er niet in het diepste geheim van de sokken getrokken worden? Ik zie schoenmaker Anton van Zuilekom nog op z’n fiets met het blauwe mandje voor op de bagagedrager krampachtig fietsen, om z’n vrachtje, dat onder de oude schoenen verstopt was, naar huis te brengen. En werd van alles verzonnen om door de mazen van het net te kruipen en de vindingrijkheid werd hierbij hoe langer hoe ingenieuzer!
We kregen te maken met de S.S., de Feldgendarmerie en de Landwacht, de ordedienst van de gehate N.S.B., die aanvankelijk uitgerust was met een dubbelloops jachtgeweer, gevorderd van de Nederlandse jagers. Dat de Duitsers het als hun plicht zagen, kan ik me nog wel voorstellen, maar dat je door je eigen landgenoten geterroriseerd werd, dat wilde er bij mij niet in! Ze hadden zwarte uniformen met een goudkleurige uitmonstering en hoorden in onze ogen tot de landverraders, die niet meer in onze samenleving thuishoorden.
In Winterwijk lag het percentage van de N.S.B.-leden bijzonder hoog, ca.30%, de sympathiserende leden nog niet eens meegeteld en dat waren er niet weinig! Het waren figuren, waar je nooit op aan kon en die je erin luisden waar je bij stond.
Het was zelfs zo erg, dat je je eigen buurman niet meer vertouwen kon en je werd hoe langer hoe voorzichtiger met je uitlatingen tegenover derden.
Onze familie stond bekend als fel anti-Duits. Vooral moeder was driest en stak haar mening niet onder stoelen of banken. Ze droogde menige Duitser af, die in de zaak kwam voor een bloemetje. Al onze waarschuwingen ten spijt, ging ze hier rustig mee door.
Ds.Slomp, alias Frits de Zwerver, die we goed kenden vanuit Heemse, waar Gonny en Henk woonden, kwam tijdelijk bij ons in huis, omdat hij zich thuis niet veilig meer voelde. Samen met Bertha, zijn koerierster - er was n.l. geen telefonisch - of schriftelijk contact - werd er op mijn kamertje boven heel wat op stapel gezet, wat later uit zou groeien tot de grote verzetsbeweging!
Via de Vrouwenbeweging, waar hij een spreekbeurt hield, kwam hij in contact met Tante Heleen Kuipers-Rietberg. Dit was het prille begin van een organisatie, die de hulp aan onderduikers coordineerde, de LandelijkeOrganisatie voor Hulp aan Onderduikers, kort gezegd de L.O. genoemd. Mevr.Kuipers werd later, samen met haar man, op het N.S.-station in Arnhem gearresteerd. Oom Piet kwam tamelijk snel weer vrij, maar zij werd geinterneerd en kwam uiteindelijk in het concentratiekamp Ravensbruck terecht, waar zij de bevrijding niet meer meegemaakt heeft.
Om alle vrouwen, die in het verzet zaten, te eren, werd er een gedenkmonument opgericht naast het Gemeentehuis. Dit werd onthuld door H.M.Koningin Wilhelmina om hiermee de Vrouw in het verzet gedurende de oorlogsjaren, te eren!
Maar ze kwamen mij ook aan de veren. Op een dag lag er een enveloppe in de bus, die een oproep inhield voor de Arbeitzeinsatz in Duitsland. Tot nu toe had ik me altijd vrij kunnen bewegen en na een ziekte-periode van 3 maanden deed ik hand- en spandiensten in het bedrijf en handelde intussen in alles, waarmee maar iets te grijpen was. Vader gaf Henk en mij wel eens een middagje vrij om te gaan schaatsen als de Schoten open was.
Ik leende dan een transportfets bij Bakker Heijerman op het Weurden en ging de boer op om rogge en haver te kopen. Zoveel ik maar mee kon nemen, kwam op de bagagedrager terecht en vond z’n weg naar het westen via de bloemengrossiers, die het graag van me wilden kopen.
Verder kwam ik er achter, dat de stokken van wilgentenen, die we als emballagemateriaal binnen kregen en niet meer teruggestuurd hoefden te worden, geld waard waren. Bij Schut, de mandenmaker in de Spoorstraat, beurde ik er vijf cent per stuk voor en ik had er in de gauwigheid 100 bij elkaar! Dat was dus mooi meegenomen!
Als jonge knaap was je nu eenmaal kwetsbaar, dus deed ik maar, of ik in de zaak niet gemist kon worden en ging zo onopvallend mogelijk m’n weg! Maar nu was ik dan de pineut. Ik was ontdekt en moest dus opdraven. Goede raad was duur. Er werd besloten, dat ik maar zou proberen, een verklaring bij dr.Manschot los te krijgen, dat ik een ernstige nieraandoening gehad had en voorlopig niet in staat was, zware arbeid te verrichten. Dit lukte zowaar, maar we hadden ook niet anders verwacht!
Asl Dr.Manschot iemand van z’n patienten uit de handen van de vijand kon houden, zou hij het beslist niet laten. Gewapend met deze verklaring ging ik dus naar het Gemeentehuis, maar daar trapten ze er niet in. In Duitsland was ook wel licht werk voor me, dus kreeg ik geen Ausweis.
Nu had ik gelukkig goede relaties in de ondergrondse en Henk Baarschers uit de Meddosestraat dacht wel een oplossing te hebben. Ik zou moeten proberen, een keuring op het Arbeidsbureau te forceren. Bij de keuringsarts, dr Das, had hij een goede relatie en hij zou e.e.a. wel voorbereiden. Langs deze weg had hij al vaker goede resultaten geboekt, dus probeerde hij het opnieuw.
Op het Gemeentehuis stonden ze een keuring op het G.A.B. toe en de assistent van de arts werd netjes op de hoogte gebracht. Eenmaal in de onderzoekkamer, moest ik plassen. Het bewuste buisje kwam in handen van de assistent, die op een onbewaakt ogenblik een bepaalde vloeistof aan de urine toevoegde en het mengsel goed heen en weer schudde. Dit kon ik allemaal volgen door een spleetje in het gordijn van het kleedshokje. Hierop gaf de assistent het buisje aan de dokter, ie er met aandacht naar keek en het ging verwarmen boven een vlammetje. Er kwam een sombere uidrukking op z’n gezicht en hij vroeg me, wanneer ik een nieraandoening gehad had en hoe lang het ziekteproces geduurd had. Het ziet er niet best uit zei hij, stel je maar zo spoedig mogelijk in verbinding met een internist. Je bent voor alle werk afgekeurd. Ik zal ervoor zorgen, dat je een definitief Ausweis krijgt, dan kun je je vrij bewegen. Ik kon natuurlijk wel een gat in de lucht springen, maar ging met een zielig gezicht de onderzoek kamer uit.
Ik had de Ausweis dus op zak en iedereen was stomverbaasd, dat ik niet naar Duitsland hoefde. Maar het duurde niet zo lnag of ik kreeg een herhaalde oproep, dat ik te werk gesteld zou worden in een zgn. Rustungsbetrieb in Winterswijk. Hiervoor was het confectiebedrijf de Hazewind aan het Hilbelinkspad aan gewezen, dat werkte voor de Duitse Wehrmacht. De directeur, de heer Weidemann, van oorsprong Rijksduitser, kreeg veel orders uit die hoek en draaide dus lekker!
Weer werd er thuis overlegd, wat me nu te doen zou staan. We hadden alles gedaan om uit handen van de vijand te blijven, dus bleef er nu niets anders over dan nu maar onder te duiken, omdat werken voor de vijand er beslist niet bij was. Zowel vader als moeder verzetten zich hiertegen met hand en tand!
Inmiddels was het politiekorps onder leiding van de heer Feeberwee, al lang niet clean meer.
Ze moesten meewerken aan de arrestatie van Joden en dat stuitte velen tegen de borst. Binnen het corps kon er bijna niet meer gecommuniceerd worden omdat de een de ander niet vertrouwen kon. Verscheidene politiemensen doken dan ook onder en hun taak werd veelal overgenomen door Landwachters, afkomstig uit de N.S.B.. Ook spoorwegmensen doken massaal onder. Inmiddels hadden we een N.S.B.-burgemeester gekregen.
Dr.Bos, die weliswaar hier en daar een dubbele rol speelde, maar aan de andere kant ook weer niet te vertrouwen was. Als hoofd van de plaatselijke politie bediende hij zich door functionarissen als Duizenberg en Felle, die bekend stonden als sadisten. Wij als onderduikers konden dus niet voorzichtig genoeg zijn. Overal had de vijand z’n voelhorens uitgezet.
Gelukkig bracht Ds.Slomp uitkomst en gaf ons het adres van de familie Dijkman in het Ruurlose Broek, waar ik eventueel wel terecht zou kunnen vogens hem. Hij logeerde er ook zo af en toe en zou e.e.a. eventueel wel kunnen regelen. Gelukkig lukte dat. Henk Gijsbers verkeerde in dezelfde omstandighedenals ik en ging met me mee. Misschien was er voor hem ook wel een plekje daar ergens in de omgeving. En jawel hoor, Henk kon terecht bij een van de buren; Aornd-Jan van Waterhoon. Dit was echt een type voor hem. Hij zat in de gemeenteraad van Ruurlo voor de liberale partij en had een grote, kromme neus, waarmee hij probeerde, recht door het leven te gaan.
Bij de familie Dijkman voelde ik me spoedig thuis, maar ze zaten vol. Slapen was geen probleem, maar overdag waren ze eigenlijk overbezet. Welgeteld hadden ze vier onderduikers en er moest toch ’s middags een plaatsje aan tafel zijn? Ze hadden drie zonns en een dochter, dus eigenlijk was het al volle bak. Maar er werd een oplossing gevonden. Overdag kon ik terecht bij de naaste buurman Derk-Jan van Brandeveen, die samen met z’n moeder op een grote boerderij woonde en die wel bereid waren, mij overdag te herbergen. ’s Avonds ging ik dan na het pap eten terug naar Dijkman, waar ik, samen met nog drie lotgenoten, in de hilde sliep. Denk je eens in, wat daar elke dg op tafel moest komen.
Als Ds.Slomp er ook nog was, waren ze met z’n tienen! Elke maand werd er een kalf geslacht, dus bepaald slecht hadden ze het niet. Dat moest natuurlijk allemaal stiekem gebeuren en het lukte wonderwel in het varkenshuusken, dat aan de boerderij vastzat, naast de vaaltstal. De ramen werden dan geblindeerd met jute zakken.
Uit die ruif at ik dus niet mee omdat ik op normale werkdagen bij Brannevenne aan tafel schoof. Iedere morgen stond Jannemeuje voor het fornuis om pannenkoeken te bakken. Nog wel met spek. Je moest toch wat in je maag hebben om overdag te kunnen werken? Dit spek hing in de wieme en er was genoeg. Zelfs meer dan dat! Maar het oudste moest eerst op en dat was vreselijk ranzig. Zo scherp, dat je het de hele morgen merkte vanwege de zuurbrand, waarvan je geheid last kreeg. Vooral, als je kwekkwo moest schudden langs de randen van het bouwland, net een werk voor Pietje, m’n dagelijkse roepnaam (m’n eigenlijke naam kende niemand). Dat hoorde er nu eenmaal bij in de oorlog. Ik werd belast met het uitsteken en schudden van het lastige kweekgras. Een goeie boer had daar een vreselijke hekel aan, ja nog sterker, hij werd erop beoordeeld! Ze vonden dit een doeltreffend tijdverdrijf voor me, dus stond ik de hele dag krom en kon m’n energie ten volle kwijt, kompleet met ’t zuur, dat elke keer weer boven kwam.
De middagpot bestond iedere dag uit gebakken aardappelen met appelmoes. Groenten kenden ze niet, maar de maaltijd werd met zorg bereid en we konden het er best mee doen ook al was het vrij eentonig. De hoofdmaaltijd waren de aardappelen en de applemoes werd geserveerd op een afgedankt schoteltje. Ik zie het nog naast m’n bord staan. Een paar lepels maar. Naast Derk-Jan en z’n moeder zaten de meid en de knecht ook aan tafel. Jenneken van Huuskes-Tone, oftewel Jennekn Meerbeek en Marinus van Tankink of Marinus Bensink en als het extra druk was, assisteerde Johan Bensink, een broer van Marinus, die regelmatig op Brannevenne te vinden was, ’s Nachts sliep er niemand van het personeel op Brannevenne. Ze wilden nu eenmaal geen vreemden over de vloer. Vandaar, dat ik ook bij ’t Vetgat sliep.
Dat was de naam van de andere Dijkman’s boerderij. Misschien vonden ze het bij Brannevenne ook wel veiliger dat er, behalve de eigenlijke bewoners, geen vreemden sliepen. Maar dat mochten ze zelf weten en ik had het er reuze naar m’n zin en kon goed opschieten met Jannemeuje en Derk-Jan. Zij was een ontzettend lief mens en tussen Derk-Jan en mij viel nooit een scheef woord. Daar was hij ook veel te vroom voor. Hij vertelde me elke morgen aan tafel, wat mijn taak voor die dag was, terwijl ik zat te genieten van de onnewettend lekkere pannekoke met uitzondering van het spek dan, maar daar wende je op den duur wel aan, al begon je maag om een uur of negen al op te spelen. Maar ik heb er nooit iets van gezegd. Daarvoor was Jannemeuje me veel t lief. Wat een edel mens!
Een keer per jaar ging ze, samen met haar zoon Derk-Jan naar Ruurlo om inkopen te doen. Dit gebeurde met paard en wagen, want fietsen, nee, dat was er niet bij! Het was een hele onderneming, dat kan ik u verzekeren. Het leek wel een wereldreis en dagen ervoor werd er al over gepraat. Als ze weer terug waren, konden ze weer met verlangen uitzien naar een volgende keer!
Alles werd van tevoren in gereedheid gebracht, als gold het een cruise naar de Nederlandse Antillen. Het paard had de dag ervoor al een grote beurt gehad en daarna kwam de wagen aan bod, die er speciaal voor uit de wagenloods gehaald werd.
Ik kan me die lange wagen nog heel goed voor de geest halen. ’s Zomers werd hij gebruikt bij het inhalen van de rogge of de haver.Weet je wel, zo’n lange op vier wielen. De bekende voermanskist werd er voorop geplaatst voor de klienere boodschappen en verder diende hij voor de zitplaats van Derk-Jan en z’n moeder. Maar voor het paard in het gareel stond, had zij zich ook echt opgedoft. Wat had dat een tijd gekost, je houdt het niet voor mogelijk! Terwijl ze pannenkoeken aan het bakken was, ging ze er tussendoor regelmatig naar het voorhuis om zich te kleden.En als ze tussentijds weer eens in de keuken kwam, had ze weer een andere rok aan, althans zo leek het.................Maar omdat ze alsmaar breder om haar heupen werd, kwam ik tot de conclusie, dat ze een aantal rokken over elkaar heen aan had. Aan haar omvang te oordelen, moeten het er haast wel 5 of 6 geweest zijn!
Na het gebruikelijke pannenkoeken- ontbijt werd de tafel afgeruimd en het vertreksein werd gegeven. En daar gingen ze: Derk-Jan in z’n zwarte duffel met pet en Jannemeuje met een grote zwarte omslagdoek rondom haar schouders. Echt een plaatje. Ze konden zo meedoen aan een folkoristische optocht. Zoiets had ik nog nooit gezien of meegemaakt. Derk-Jan depte de laatste druppel onder ’n neus vandaan en de rode zakdoek verdween dit keer niet in z’n broekzak, maar in de zak van z’n duffel. De oude merrie spande z’n spieren na het commando "allee" van de voerman en het koestwerk zette zich in beweging, richting Ruurlo.
Zo’n ceremonie vond alleen plaats bij speciale gelegenheden, zoals een begrafenis, een visite of een bezoek aan de dokter. Maar hij kwam meestal wel langs, als het noodzakelijk mocht zijn. Verder heb ik nooit meegemaakt, dat ze van huis waren.Als het even kon waren ze het liefst maar samen op Brannevenne. Zelfs de knecht of de meid hoorden er daar niet bij!
Ik heb zo’n flauw vermoeden, dat Marinus wel eens van de gelegenheid gebruik maakte om Jenneken af en toe naar huis te brengen. Ik kan dit natuurlijk alleen maar veronderstellen, maar dat dit gebeurde, zou niet onmogelijk geweest kunnen zijn, getuige de status, waarin ze nu nog steeds verkeren, namelijk: als man en vrouw op Brannevenne.
Soms ging ik een weekend naar huis. Durfde je dat wel, zult u zich mogelijk afvragen? Och, als je jong bent, is het vaak een bepaalde uitdaging, een risico te nemen. Natuurlijk zie je het gevaar wel, maar trotseert dit gewoon vanwege het stuk avontuur, dat erin zit.
Vaak gingen Henk Gijsbers en ik samen. Beiden hadden we dezelfde uitrusting; een zwarte jekker met donkergrijzerijbroek, zwarte beenkappen en hoge, zwarte schoenen. Om het geheel zo echt mogelijk te maken, droegen we beiden een Friese schipperspet met gouden embleem boven de klep. We fietsten over de Bedelaarsdijk richting Lichtenvoorde en meden hierbij alle verharde en openbare wegen. Verder helemaal om Lichtenvoorde heen naar Vragender en via Corle richting Korenburgerveen naar het eindpunt. Als we eenmaal zover waren, was het voor ons bekend terrein en kleine straatjes en steegjes brachten ons uiteindelijk, waar we wezen moesten.
Ze waren altijd weer blij, als ze ons zagen, omdat de rit nu niet bepaald zonder gevaar was. Thuis was rekening gehouden met een mogelijke overval.
De timmerman, die ons huis destijds bouwde en volledig te vertrouwen was, had een ingenieuze schuilplaats op de zoldervedieping gemaakt, die je alleen met behulp van een duimstok zou kunnen ontdekken. Ik sliep op m’n eigen kamertje op zolder. Vader en moeder hadden hun slaapkamer een verdieping lager en bij eventuele onraad zou moeder me komen waarschuwen en in mijn bed kruipen, zodat ik weg kon komen. M’n kleren lagen dan al in de schuilplaats, omdat ik nu eenmaal geen tijd te verliezen had!.
Naast de deur van m’n kamer hing een plakaat aan de wand, waarop het woord Roodvonk stond. Vader zou, bij eventuele onraad, naar beneden gaan om de deur open te doen. Het draaiboek was hiermee compleet en we waren dus op alles voorbereid. Op een zaterdagnacht was het raak. Vader hoorde zware voetstappen in de steeg en even later gebonk op de voordeur. Een huisbel hadden we natuurlijk al lang niet meer en op deze manier moesten ze zich daarom maar melden. Vader ging op z’n dooie gemak naar beneden en treuzelde nog een poosje met de sleutel. " Aufmachen, riepen de Moffen " Aufmachen, sonst wird geschossen!" .
" Ruhe bitte, " antwoordde vader, " meine Frau ist schwer krank!" . En tergend langzaam opende hij de deur en zei, in perfect Duits, want dat beheerste hij tot en met: "Ein bisschen Ruhe bitte, was mochten Sie, mitten in der Nacht?" . "Wir suchen Ihren Sohn, er soll zu Hause sein". "Mein Sohn," zei vader, "der ist schon lange nicht mehr da und wo er steckt, kann ich Ihnen leider nicht sagen." De Feldgendarmerie, drie man sterk, drukte m’n vader aan de kant en snauwde hem toe, "wir haben ein Haussuchungsbefehl."
Natuurlijk kon vader tegen deze overmacht niets uitrichten en kreeg niet eens de kans, naar het bewuste document te vragen. Ze stormden langs hem heen, de trap op.
Een van drieen bleef bovenaan de trap staan ende rest verdeelde zich over de kamers op de eerste verdieping. Bedden werden geinspecteerd, de ksten opengetrokken enz.enz., maar op deze verdieping hadden ze natuurlijk geen succes. Dus dan maar een trapje hoger. Hun laarzen met ijzerbeslag veroorzaakten een hels kabaal door het huis en op de zolderverdieping met de houten vloer bereikte het kabaal zijn hoogtepunt! Moeder lag rustig in m’n bed en ik stond, verstijfd van schrik, in het schuilhok.
Misschien heeft u er enige benul van, wat er in die ogenblikken door me heen ging. Hoe zou het met m’n ouders aflopen als ze me zouden ontdekken? Intussen stampten de laarzen van de twee overgebleven nilitairen over de zolder en - gewapend met een zaklantaarn - kwamen ze vlakbij me in de buurt, mijn gedwongen tijdelijke verblijfplaats. Ik kon hun ademhaling bijna horen en als ze heel goed geluisterd hadden, zij mijn versnelde hartslag. Het waren angstige ogenblikken. Intussen speelde m’n vader z’n rol voortreffelijk! Hij nam het initiatief, gooide de deur van mijn slaapkamer met een ruk open en zei: "da liegt meine Frau. Sie ist ernshaft krank und hat das Scharlach mit hohem Fieber."
Meteen deinsden ze terug, vooral, toen ze het plakaat zagen. Ze zijn niet binnengeweest, de bangeschijters, die geen enkele risico durfden te nemen en zonder resultaat bliezen ze de aftocht. "Aber, wit kommen zuruck",was hun laatste commentaar, "wir werden Ihn finden!". Vader liet ze netjes en correct uit en riep ze nog na: ’aber, ich habe es Ihnen docg gesagt, mein Sohn ist nicht da!".
Maar de dag erop zijn we toch wel even samen om de tafel gaan zitten om ons goed te beraden over de ontstane situatie. Want als je eenmaal op de lijst van gezochte mensen staat, is het dubbel gevaarlijk om onnodige risico’s te nemen. We zijn er nooit achtergekomen, wie er achter deze overval gezeten heeft. Wie mij mogelijk gezien had en m’n naam doorgaf aan de Duitse instanties. Al spoedig werd bekend, dat er bij ons thuis huiszoeking geweest was. Ik kreeg het advies, het maar iets voorzichtiger aan te doen en zoveel mogelijk op m’n onderduikadres te blijven.
De illegale "Ausweisen" hadden totaal geen effect meer. Bij controle werd je zonder meer "festgenommen" en op transport gesteld. Dat moesten we dus niet hebben. Zelfs mannen tot 65 jaar werden gedwongen, te gaan spitten, Ausweis of niet! Dit hield in , dat je ’s morgens om 7.00 uur moest melden op de markt om in colonne naar Zevenaar te fietsen en te gaan werken aan de verdedigingslinies, die daar gebouwd werden. Voor mij was Ruurlo gelukkig altijd nog een uitwijkmogelijkheid. Alleen het naar huis gaan was er niet meer bij. Dit werd te gevaarlijk. de Organisation Todt begeleidde de spitters en had tevens tot taak, goed rond te kijken, wat er nog aan jonge mensen rondliep. Deze landverraders, bestaande uit N.S.B.-ers en oud S.S.-ers, die afgekeurd waren voor actieve dienst aan het front, waren gekleed in zwarte uniformen en werden daarom ook wel zwarten genoemd. Dit waren rasechte slavendrijvers, die hun sporen op dit terrein al wel ruimschoots verdiend hadden en goed bevelen konden uitvoeren. Dit was hen door de Moffen wel bijgebracht. Een selectie van echte Ariers dus.
Onze uitrusting leek wel een beetje op die van hen. Wij zouden qua uiterlijk eveneens zwarten kunnen zijn. Op een van onze laatste fietstochten naar Ruurlo bij het krieken van de dag, fietsten we op de Bedelaarsdijk en waren dus niet zo ver meer van huis. In een weiland waar we langskwamen, zaten een paar jonge knapen te melken, wat achteraf lotgenoten bleken te zijn. Want toen ze ons zagen wisten ze niet, hoe snel ze weg moesten komen. Gelukkig grensde er een bos aan het weiland. ik denk dat wij hetzelfde gedaan zouden hebben onder deze omstandigheden. We hadden toch geen wapens om ons te verdedigen als we er werkelijk toe gedwongen zouden worden?
Dit zou spoedig anders worden toen ik aan Henk Gijsbers iets bijzonders ging merken. Hij werd stiller en was niet zo spraakzaam meer. Overdag zag ik hem sporadisch en als ik eens informeerde, waar hij toch uithing, kreeg ik te horen dat hij zich niet lekker voelde en liever niet had, dat ik bij hem kwam. In feite, zo bleek later, haalde hij overdag z’n slaap in, omdat hij ’s nachts vrij veel van huis was. Dit werd me pas duidelijk, toen we op een zondagavond naar huis zouden gaan na een vergadering van de J.V., die bij ds.Broek Roelofs in Geesteren aan huis gehouden werd. Het weer was goed en af en toe liet de maan zich zien, zodat we, ook zonder licht, vrij goed zicht op de weg hadden.
Normaal gingen we van Borculo uit binnendoor naar huis, maar dit keer stelde Henk voor, normaal via de grote weg te gaan. Ik voelde daar weinig voor in verband met eventuele controles. Maar Henk was vast besloten, via Ruurlo te gaan en dus niet langs de Leo-stichting.
We namen dus de provinciale weg. Bij het kerkhof in Ruurlo gekomen was het raak! Hier stonden twee landwachters, die ons staande hielden met het bevel: "Halt, controle". Zoals gewoonlijk, waren ze bewapend met dubbelloops jachtgeweren, die ze aan hun schouder droegen. Henk deed een snelle greep in de binnenzak van z’n jekker, haalde er een revolver uit en beet de beide heren toe: "houd je spuit aan de schouder. Mijn wapen is net iets sneller dan dat van jullie. Wat ik nu ga zeggen, is een bevel; Ingerukt mars en maak geen onverwachte beweging. in dit geval zou het je laatste wel eens kunnen zijn!"
Hun reactie was verbluffend.Zo snel ze konden maakten ze rechtsomkeert en smeerden ’m als twee kwajongens, die zojuist een afstraffing gekregen hadden. Zo hard ze konden, gingen ze er tussenuit! na deze reactie even afgewacht te hebben, kregen wij ook haast en gingen binnendoor naar ons onderkomen.
Tijden deze rit had ik tijd om even over het voorval na te denken. Henk beschikte niet zo maar over een wapen en zou wel eens bij de K.P. (knokploeg) kunnen zijn, vandaar, dat hij ’s nachts zo vaak weg was en overdag z’n slaap dus in moest halen. Eenmaal op ’t Waterhoorn ging Henk rechtstreeks naar de gierkelder, haalde het deksel eraf, liet z’n blaffer aan een touwtje zakken en haakte vervolgens het touwtje vast aan een pin, die in het deksel verankerd was. Het wapen hing dus in de gierkelder, net boven de oppervlakte van de drijfmest en zou zo dus onvindbaar zijn.
Henk heeft me later nooit iets verteld over z’n nachtelijke escapades. ik heb er hem ook nooit naar gevraagd. Dat hij een actieve rol speelde in de ondergrondse, is me door dit voorval wel duidelijk geworden. Misschien had hij dit waagstuk wel benut als was het een oefening! De volgende morgen hoorden we, dat er ’s nachts een grote razzia gehouden was om de twee vreemde figuren op te sporen. Maar ze waren de verkeerde kant opgegaan.
Wij als ongewenste vreemdelingen hadden een effectief waarschuwingssysteem, waarmee iedere onderduiker bereikbaar was. Met z’n allen hebben we die nacht in het bos doorgebracht. Wel hoorden we lawaai in de verte, maar in onze hoek werd niet gezocht. Aornd-Jan en hanna, zijn vrouw, hebben ’m wel even geknepen, gelukkig voor niets!
Het was algemeen bekend, dat er in ’t Broek de nodige onderduikers zaten. Het gezicht van Hein Besselink, de koperslager uit Ruurlo, zagen we regelmatig op onze adressen. Maar hij was zo dicht als een pot en had op zijn terrein ook weer de nodige contacten. Nooit is er een onderduiker gepakt, dankzij de tips, die we kregen van een boer, die bekend stond als sympathiserend lid van de partij, m.a.w. hij zag blijkbaar goede dingen in hun programma, maar kon alles, wat er omheen gebeurde, niet onderschrijven. Wij konden dan ook altijd op hem rekenen en als hij ons meende te moeten waarschuwen, deed hij het dan ook zonder meer!
Hij, Johan Prinzen van de Scheidijk, had, door dat lidmaatschap een goede verhouding met diverse partijleden en kreeg bepaalde berichten door uit de eerste hand en hier liet hij ons van profiteren. Zodoende kon hij ons direct waarschuwen, als er gevaar dreigde. Hij had een groot gezin. Als ik het wel heb, bestond het uit drie jongens en negen meisjes. Dit hadden er dertien kunnen zijn, maar een was er overleden, zodat er nog twaalf over waren.
Twee van de jongens, Henk en Han, werkten op de boerderij, maar Albert, de derde zoon, koos voor een vrij beroep en kwam uiteindelijk in de bouw terecht. Ze behoorden tot de Vergadering der Gelovigen en bezichten de diensten in Winterswijk. Soms gingen we er op een zondagavond met alle onderduikers naar toe en stonden dan rond het harmonium liederen uit de bundel van Johannes de Heer te zingen.
Overal, waar in die dagen een orgel stond - en dat waren er nogal wat in reformatorische gezinnen in die jaren - was genoemde bundel eveneens te vinden, een echte bron om uit te zingen, want die liederen waren nu eenmaal overbekend. Omdat we nogal met een behoorlijk aantal waren, misschien wel vijftien stemmen, was het net een koor. Vader en moeder Prinzen zaten er dan bij en genoten zichtbaar!
Wij als onderduikers waren maar wat blij met zijn regelmatige informatie. Eerlijk, als hij er eens niet geweest was.
Maar blijkbaar werd daarmee geen rekening gehouden, toen de bevrijding daar was en een ieder, die op de lijst stond, zonder meer gearresteerd werd. Zo ook Johan Prinzen sr!. Ze kwamen hem eenvoudig halen en hielden daarbij geen rekening met de rol, die hij in de oorlogsjaren gespeeld had. Hier werd een onvergeeflijke fout gemaakt tegenover hem en z’n gezin. Aan de andere kant kon je natuurlijk wel begrip voor opbrengen. De mensen van het tijdelijk gezag zagen hun tijd eindelijk gekomen en waren bijzonder fanatiek. Ze konden hierbij niet selectief te werk gaan. Omdat ze nu eenmaal niet op de hoogte konden zijn van de prive-omstandigheden van iedereen, die genoteerd stond.
Voor zover mij bekend, zat hij niet lang vast, misschien 5 dagen, voor het bekend geworden was, welke rol hij in de oorlogsjaren gespeeld had en hij mocht dus weer naar huis terug. Ergens was dit dus een rehabilitatie, maar deze zwarte dagen in zijn leven hadden hem behoorlijk beschadigd! Het voorval had diepe sporen getrokken in zijn leven en hij zou verder moeten met een kenteken, voor altijd gebrandmerkt!
Mogelijk kunt u zich voorstellen,wat deze 5 dagen gevangenschap op hem voor uitwerking gehad hebben. Iedereen zou zeggen: die. o ja, die heeft ook vastgezeten. Maar ja, wat wil je, hij was toch fout in de oorlog?
Met die gedachte kon hij blijkbaar niet leven. Het vrat aan hem, ja, het werd zelfs een obsessie, zodat hij er op ’t laatst niet meer tegenop kon. Hier kun je je geen voorstelling van maken!
Nog geen tweeenhalf maand later gaf hij zich gewonnen. Hij liep op een dag naar de schoppe en kwam hier niet meer uit terug. Iedereen was ervan onder de indruk. Hoe was dit toch in vredesnaam mogelijk? Zo’n integere en vrome man! Hoe kon zoiets toch gebeuren? Zou z’n verleden dan toch geen enkele rol gespeeld hebben, dat toch algemene bekendheid genoot? Wat heeft hij toch veel mogen betekenen voor zovelen, die huis en haard hadden moeten verlaten om de zaak te dienen? En nu dit! Haast niet te geloven en ergens eenvoudig ondenkbaar. Maar het feit was niet meer terug te draaien.
Z’n gezin was opeens in diepe rouw gedompeld en z’n geloofsgenoten eveneens tot in Winterswijk toe! Het was een sombere dag voor velen, die hem een warm hart toedroegen en waarvoor hij bijzonder veel betekend had in de bange jaren, die we door moesten maken.
Zoals ik al vertelde, sliepen we als onderduikers bij Dijkman op de hilde. In het voorhuis was te weinig ruimte voor iedereen, zodat er zelfs een extra slaapkamer op de deel gemaakt werd, waar de drie jongens van Dijkman sliepen, Jan, Johan en Gert. Door op het voeteneind van een van de bedden te gaan staan, kon je een luik naar boven drukken. Daar was in het hooi een ruimte uitgespaard, waar we met z’n vieren de nacht konden doorbrengen, keurig op een rij. Joop van der Kooy, Joop van Veen, Herman Feberwee en ik.
Bepaald fris was het er niet, omdat enige ventilatie nu eenmaal niet mogelijk was om onopgemerkt te blijven.
Daar kwam nog bij, dat de ruimte vrij klein was - ik schat deze op 7 -a 8 m3 - en dan proeft u wel, dat we met z’n vieren reuze blij waren, dat de morgen weer aangebroken was.
Het broodgas dat we met z’n vieren produceerden, was nu niet bepaald bevordelijk voor een frisse atmosfeer.
Wel was het allernoodzakelijkste sanitair aanwezig in de vorm van een po. Hierin kon je, in een noodgeval je plasje kwijt. Maar je moest wel een ware atleet zijn vanwege de halsbrekende toeren, die nodig waren om erbij te kunnen komen vooral, als je toevallig achteraan lag. Als je geluk had, sliep je wel door als er een hoge nood had, maar vaak was iedereen weer klaar wakker, vooral, als er iets naast ging! Nee, dat lozen was nu niet bepaald het prettigste onderdeel van het logies, dat we daar genoten.
Maar later, als je hieraan terugdenkt, waardeer je je eigen bed des te meer! Zo duf als en konijn kwamen we dus in de regel ’s morgens naar beneden en waren de koning te rijk dat we ons hoofd weer lekker onder de pomp konden houden! Over milieu gesproken, Maar gelachen hebben we, dat kan ik u verzekeren! Van gebrek aan slaap wordt je blijkbaar niet sacherijnig.
Op een nacht was het echter vrij rustig in ons slaapvertrek. Dit kwam niet al te vaak voor. Ineens werd ik wakker omdat er iets kriebelde op m’n hoofd. Iets ondefinieerbaars, iets, dat ik niet thuis kon brengen. Nee, niet maar zo’n beetje geprikkel, het voelde echt irritant aan. Heel voorzichtig ging ik er met m’n hand naar toe. Ik voelde iets warms. Het bewoog en ik probeerde, het te grijpen. Toen ik dacht, beet te hebben, hoorde ik een hoog piepend geluid en kwam tot de onplezierige ontdekking, dat een rat zich probeerde te nestelen in m’n haardos. Het zal wel een aanlokkelijk plekje voor haar of hem geweest zijn. Lekker zacht en nog warm ook! Vandaar zijn voorzichtige pogingen.
Zoiets kom je nu niet bepaald ieder dag tegen! U zult mijn reactie kunnen begrijpen. Met een ruk kwam ik overeind en had maar een wens: hier moet ik vandaan! Dat dit mij nu weer moest overkomen! Herman werd vanzelfsprekend overgeslagen. Die sliep - mogelijk uit voorzorg - altijd met de pet op! De beide anderen draaiden zich om en sliepen rustig verder. Ik maakte het luik voorzichtig open en zocht mijn heil in de keuken. Nog geen tien minuten later snorde het kacheltje lekker en vergezeld door de hond en een boek bracht ik het verdere gedeelte van de nacht daar maar door, tot het tijd werd om naar m’n pannenkoeken bij Jannemeuje te gaan. Maar de volgende avond hadden we alle vier de pet op. Het gevolg van deze minder prettige ervaring was, dat we samen gingen overleggen ,een andere slaapplaats te creeren! Jan Dijkman sr. zag hiervan de doozaak ook wel in en stelde voor, een slaaphol te gaan bouwen aan de andere kant van de beek, op zij van ’t huis, op de bekkenwal. Je zou er gemakkelijk via een plank over de beek kunnen komen, die je dan later weer inhaalde als iedereen binnen was. Met z’n vieren gingen we aan de slag en het lukte zowaar! Het werd een mooie ruimte, waar je gemakkelijk met z’n vieren kon bivakkeren.
Op de bodem lag een dik pak stro en het dak bestond uit dunne berken-stammetjes, bedekt met graszoden, die op hun beurt weer afgedekt waren met droog blad uit de naaste omgeving, zodat er geen verschil meet te zien was tussen het dak en de rest er omheen. Tenslotte maakten we een luik, dat voor de ingang geplaatst werd. Aan dit sluitstuk hadden we nog het meeste werk, omdat dit natuurlijk beslist niet af mocht wijken van de rest. Her vergde nogal wat van onze inventiviteit, maar tenslotte was iedereen er tevreden over. Herman had op de afwerking de meeste kijk en moest dan ook vaak z’n oordeel geven. Zodra de laatste binnen was, nam hij de plank mee, die in de hut een plaatsje kreeg, zodat er niets op leek, dat zich hier 4 onderduikers bevonden.
Totdat de herfst haar intrede deed, ging alles goed. Maar op een morgen werden we wakker met een natte rug. Het hoge water in de beek was er de oorzaak van en daarmee hadden we geen rekeing gehouden. Dit kon natuurlijk niet langer zo en de nacht erna lagen we weer netjes met z’n vieren op een rijtje in de hilde, nu compleet met pet. Maar we waren gelukkig weer een paar maanden verder. Ik schrijf over de herfst van 1943.
Op een morgen kregen we een seintje door van onze vaste bron, dat er die dag een drijfjacht in ’t Broek georganiseerd zou worden door een groep zwarten. Hij achtte het veiliger, dat we ons dus niet zouden laten zien. Met z’n vieren kropen we dus in de hooiberg achter de boerderij. De kap werd zo laag gedraaid, dat we er precies onderdoor konden gluren om zo op de hoogte te blijven van alles, wat zich beneden ons afspeelde. Het duurde niet lang, voor we de eerste schoten hoorden.
Ze kwamen onze kant uit, de heren plutocraten, die dankzij de positie, die zij bekleedden, hun invloed in maatschappelijk opzicht behoorlijk konden laten gelden. Maar we zaten letterlijk en figuurlijk hoog en droog en voelden ons zo veilig als wat! Ineens zagen we de eerste jager in de verte aankomen. Hij liep onze wal op, die langs de beek lag. Dat konden we niet zo geweldig waarderen! Ons slaaphol was in gevaar en alhoewel we er alles uitgehaald hadden, zou de ontdekking ervan minder prettige gevolgen kunnen hebben. We hielden de adem in. Als hij er overheen zou lopen, ging hij er geheid doorheen en in dat geval waren de peren rijp! En wat zou dat voor gevolgen kunnen hebben voor de familie Dijkman? Zouden ze meegenomen worden voor verhoor en wat dan verder? De hele boel zou opgerold worden. Zou dat het einde moeten zijn voor deze edele mensen, die met wegcijfering van hun eigen belangen zo onbaatzuchtig hun weg waren gegaan, alleen in het belang van hun medemens? Wat ging er in die korte tijd niet allemaal door onze hoofden? We konden niets anders doen dan wachten op de komende dingen.
Dat de zenuwen ons door de keel gierden, hoef ik u niet te vertellen! Het zweet stond me in de handen en het uur van de waarheid was niet ver meer. Misschien hebben we op dat moment de handen wel gevouwen. Ik weet het niet meer, maar voelde me wel vooledig afhankelijk. Aan deze situatie konden we niets veranderen, tenzij er een wonder gebeurde. En dat wonder gebeurde, want de bewuste man liep er langs! Omdat de ingang ook goed gecamoufleerd was, merkte hij gelukkig niets bijzonders op. En het grove wild zat keurig opgeborgen in de hooiberg. De schutter had hiervoor geen scherpe neus en liep door richting Brannevenne. Weer waren we door het oog van de naald gekropen, dankzij onze tipgever, die steeds meer van onschatbare waarde voor ons bleek te zijn!
De naaste buren van de Dijkman’s die er het dichst bij woonden, was de familie Stokkink, Hendrik-Jan en Dina, samen met de ouders van Hendrik-Jan. Deze boerderij heette de Leeuw. Ook aan dit stel bewaar ik de meest prettige herinneringen. Wat hebben we daar wat afgelachen! Het waren fijne buren, temeer, omdat Hendrik-Jan van hetzelfde bouwjaar was dan wij onderduikers.
Een huis verder woonden de ouders van Dina, Derk en Dieka Lievestro op de Meikever. Ook zij hadden een boerenbedrijf en hoorden bij de buurt van de Dijkmans. Over het algemeen waren het bedrijven met melkvee, varkens, kippen en de nodige landbouwgrond. Daarop werd rogge en haver verbouwd en natuurlijk aardappelen hoofdzakelijk voor eigen gebruik en de rest kwam terecht in de kokpot die met takkenbossen gestookt werd in ’t varkenshuusken. Hij of zij, die daarmee belast werd, moest de pot stokken.
Dat was nu niet bepaald het meest aantrekkelijke karwei, want een schoorsteen was er in geen velden of wegen te ontdekken, dus moest de deur altijd open staan vanwege de rook! Maar ja, de aardappelen moesten op en de varkens wilden toch ook graag wat in d’n somp hebben?
Alls je tot de buurt gerekend werd, hoorden hier ook de noaberplichten bij, zoals het helpen bij de oogst, het assisteren bij huwelijk, geboorte(s), broedlachten (koper,zilver,robijn, goud en diamant) en begrafenis. Meestal was de naaste buurman de doo’nboer, die de volledige begrafenis moest regelen, inclusief het aanzeggen van het sterfgeval bij familie, buurt en in de verre omgeving. Dit laatste gebeurde allemaal lopend en kosste veel tijd. Dat deed hij samen met nog een buurman. Ze gingen dan op pad en waren te herkennen aan hun hoge zijden hoeden en een goa-stok met zwarte strik.
Ter verduidelijking: de goa-stok was niet zomaar een wandelstok, maar kwam rechtstreeks uit een houtwal. Er werd net zo lang gezocht, tot er een stok gevonden was met een natuurlijk gegroeid handvat, die dus een hoek van negentig graden maakt.
Bij het neugen (uitnodigen) voor een feestelijke gebeurtenis, zoals een bruiloft, een zoveeljarig huwelijk, hadden de neugers een reusken an de pette en aan d’n goastok, ten teken, dat ze voor een blijde tijding op pad waren. Dit liep wel eens uit de hand, omdat hun hier en daar wel eens staande een klare aangeboden werd!
De doo’nboer zorgde ook voor de lijkoets en als het niet op een gewone platte wagen gebeurde, moest hij die nog betalen ook! Bij de begrafebis zelf hielpen de vrouwen uit de buurt bij het koffie schenken. Alles werd van tevoren geregeld door middel van briefjes trekken. Iedereen wist dan, wat z’n taak precies was. De doo’nboer liep plechtig voor de rouwstoet uit en zorgde voor de dragers, eveneens uit de buurt. Een hele organisatie dus. Hier kwam verder geen begrafenisonderneming aan te pas!
Ik kende de zgn. rouwbanden nog, die om de arm gedragen werden, als er iemand uit de familie overleden was. De aard van de familieband bepaalde de tijd, dat deze band gedragen moest worden.
Bij een geboorte was de buurt ook actief. Het begon al, als de kraamvrouw weer goed en wel op de been was met het aanbieden van een krintenweggen, compleet met een zakje kandijklontjes, een pakje roomboter en een pond koffie, dit ter versterking van de inwendige mens!
Verder werd er voor de buurvrouwen altijd een kiekvisite georganiseerd,. De vrouwleu uut de buurte kwamen dan in de grote keuken bij elkaar en zaten in een kring, waar de jonggeborene van arm tot arm ging, het zgn. punder’n (wegen). Veel van deze oude gebruiken zijn er heden ten dage nog, maar zullen wel spoedig tot het verleden gaan behoren.
Bij de graanoogst hielp de hele buurt, omdat alles nog met de hand gebeurde. De mannen maaiden met de zicht, compleet met pikhoak en de vrouwen, die schorten met lange, dichtgebonden mouwen om de polsen droegen vanwege de irritatie, die de halmen van het gewas veroorzaakten. Ze bonden de garsten en de rest van de buren zette ze aan hopen van zes, die later in de viemhoop bij de boerderij terechtkwamen.
Achter de Meikever lag een stuk bouwland, waar Derk-Jan van Brannevenne haver verbouwde. Het was eind augustus en mooi oogstweer. De hele buurt was opgetrommeld en verzamelde zich ’s middags rond half twee op het haverland. Ik noemde al verschillende buren, die natuurlijk de helpende hand boden. Natuurlijk was Marinus van Tankink en z’n broer Johan van de partij en Jenneken van Huuskes Tone, de drie jongens van Dijkman met hun gasten, Joop, Herman en de andere Joop en ik mocht de rij sluiten. Verder natuurlijk Hendrik-Jan en Dina van de Leeuw en Derk en Dieka van de Meikever, Willem van de Gek met z’n onderduiker Rein de Graaf. Al met al een behoorlijk koppel! Zo moest het werk toch wel lukken dacht ik.
(LATER MEER)
6.CISKE DE RAT
SPECIAAL GESCHREVEN VOOR WWW.OUDWINTERSWIJK.NL
Mijn naam is Antoon Olthof en ben in 1931 geboren in Neede. In 1936 zijn we met ons gezin (vader,moeder, 6 jongens en 2 meisjes) verhuisd naar Winterswijk, aangezien mijn vader bij het spoor ging werken.
Ik was de een na jongste van de kinderen. Toen de tweede wereldoorlog begon was ik 9 jaar. Ik voelde me achteraf een echte Ciske de Rat in die jaren. Heb heel wat uitgevreten.
Al snel gingen we niet meer naar school, aangezien de Duitsers de scholen bezet hadden voor eigen gebruik. Ik zat op de Sint Jozefschool in de Schoolstraat. Wel hebben we nog even les gehad boven galanterie-zaak Ruepert in de Wooldstraat, maar daar viel al snel een kind uit het raam en is daar weer gestopt met les geven. Toen nog even naar een zolder in de Willinkstraat, maar ook dat was snel afgelopen. Daar kregen we les van Meester Wolters of Bruinsma. Ik dacht dat het Bolters was. Al die jaren in de oorlog zijn we niet meer naar school geweest. Na de oorlog, ik was toen 15 jaar, ben ik nog een half jaar naar de Sint-Jozef geweest. Maar daar hield ik me alleen nog bezig met het schoon houden van het schoolplein en het opstoken van de kachels. Daarna ben ik gaan werken bij de Batavier.
Maar nu de oorlogsjaren.
De eerste dag dat de Duitsers er waren weet ik nog goed. Ben toen snel gaan kijken op de Markt. Aan de kant v.d.kerk bij het Kronenhuis hadden ze een veldkeuken ingericht en waren ze erwtensoep of bonensoep aan het maken. Dat weet ik niet meer. Ik weet nog wel dat ik het allemaal chaotisch vond.
Samen met Wim Wieskamp en Jaap Goossens gingen we altijd jatten uit de Duitse militaire voertuigen. Bij Walhof en in de Stationsstraat, daar stonden veel Duitse militaire voertuigen. We namen van alles mee, maar het had allemaal weinig of geen waarde. We gooiden het ook gewoon weer weg. "Duiterse pesten" kun je het noemen. Een keer heb ik een mooi pistool gejat, leek wel zilver en heb ik begraven in het Rommelgebergte. Ik dacht, na de oorlog haal ik het wel weer op, maar ik heb het niet weer kunnen vinden. Er stonden op die plaats toen allemaal bomen. Toen de spoorwegstaking begon is mijn vader ondergedoken. Ik en mijn broers en zusters hebben nooit geweten waarheen. Later ook mijn moeder (ook onbekend waarheen). Zij is toen ondergedoken samen met mijn gehandicapte broertje. Mijn oudere broers waren ook de deur uit (Kiel, 2 ondergedoken, 1 spitten) en 1 zus. Ik heb een hele tijd alleen met mijn zus Anneke samen gewoond. Mijn moeder heeft altijd wel gezegd, dat ik bij Anneke moest blijven en dat heb ik ook altijd gedaan. We woonden in de Gasthuisstraat. zeg maar op de parkeerplaats naast kapper Leemrijse, hoek Jeugdkerkstraat.
Waar slager Lamers zat (Deze was gesloten in die periode) hadden de Duitsers opslag van vlees. Samen met Gerard Leemrijse (piccolo) gingen we worsten jatten als er een nieuwe vrachtwagen aan kwam. We wisten precies hoe lang het duurde bij het uitladen en wanneer we de worsten eruit konden jatten. Die verdeelden we dan later weer in de straat.
Slager Lamers had voor vertrek de kelder open gelaten, en daar schuilden we bij bombardementen in met de hele buurt. De kelder was dan ook altijd open. Daar had Lamers ook allemaal nog weckflessen met vlees in zuur staan, maar daar hebben we nooit aan gezeten.
Tegenover het kleuterschooltje in de Schoolstraat hadden de Duitsers in het gebouwtje van de Pro Juventute de opslag van broden. Ontzettend veel broden. Kolenwagens vol. Vandaar uit werden ze verder vervoerd over, denk ik, heel Nederland. Als de vrachtwagens van Hannink weer broden kwamen brengen, stuurde ik meestal mijn gehandicapte broertje Arnold naar het gebouwtje toe. De Duitsers vonden dat "gezellig" en intussen kon ik dan de broden jatten uit de vrachtwagens. Naast de Sint-Jozefschool was een steegje en de broden verstopte ik daar in de sneeuw, om ze later weer op te halen en te verdelen in de straat. Een keer hadden ze me te pakken, maar ik wist me los te rukken, maar was wel mijn winterjas kwijt. Ben gewoon later terug gegaan en, ja hoor mijn jas lag nog in een cabine van een vrachtwagen. Dus die heb ik weer netjes terug gejat.
Samen met mijn zus Anneke zijn we door N.S.B.-ers ons huis uit gejaagd in de Gasthuisstraat.
Ik weet ook hun naam nog wel, maar dat doet er niet toe. Ze stonden gewoon bij ons voor de deur en zeiden dat we eruit moesten en wel heeeeel snel.
Bij Geltink hebben we toen een karretje geleend en zijn met onze beperkte huisraad vertrokken naar Hendrik Dorsthorst- kwak in Meddo. Denk dat we daar wel bijna een jaar gezeten hebben.
Waarom we daar heen gingen? Mijn vader werkte daar ook wel in het verleden en een broer van mij ook. Wel moesten we iedere zondagmorgen naar de kerk. Dat was drie kwartier lopen op mijn klompjes. Vond daar niets aan. Op een zondagmorgen ben ik niet gegaan en ben toen bij een boer daar in de buurt, die "anders denkend" was gaan helpen in de stal. En dat ging ik nu mooi iedere week doen. Kreeg daar dan ook nog lekker eten (pannenkoeken) en melk. Als de tijd van de kerk voorbij was, zei de boer dat ik weer naar huis heen moest. Volgens mij heeft Hendrik het nooit geweten dat ik niet meer naar de kerk heen ging. Die pastoor Vink, vond ik toch "3 x niks". Een keer zei hij dat alle kinderen het kathecismus goed kende en hij haalde mij er tussen uit omdat aan te tonen. Nou, daar ging ik toen goed af en dat wist hij. Ben er toen ook nooit meer heen gegaan.
Later wilde ik toch wel weer terug naar de Gasthuisstraat en ben toen stiekem gaan kijken bij het huis. Het was dicht getimmerd, maar er woonde niemand in. Ik ben toen terug gegaan naar Meddo en heb het mijn zus Anneke verteld. Ook Anneke wilde weer terug en Hendrik heeft ons toen terug gebracht met zijn koets. Met een tonnetje, waarin een gezouten speenvarken zat voor ons.
O ja, ik weet nog wel enige verhalen uit de gasthuisstraat.
De Duitsers zaten o.a. in het parochiehuis en het gymnastieklokaal. Daar moesten velen aansterken om weer naar het front te kunnen. Eten deden ze in het feestgebouw. Ze marcheerden dan van het parochiehuis naar het feestgebouw. Vaak liepen wij dan mee, vonden we interessant. Een soldaat riep dan: "EIN LIED" en een andere riep dan: WAS VON LIED?"
en dan zongen ze met z’n allen weer een militair Duits lied.
O.a.zongen ze:
"Heute gehört uns Deutschland, Morgen den ganzen Welt". "Ein Führer, ein Volk".
Wij als kleine jochies zongen dan zachtjes:
"Tommies schiess mich durch die Hände, dann ist der krieg fur mich zum Ende".
"Es war ja so schon".
Ook haalden we surrogaat- tabak bij Buunk in de Gasthuisstraat. Met warm water weekten we het pakje voorzichtig open, deden er een beetje echte shag bovenop en plakten het weer voorzichtig dicht.
Dat ruilden we dan weer als "ECHTE" shag met de Duitsers voor iets anders.
Ook deden we dat bij de Russische krijgsgevangenen die in een gebouwtje in de Tuunterstraat verbleven, maar dat was natuurlijk niet helemaal netjes van ons.
Deze moesten vaak de Duitsers helpen bij het vervoeren van goederen.
Drie ervan: "Sterler", "Seeva" en "Curva" kende ik "goed". Zij waren heel aardig en vaak ging ik naar hun toe. Met mijn eigen wereldtaal ("Handen en voeten") praten we met elkander.
In het parochiehuis hadden de Duitsers ook opslag van allerlei materialen. Ook voor fietsonderdelen. Een keer ging ik er op uit om fietsonderdelen te jatten. Ik sloeg een raampje in van het parochiehuis en al snel kwam er een Duitse soldaat achter mij aan. Ik vluchten natuurlijk. Die Duitse soldaat heeft wel 3 a 4 keer op mij geschoten. Ik hoorde van "pang,pang,pang".
Ik wist niet hoe snel ik weg moest komen, maar het is me gelukt.
Het angstigste avontuur was een keer tegenover de Sint-Jozefschool. Daar stonden, waar nu Slijkhuis zit 2 a 3 wagens van Hannink, vol geladen met fijne antraciet. Ik zette, dacht ik mijn sleetje, onder een van de vrachtwagens, zette er een zak op en maakte in de bodem van de vrachtwagen een gaatje en de antraciet liep langzaam in de zak. En toen ineens had een lange Duitse soldaat met zo’n geweer met zo’n lange pin eraan, mij in de kraag te pakken.
Hij heeft me opgesloten op de w.c. in het fröbelschooltje naast de Sint-Jozefschool. Ik zou opgehaald worden door de Duitse Veld Gendarmerie. Dat waren 2 Duitse soldaten die altijd door Winterswijk liepen.Die hadden van die glimmende plakkaten op de borst. Op de w.c. zat bovenin een heel klein, veel te hoog, raampje. Hoe ik daar uitgekomen ben weet ik echt niet meer, maar het is me gelukt. Heb me gewoon op kop uit het raampje laten vallen en toen er vandoor.
In ons huis aan de Gasthuisstraat waar we weer terug waren, kwamen soms ook Duitse soldaten, om zich te scheren. Ik weet nog goed dat ze er ook een keer op eerste kerstdag er waren en allerlei versnaperingen bij zich hadden. Vergeten doe ik ook niet meer dat enkelen van hen huilden, omdat ze weer naar het front moesten. Ik moet toegeven, ze hebben nooit aan mijn zus gezeten. Ik had een hele knappe zus. Dus mijn opdracht (ik was als een waakhond voor mijn zus) naar mijn moeder toe had ik goed volbracht vond ik zelf.
De nacht voor de bevrijding zaten we weer in de schuilkelder bij Lamers i.v.m. de bombardementen. Opeens gingen vele mannen naar buiten en vertelden dat de Duitsers vertrokken waren. Ik er natuurlijk ook achteraan. De vrouwen bleven in de kelder.
Iedereen ging richting de Tuunte, omdat we wisten dat de Duitsers daar de grote opslag hadden van levensmiddelen. Bij Heezen heb ik snel een handkarretje "gejat" die van Zegelink was en ging ook richting de Tuunte. Wat ze daar allemaal wel niet hadden aan levensmiddelen:blikken spekvet, boter, fietsbanden, teveel om op te noemen. Ik had mijn handkar dan ook snel volgepakt. Snel ging ik nog naar binnen om nog wat op te halen en toen ik weer buiten kwam.....................weg handkar. Dat vond ik zo gemeen he...!
Restte mij niets anders dan alleen wat in de handen mee te nemen.
Mijn broer Bernard ging s’morgens met de transportfiets, achter de Tommies, naar Rietmolen toe om mijn vader op te halen. Toen die s’morgens terug kwam in Winterswijk had hij zijn mooie glimmende spoorwegpet weer op die Bernard voor hem had meegenomen. Ik was trots.Het werd een groot feest. Ze dronken Franse wijn uit een houten kist die Bernard had meegenomen uit de Tuunte. Bernard wilde nog de Nederlandse vlag ophangen bij Leemrijse, maar hij mocht van mijn vader niet meer de ladder op, omdat hij teveel gedronken had.
Stiekem ben ik ertussen uit geknepen. Op mijn fiets zonder banden ben ik toen naar mijn oma gefietst die in Stadlohn woonde. Onderweg kwam ik langs Duitse boerderijen, waar bij twee boederijen de boeren buiten aan het huis opgehangen waren s’ morgens door de Russen.
Dit hadden de Russen gedaan, omdat ze slecht verzorgd waren geweest in de oorlog.
Bij mijn oma waren toen de Tommies ook al.
S’middags ben ik toen weer naar huis gefietst.
Mijn moeder is een paar dagen later weer thuis gekomen. Zij was allang ziekelijk en heeft ook na de oorlog niet lang meer geleefd. In de jaren ’50 is ze overleden.
Na de oorlog ben ik nog enkele keren naar mijn oma geweest in Stadlohn. Ik kon dan vaak met de Tommies meerijden.
Een keer zag ik bij de Tommies een grote kist met Engelse thee staan en dacht:
"Hé, daar kan ik ook wel wat van gebruiken". En "Ja hoor, daar pakte een Tommie mij in de kraag" . "Hallo knaapje, de oorlog is afgelopen, hoor". "Afblijven daarvan" En toch gaf hij me nog wat thee mee.
Ik was een echte Ciske de Rat.
Mijn vader is in de jaren ’60 overleden.
Ook mijn broers en zusters zijn inmiddels overleden
Antoon Olthof, September 2011
TEXTIELBEDRIJF DE BATAVIER TIJDENS DE BEZETTING
(Uit:Winterswijk in de Tweede Wereldoorlog)
VRIJDAG 10 MEI 1940:
De Duitsers trekken Winterswijk in. Bij De Batavier belt chef van de Berg direct Willink Sr. en vraagt wat er gebeuren moet.
Willink antwoord hierop: "Direct stoppen".
Om 6 uur s’morgens houdt Voogd, onderdirecteur een toespraak tot het personeel.
Voogd maant zijn personeel terughoudend te zijn, in de fabriek te blijven (ook als de stroom uitvalt) en niet te roken op het fabrieksterrein. Als dit toch gebeurt volgt ontslag.
En het devies: "Mondje dicht over fabrieksaangelegenheden". Iedereen kan zich hierin vinden, behalve twee personen, die lid zijn v.d.N.S.B. Zij krijgen dan ook direct ontslag.
De stroomleverantie is gestopt, zodat de fabriek stil ligt.
Dezelfde dag nog is er een onderhoud met Burgemeester Kneppelhout. De directie wil zoveel mogelijk levensmiddelen inslaan voor de bevolking. Bijna alle bedrijven laten het afweten uit angst. Graanhandelaar Rietberg aan de Willinkstraat is wel bereid en s’avonds en s’nachts
verhuist van de graanhandel 10.000 pond Amerikaanse tarwebloem en 8000 pond rijst naar de fabriek.
De directie weet ook twee stukken grond te bemachtigen in de Morse en in het Vosseveld.
De arbeiders kunnen hier aan het werk in de groentetuinen en distribueert de groentes aan het personeel.
Chef van de Berg heeft met anderen er intussen voor gezorgd,dat de waardevolle metalen zijn verborgen in de grond.
Ook het uit betalen van salarissen dreigt in de problemen te komen, omdat de plaatselijke Twentsche Bank geen contact meer heeft met de Nederlandse Bank.
DINSDAG 14 MEI:
Het wordt bekend dat Nederland 15 Mei zal capituleren. Een gevolg hiervan is dat de banken weer contact met elkaar zullen hebben en het probleem van het uitbetalen v.d. salarissen is opgelost.
Dezelfde dag 14 mei nog moet Dhr.Voogd (hij gaat samen met een v.d. directeuren) zich bij de N.S.B.-opperwachtmeester Slotboom melden. Daar krijgt hij te horen dat er een klacht tegen hem is ingediend door de beide ontslagen medewerkers. Hij had een opruiende toespraak gehouden en had koper verstopt in de grond. De opperwachtmeester tracht het ontslag ongedaan te maken, maar beide heren weigeren pertinent.
Enkele dagen later komt Dhr.Berker, een hoge S.D.functionaris op kantoor bij de Batavier, en accepteert het standpunt van de directie.
De directie heeft intussen haar bedrijfspolitiek voor de komende periode bepaald:
1.De produktie wordt omgezet naar kunstzijde. Reden: Invoer wol en katoen niet mogelijk.
2.Het personeel in dienst houden, zolang dit financieel toelaatbaar is.
3.Zo weinig mogelijk Duitsers in dienst nemen.
4.Zo weinig mogelijk Duitse orders aannemen en indien mogelijk saboteren.
5.Verbouwen van groente voor eigen personeel.
Men is bang dat de Duitsers de garenvoorraden zullen vorderen en men huurt dan ook op zes verschillende plaatsen in het dorp gebouwtjes voor de opslag.
16 Mei:
De stroomleverantie is weer gedeeltelijk hersteld.
Eerst allen voor het licht en vervolgens ook weer de krachtstroom.
Gedeeltelijk komt het bedrijf weer in werking.
De bezetter heeft "de touwtjes" letterlijk en figuurlijk in handen.
Boven de industrie komen Rijkstextielbureau’s te staan voor een katoen, kunstzijde en linnen en de ander voor wol.
Productie, verkoopprijzen, beloning, aanname- ontslagbeleid worden centraal geregeld.
Ook komen er langzamerhand opdrachten binnen van de Wehrmachtsbeschaffungsamt en van het Zentrale Textielgesellschaft. De prijzen worden in overleg met het Rijkstextielbureau vastgesteld. Deze opdrachten hebben voorrang op eigen productie, want deze zijn altijd urgent.
(Later meer)



