OP DEZE PAGINA KOMEN VERHALEN UIT OUDE KRANTEN/BOEKEN OVER WINTERSWIJK.

AANTAL GEPLAATSTE VERHALEN: 17

1. PEUTER EN KLEUTER
(Uit: Rietjesakkefietjes.)

2. UNSER MAX HAD DE EERSTE AUTO IN WINTERSWIJK
(Uit de Nieuwe Winterswijkse Courant, Jubileum-uitgave Januari 1977)

3. MOORD OP VISCHEDIJK.
(Uit: De Winterswijkse Politie, Ru Wever)

4. HOE WAS HET IN DE OORLOG?
(Uit: Rietjesakkefietjes.)

5. KINDEREN VAN TOEN
(Uit:Nieuwe Winterswijkse Courant 1977 Jubileum uitgave 75 jaar bestaan

7. DE ’NACHT EN NEVEL’ -JONGEN
(Uit: Winterswijk in de tweede wereldoorlog. Willem Wesseler)

8. HOE LUXE WOONDEN WE IN 1920?

9. VOORVALLEN OP HET HUIS BALKENSCHOT TUSSCHEN 1640 EN 1675
(Gedicht van H.Oonk J.Hzn.)  51 strofes

10. JAN B.
(Uit: De verhalen van Willem, nwc-Willem Wilterdink 1990

11. ONS HUIS, ONZE BUURT
(Uit: Rietjesakkefietjes)

12. MIJN VADER
(Uit: Rietjesakkefietjes)

13. BEKEURING
(Uit: De verhalen van Willem, nwc-Willem Wilterdink 1990

14. DAT WAS EEN NACHT OM NOOIT TE VERGETEN
(Uit: Nieuwe Winterswijkse Courant,Vrijdag 27 Januari 1967)

15. WINTERSWIJK WAS EENS DE SUPERMARKT VAN HET ROERGEBIED
(Uit: Winterswijk,wat was en wat bleef, Jan Denkers,1991)

16. STATION EN SPOORLIJNEN IN WINTERSWIJK ZWAAR ONDER VUUR
(Uit: De Bevrijdingskrant, Maart 1995, Arjan Ligtenbarg)

17. IN 1941 MOESTEN JOODSE LEERLINGEN DE SCHOOL VERLATEN.......
(Uit: De Bevrijdingskrant, Maart 1995, Wim Scholtz)

18. AMSTERDAMSE OORLOGSEVACUEE OP WINTERSWIJKSE BOERDERIJ
(Uit: De Bevrijdingskrant, Maart 1995, Mevr.A.de Bruin-Bierdrager.)

19. VOOR EN NA DE BEVRIJDING
(A. Weerkamp,1993-1994)

 

 

PEUTER EN KLEUTER

 

Rietje Addink-van den Berg

Met dank aan Riet Addink-van den Berg voor het mogen plaatsen

0p  maandagavond 6 Oktober 1930, ’s avonds om 9 uur werd ik geboren in Winterswijk. Ik woog 9 pond, dus een gezonde baby mag je wel zeggen. De lengte werd toen blijkbaar nog niet gemeten, want daarvan heb ik nooit iets gehoord. Maar gezien mijn lengte van nu (1.85m), zal dat wel behoorlijk zijn geweest.

Ik was het eerste kind in de kleine familie van mijn moeder.  In een ander verhaaltje heb ik vast al wel eens de namen van die familieleden genoemd, maar doe het nog maar eens. Ze hebben tenslotte een heel groot stempel gedrukt op mijn jeugd en die van mijn zusje Gerda.

Moeder was geboren in 1904. als de jongste van 3 dochters, Haar oudste zus, tante Cor, was onderwijzeres en woonde bij haar ouders, mijn Opoe en Opa, ongeveer 100 meter bij ons vandaan.  De tweede zuster was tante Fien, getrouwd met oom Jan, zij hadden geen kinderen. Oom Jan werkte bij de Spoorwegen en zoals dat daar gaat waren ze al ontelbare malen verhuisd naar een andere “standplaats”. Ik herinner me, dat ze in Coevorden, Tilburg, Breda en ten slotte in Utrecht woonden.

Een van mijn eerste herinneringen is, dat moeder en ik aan het eind van de middag hand in hand naar Opoe en Opa liepen. Opoe had altijd wel wat “kliekjes” over van het middagmaal, want warm eten deed je “tussen de middag”. Ik was dol op eten, net zoals Opa, en we smikkelden samen de opgewarmde restjes op. Heerlijk! En ik vond het helemaal niet erg, toen Opoe eens een overgebleven bord snert door een kliekje zuurkool roerde.
“ Apart smaakt het goed, dus door elkaar gaat ook best”, vond ze, “.....en bovendien, waar het komt is het ook zo mooi niet”. Het werd een gevleugeld woord.

Langs de weg, waaraan wij woonden stonden vrijstaande huizen, de meeste gebouwd in de dertiger jaren. Het eind van de bebouwing  werd gevormd door Het Rusthuis: nieuw, licht, modern en de trots van de Winterswijkers. Iedereen, die daar zijn oude dag kon, nee, mocht doorbrengen was bevoorrecht, vond men.

Ik herinner me Mijnheer Sipsma, oud-gemeentesecretaris, die een van de bewoners was. Elke morgen liep hij naar het centrum om bij Hotel de Klok in de serre kranten te lezen en een borreltje te drinken. Als hij langswandelde en ik achter het hekje van onze voortuin  speelde, had hij altijd een snoepje bij zich. Later hielp hij me om sigarenbandjes te sparen.

Ik was links, waarschijnlijk geërfd van Opa van vaders kant.  Maar links mocht niet. Ik hoor moeder nog zeggen: “Rietje, denk erom, alleen je mooie handje geven.” Ik heb lang gedacht, dat de grote mensen mijn linkerhand lelijk vonden, terwijl ik er toch niks bijzonders aan zag. Hoogstens een beetje vuil, maar dat was normaal.
Iedereen bemoeide zich met mijn linksigheid en Tante Cor, die een flinke vinger in de pap had als het om opvoedingszaken ging, vond, dat ik alles rechts moest doen, ook tekenen en schrijven. De hele dag was het: “Denk eraan, je mooooie handje!!! ”Het gevolg was dat ik 1. ging stotteren en 2. op mijn tenen ging lopen. Of dat laatste er iets mee te maken had, weet ik niet. Allebei  “afwijkingen” zijn na een poosje vanzelf weer verdwenen. Maar het gevolg is wel, dat ik nu half links en half rechts ben. Schrijven rechts, een bal gooien links. aardappels schillen rechts, haar kammen links. Ik kan er mee leven......niet de moeite waard om over te zeuren.

Toen ik vier was ging ik naar de “bewaarschool”. Van ’t Nut.  Ik kan me er weinig van herinneren. We speelden winkeltje met houten appels en peren, we zongen veel, de juffrouw las elke dag voor en er was een Sinterklaasfeest bij Van de Riet, een café met zaal voor bruiloften en partijen. Het zijn alleen flarden, beelden, die geen verband hebben met elkaar. Ik ben er alles bij elkaar misschien twee weken geweest. De rest van de tijd was ik ziek.

Ik had astma vanaf mijn geboorte. Onze oude huisarts van Schothorst (zijn kleinzoon is nu onze huisarts, hoe bestaat het!) kwam bijna elke week en ik beschouwde hem als een gezellige opa. Vooral zijn  horloge aan een grote ketting vond ik bijzonder indrukwekkend.
Antibiotica bestonden nog niet, evenmin als pufjes, en dus moest de benauwdheid overgaan met een dropdrankje, priesnitzverbanden om mijn hals en in bed blijven tot de koorts gezakt was tot onder de 37.5 graden.

Van de bewaarschool heb ik dus weinig meegemaakt en ook tot de vijfde klas van de lagere school was ik vaak ziek. Ik heb nog wel rapporten uit die tijd, waarop alleen is ingevuld: geen rapport wegens ziekte.

Dat ik toch redelijk bij bleef op school kwam door tante Cor, die mij  bijwerkte. Zij was trouwens degene, die er voor zorgde dat ik mijn eerste schooldag in de tweede klas (nu groep 4)  beleefde. Dat zat zo. Vroeger en misschien nu nog wel bestond de regel: Vóór 1 oktober moest je 6 jaar zijn, voordat je naar school mocht. Ik was dus net een week te jong (6 oktober) en moest een jaar wachten.

Maar tante Cor wist de oplossing.

Ze bracht een leesplankje met aap, noot, mies en een doosje letters voor me mee en gaf me elke dag les. Als ze na  4 uur uit school kwam, kreeg ik rekenen, taal, lezen en schrijven. En toen ik een jaar later (bijna 7) wel naar school mocht, kwam ik meteen in de tweede klas, gelukkig weer bij Tineke, mijn vriendinnetje. Het was wel raar. Voor mij was het de eerste schooldag en dus heel bijzonder, voor de rest van de klas was school al ouwe koek.

Op 20 mei 1936 werd mijn zusje geboren. Toen de dag van de bevalling dichterbij kwam, ging ik logeren bij Opoe, Opa en tante Cor. Samen met haar op haar mooie kamer slapen, het leek me een feest. Maar toen ik ’s avonds in bed lag, kreeg ik heimwee en wilde alleen maar naar moeder en vader.
Toen onze kleindochter eens bij ons logeerde kreeg ze ook vreselijk heimwee. Ze moest en zou naar huis. Ik kon me zo goed voorstellen hoe dat voelde.

Toen kwam Vader me halen en in pyama droeg hij me naar huis. Onderweg zei hij: ”We hebben een grote verrassing, je raadt het nooit”. Hij zette me onderaan de trap neer: “Ga maar eens kijken op onze slaapkamer”. Ik holde naar boven; daar lag moeder in bed en naast haar stond een wieg met een prachtige baby, mijn zusje Gerda. Ik was dolgelukkig, maar dat moeder nou net ziek moest worden en in bed lag.......

Eén voorval uit die tijd is me heel erg bijgebleven.

In die eerste weken na de geboorte van mijn zusje was een nicht uit Hengelo(O) gekomen om de huishouding te laten marcheren.  Ze was best een aardig mens, maar ik vond het toch niet plezierig. Ik zal dan ook vast een vervelend kind zijn geweest, maar toen was ik me van geen kwaad bewust. “Doe je broekje eens naar beneden en draai je dan eens om”, zei moeder, die nog in bed lag. Ik snapte er niks van, maar deed wat moeder vroeg. “Buk je eens”, en toen kreeg ik een paar tikken op m’n billen. “Zo, en nu ga je naar tante Riek en zegt tegen haar dat je nooit meer stout zult zijn”.

Ik zal best iets uitgespookt hebben, maar wat weet ik niet meer. Maar die paar tikken vergeet ik nooit. Het was trouwens de enige keer, dat ik een klap(je) kreeg.

Achteraf denk ik wel eens, dat mijn familie me zo’n beetje doodknuffelde. Een aantal jaren was ik het enige kind in een familie, waarin altijd alles met elkaar bepraat werd. Alles wat ik zei of deed, werd besproken en goed of verkeerd gevonden. Iedereen bemoeide zich er altijd mee.  Ik mocht nooit zonder jas naar buiten, of de mussen moesten zowat dood van het dak vallen van de hitte; ik moest rechtop lopen en bij kou mijn  mond dicht houden, anders werd ik ziek; ik mocht niet met vreemden praten en moest altijd op tijd thuis zijn. Vooral ’s avonds moest ik om half zes thuis zijn voor het eten. Dat lukte vaak niet en mijn afleidingsmanoeuvre was om een boeketje bloemen te plukken, voor moeder, “Mooi he, ja, ’t is daardoor een beetje later geworden...” Stel je voor, dat ik zoek zou raken. Wat dan? Daar was wat op gevonden. Als iemand me zou vragen hoe ik heette, moest ik zeggen: "Rietje van den Berg, Kottenseweg 39, Winterswijk.
Later leerde vader me om te zeggen: "Rietje van den Berg, zonder erg, zonder ziel of zaligheid, doet in de broek van narigheid". Ik vond het heel gek, dat veel mensen, die aan me vroegen:"Hoe heet jij?" daar dan
heel hard om moesten lachen. Ik begreep niet wat er te lachen viel.

Als ik weer eens iets gedaan had wat niet mocht, zei moeder of vader:”Pas maar op, als je nog eens stout bent, geef ik je mee aan de vuilnisman”. Het gevolg was, dat ik een panische angst had voor de vuilophalers. Als ik de wagen maar in de verte zag, holde ik naar huis en verstopte me in het portiek bij onze voordeur.

Zoals ik al zei: Het was een hecht familieclubje: Opoe, Opa, tante Cor, moeder en vader en elk week-end tante Fien en Oom Jan uit Utrecht.  Ze  logeerden dan bij ons en zaterdagavond was het huis gezellig vol met familie.

Elk week-end kende hetzelfde patroon. Zaterdagmiddag werden oom en tante van de trein gehaald en ze gingen naar Opoe en Opa. Moeder was druk in de keuken met het maken van allerlei lekkers voor ’s avonds, want dan kwam iedereen bij ons. Zondagmorgen wandelden oom en tante naar de andere kant van het dorp om de familie van Ome Jan te bezoeken. Ze waren tegen een uur of 3 weer terug, en stapten aan het begin van de avond in de trein naar huis.

Als ik dit zo nog eens nalees, was het toch eigenlijk wel een verschrikkelijk saai gedoe. Er gebeurde nooit eens iets leuks of bijzonders. Elke week was hetzelfde. Maar de mensen leefden vroeger zo, tenminste in Winterswijk; zonder opwinding of bijzondere dingen. Alles ging altijd op dezelfde manier en iedereen vond dat toen normaal.

Als er eens iets bijzonders gebeurde, werd er weken over gepraat. Bijvoorbeeld over de brand van een grote textielfabriek.

Maar ’t was wel een heel geborgen en veilig leventje.

Daaraan kwam een eind op 10 mei 1940, hoewel wij kinderen na de eerste hectische weken, gewoon weer ons vroegere leventje oppakten

 

 

 

UNSER MAX HAD DE EERSTE AUTO IN WINTERSWIJK

Maar de “MOTOOR” was vaak kaput

 

Wanneer precies de eerste auto door Winterswijk heeft gereden, is niet na te gaan. Maar wel staat vast dat in het jaar dat de Nieuwe Winterswijkse Courant is opgericht, de “automobiel” nog een bijzonderheid en bezienswaardigheid was.
Daarvan getuigt wel het volgende bericht, uit onze krant van 29 Maart 1902:
“Zondag j.l. geraakte op den Groenloschenweg, nabij den Tol een automobiel, gemerkt No.49, defect. Teneinde raad werd de rijwielhersteller Max Grimmelt uit Winterswijk per wagen gehaald om het defect te herstellen. Hij schijnt dit zeker goed volbracht te hebben want maandag zagen we de “tuf tuf” weer door het dorp rijden.
Er moeten tegenwoordig doden, gewonden of ernstige “blikschade” aan te pas komen, wil de auto de kolommen van de kranten halen. In het begin van deze eeuw was dat anders.
Nu was die Max Grimmelt zijn tijd ver vooruit. Ouderen hebben hem nog gekend. Het was een figuur die nogal eens over de tong ging. Hij hield zich bezig met “techniek” en dat was in die dagen al voldoende om onderwerp van gesprek te zijn. Hij was fietsenmaker van professie maar zijn enthousiasme voor alles wat zich op wielen voortbewoog was zo groot, dat hij zich ook verstoutte aan het nieuwe fenomeen, de automobiel. De moeder van Max, een Duitse van afkomst vond het maar zo-zo. Ze moet vaak met angst en beven naar de escapades van haar zoon gekeken hebben. En een geijkte uitdrukking van haar was dan ook: “Unser Max kan alles machen, aber kaput”.Max lachte erom en ging door. En al voor een van de Willinks, die toch als eerste als autobezitter in Winterswijk in aanmerking kwamen, zich in zo’n monster op wielen waagde, had Max al een aftands wagentje, dat weliswaar wel een snelheid van maar liefst 25 km per uur kon halen maar meestal niet wilde lopen omdat de “motoor” weer kaput was.Een dergelijk vehikel zou in deze dagen door de politie snel uit het verkeer worden genomen omdat de verkeersveiligheid dat eist.In die dagen was het anders, getuige hetgeen dokter Brenninkmeyer uit Lichtenvoorde eens vertelde. “Er waren maar drie auto’s in Lichtenvoorde. Ik was één van de gelukkige bezitters. Meestal deed de rem het niet . Maar dat was niet erg. Voor ik Lichtenvoorde binnenreed, claxoneerde ik en dan wist iedereen dat de auto van de dokter er aan kwam. De kinderen werden binnengehaald en de ouderen zorgden wel dat ze niet midden op de weg liepen. Zo kreeg je nooit ongelukken.
De auto beheerste in die dagen nog niet de weg. Maar hij heerste wel: voor iemand met een auto had men ontzag. De voerman die in de verte een grote hoeveelheid stof en rook zag, sprong van zijn wagen en vatte het paard bij de halster om het zo beter in bedwang te kunnen houden en het een rustig en veilig gevoel te geven. Zo van “Rustig maar, je baas zorgt wel dat er niets gebeurt”.
De auto rukte op. De heren G.J.Willink (Tricot-Jan), J.H.Willink (Zonnebrink) en W.A. Willink waren al spoedig mensen die zich met donderend geweld over de weg voortbewogen. Vaak waren het open auto’s: een stofbril en een (onafscheidelijke) pet behoorden dan ook tot de autobekleding.
De auto rukte verder op: de eerste garage in Winterswijk werd geopend. Wijlen Harm Westerdiep was de eerste garagehouder. In een schuurtje achter de fa.Geerlings (Markt) had hij al wel wat met motoren gedaan maat op 11 augustus  1920 begon hij aan het grotere werk; aan de Singelweg opende hij een werkplaats, die de wijdse naam van garage kreeg. Later zou hij zijn zaak verplaatsen naar de Misterweg (nu garage Weekenstroo) en nog weer later naar de hoek Misterstraat-Gasthuisstraat.
Eeveneens omstreeks 1920 opende de heer Van der Berg een garage terwijl de heer H.W.Meerdink in 1923 eenzelfde besluit nam. Echter pas in 1927 zette deze laatste met de heer Oonk het bedrijf op dat nu aan de Singelweg staat als autobedrijf Wiechers en Strotelers. Garage Gijsbers kwam, er kwamen er meer. Niet alle garagehouders slaagden , er verdwenen er ook weer, Maar er kwamen wel steeds meer auto’s. Er was wel eens een jaar dat een garagehouder er zelfs acht(!) verkocht.
Een T-ford, het befaamde produkt uit de Amerikaanse fabriek kostte in 1924 nog geen duizend gulden, om precies te zijn f 990,-. De benzine kostte vier cent per liter.
Er waren voor 1930 al auto’s die tachtig kilometer per uur konden rijden maar er was geen bestuurder die hem dan op de weg kon houden omdat in de eerste plaats de wegen er niet op waren berekend en in de tweede plaats was de auto dusdanig geconstrueerd dat je met die snelheid geen flauwe bocht kon nemen. Toch reed H.W.Meerdink omstreeks 1930 al in vijf uur naar Groningen.
Een vrachtauto reed heel wat langzamer. De eerste, eigendom van de firma Hannink, haalde een snelheid van twaalf kilometer per uur. Maar daar zaten dan ook massieve banden op.
’s Winters waren de auto’s ellendige dingen. ’s Nachts moest het water er worden afgetapt want van anti-vries had men nog nooit gehoord. Bovendien kende men toen ook nog geen .startmotor en dus moest de auto worden aangeslingerd. Tegen de tijd dat de auto wat op temperatuur was, baadde de eigenaar in het zweet. En als ook het aanslingeren geen succes had dan moest er worden geduwd. Nu was dat geen punt: iedereen was wel bereid om te helpen want je kwam dan in aanraking met de techniek. Als dank voor je hulp was de eigenaar soms wel bereid om zijn helpers te tracteren op een ritje. Dat was helemaal het einde. Een rijbewijs was wel noodzakelijk maar niemand had moeite om zo’n begeerd document te verkrijgen. In de eerste jaren vroeg je er gewoon een aan en dan werd het toegestuurd. In latere jaren was een “examen” nodig. In Winterswijk was dokter Bakker examinator. Hij woonde op de Markt (nu Schreurs meubelen). Als zich een kandidaat meldde, ging hij, in zijn witte doktersjas en met stethoscoop om zijn nek, op de stoep staan en zei: “Rij maar eens rond de kerk”. Wie heelhuids weer terug kwam, was geslaagd. Het afnemen van examens was een soort erebaantje.
Doktoren, fabriekdirecteuren (in Groenlo b.v.was de heer de Groen, directeur van de Grolse Bierbrouwerij, examinator) en nog enkele categorieen bevoorrechten behoorden daartoe. Dat kon eigenlijk niet anders want je moest op z’n minst zelf een auto hebben om te controleren of een ander de rijkunst machtig was. Een rij-examen is nu heel wat anders. Daarvan kan iedereen getuigen die al eens met het zweet in de handen naast zo’n streng kijkende, maar beslist wel menselijke, examinator heeft gezeten.

 

MOORD OP VISCHEDIJK


Door Ru Wever, 1994

Geweldsmisdrijven zijn in de annalen van de Winterswijkse politie niet erg talrijk. Het zal wel te maken hebben met de aard van de bevolking. Maar er is een incident, dat, hoewel het al een kleine halve eeuw oud is, nog steeds in veler geheugen voortleeft; de moord op Visschedijk. Een onopgeloste moord. De journalist Bill Bilderbeek schreef de volgende reconstructie aan de hand van het politiedossier P.V.1.752.31 terzake misdrijven tegen het leven gericht. Een verhaal vol drama, familievetes en onbeantwoord gebleven vragen; over tientallen verhoren, een reeks aanhoudingen, zelfs een halve bekentenis; over verlinking vanuit de cel en sterke aanwijzingen, zelfs van de paragnost Croiset. Maar uiteindelijk zonder dader voor de rechter.

DE MOORD OP VISCHEDIJK BLEEF EEN ONOPGELOST RAADSEL
Het was een stille herfstmorgen, die woensdag de 23ste oktober 1946. In de toch altijd al rustige 2e Gasthuisstraat leek alle leven uitgeblust. De vrouw van melkboer te Gussinklo slofte de hoek van de Leliestraat om, op weg naar Vischedijk, de oude, alleen wonende man op nummer 32, die zij af en toe een litertje melk bezorgde. Al op enige afstand zag zij de voordeur op een kier staan en dat verbaasde haar. Ze klopte aan en toen er geen reactie kwam deed ze de deur verder open en keek ze naar binnen. Citaat uit het proces-verbaal van de agenten J.F.Pouw en H.A.Tammer, d.d. 31 oktober 1946. ".....zag ik Vischedijk met een geheel bebloed hoofd, direct achter die deur languit in het portaaltje van zijn woning liggen. Hij lag met het hoofd in de richting van de voordeur en met zijn benen in de gang achter het portaaltje. Na dit gezien te hebben schrok ik erg en dacht ik, dat Vischedijk zich aan zichzelf had vergrepen. Ik liep direct weg om hulp te halen."
Ze alameerde meteen de naaste buren; metselaar Bloemers, de huisbaas van Vischedijk, stoelenmatter Gotink, stoker Van Doorn, schilder Oberink en Wevers, ook schilder. Oberink zag bij Vischedijk nog tekenen van leven, maar kreeg geen woord meer van hem. De politie werd gewaarschuwd, dokter Jagerink en natuurlijk de kinderen van Vischedijk; dochter Anna, de oudste, en de zoons Willem en FRans. Toen die in de 2e Gasthuisstraat verschenen was daar al een oploopje. De ziekenauto kwam aanrijden, en Vischedijk werd naar het r.k.ziekenhuis overgebracht.

De agenten Pouw en Tammer zagen al gauw dat er van zelfmoord geen sprake was. Vischedijk was op het hoofd geslagen met een fietspomp en wel zo hard dat die in onderdelen op de vloer verspreid lag. Woon- en slaapkamer waren overhoop gehaald, de inhoud van ladekasten lag her en der in het rond. In het portaaltje vonden zij vele bloedsporen. Zij vroegen de zwaar gewonde Vischedijk verscheidene malen: "Wie heeft dat gedaan?", maar hij kreunde slechts, opende nog wel de ogen, maar antwoordde niet. Dat antwoord kwam ook niet meer - Vischedijk stierf ’s middags, omstreeks vijf uur, zonder nog tot bewustzijn te zijn gekomen; hij was 68 jaar.

 

DAG VAN ONDERTROUW
Het onderzoek ging over in handen van de rechercheurs Gerkes en Tangena. Zij stonden voor een kolossale taak. Er moesten vele betrokkenen worden gehoord, buren en familieleden en wie verder nog van belang zouden blijken te zijn.
In de eerste verhoren was er een facet, dat centraal kwam te staan. Buren wisten te vertellen, dat deze woensdag voor Vischedijl een feestdag had moeten worden. Hij zou namelijk in ondertrouw gaan met een aanzienlijk jongere vrouw uit de Eibergse buurtschap Hupsel. En de buren wisten ook, dat de kinderen van Vischedijk faliekant tegen die huwelijksplannen waren, evenals familieleden van de bruid in kwestie. Reden te over om ook deze vrouw eens aan een verhoor te onderwerpen.
De 42-jarige Johanna Kl.G.bleek Vischedijk een week of zes te kennen en bevestigde dat er trouwplannen waren; zij hadden zich op 13 oktober verloofd. Afgelopen zondag hadden zij de laatste voorbereidingen getroffen, sindsdien had zij Vischedijk niet weer gezien. Johanna woonde met twee broers op de boerderij en deed de huishouding.
Beide broers wilden van geen trouwplannen weten, vooral de jongste, Jan, was er fel tegen. Zij vonden, dat Johanna nog best een jongere partner kon vinden. Toen zij er haar bevreemding over uitsprak, dat Vischedijk woensdag niet was komen opdagen, voor de ondertrouw in Eibergen, vertelden de twee Winterswijkse politiemannen haar wat Vischedijk was overkomen. De 33-jarige grondwerker Jan Kl.G. zei, dat de hele familie tegen de trouwplannen van Johanna was en dat zelfs de pastoor was ingeschakeld om haar tot andere gedachten te brengen. Gevraagd waar hij dinsdagavond en- nacht was geweest, zei hij de avond bij de buren te zijn geweest en de hele nacht thuis te hebben geslapen. De buren bevestigden zijn verklaring.

De rechercheurs namen enkele kledingstukken, die hij de bewuste avond had gedragen, mee, voor onderzoek op bloedsporen. De rechercheurs volgden het spoor dat in de richting Eibergen wees. Buurman Bloemers had namelijk meegedeeld dat, op de zondagmiddag voor de moord een hem onbekende man naar Vischedijk had gevraagd. Die was toen niet thuis en de man in kwestie had willen weten wie die Vischedijk eigenlijk was, wat hij voor de kost deed en of Bloemers hem niet even toegang tot de woning wilde verlenen. Hij zijn een neef van Vischedijks verloofde te zijn en, net als andere familieleden, niets in het huwelijk te zien. Bloemers had hem niet in Vischedijks woning gealten, had nog wel een tijdje met hem gepraat, maar daarna was de man weggefietst.
De man in kwestie was vrij snel gevonden; de 30-jarige landbouwer J.W.P.in Eibergen, inderdaad een neef van Johanna Kl.G. Hij bevestigde bij verhoor het verhaal van Bloemers en had een alibi voor dinsdagavond de 22ste oktober tot ongeveer half elf, het tijdstip waarop hij naar bed ging. Zowel deze P. als Jan Kl.G. zaten een paar dagen in Winterswijk in voorarrest, maar werden, nadat hun verklaringen waren onderzocht, dinsdag 5 november op vrije voeten gesteld. Het Eibergse spoor, berustend op een denkbaar motief, bleek dood te lopen.

FAMILIEVETES
Inmiddels hadden de verhoren van de naaste familieleden van Vischedijk ook heel wat mogelijke motieven opgeleverd. De verhoudingen bleken namelijk in de familiekring allesbehalve vredig te zijn. Zoon Frans, 34 jaar, wever van beroep, toen werkzaam als militair bewaker in een kamp voor politiekgedetineerden in Ampsen, had geruime tijd bij zijn vader ingewoond. Hij had weet van de minder goede verstandhouding tussen broer Willem en zijn vader, de laatste tijd nog verslechterd door diens trouwplannen. Citaat uit het proces-verbaal: "Mijn vader vroeg mij nog of ik bij zijn huwelijk getuige wilde zijn. Ik zei hem dat ik dit niet wenste te zijn, waarover hij zich nogal ergerde. Hij zeide onder andere, dat hij mijn broer ook hetzelfde al gevraagd had en dat die ook had geweigerd, zodat hij dan wildvreemden moest vragen om te getuigen."
De zondag voor de moord had hij voor het laatst thuis geslapen. Toen had een vrouwelijke kennis zijn vader geholpen met het plaatsen van een tweepersoonsledikant. Bij die gelegenheid had Frans gezegd dat hij, als vader zijn trouwplannen zou doorzetten, niet meer thuis zou overnachten. Op de dag van de moord had Frans dienst gedaan in Ampsen, wat gemakkelijk was te verifieren. Volgens Frans was de verhouding tussen zijn broer Willem en vader helemaal niet goed, maar nog slechter was die met schoonzoon Johan, getrouwd met zuster Anna. De laatste paar jaar was het (citaat uit het P.V.)" een keer of drie voorgekomen dat zijn vader en Johan ter M.in mijn bijzijn een dreigende houding tegenover elkaar aannamen." Vader was van meet af tegen dat huwelijk geweest. Of hij een spaarpot of bankrekening had wist Frans niet, wel dat zijn vader erg zuinig was. Zoon Willen, 37 jaar, schilder, maar tijdelijk bewaker in kamp Vosseveld, ontkende ten stelligste iets met de gewelddadige dood van zijn vader te maken te hebben. Hij gaf wel toe sterk tegen het hertrouwen van hem te zijn geweest en dat de verhouding tot zijn vader zeer gespannen was; diens karakter omschreef hij als wonderlijk en nogal wispelturig. Een week tevoren had hij hem "het huis ontzegd" en daarna had hij hem niet weer gesproken. De bewuste dinsdagavond was hij al om negen uur naar bed gegaan en die nacht had hij het huis niet meer verlaten. Verdenking uitte Willem jegens zijn zwager Johan, "een driftig persoon" die een nog slechtere verhouding met vader had; die was van meet af gekant geweest tegen het huwelijk met Anna. Willem had zijn vader nogal kwalijk genomen, dat hij de laatste tijd omgang had met vrouwen van gedetineerde NSB-ers. Ook zinde het hem niet, dat hij huwelijksadvertenties plaatste en dat hij de brieven die daarop kwamen door de buren liet voorlezen.

AANHOUDING
Johan ter M. werd vrijdag de 25e oktober aangehouden en voorgeleid en meteen aan een langdurig verhoor onderworpen. Hij bevestigde, dat er door zijn huwelijk met Anna een slechte verhouding tot zijn schoonvader bestond, wiens karakter hij omschreef als "lastig, driftig en opvliegend". Die dinsdag was hij ’s middags met een broer naar Aalten gefietst voor familiebezoek, tegen negen uur thuisgekomen en om kwart over tien naar bed gegaan (zijn vrouw sliep toen al); ’s nachts had hij het huis niet verlaten. Gevraagd waarom een flanellen broek, die hij die dinsdag zou hebben gedragen, ’s woensdags met spoed door zijn vrouw gewassen moest worden (dus na het ontdekken van de moord), zei ter M.dat hij zijn vrouw dat al eerder had gevraagd; die broek zat namelijk onder de vlekken. De verbalisanten wezen Ter M. erop, dat in het Rijks-laboratorium was vastgesteld, dat daar ook bloedvlekken bij waren. Daarvoor had hij een verrassende verklaring.

Citaat uit het P.V.:" Voor enige weken heb ik namelijk een gedeelte van een varken (2 zijden spek) tussen mijn kleren van Aalten naar Winterswijk vervoerd. Dat spek was afkomstig van een clandestiene slachting. De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat daarvan bloedsporen op mijn kleren zijn achtergebleven." Hoewel Ter M. pertinent bij zijn ontkenning bleef werd hij ’s zaterdags in verzekering gesteld; ’s maandags werd de detentie met wtee dagen verlengd. Woensdag werd hij in Zutphen voorgeleid, maar meteen weer naar Winterswijk teruggebracht. Zijn detentie duurde tot maandag 4 november; toen moest hij bij gebrek aan bewijs worden vrijgelaten. Een dag later gebeurde dat ook met de Eibergenaren P.en Kl.G., die kort in voorarrest hadden gezeten en wier alibi bleek te kloppen.

Dezelfde week nog was er een nieuwe verdachte. Winterswijkers meldden namelijk de politie dat zijn Vischedijk de dinsdagavond voor de moord in Groenlo op de Markt hadden zien praten met de Winterswijkse scharenslijper G., een kennis van hem. Deze werd aangehouden, maar bleek zich van die ontmoeting niet veel te herinneren. Citaat uit het P.V.: " De mogelijkheid is namelijk niet geheel uitgesloten dat ik op dat moment in staat van dronkenschap verkeerd." Toen het door de 65-jarige G. opgegeven alibi bleek te kloppen werd hij een paar dagen later eveneens in vrijheid gesteld. het onderzoek zat vast als een muur. Gerkes en Tangena hadden de tijd om alles nog eens op een rijtje (en op papier) te zetten. Op 8 december 1946 sloten zij hun proces-verbaal af. Drie dagen later werd de verzegelde woning van Vischedijk door officier van justitie mr.Stam vrijgegeven.

NIEUW DWAALSPOOR
Ruim een maand later ging het dossier weer open. Er was een nieuwe verdachte, althans.....Een telefoontje met de politie in Oldenzaal meldde, dat daar was aangehouden de 38-jarige varensgezel H.S.uit Enschede, die maar liefst achttien fietsendiefstaalen had bekend en die ook in Winterswijk had rondgezworven. Rechercheur Vaags nam hem in het huis van bewaring in Almelo een langdurig verhoor af. Daarin bleek plotseling S.niet alleen van de zaak-Vischedijk af te weten maar er ook, naar zijn zeggen, op een of andere manier direct bij betrokken geweest. Eind oktober 1946 zou hij namelijk met twee andere zwervers ook in de Achterhoek rond gestruind hebben; hier en daar een fietsje gepikt en verhandeld, koffie gesmokkeld e.d.De ene was een zekere A.B., de andere werd Evert genoemd; beiden kende hij niet. In Winterswijk zouden B. en Evert iets bij Vischedijk hebben willen opknappen en, nadat ze zich wat moed hadden ingedronken, zou dat in de nacht van 22 op 23 oktober ook zijn gebeurd. De twee zouden bij Vischedijk zijn binnengedrongen, terwijl S. bij de fietsen op wacht had gestaan. Heel gedetailleerd vertelde S.aan Vaags, dat hij daarna alleen verder was gegaan, waar hij in het hooi had overnacht, dat hij daar een lege (whisky) fles had achtergelaten, dat hij B. daarna nog enkele keren had ontmoet, dat hij helemaal niet wist  dat Vischedijk vermoord was en dat daarover met B. ook niet was gesproken. S. werd voor verder onderzoek meegenomen naar Winterswijk. Hij wees er de schuur aan, waar hij de bewuste nacht zou hebben geslapen; een lege fles werd niet gevonden. De eerste twijfel over de geloofwaardigheid van S. rees toen hij uit vijf hem voorgelegde foto’s niet die van A.B.aanwees.
Een paar dagen later ging heel het fantasieverhaal van S. in rook op. De directeur van de psychopateninrichting in Avereest deelde twee ingeschakelde rijksrechercheurs mee, dat S. de bewuste oktobernacht helemaal niet in Winterswijk geweest kon zijn, om de eenvoudige reden dat hij toen in Avereest verbleef. De directeur verklaarde (citaat uit het P.V.):"S.is een zeer typisch hysterisch psychopaat. Hij fantaseert, wil gewichtig doen en wil gaarne op transport worden gesteld, teneinde de gelegenheid te krijgen om te ontvluchten." S. gaf daarop heel laconiek toe, dat het hele verhaal verzonnen was. Op 30 januari werd hij teruggebracht naar zijn cel in Almelo. Inmiddels was de opsporing in gang gezet naar de door S. genoemde A.B., die hij overigens uit Avereest kende en die bij justitie als crimineel bekend stond. B., afkomstig uit Apeldoorn maar meestal zwervend (als hij niet vast zat), bleek namelijk familie in Winterswijk te hebben en er goed bekend te zijn. Op 17 november werd de 36-jarige Arie B. in het Franse Rijssel aangehouden en in Utrecht opgesloten.
Daar werd hij op 12 december door rechercheur Vaags verhoord. Hij beweerde met zijn getrouwde neef Bennie Z. bij Vischedijk te zijn geweest, omdat hij nog geld van hem tegoed had. In de nacht van de moord zei B. te hebben geslapen  in het logement van Tante Dien aan de Kromme Rijn in Utrecht. Wat er waas was van die verklaring bleef dubieus: Bennie Z. ontkende met Arie B. bij Vischedijk te zijn geweest en in het register van Tante Dien stond Arie B. niet genoteerd op 22 en/of 23 oktober 1946.

Op 11 februari 1948 werd Arie B. van Utrecht naar Winterswijk overgebracht om daar nog eens aan de tand te worden gevoeld. Nieuwe gezichtspunten leverde dat niet op. In zijn (aanvullend) proces-verbaal van 25 februari 1948 concludeerde Vaags (citaat):"....hoewel het bewijs niet geleverd kan worden dat Arie B. op 22 oktober 1946 in Winterswijk is geweest of iets met de moordzaak-Vischedijk heeft uit te staan, blijkt toch wel heel duidelijk dat hetgeen door Arie B. en Bennie Z. is verklaard, geen grond van waarheid bevat."
Arie B. kwam op vrije voeten, maar niet lang. Eind juni 1948 zat hij al weer in het huis van bewaring in Zutphen, verdacht van een nieuwe reeks diefstallen. Hij zou ook de hand hebben gehad in de heling van een horloge, dat Vischedijk zou hebben toebehoord, maar ook dat onderzoek leverde niets positiefs op. Vier jaar later dook de naam van Arie B. andermaal op in het justitiele archief. Een medegevangene tipte de officier van justitie in Zutphen, dat B. tegenover hem en andere gedetineerden bekend zou hebben, dat hij Vischedijk had vermoord. B.lachte erom en ook de officier zag het meer als een "gewichtdoenerij", hij had zoiets van B. al vaker gehoord.

VINDPLAATSEN
Begin december 1949 liet S. weer van zich horen. Hij was weer eens gedetineerd, nu in Nijmegen. Daar "bekende" hij, na de moord op Vischedijk, in de buurt van Grave een kistje met aldaar buitgemaakte voorwerpen plus twee bankbiljetten van f 1000,- (dit was de buit van een inbraak in Doetinchem) te hebben begraven. Een paar dagen later mocht hij met een rechercheur de plek aanwijzen en toen dat niet lukte bekende hij, dat ook dat weer was gefantaseerd. Nog eenmaal kreeg hij de kans dat kunstje te vertonen. Een paar dagen later wilde hij, "nu echt", de plek aanwijzen, namelijk ergens op het strand bij Zierikzee. Het werd hetzelfde liedje - na het uitstapje bekende S. andermaal alles te hebben gefantaseerd. In de zaak Vischedijk was zijn rok uitgespeeld. Het laatste proces-verbaal in het dossier- Vischedijk is gedateerd op 28 juli 1952, opgemaakt door brigadier-rechercheur H.W.Stemderink. Het gaf het verhoor weer van de gevangene, tegenover wie Arie B. te kennen had gegeven, dat hij de moord op Vischedijk zou hebben gepleegd. De "zaak-Vischedijk" was daarmee definitief gesloten. In de annalen van de Winterswijkse politie liet ze een witte vlek achter. En een gevoel van onvrede.

 

Rietjes Akkefietjes

 

Met dank aan Riet Addink-van den Berg voor het mogen plaatsen

Hoe was het in de oorlog?

Iets van de oorlog merkte ik, toen in de 3e klas, dat moet dus in 1938 of 1939 geweest zijn, 2 Duitse kinderen bij ons kwamen. Een tweeling, Helga en Helmuth. Nu realiseer ik me, dat de familie gevlucht was voor het Hitlerregime. Toen was het alleen maar interessant. Onze juf probeerde hen in het Duits wat van onze taal bij te brengen. Op een gegeven moment zei ze : “Helmuth, Du bist ein Faulpelz”. Wij kwamen niet meer bij van het lachen. Een Faulpelz. Wat een gek woord en wat betekende het? Een van de kinderen wist het: faul was vuil en pelz was een paddestoel.  Een vuile paddestoel dus. Nog meer hilariteit.

De tweeling is maar kort gebleven. Na een paar maanden bleef hun plaats leeg. Ze waren naar Amerika, werd gezegd.

Aan dat kalme leventje kwam een abrupt einde op 10 mei 1940, de overval door Duitsland, hoewel er na de eerste hectische week, zeker voor ons kinderen, weinig veranderde. Ja, er liepen Duitse soldaten rond, er werden aanplakbiljetten opgehangen in 2 talen, waarop stond wat niet meer mocht, maar in die eerste tijd na de capitulatie gingen de Winterswijkers door met wat ze altijd al deden. De school begon weer, iedereen ging gewoon naar zijn werk en de winkels bleven verkopen, al was niet alles meer voorhanden zoals eerst. De bonkaarten hadden al hun intrede gedaan, maar schaarste........nee, dat niet.

In de eerste week na onze capitulatie kwam het bevel: totale verduistering. Dat hield in, dat, zodra het donker werd, er geen straaltje licht te zien mocht zijn. De straatlantaarns bleven uit, uit huizen mocht geen spoortje licht meer komen, anders kreeg je een forse boete of erger.  Fietslantaarns moesten worden afgedekt, zodat ze niet van boven te zien zouden zijn.
Winkeldeuren kregen een contact, waardoor het licht in de winkel uitging, als een klant de deur opende. Vooral als er veel klanten waren, was het een komiek gedoe. Je stond telkens met z’n allen in het donker tot de deur weer sloot. Het waren gouden tijden voor zaken, die verduisteringsartikelen verkochten en misschien ook wel voor winkeldieven. Dat verduisteringsgebod bleef de hele oorlog van kracht en contrôle erop was streng. Om het minste straaltje licht, die tussen de gordijnen doorkierde, kon je worden gearresteerd.

Opeens ging er een gerucht: Iedereen moet zijn ramen beplakken met brede stroken plakband. Als je die in vierkanten aanbracht, kon je voorkomen, dat glasscherven naar binnen zouden vliegen als er bommen vielen.  Wie als eerste op het idee kwam is niet bekend, maar het werd een rage, waar iedereen aan meedeed.
Later, veel later, toen er inderdaad bommen waren gevallen bleek, dat door luchtdruk verbrijzelde ruiten niet naar binnen, maar naar buiten vallen. Dat lijkt onlogisch, maar zo gebeurde het toch.  Ondanks dat hebben bruine stroken nog lang de ramen gesierd.

Op een morgen in 1942 liep ik naar school en in de Wooldstraat was een opstopping. Duitse legervrachtwagens, zwaar gewapende militairen en veel kijkers. Ik keek ook.                                             
De deur van hotel De Klok bovenaan de trap ging open en gillend kwamen een paar mannen, vrouwen en 2 kinderen de trap af, aangepord door Duitse geweren. Schnell, schnell! Joden! De jodenvervolging was net begonnen en deze mensen hadden wellicht niet meer thuis durven blijven en waren in het hotel neergestreken. Een paar droegen een koffer, een van de kinderen had een pop bij zich. Ze werden ruw in de achterbak van een vrachtwagen geduwd en de wagens vertrokken.

Het was mijn eerste kennismaking met de wreedheid van de oorlog, al had ik geen flauw idee, wat die mensen te wachten stond. Ik wist wel zeker: het zou vast heel erg zijn. De banken van mijn joodse klasgenootjes waren al langer leeg, maar ik had er nooit goed bij nagedacht, wat er gebeurd kon zijn. Nu was dat overduidelijk. We hebben hen na de oorlog niet meer teruggezien.
Ik weet nog hun namen en wil die hier noemen:

De 3 Hannie’s: Hannie Hamme, Hannie Philips en Hannie van Klaveren, verder Margot Eskens en
Henri  Mogendorff.

Een ander meisje, dat een klas lager zat heeft de oorlog wel overleefd, ondergedoken in Boekelo, samen met haar zusje. Na de oorlog is ze naar Amerika gegaan en heeft daar jaren later een boek geschreven over haar oorlogsbelevenissen: Johanna Reiss – De schuilplaats.  Dat boek is in ons land beroemd geworden. Wij kenden haar als Annie de Leeuw.

Eind 1944.

Vader fietste iedere zaterdagmiddag naar een bakker in Aalten, die goede connecties had met boeren, die, natuurlijk clandestien, meel leverden. Hoe vader aan dat adres van die bakker kwam weet ik niet. Voor die tijd was hij vast niet op de hoogte van het bestaan van de goeie man. Ik denk, dat een zakje steenkolen wonderen deed.

Er waren elke dag aanvallen van Engelse jabo’s (jachtbommenwerpers) op voertuigen. Die konden alleen maar Duits zijn. Wij Nederlanders hadden alleen een fiets, soms met houten banden.

Mannen werden verplicht om op kleine afstanden van elkaar gaten langs de weg te graven, diep genoeg voor een mens om te schuilen. Ze waren zo’n 1.20 meter diep, hadden een klein afstapje en als je niet te dik was kon je er met z’n tweeën in staan of bukken.  Na verloop van tijd werd de bodem modderig of er verscheen een laagje water, waarin padden en kikkers zich thuis voelden. Het moest wel heel erg nodig zijn, voor ik daar in zou springen.

Op de terugweg van zo’n broodtocht (die ook nog wat koekjes en een paar eieren had opgeleverd), kwam vader een colonne vrachtwagens tegen.  Hij kon alleen maar hopen, dat er geen jabo’s in de buurt waren. Mis! Hij zag ze met z’n tweeën aankomen, met ratelende mitrailleurs omlaag duikend boven de weg.

Gelukkig was er in de berm zo’n mangat. Vader sprong erin, zijn ene arm met  daarin de koekjes en eieren gestrekt in de lucht houdend. Stel je voor, dat ze zouden breken. De jabo’s keerden en doken opnieuw, nu om een paar bommen te gooien op de moffen. Vader dacht, dat er nogal wat schade was, maar heeft niet al te lang gekeken en is hard naar huis gefietst.

Daar werd het verhaal in geuren en kleuren verteld, waarschijnlijk een beetje aangedikt, want zo was-ie wel.
Maar de koekjes en eieren waren allemaal heel gebleven.

Wij gingen bij luchtalarm naar de schuilkelder van de buurman. Die schuilkelder was een wonderlijk bouwsel. Normaal was zo’n ding echt een soort kelder, onder de grond dus. Maar dit was een bovengronds exemplaar, omdat de buurman invalide was en geen trap kon lopen. Het was een bouwsel met muren en dak van 75 cm dik, hout en beton van buiten en gevuld met zand. Binnen waren langs de kant banken getimmerd en er konden zo’n 12 mensen in.

Op een nacht kwamen er weer honderden bommenwerpers over in de richting van het Ruhrgebied. Je hoorde ze al van ver aankomen, en zodra ze over ons dorp vlogen leek het of de wereld verging. Honderden vliegtuigen, alles dreunde. Zoeklichten in de omgeving en verderop in Duitsland flitsten aan en soms zag je een kist gevangen in het licht daarvan.

Wij holden de achterdeur uit naar de schuilkelder. Er was een luchtgevecht aan de gang en het gelijkmatig brommen van de vliegtuigen, die met hun zware bommenlast onverstoorbaar doorvlogen naar Duitsland werd afgewisseld met het gierende geluid van een duikvlucht.  Je zag niks, alleen lichtflitsen. Hulzen van mitrailleurkogels ratelden over de dakpannen, af en toe klonk het luide dreunen van het boordgeschut. Plotseling, rennend naar de schuilkelder, voelde ik een ruk aan mij jas. Later bleek, dat daar een gat in zat. Er was een kogel doorheen gegaan, maar ik had niks.

Toen vader de volgende dag ons huis en dat van de buren inspecteerde, bleken er veel kogelgaten in de daken te zitten en overal vond je de hulzen.

Na een van mijn dagelijkse melkhaaltochten was ik op weg naar Opoe en Opa Fuut om een paar flessen melk te brengen. Opeens dook er een landwachter op. Landwachters waren leden van de NSB, die zo’n beetje voor politieagent speelden. Ze droegen een bruin soort uniform (werden daarom bruinhemden genoemd) en werden door de goede Nederlanders diep geminacht. Ze deden wat in hun hoofd opkwam, zich sterk voelend als sympathisanten van de bezettende macht.

Dit exemplaar riep: Halt!"  Hij pakte het stuur vast: ”Afstappen! De fiets is in beslag genomen.”  Ik protesteerde, maar bereikte natuurlijk niks. “Je krijgt hem wel terug”, zei-d-ie nog. “Mijn fietstassen krijg je niet”, zei ik strijdlustig, want daar zaten de kostbare melkflessen in. Ik haalde meteen de tassen van de fiets, wat kennelijk mocht, want hij zei niks. Op naar mijn grootouders om de melk af te leveren.

Nog steeds woedend kwam ik thuis en zei vastbesloten, dat ik aan het eind van de middag de fiets ging ophalen, maar vader vond dat een beetje riskant. “Vooral niet overhaast te werk gaan. Laten we het eerst maar eens aankijken”. Daar voelde ik niet voor en zonder er iemand  iets van te zeggen liep ik naar café Boer Balink, waar de landwacht zijn hoofdkwartier had. Ik had geen flauw idee wat ik daar zou moeten doen en hoopte op een ingeving.                                                                                           
Voorzichtig sloop ik langs de zijgevel en keek om de hoek. Het lot was me goedgezind. Ik merkte twee dingen. In de eerste plaats stond daar mijn fiets tegen de muur en verder klonken er harde ruziënde stemmen. Conclusie: die lui hadden op dit moment iets anders aan hun hoofd en de tijd was dus gunstig. Ik rende naar mijn fiets en racete weg. Geen mens, die me tegenhield.

Triomfantelijk kwam ik thuis. Ze waren blij, maar “Kind, het is nu goed afgelopen, maar je bent wel erg onvoorzichtig geweest.” Dat vond ik helemaal niet, integendeel. Ik had heel goed uitgekeken. Altijd die slag om de arm van de grote mensen. O, wat haatte ik dat.

Schoenen waren schaars en na korte tijd waren alle kinderen eruit gegroeid. Wij liepen daarna ’s winters op klompen. Als er sneeuw lag had je binnen korte tijd grote kluiten daarvan onder je klompen. Kloetens, noemde we die. Lastig om op te lopen, maar om te glijden was er niks beter dan klompen.
Elke winter (en volgens mij was er tijdens de oorlog elke winter een dik pak sneeuw) was er een superlange glijbaan op het parkeerterrein bij onze oude lagere school. Dat plein liep iets af en de glijbaan was vast de mooiste van het land. De eerste keer moest ik wel moed verzamelen, want voorzichtig uitproberen was er niet bij. Meteen vol erin. Een flinke aanloop en dan met een ruk mijn klompen erop kletsen en met een rotgang naar beneden. Heerlijk. Ik kon er niet genoeg van krijgen.

In de zomer droegen we sandalen met houten zolen. De klompenmaker had zijn productie uitgebreid en leverde de zolen kaal of met riempjes, zoals-ie die ook op de klompen spijkerde.  Dat vond ik niks. Aan moeder de taak om mooie bovenstukjes te borduren, die door Opa werden vastgespijkerd. Je kon er alleen niet goed hard op lopen, want dan scheurden ze.

Een paar huizen bij ons vandaan woonde Opa Geerdes. Iedereen noemde hem zo. Vaak stond hij bij het tuinhek een pijpje te roken en een praatje te maken met iedereen die langs kwam. Hij hield achter zijn huis een paar kippen en een fret.

Met die fret ging hij “op jacht”. Het beestje verstopte hij zorgzaam in de binnenzak van zijn jekker en hij wandelde dan rustig de weg af en het bos in, op zoek naar een konijnenhol. Had hij er een gevonden, dan zocht hij alle uitgangen zorgvuldig op, en stopte ze dicht op één na. Daar ging de fret in, een fel en bloeddorstig beestje, dat korte metten maakte met konijnen. Dan was het wachten op het moment, dat fret met konijn naar buiten kwam.  Regelmatig kwam Opa met een brede grijns terug van zijn wandelingen.

Hij had heel bijzondere uitspraken. Was het een beetje koud, dan placht hij te zeggen: “Het dut vannacht vrezen doon en dat dut’t”.

Op een dag, waarop de jabo’s erg actief waren, stond hij bij zijn hekje dat aan te zien. Later vertelde hij: "Ik zag opeen twee van die dingen naar beneden komen en er viel wat uut. Ik dachte, nou wordt het tied om naar binnen te gaan. Ik stond net in de gang, toen ze neer kwamen. De deur ging vanzelf dicht”. Drie kleine bommen waren in de tuin van drie huizen terecht gekomen, ook bij hem en de luchtdruk deed de rest.

De vader van mijn vriendinnetje moest onderduiken. Ook de rest van het gezin moest verdwijnen, want het was heel goed mogelijk, dat de Duitsers zouden komen om ze te arresteren.  Tineke fietste met haar moeder en jongere broertje naar Pake en Beppe in Friesland. Daar hebben ze van zomer 1944 gewoond tot begin mei 1945 en gingen er zelfs naar school.

Haar vader was ondergedoken bij een van de boeren waar wij melk haalden en mijn vader wist ervan. Op een dag zei hij: “Zou je Tineke niet eens schrijven? Vindt ze vast leuk. Schrijf gewoon een brief naar haar grootouders, die sturen hem wel door, want die zullen vast wel weten waar ze nu is”. Hij zal wel op de hoogte zijn geweest, maar ik had geen flauw idee. De brief kwam aan en er kwam zelfs antwoord. We hebben nog een paar keer geschreven, maar daaraan kwam een eind door de spoorwegstaking.

Begin september 1944 werd de HBS gesloten. Gevorderd door de Wehrmacht. In het begin werden er nog wel enkele lessen gegeven aan kinderen, die in Winterswijk woonden. Dat gebeurde o.a. in een café, maar heeft niet lang geduurd. Voor mannen en jongens was het gevaarlijk op straat, want je kon zomaar opgepakt worden en naar Duitsland gestuurd om te werken in de oorlogsindustrie.

Wat deden we in die tijd? Als ik er aan terugdenk, zie ik mezelf alleen maar bezig met het binnenhalen van voedsel. Boodschappen doen was erg tijdrovend. Elke zaterdag knipte moeder de bonnen uit, die in de komende week geldig waren voor alle levensmiddelen en ik deed die boodschappen. Dat was een missie waarvoor je veel geduld nodig had. Je had er een dagtaak aan. Voor alles moest je in de rij staan: voor brood, voor groenten, voor melk, bij de kruidenier. Een supermarkt bestond niet. In de kruidenierswinkel gaf je je boodschappenbriefje aan de verkoper; de spullen werden gepakt,  afgesneden, gewogen, in een papiertje gedaan en als alles verzameld was, werd gecontroleerd of de bijgeleverde bonnen klopten. Daarna kon je afrekenen met het lelijke oorlogsgeld, gemaakt van....ja van wat? Nikkel? In ieder geval,  boodschappen doen duurde eindeloos. Datzelfde gold voor de slager. Vaak was de rij wachtenden tientallen meters lang. Het was niks bijzonders om buiten te moeten wachten. Alles kostte uren en als je te laat aan de beurt was, was het op. Gelukkig konden wij en iedereen in ons dorp die rantsoenen aanvullen bij de boeren in de omtrek.

Maar in het westen van het land was het moeilijker. De hoeveelheid, die op één bonnetje verkrijgbaar was, werd steeds kleiner naarmate de oorlog langer duurde. De Winterswijkers werden door de boeren in leven gehouden en bovendien hadden ze vaak een moestuin. maar in Amsterdam waren de schappen van de winkels leeg en ook al had je bonnen, je kon weinig of niks kopen, want er was niks. Dit gold vooral tijdens de winter van 44/45, de hongerwinter.

De zussen van vader woonden met hun familie in Amsterdam en daar stuurden we elke week een groot pakket levensmiddelen naar toe, o.a. een groot roggebrood van een paar kilo, dat ik elke week haalde bij bakker Konings in het Woold, een begrip voor alle dorpelingen van die tijd. Dat ging goed tot de spoorwegstaking in september 1944. Daarna liepen er geen treinen meer en was het afgelopen met het sturen van pakjes.

Wij haalden in de oorlog elke dag melk bij de boeren; daarvoor hadden we verschillende adressen. Elke dag naar Kruisselbrink, daarnaast twee keer per week naar Mien Geesink in Kotten, één keer naar vrouw Wibbels, ook in Kotten en twee keer naar een boer waarvan ik de naam vergeten ben vlakbij de grens. Bovendien af en toe naar van Eerden in Corle. We bleven wel in superconditie op die manier. Dat melk halen kwam neer op vader en mij. Mijn zusje was te jong en moeder deed de huishouding. Dat was geen punt van bespreking. Die melk was voor beide grootouderparen en voor onszelf.

Op de boerderijen werden de melkflessen gevuld via een trechter, zo vanuit de melkbus. We hadden dubbele fietstassen en in elke pasten 4 flessen. Om ze te beschermen tegen stuk rammelen, deden we er een oude (dikke) kous omheen, die op het laatst meer gat dan kous was. Bij boer Kruisselbrink hadden ze veel onderduikers en als het druk was met melkhalers, (hij verkocht al zijn melk aan de dorpelingen), hielpen die de klanten wel eens. Eén van hen (een ex-Duitser), had het dan over “de zondagse kousen van Frau Vandenberg".

Een fiets was van levensbelang. De mijne - of beter gezegd, die van moeder - heeft de hele oorlog trouw dienst gedaan. We hadden wat banden in voorraad en onze fietsenmaker zorgde er voor, dat-ie in goede conditie bleef. Ik werd expert in het plakken van banden. Een paar keukenlepels deden dienst als bandenwippertjes en dat ging prima.

k herinner me een ijskoude morgen in de winter van, ik denk, 43/44. Ik moest melk halen bij de boer vlakbij de Duitse grens. Eerst de grote weg richting Duitsland tot je de douanegebouwen zag en dan linksaf een smal paadje in langs de akkers. Er was de laatste dagen veel sneeuw gevallen, het vroor dat het kraakte, het paadje lag laag, de akker hoog, en de sneeuw had alles geëgaliseerd. Je zag niet meer waar de ene ophield en de andere begon. Mijn fiets liep vast in een halve meter sneeuw en ik kon alleen nog maar duwen. Heel zwaar en bijna niet te doen. Ik kreeg zo’n verschrikkelijk medelijden met mezelf, dat ik de fiets liet vallen, in de sneeuw ging zitten en heel hard heb zitten huilen. Dat vader en moeder me dit aandeden! 
“Dit mocht ik niet en dat mocht ik niet, maar wel je kind zo’n klus laten opknappen”. Ik voelde me vreselijk zielig.

Na een poosje kwam ik tot de slotsom, dat daar blijven zitten huilen ook niks oploste. Teruggaan zonder melk was mijn eer te na, dus ik liet de fiets liggen waar hij lag, gespte de tassen los en ging lopend naar de boer. Toen ik thuiskwam heb ik alleen maar verteld, dat het heel moeilijk geweest was en dat ik daar niet meer naar toe ging zolang er sneeuw lag.

Ik heb wel eens uitgerekend, dat vader en ik in de oorlog meer dan 7000 liter melk hebben gehaald. Om te drinken, pap te maken (oorlogsbrood was bijna niet te eten, zo vies) en vooral om te karnen. Opa had een apparaat in elkaar geknutseld, dat een boterkarn moest voorstellen. Een houten deksel met een gat in het midden, dat paste op een flinke pan. Door dat gat stak je een steel met onderaan een schijf met gaatjes. In die pan ging de room van de boerenmelk. Die melk, vers van de koe, schonk moeder in een grote schaal en liet hem een dag staan. Bovenop vormde zich dan een laagje room, dat je er afschepte. De oogst aan room van een paar dagen ging in een pan met de deksel van de door Opa gemaakte constructie erop en door minstens een half uur te “plonderen” , d.w.z. de gaatjesschijf met de hand op en neer te bewegen, ontstond vanzelf een klont boter. De melk werd intussen karnemelk. Daarvan kookte moeder roggepap voor het ontbijt. Op zich best te eten, als er maar niet honderden vliesjes van de alleen maar gedorste rogge in zaten. Het was geen doen om die er van te voren uit te vissen en mijn zus en ik aten de pap dan ook vaak buiten op, bij slecht weer staande onder het glazen afdak achter ons huis. Zo konden we de vliesjes lekker makkelijk in het rond spugen.

Winterswijk werd vanaf september 1944 bijna elke dag gebombardeerd door Engelse jabo’s (jachtbommenwerpers), die het gemunt hadden op het spoorwegemplacement, op kruispunten en wegen. Bovendien dreunden regelmatig eskaders van wel 1000 Amerikaanse bommenwerpers over Winterswijk richting Ruhrgebied of verder Duitsland in. Het was een spectaculair gezicht , achter elkaar in een onafzienbare rij groepen van wel 50 of meer vliegtuigen, waarachter dikke condensstrepen uitwaaierden. Ze hadden het dan wel niet op ons gemunt, maar soms kwamen er Duitse jachtvliegtuigen, er ontstonden luchtgevechten en bommenwerpers in nood gooiden nog wel eens hun bommen lukraak weg, omdat ze daardoor lichter werden en beter konden manoeuvreren. Er zijn dan ook in Winterswijk en omstreken heel wat bommen terechtgekomen en daarbij zijn ook mensen gedood en gewond.

Ook ’s nachts vlogen honderden geallieerde vliegtuigen over Winterswijk richting Ruhrgebied. Voordat zo’n geweldige armada verscheen kwam nog wel eens even een Duitse jager de zaak verkennen, maar zodra de Engelse vliegtuigen in de buurt kwamen, was de Duitser verdwenen. De Winterswijkers noemden hem “De nachtzuster”.

We brachten heel wat tijd door in de schuilkelder van mijnheer S. Dat was een bezienswaardigheid. Veel mensen met een tuin hadden een schuilkelder gegraven, waarin je enigszins beschermd was tegen rondvliegende scherven en kogels. Dit was echter een bouwsel bovenop de grond, omdat mijnheer S. geen trappen kon lopen. Heel wat bouwvakkers waren er op los gelaten en het resultaat was een soort kazemat met muren en dak van 75 cm dik. Binnen waren banken en er konden ongeveer 12 mensen in. Genoeg voor onze beide families. In de schutting, die onze tuinen scheidde, was een deur gezet.

Op een nacht kwamen er weer honderden bommenwerpers over in de richting van het Ruhrgebied. Je hoorde ze al van ver aankomen en zodra ze over ons dorp vlogen leek het of de wereld verging. Honderden vliegtuigen, alles dreunde. Zoeklichten in de omgeving en verderop in Duitsland flitsten aan en soms zag je een kist gevangen in het licht daarvan. Wij holden de achterdeur uit naar de schuilkelder. Er was een luchtgevecht aan de gang en het gelijkmatig brommen van de vliegtuigen, die met hun zware bommenlast onverstoorbaar doorvlogen werd afgewisseld met het giererende geluid van een duikvlucht. Je zag niks, alleen lichtflitsen. Hulzen van mitrailleurs ratelden over de dakpannen, af en toe klonk het luide dreunen van het boordgeschut. Plotseling, rennend naar de schuilkelder voelde ik een ruk aan mij  jas. Later bleek, dat daar een gat in zat. Er was een kogel langs gegaan, maar mij mankeerde niks. Toen vader de volgende dag ons huis en dat van de buren inspecteerde, bleken er veel kogelgaten in de daken te zitten en overal vond je de hulzen.

Vader was dan zenuwachtig, gejaagd, rusteloos. Was hij bang en wilde hij dat niet laten merken? Ik vermoed het, maar weet het niet zeker. Ik was zelf doodsbenauwd, maar moeder was als altijd kalm en hield de moed erin. “Maak je maar niet druk, ‘t komt allemaal wel goed, ik weet het zeker”, zei ze dan. Zij was in feite het rustpunt in ons gezin en in de hele familie.

Af en toe kreeg vader een waarschuwing van “goede” landgenoten: “Jan,  je kunt maar beter een poosje verdwijnen”, waarop vader naar Kotten fietste, een buurtschap bij Winterswijk, waar in een bos een primitief hol met een dakje erop was. Hij verdween daarin dan een paar dagen en werd intussen verzorgd, zeg maar gerust verwend, door vrouw Wibbels, een boerin uit de buurt en een bijzonder aardig mens, bij wie ik elke week eieren en melk haalde en soms ook als extraatje een stukje spek kreeg.  Dan vloog ik naar huis. “Kijk eens, wat ik van vrouw Wibbels gekregen heb!!”

Elke keer als er in Winterswijk bommen gevallen waren, fietste ik de 8 km naar vrouw Wibbels, zodat zij vader kon geruststellen dat wij allemaal nog in leven waren. (Zelf mocht ik niet naar hem toe, want zijn schuilplaats was strikt geheim).

Ik ben ontelbare keren naar Kunnert, zo heette de boerderij, gefietst, soms wel 2x op een dag, maar dat was geen straf, want ik ging er graag heen. De mensen waren erg gastvrij en als ik er kwam, altijd onverwacht, leek het wel of ze die dag speciaal op mij hadden zitten wachten. De boerin was een klein wijffie met een lief gezicht, waarin een bruin en een blauw oog je vriendelijk aankeken.  Kunnert was een van de oudste boerderijen van Winterswijk. Stromend water was er niet, evenmin als gas en riolering, water moest je halen bij de put. Je plonsde een emmer aan een lange ketting naar beneden  en haalde hem vol water weer op. De vloer van het woongedeelte bestond uit kleine keitjes, die zaterdags, als het werk was gedaan, bestrooid werd met fijn schelpzand in mooie patroontjes. Zodra je er overheen liep, was het weer een rommelige zandige vloer, maar dat gaf kennelijk niet. Elke zaterdag strooien!

Toen ik er weer eens was voor melk en als het kon een paar eieren, zei vrouw Wibbels:”Ik heb een kip voor je. Ze is van de leg, die mag je van me hebben. Wacht, ik zal haar even voor je pakken”. Nou, dat was wat. Thuiskomen met een kip! Ik zag al helemaal voor me, hoe de familie zou staan te juichen. Maar hij moest nog wel even gevangen worden. Ik wist uit ervaring, dat dat niet makkelijk was. Denk je, dat je zo’n beest te pakken hebt, schiet-ie toch weer de andere kant op. Maar voor vrouw Wibbels was het een fluitje van een cent. Ze nam een stuk staaldraad, boog het uiteinde in een bocht, zocht de goede kip en trok die met dat gebogen draadeinde zo van de sokken. Hebbes!  Ze pakte de kip bij de poten, greep in het voorbijgaan een bijl, legde het beestje met de kop op de stronk van een afgezaagde boom en hakte met één haal de kop eraf. Kip fladderde zonder kop nog even rond en viel toen om. “Alsjeblieft, laat moeder er maar een lekker soepje van koken”.

Nu zou ik het niet leuk gevonden hebben om dit te zien, maar toen was ik vast minder teerhartig. Kip moest dood en het ging zo snel, dat ze het vast niet gemerkt heeft. Ik at toch ook met smaak het konijn, dat ik het hele jaar verzorgd had en dat voor de Kerstdagen het loodje legde...... nou dan.....

Thuis werd ik als een heldin ontvangen.  Nadat het beestje aan alle kanten bewonderd was, werd hij mij in de handen gestopt:”Nou, jij gaat haar wel even plukken hè?” De soep was hemels.

In de laatste oorlogswinter hadden we, zoals veel Winterswijkers, een door een smid gemaakt kacheltje in de kamer staan.  Het had in het midden een heel klein vuurpotje met daar bovenop een grote kookplaat. Zo sloeg je drie vliegen in één klap. Je kon er zuinig op koken, de kamer werd meteen verwarmd en moeder hoefde niet in de koude keuken te staan. Elektriciteit was er niet meer, en we hebben een tijd de achterkamer verlicht met een gaslamp. Maar we woonden niet ver van het ziekenhuis, dat nog wel stroom had; vader had connecties en “ritselde” wat, zodat wij de laatste maanden van de oorlog bevoorrecht waren en weer elektrisch licht hadden.

In maart 1945 voelde iedereen, dat de oorlog snel op z’n eindje liep. De Duitsers  waren verslagen bij het Ardennenoffensief in de winter van 1944/45 en de Amerikanen hadden de oever van de Rijn in Duitsland bereikt. Bovendien trokken ze vanuit Duitsland richting Nederlandse grens.  Winterswijk kreeg steeds vaker met bombardementen van de Engelsen te maken om het de Duitsers, die aan het terugtrekken waren, moeilijk te maken. Langs de weg, waar wij woonden, zagen we ze langskomen, de moffen. Terug naar Duitsland. Niet in gloednieuwe tanks en pantserauto’s, zoals ze gekomen waren, maar lopend naast buitgemaakte (zeg maar rustig: gestolen) boerenwagens of karretjes met hun spullen erop. Het was voor ons een hemels gezicht.

Omdat het aan onze weg erg onveilig werd, regelde vader voor ons vanaf midden maart 1945 een verblijfplaats bij een boer, die een kilometer verderop woonde. Daar wemelde het al van de onderduikers en mensen uit het dorp, die net als wij een rustiger plekje hadden opgezocht, wachtend op de bevrijding. We sliepen met z’n allen op een rijtje op de deel. Vader bleef overdag op zijn kantoor en kwam ’s avonds op de fiets naar ons toe.

Op een dag kwam hij tegen het eind van de middag terug op de boerderij en vertelde, dat Emmy van Santen, een vriendinnetje uit mijn klas, samen met haar vader en moeder bij een bombardement die dag gedood was. Ze was een van mijn beste vriendinnen en we hadden samen in een vriendinnenclubje gezeten, dat elke zaterdagavond bij één van ons bij elkaar kwam, totdat dat niet meer ging wegens de avondklok. Die avondklok wilde zeggen, dat iedereen na 8 uur ’s avonds niet meer buiten mocht zijn. Werd je gesnapt, dan gold het standrecht, wat betekende, dat je ter plaatse doodgeschoten kon worden. Maar veel tijd om toen bij Emmy’s dood stil te staan was er niet, want er gebeurde van alles.

Eerst de beschieting met granaten, die rondom de boerderij insloegen. Maar gelukkig werd niemand geraakt, al was het heel angstig. Je hoorde die rotdingen aan komen gieren en dan was het met kloppend hart in spanning afwachten waar de klap zou vallen.

Toen kreeg de boerderij bezoek van een terugtrekkende Duitse luchtdoelbatterij. De bijbehorende soldaten waren behoorlijk dronken, en schoten een paar granaten af, volgens henzelf op een kruispunt bij Borken, volgens vader in het wilde weg. Gelukkig vertrokken ze weer gauw. Terug naar de Heimat!  De mannelijke tijdelijke bewoners van de boerderij zagen nog wel kans om de moffen een paar flessen “foezel” afhandig te maken. Goed om op de overwinning te drinken!

Daarna kwamen er een paar Duitse soldaten, die de paarden van de boer “vorderden”. Een eufemisme voor gewoon jatten en de boer speelde het spelletje mee. Hij deed net of hij ze de paarden wilde laten zien. Toen de soldaten de paardenstal inliepen, sloeg hij de deur achter hen dicht en sloot hen op. “Het duurt niet lang meer voordat de Amerikanen komen. Tot zo lang blijven jullie hier”. De Duitsers maakten niet eens erg veel kabaal en leken het wel best te vinden. Waarschijnlijk hadden ze ook schoon genoeg van de oorlog. Ze kregen een bos stro en een bord eten en dat was dat. Niks om je druk over te maken. Sommige mensen lieten zich door niets van de wijs brengen en deze boer behoorde ook tot dat soort.

Niemand ging die nacht slapen. We hoorden heel in de verte het dreunen van kanonnen, dat steeds dichterbij kwam. Het schieten duurde uren en toen............ opeens....... werd het stil. Doodstil. Griezelig stil. Iedereen luisterde gespannen en na een poos hoorden we, ver weg en nauwelijks hoorbaar, een zacht gebrom, dat steeds sterker werd. Amerikaanse tanks! Die morgen verdwenen de laatste Duitsers uit ons dorp, terwijl de Amerikanen van de andere kant binnenreden.

Iedereen probeerde zo snel mogelijk naar het dorp te komen, want daar was het  feest, de “Tommies” werden omhelsd en op straat werd gedanst en gehost.  Ik ging naar Mily, een vriendinnetje, dat met haar familie uit Vlissingen was geëvacueerd en nu bij iemand in huis woonde. De hele familie was in de keuken, waar het fornuis brandde met hout, dat in de afgelopen weken verzameld was in het bos. Opeens een geweldige knal en het leek alsof het fornuis ontplofte. Een ijzeren ring vloog door de lucht, gelukkig zonder iemand te raken. De reactie was, dat iedereen hard begon te lachen: "Nou, dat is goed afgelopen, we hebben geluk gehad".  Wat kun je gek reageren in ongewone situaties.

Het Amerikaanse leger trok diezelfde 31e maart 1945 verder en juist over de weg, waaraan de boerderij van de familie P. lag. Het duurde 2 dagen en 2 nachten voordat de colonne tanks, jeeps en vrachtwagens (samen een hele divisie vormend) voorbij was. Het wegdek zag er daarna uit als een omgeploegde zandweg.

Wij stonden natuurlijk te kijken en te juichen. Af en toe stopte de colonne om te eten en te tanken. Ik heb toen een grote stommiteit begaan. Tijdens zo’n pauze kwam een Amerikaanse soldaat naar me toe met een grote lap stof. Meterslang en breed. Prachtige zijde van een parachute. Ongelofelijk! “Hier, dit is voor jou”. Maar ik wou het niet hebben, want de stof was aan één kant een beetje vies. Achteraf spijt als haren op mijn hoofd. Wat voor schitterende dingen had moeder daarvan kunnen maken.

Winterswijk werd eind maart 1945 door de Canadezen bevrijd, maar omdat ook zij na het vertrek van de Duitsers onze school in gebruik namen, duurde het tot september voordat de leerlingen weer terug konden komen.

 

KINDEREN VAN TOEN

Uit de Nieuwe Winterswijkse Courant
Januari 1977

NIEUWE WINTERSWIJKSE COURANT
75
JARIG BESTAAN

Als je ‘s avonds, vooral nu het zo vroeg donker is, door de straten van Winterswijk loopt en eens inkijkt in al die gezellige kamers met hun schemerlampen en open gordijnen, zie je er vaak kinderen bezig.
Ze zitten soms ergens boven op hun kamer huiswerk te maken; grotere draaien er soms “jonge muziek” op een eigen platenspeler of cassete-recorder. Of ze zitten met een spannend stripblad onder een leeslamp. Vak ook staat de t.v. of radio aan.
Hoe ging dat vroeger, toen het leven zo heel anders was dan nu? Ouderen onder ons weten dat nog heel goed, maar ter wille van de jongeren willen we in dit feestelijke nummer van onze Nieuwe Winterswijkse Courant eens een”meisje” en een “jongetje” aan het woord laten, die even oud zijn als onze krant is.
Die hebben we gevonden en ze wilden best wat vertellen over hun kinderjaren, maar ze wilden niet hun naam gepubliceerd zien. Dus blijven onze vertellers anoniem.

HET MEISJE VAN TOEN

EIGEN HUISJE
Als je geen geld had, zoals bij ons thuis, om een eigen huisje te kunnen bouwen, moest je dat zien te verdienen. Vader werkte dan ook van ’s morgens vijf tot acht uur ’s avonds; zijn eigenlijke werk duurde wel niet zo lang, maar hij deed er nog van alles bij, zoals gras maaien, om er wat bij te verdienen
Moeder deed het huishouden; we waren met z’n tienen thuis. Ze werkte ook op het land, verbouwde eigen aardappels en groenten en zorgde voor een paar koeien. Later hielpen de grotere kinderen haar.
Na jaren van onvoorstelbaar hard werken waren er genoeg centjes om een stuk bouwland te kopen. Toen ging vader met behulp van een metselaar zelf aan het bouwen en timmeren en eindelijk was dan het huisje klaar; een woonkeuken, een klein zitkamertje, een klein slaapkamertje voor de ouders en twee bedsteden voor elk vier kinderen. Van een eigen bed was in die tijd geen sprake, om van een eigen kamer maar helemaal niet te spreken.

VERLICHTING
Er was een petroleum hanglamp in de woonkeuken en in de bijvertrekken hing een olielampje klaar met koperen reflector, zo’n wandlampje. In de eerste wereldoorlog was de verlichting zo schaars en slecht, dat we in een glas water een laagje olie goten, waarin een drijvend pitje, dat werd aangestoken. Bij dat mini-vlammetje moesten de meisjes stoppen, breien en naaien. Ik ken iemand die haar acte handwerken heeft gehaald met werkstukken, die bij zo’n pitje gemaakt zijn!

DE WAS
De was ging in een houten kuip met sop; op een plank in dit sop werd het voorgeweekte goed met een harde borstel goed geschrobd; daarna nagespoeld en gebleekt op een grasveld.

Ook STRIJKEN was bepaald minder eenvoudig dat nu; wij hadden een open strijkijzer, waarin een kooltje vuur werd gelegd en zo werd gestreken.
Moeder had nòg een manier van strijken, waar we niet dol op waren; ze vouwde het goed keurig op, legde het op de stoelen, een handdoek er overheen ….. en dan moesten wij er een poosje doodstil op zitten. Onnodig te zeggen dat we van onderen aardig koud en klam werden.

De INMAAK was vroeger wat nu de diepvries is; kool of bonen met zout of pekel ging in een inmaakpot en daarop kwam dan een plankje met een steen als verzwaring. WECKEN was toen modern, maar het was veel werk en er ging nogal eens een deksel los; de inhoud moest dan vlug worden opgegeten.

NAAIWERK
Niet veel mensen hadden een (dure) naaimachine, dus werd door moeder alles met de hand genaaid en versteld. Niets werd weggegooid voor het tot op de draad versleten was en van oud goed werden de nog bruikbare stukken bewaard. Je kunt je voorstellen wat een zee van tijd er in ging zitten, in al dat naaien en verstellen voor een groot gezin. Maar zo iets was vanzelfsprekend.

MEUBELS
Een huis was vroeger eenvoudig ingericht; de vloer was van estriken en als het erg mooi was, lagen er rode en blauwe tegels om en om. Dan waren er voor ’t hele gezin knopstoelen en een uittrektafel, die meegroeide met de familie.

De VERWARMING bestond uit een open vuur of een potkachel of een kookfornuis, zoals bij ons. Met koperen knoppen en buizen, die glansden als goud. s’Avonds zaten we er vaak met z’n allen om het fornuis te zingen; liedjes van school of van Johannes de Heer. Ook werden er vaak spelletjes gedaan, samen rond de tafel zittend onder de hanglamp; zo gezellig met z’n allen! Bij buurvisites werd ook vaak samen gezongen en dat gaf toch wel een heel bijzondere en sterke band onderling.

Ook wij kregen ZAKGELD in die tijd en wel 1 cent per kind per twee weken, uit te betalen op marktdag. Je dan een snoepwinkeltje, Zandijk heetten die mensen. Op de Markt, ongeveer waar nu de Kiekeboebar is en daar versnoepten we dan een halve cent per week. Je kon ook in een kraampje op de markt voor 1 cent een klein zakje (behangselpapier gevouwen) kopen met allerlei kruimels; koek-,biscuits- of chocoladekruimels. En de spanning was groot als je zoiets kocht, want op één van de honderd zakjes stopte die man er ook een cent in, dus de geluksvogel die dat zakje trof, kon weer opnieuw gaan snoepen! Je had ook heel zuinige kinderen; ik had b.v. een broertje dat telkens een zegeltje van 1 cent kocht bij de meester. De meester plakte die voor je in een spaarboekje en na jaren was dat boekje vol en dat gaf je dan vol trots aan je moeder om te bewaren; je was iemand met geld achter de hand! Maar in ons gezin was er maar één zo zuinig. Liever keken we op de markt uit of er soms een vrijgevige tante van ons rondliep; die groetten we dan uiterst beleefd en dat wilde wel eens een extra centje opleveren. Ik zie nog dat gebaar van haar hand naar de steekzak in haar jurk onder haar schort, waar haar beurs bewaard werd; wat waren we gelukkig met zo’n extraatje!

Wat de SCHOLEN betreft? O,je moest soms wel ver lopen, maar iedereen kwam aan z’n trekken. Ook kleuterscholen, bewaarscholen, hadden we. De eerste was op de Zonnebrink, van ’t Nut, en wie broertjes of zusjes had of een ander groot kind dat je meenam, mocht daar op. Op de scholen brandde in ieder lokaal een grote kachel met een scherm er omheen, waarop soms de erg natte jassen gedroogd werden. Er was gasverlichting; wij aan de rand van het dorp hebben nooit gas gehad, maar zijn van petroleum op electra overgegaan. Over scholen gesproken: Ik herinner me dat op de U.L.O. mej.Proost hoofd was; een heel strenge maar eerlijke vrouw. We droegen van die schorten met “vleugeltjes”, van die strookjes als ’n soort mouwtje rond het armsgat, weet je wel? Die schorten bleven op school en je moest ze zό ophangen dat ’t linker- en rechtervleugeltje precies over elkaar vielen. Dit werd dagelijks door haar gecontroleerd en er zwaaide wat als het niet akelig netjes klopte!

Op de kleuterscholen was natuurlijk ook een “broekenbindstertje” en ook zij brengt ons op de KLEDING van die dagen. De kinderen van nu met hun ritssluitingen en elastieken in hun broeken en rokken weten misschien niet dat onze witte katoenen broekjes in die tijd bestonden uit twee helften; een voorkant, die met twee bandjes op je rug werd vastgeknoopt en een achterkant die op dezelfde manier op je buik werd vastgestrikt… Wee het arme kind dat in “grote nood” haastig die bandjes in de knoop trok; een vaak fataal oponthoud was het uit de knoop halen van die bandjes. Voor wie het niet zelf kon werd dat strikwerk dus gedaan door het hulpje op school de broekenbindster.

Wat droegen we nog meer? Een onderjurk met een strak bovenstuk, die om onverklaarbare redenen een “aaptrok” genoemd werd. En dan natuurlijk kousen. Gebreide kousen; een eindeloze rij gebreide kousen versiert mijn jeugd. We hadden vijf broers, waarvoor wij meisjes altijd lange kousen moesten breien, evenals voor onszelf trouwens. Je mocht wel naar buiten na school, maar altijd met je schort dubbelgebonden om je middel en in die “zak” zat dan je kluwen. Dat eeuwige breien- ik kan nòg niet stilzitten met m’n handen…… maar met handgebreide sokken doe ik nog vaak iemand van de familie ’n plezier.

Wat kan ik je nog meer vertellen? We stonden vrij vroeg op, want wie thuis kon helpen moest dat natuurlijk, ook voor het naar school gaan.

ETEN
We aten heel eenvoudig, maar er was altijd genoet te eten. Een kopje koffie mèt suiker was er  voor ieder wel en vaak iets op ’t brood; ei-in-de-pan b.v., een soort van roerei, dat weer boter op het brood uitspaarde. Mer verjaardagen kregen we als tractatie zoete koffie met kaneel; zalig was dat.

WARME BEDDEN
Als het koud was, legde moeder tijdig grote STENEN in de oven van het fornuis en die kregen we warm mee om ons bed te verwarmen. We gingen in ploegjes naar bed, zoals we ingedeeld waren in de bedsteden, want anders maakte je elkaar wakker. Als de vroegste ploeg onder de wol ging, was de steen nog warm genoeg voor een volgend bed. Zo ging dat bij ons.
Als ik terugkijk, was de goede oude tijd niet in alle opzichten goed, maar toch wel in veel. Er was een grote saamhorigheid en behulpzaamheid onder de mensen. En waarschijnlijk een grotere tevredenheid dan nu.

VAKANTIE?
Of we wel eens met vakantie gingen, vroeg je? O ja, hoor, we gingen zo ver als onze voeten ons dragen konden, soms tot Aalten of Groenlo! En dan maar weer terug. Nee, de vliegreizen moesten nog uitgevonden worden, net als de vliegtuigen, dacht ik. En zoals zo veel, dat nu vanzelfsprekend is.
Toch denk ik met warmte terug aan die dagen van mijn jeugd. We hadden een fijn gezin, een prettige sfeer en ofschoon mijn ouders enorm hard werkten, deden ze dat opgewekt en met liefde.
Ik blijf ze er dankbaar voor, zolang ik leef.

DE JONGEN VAN TOEN

MIJN SCHOOLJAREN
Als ik terugkijk naar mijn jeugd, zie ik me weer lopen met mijn klompjes aan naar school C op de Wheme. Iederéén droeg klompen in die tijd, op één meisje na. Ik voel weer die bloese met een elastiek om mijn middel; die bloese was voor ons jongens een soort bergplaats, waar ik ook wel eens gegapte appels in bewaarde…… het was niet zo best als die er onderuit rolden tot voor de voeten van de meester, wat mij een keer overkwam.

VAN ALLES TE ZIEN OP DE MARKT
Tijdens ons speelkwartier hingen we natuurlijk op de Markt rond; elke 14 dagen was er veemarkt. Links aan de kant van de Wooldstraat had je de koeienmarkt en rechts aan de kant van de Ratumsestraat de varkensmarkt. Daar woonde o.a. Meerdink, de koperslager, die als onze klompen weer eens kapot waren door het voetballen en de kap eraf was, er voor een cent een blikken bandje overheen spijkerde, zodat zo’n klomp weer mee kon. Soms was die man buiten bezig de blikken waarin sarongs naar Indië werden verscheept, dicht te lassen. Die blikken gingen dan in kisten en zo gingen die weg naar de haven.

TWEEMAAL ZONDAGSSCHOOL
Eigenlijk had ik op de Christelijke school gemoeten, maar die nam in april leerlingen aan en de openbare school in augustus. De Christelijke school zou mij een jaar achterstand opgeleverd hebben, daarom. Maar het evenwicht werd hersteld, doordat ik voor mijn moeder op TWEE Zondagsscholen moest; dan was ik mooi een tijdje opgeborgen en van de straat, waar je natuurlijk altijd kattekwaad uithaald.

MET DE KRUIWAGEN
Wat ik deed als ik NIET op school zat? Nou, mijn ouders op het land helpen werken. Als mijn vader om half zeven thuis kwam van zijn werk, stond de kruiwagen al klaar en na het eten werd er nog hard gewerkt. Ik heb dat altijd graag gedaan, ik vond het echt fijn. Verder moest ik vaak boodschappen, b.v. “even” een kruiwagen steenkolen halen……. En dat was wat anders dan de thermostaat van de gashaard hoger zetten! En zaterdags haalde ik voor mijn vader 5 sigaren voor een dubbeltje bij juffrouw Mink. Thuis verbouwden we alles en bij de meeste mensen werd in die tijd huisslachting verricht; er waren  maar twee of drie slagers in mijn kindertijd.

BRAND!!
Een spannend moment was het als de Jacobstoren begon te luiden; als het namelijk niet de pap- of de pannekoekklok was, was dat het sein dat er brand was. Zaten we dan op school, hadden we pech, maar als het in onze vrije tijd viel, renden we met z’n allen naar de Wheme waar het brandspuitershuisje stond.
Zes man reden zo’n spuit snel naar buiten en renden ermee naar een brandput en dan begonnen ze geweldig te pompen; drie man aan iedere kant. Op de Markt was ik erbij dat ze even stopten om bij Kraayenbrink een flesje te halen om een slokje te drinken bij dat zware werk; de brand wachtte wel eventjes. Ik herinner me dat de mensen altijd zeiden; als het kermis is kost dat drie huizen! Waarmee maar gezegd wilde zijn dat de mensen dan kennelijk wat minder voorzichtig waren, ten gevolge van het feestvieren waarschijnlijk.

OP STRAAT SPELEN
Natuurlijk speelden we graag op straat. Havekes op het Weurden maakte z.g. “haktollen”, waar we heel handig mee konden om gaan. We knikkerden en de meesten hadden een “jageband”, een hoepel van bandijzer, die we lieten maken bij de smid. En dan maar met een dikke stok er achteraan…..en hopen dat je je boodschappen geld niet verloor, wat helaas wel eens voorkwam. Trottoirs hadden we niet, we speelden op de middenweg en niet op de veldkeitjes  langs de huizen.
Voetballen was bij ons jongens een geliefd spel. Maar dan moet ik eerst iets over tennissen zeggen. Dat was in die dagen een elitesport. Op de Beuzenes, waar nu de speeltuin is ongeveer, was de tennisbaan met een hoog ijzeren hek er omheen, maar natuurlijk vloog er toch vaak een tennisbal overheen. Mijn vriendje en ik konden ieder 5 cent verdienen, als we een middag die ballen teruggooiden en zo kwamen wij ook aan afgekeurde tennisballen om mee te voetballen. Met dat geld spaarden we voor een echte voetbal, die wel een gulden kostte.
Op een dag kwam er een van de fabrikanten voorbij, die veel voor kinderen overhad. “Hoeveel hebben jullie al bij elkaar?” wilde hij weten. Nou, we waren ongeveer halverwege. Toen haalde hij zijn portemonnee voor de dag en gaf ons een gulden. Zoiets vergeet je nooit!
Natuurlijk sneuvelde er weleens een ruit door dat voetballen en onze ouders waren bepaald niet blij met de schade, waar ze voor opdraaiden! Gelukkig vonden we een boer, die een stukje land had dat hij niet gebruikte. Het was voor kuilen en er groeiden wat grove dennen. Als wij nu dat landje glad maakten en de dennen rooiden, hadden we een mooi plekje om te voetballen en dat vond hij dan goed. Wat hebben we gesjouwd om dat terreintje geschikg te maken! Maar het lukte ons. Na een paar maanden echter had die man “tot zijn spijt” dat stukje grond zelf nodig. We hadden het mooi gratis voor hem in orde gemaakt. Maar ja, zo leerden we dat je geluk en tegenvallers kunt hebben en wat doe je daaraan?
Ik moet ook nog aan “driestikken” denken. Dat was een soort gokspelletje dat we speelden met drie knopen of centen op een lei, die we met onze griffel in vier vakken verdeelden.

MET SINTERKLAAS
Met Sinterklaas kregen we, net als nu de kinderen, kadootjes maar er werd natuurlijk belangrijk veel minder geld uitgegeven als nu. Ik herinner me dat ik, toen ik “ongelovig” was geworden, met mijn moeder meemocht naar Baarschers in de Meddosestraat. Daar kocht ze was schriften, een paar potloden, kleurkrijtjes en een dominospel. Ik keek wat rond in de boeken. Toen kwam onze dokter binnen “Lees je graag?” vroeg hij. “Ja, dokter”. En toen zei hij:”Goed, dan krijg je een boek van mij!” Dat onverwachte boek heb ik nog. “Grote oorzaken, kleine gevolgen”, heette het en ik heb het stukgelezen!

NIEUWJAAR
Het oude jaar werd ook bij ons in Winterswijk “uitgefloten” doordat alle fabrieksschoorstenen tegelijk begonnen te fluiten. We bleven als kind niet altijd op bij de jaarwisseling; wel ging je op nieuwjaarsdag alle buren gelukwensen en dan kreeg je overal snoep, bij elkaar wel een hele zak vol.

DE BALLON IN GROLLE
Een van de spannendste gebeurtenissen uit mijn kindertijd was destijds het oplaten van een ballon in Grolle. Ik mocht mee, met een retourtje van een kwartje, om te helpen met het vol laten lopen met gas van die ballon. We zwoegden er de hele dag, maar er was geen gas genoeg, helaas. Ik moest ’s avonds met mijn retourtje naar huis terug. De volgende dag was er weer gas genoeg gemaakt en toen is dat ding inderdaad de lucht ingegaan, maar toen was IK er helaas niet bij! Er is nog een versje op die gebeurtenis gemaakt, dat we toen zongen.

DAGJE UIT
Je schooltijd werd afgesloten met een fijn dagje uit. We gingen dan naar Arnhem en naar de Westerbouwing met de boot. Die fabrikant, waarvan we die voetbal gekregen hadden, ging dan ook altijd mee en trakteerde ons onderweg. Maar na dat dagje, waarmee je je lagere-schooltijd afsloot, meetsal op je twaalfde jaar, kwam de ernst des levens, om zo te zeggen. En voor de meesten van ons werd dat de fabriek. Er werkten in mijn kindertijd wel zo’n 2000 mensen in fabrieken. Van half zeven tot twaalf uur en van half twee tot half zeven; een hele rek. Laterwerd de vrije zaterdagmiddag ingesteld. Die tijden golden ook voor de twaalfjarigen; die verdienden dan met zo’n week hard werken drie tot drie en een halve gulden.
Tja, zo leefde je als kind vroeger. Ook wij waren vaak ondeugende kwajongens, daar gaan we verder maar niet op in! Maar uit mijn verhaal blijkt toch ook wel, hoeveel er in één mensenleven veranderen kan!

 

de ’nacht en nevel’-jongen


Uit een manuscript van Willem Wesseler, dat najaar 1984 werd uitgegeven in Canada onder de titel: Night and Fog Youngster.

Willem Wesseler, in de oorlog woonachtig in Winterswijk, werd in juli 1942 met drie andere jongens gearresteerd, omdat ze Franse krijgsgevangenen aan kleren, eten en landkaarten hadden geholpen. Hij was op dat moment 16 jaar.
In Borken werd hij door de S.D. verhoord en daar voorlopig gevangen gezet, waarna hij in Munster in voorarrest werd geplaatst. Na twee maanden werd hij berecht. Veertig jaar later beschrijft Willem Wesseler deze rechtszitting als volgt:

Voordat wij de rechtszaal binnengingen gaf de bewaker mij nogmaals korte instructies in verband met mijn gedrag in de rechtszaal. Hij waarschuwded mij mijn mond te houden en niets te zeggen eer ik werd aangesproken. Hij vertelde mij toen ook dat ik eigenlijk handboeien had moeten aanhebben, maar op de een of andere wijze had hij er niet toe kunnen komen deze gevangenisregel op mij toe te passen. Een bewaker opende de deur en we betraden de rechstzaal. Een Duitse politieman stond met strak gezicht naast de deuropening. Aan het eind van de zaal was een laag podium, waarop een lange tafel stond, met daarachter verscheidene hoge stoelen, voor de rechter en wie er verder nog bij mochten horen. Ik kreeg meteen de indruk dat de publieke tribune ontzettend groot was en vol met mensen. Daar recht tegenover, tegen de muur, was een lange bank voor ons, de gevangenen. Op deze bank moest ik gaan zitten. Een man die opvallend mank liep kwam op mij af en verklaarde in het Nederlands dat hij door de rechtbank was aangewezen om voor mij te vertalen wat er werd gezegd. Ik had onmiddelijk een afkeer van hem, omdat ik een N.S.B.-speldje zag op de kraag van zijn jas. Ik besefte dat deze regeling niet meer inhield dan een lege formaliteit. Hij raadde me aan hem te waarschuwen als ik de verhandelingen van de rechtbank niet kon volgen. Ik had geen belangstelling voor hem en gedurende de rechtszitting toonde ik niets te willen weten van zijn aanbiedingen voor mij te vertalen. Ondertussen zocht ik alsmaar wanhopig naar een bekend gezicht tussen de toeschouwerd op de publieke tribune. Met een schok -en terwijl een warmtegolf door mij heen sloeg- ontdekte ik mijn vader. Daar was hij zelf, zittend op de eerste rij, tussen het publiek. Van een afstand kon ik zijn gezicht zien. De ontroering had hem overmeesterd; hij huilde. Toen ik probeerde op te staan en naar hem te zwaaien, beet de Duitse politieman mij toe: "Zitten blijven". Het moet precies tien uur zijn geweest, toen de rechter met zijn gevolg de rechtszaal binnenkwam. Als op bevel stond iedereen op en met bijtende stem beval dezelfde politieman mij ook op te staan en recht vooruit te kijken.

Voorop liep de rechter, een man van ongeveer dezelfde leeftijd als mijn vader. Als laatste kwam de aanklager binnen. Hij liep in statige houding naar de linkerzijde van het lage podium. Daar stonden een tafel en een stoel voor hem klaar. Wat er werd gezegd, kan ik me niet meer precies herinneren, maar er werd wat geschreeuwd van ’Heil Hitler’ en wat gesalueerd. Iedereen ging weer zitten, ik bleef staan. Aan de tolk werd zoiets als een eed voorgelezen en weer schreeuwde iedereen tegelijk ’Heil Hitler’, waarna men weer in zijn stoel terugzakte.

Een tijdlang leek de jonge aanklager in gedachten te zijn verzonken. Hij keek in de dossiers die voor hem lagen. Ondertussen ging ik totaal op in het met de ogen zoeken van mijn vader.

Toen de aanklager begon te spreken, bleef ik geconcentreerd naar mijn vader kijken. Uit zijn zithouding begreep ik dat hij probeerde te lusiteren. Zo nu en dan knikte hij mij bemoedigend toe. Ik wist dat hij geen Duits kon verstaan. Waarschijnlijk had mijn vader niet eens door wat er gaande was. Zijn aanwezigheid had mij verbaasd en ontroerd.

Terwijl ik nu probeerde mijn aandacht op de aanklager te richten drongen er enkele brokstukken van zijn woordenvloed tot mij door. Ik had mij verzet tegen de grootste bedoelingen van het Duitse Rijk en daarmee het grootste van alle vergrijpen gepleegd. Dramatisch wees hij naar mij met een vinger en schreewde:

’Deze man is de vijand van Duitsland. Ik zal het bewijs leveren dat hij schuldig is. Hij moet daarvoor gestraft worden!.

Hij ging over tot het leveren van het bewijs en liet de getuigen voorkomen. Vaag kan ik me het geklets herinneren van de S.D.-man die mij had gearresteerd en van een lokale politieman die ik nog nooit eerder had gezien.
Een bundel kleren, een landkaart en een brief werden met de juiste gerechtelijke formaliteiten als bewijsstuk nummer zo en zoveel aanvaard.

De tolk vroeg mij telkens weer of ik vertaald wilde hebben wat er zich afspeelde. Ik negeerde hem liever. Hij schudde zijn hoofd en zakte weer terug in zijn stoel. terwijl ik naar mijn vader keek en vluchtige blikken op de aanklager wierp, hoorde ik toch enkele gedeelten uit zijn aanklacht:

’De schuldige moet een tijdlang uit de samenleving verwijderd worden. Ik eis een gevangenisstraf van drie jaar met dwangarbeid. Naar mijn oordeel is dat de juiste straf in overeenstemming met onze wetten.’

De aanklager ging zitten. Zijn aanval was afgelopen. Opnieuw kon ik de aandacht op mijn vader richten.

Plotseling was ik weer het middelpunt van de handeling toen de rechter mijn aandacht eiste. Als van heel ver weg hoorde ik zeggen: ’Herr Wesseler.... Herr Wesseler!’

De rechter raakte zichtbaar geirriteerd door mijn ogenschijnlijke afwezigheid. Hij herhaalde nogmaals mijn naam en zei: ’Kijk mijn kant uit! Voelt u zich schuldig? Ik hoorde hem. Toch kon ik me er niet toe brengen zijn kant uit te kijken. Wat zou het voor verschil maken, hoe en wat ik voelde? In feite had ik helemaal geen gevoelens op dat moment. Ik was moe. het bewijs lag voor ze. Wat wilden ze nog meer van me? Ik geloof dat zelfs de Duitse rechter dit tenslotte wel begreep.

Op de publieke tribune ontstond enige beroering. Mijn vader was opgestaan.... In zijn eigen taal richtte hij zich tot de rechter. Maar middenin zijn verhaal werd hij gestopt. De rechter merkte de wanorde op en eiste een verklaring. op dit moment stond de tolk van zijn stoel op en legde de rechter uit dat de persoon op de publieke tribune mijn vader was, die de vrijheid had genomen een verklaring af te leggen. De rechter wenkte de aanklager dichterbij te komen. Het zag ernaar uit dat ze samen deze ongewone situatie bespraken. de aanklager keerde terug naar zijn plaats en door middel van de yolk ontstond het volgende tweegesprek tussen mijn vader en de Duitse rechter:
Rechter: ’Bent u de vader van de aangeklaagde hier?’
Vader: ’Jawel, edelachtbare. ik vraag u vergeving voor deze storing. ik kom zojuist van Holland en ik zou graag een paar woorden zeggen’.
Rechter: ’ik hoop dat u een vergunning hebt de grens te overschrijden.
Wie heeft u daartoe toestemming gegeven?’
Vader:’Edelachtbare, ik heb een vergunning gekregen van de burf=gemeester en ik ben op mijn fiets hierheen gekomen’.
Rechter: ’Nu, komt u maar hierheen, mijnheer Wesseler, en verklaar de reden van uw aanwezigheid hier, voor het gerecht’.

Een politieman opende een houten deurtje in het hekwerk en mijn vader liep met de hoed in de hand vanaf de publieke tribune naar het podium van de rechter. Daar bleef hij staan. De tolk zag nu waarschijnlijk een gelegenheid zich verdienstelijk te maken. Hij hinkte naar mijn vader toe en stelde zich naast hem op. Hoewel hij als mijn tolk was aangewezen, had hij tot nu toe aan de hele vertoning nog geen aandeel gehad.

De aanklager stond op en keek aandachtig naar mijn vader. Ik had de indruk dat de rechter en de aanklager niet dezelfde opvattingen hadden. Of dit al of niet zo was, het idee op zichzelf vond ik aantrekkelijk. Beide mannen waren in elk geval niet uit hetzefde hout gesneden.

Met een handgebaar beduidde de tolk dat mijn vader kon spreken. Hij zei nu wat iedere vader over zijn zoon zou zeggen. Hij vroeg de rechter mij naar huis te sturen. Daar hoorde ik thuis, bij mijn broers en zusters. Hij verzekerde de rechter dat ik een goede jongen was. Hij beloofde hem dat ik geen streken meer zou uithalen. Hij stelde zichzelf verantwoordelijk voor mijn gedrag. Nogmaals vroeg hij de rechter: ’Alstublieft, edelachtbare, laat hem vrij. Laat hem met mij mee naar huis komen!.

De korte stilte die hierop volgde werd door de rechter onderbroken. Hij vroeg mijn vader of hij nog meer had te zeggen. Mijn vader maakte duidelijk dat hij er niets aan had toe te voegen. Daarop beval de rechter een politieman mijn vader naar de publieke tribune terug te leiden.

Na enige minuten stilte, waarin mijn vader terugliep naar zijn zitplaats, ging de rechter verder met de behandeling van mijn zaak. Ik kan me vaag enkele gedeelten van wat hij zei herinneren. Mijn poging krijgsgevangenen te helpen ontvluchten had ernstige gevolgen kunnen hebben. Van ontvluchte gevangenen werd verwacht dat zij de wapens tegen Duitse soldaten opnamen. De gevangenen die in bewaring worden gehouden ondergaan dit lot tengevolge van het recht van de overwinnaar. Dank zij de oplettendheid van de Duitse politie was de aktie van de verdachte mislukt. De verdachte, bij wie tot nu toe niets van berouw was gebleken, had opzettelijk met duidelijke bedoelingen kleren, geld en de landkaart bijeengebracht, nl.om de krijgsgevangenen het ontvluchten mogelijk te maken. Opzet is bewezen. Ik heb dus geen andere keus dan u naar de gevangenis te zenden. Ik veroordeel u tot tien maanden, de twee maanden in voorarrest doorgebracht inbegrepen’.

Ongeveer twee weken van tevoren had zijn vader uit Munster een anonieme brief ontvangen met de datum, tijdstip en adres van de rechtzitting. Er is alle reden te geloven dat de ’ aardige’ bewaker deze brief had verzonden. De postzegel was de enige aanwijzing dat de brief vanuit Munster was verzonden (een van de bewakers in Munster behandelde de arrestant erg menselijk, vandaar dat ’ aardige’).

Ik bleef nog een dag in de gevangenis van Munster. De volgende dag, ’s morgens om zeven uur, werden wij, d.w.z. zo’n veertig gevangenen, dichtbij de gevangenisdeuren opgesteld in rijen van vier. Gevangenbewakers schreeuwden en renden heen en weer om ons in het gelid te krijgen. Een bewaker liep langs de rijen en telde een aantal groepen af. Onder luid geschreeuw deelde hij ze in voor de kleine vrachtwagens. Op het station van Munster aangekomen liepen we door twee rijen politieagenten. Ik geloof dat de trein op een zijspoor stond. Ik werd een beestenwagen ingedreven. Deze was met gaas in cellen onderverdeeld. Een schreeuwende bewaker met een lange zweep veroorzaakte verwarring onder de gevangenen. Er waren er al veel in de wagen. Er ontstond onder de pas gearriveerden geduw en gedrang om buiten het bereik van de zweep te komen. Het grauwe weer op die dag leek in overeenstemming te zijn met onze situatie. Deze hele geschiedenis, de duwende, de vallende gevangenen, het geschreeuw, het knallen van de zweep, dit rollende transport van geweld en afschuwelijkheden, brachten mij de geschiedenislessen op school in herinnering. De meester had verteld over lang voorbije dagen, over onrecht en beestachtigheid. Een belegeraar voerde soms een hele bevolking weg in gevangenschap. Wij kinderen hingen aan zijn lippen als hij ons vertelde over de ’grote veranderingen’ die in de achttiende en negentiende eeuw hadden plaatsgevonden. Wij leerden op geschiedenisles de datum en het jaar waarin het Vredespaleis was gebouwd en van de Haagse Vredesconferentie, toen zoveel landen met hun handtekening de vrijheid en een menselijke behandeling van medemensen waarborgden. Deze internationale overeenkomst was in 1907 tot stand gekomen. Nu, slechts een goede dertig jaar later, was ik getuige en slachtoffer van een gebeuren, waarvan ieder had gedacht, dat het behoorde tot een andere, een voorbije wereld. Duizend jaren zullen niet genoeg zijn om mijn ervaring in die beestenwagen uit te wissen. Het is moeilijk hier niet lang en indringend over te blijven schrijven.

De deuren werden gesloten. Terwijl de trein op snelheid kwam, lag Munster al spoedig achter ons. Nu de trein in beweging was, nu het duwen en schreeuwen voorbij waren, kreeg ik de kans de nieuwe omgeving op te nemen. Ik voelde me nu meer een gevangene dan tevoren. Ik had de buitenwereld, waarvan ik zolang was buitengesloten geweest, toch weer gezien. Het zien van huizen, van bomen, van mensen die vrij rondliepen, verhevigde bij mij het gevoel een gevangene te zijn. De wetenschap dat je deze wereld niet kon ingaan, was erg pijnlijk.

Een gevangene lag bewegingsloos op de vloer van de beestenwagen. Iemand drukte zich tegen mij aan en fluisterde in mijn oor:’Hoe lang moet jij zitten?’ Ik fluisterde terug:’ Acht maanden, dan ben ik weer vrij!’ Hij glimlachte en zei:’Mijn God, dat zit ik op de ton uit!’ Dit antwoord maakte mij aan het lachen en het beurde mij een beetje op. De gevangene had zelf een veroordeling van vijftien jaar. Vaak heb ik me dit ’gesprek’ herinnerd, wanneer mijn moreel een beetje beneden peil zakte. De bewaker wandelde met zijn zweep door het middenpad en ging door ons met een hagel van scheldwoorden te bestoken. Zijn wreedheid, zijn brutaliteit, zijn onmenselijkheid, tekenden de mens op zijn slechts. Hij zond golven van verwarring en angst door de beestenwagen. De wagen was vuil. Je rook alleen de stank van urine en menselijke uitwerpselen. Enige gevangenen kreunden. Soms hoorde je iemand overgeven.

Die dag en ook de daaropvolgende verbleven wij in de beestenwagen. Soms stond de trein urenlang op een zijspoor. Door deze ervaring realiseerde ik mij dat het creatuur mens letterlijk overal aan gewend kan raken. Met de komst van het daglicht de volgende morgen hadden de meeste gevangenen het gevoel of het einde van de wereld nabij was, zoiets was het ongeveer. ik was verkleumd. Honger voelde ik niet eens meer. De kleine cel in Munster had mij in geen enkel opzicht voorbereid op de gebeurtenissen hier in deze wagen. Als ik niet om me heen had gezien hoe de meeste gevangenen het overleefden, had ik nooi gezond van geest kunnen blijven. Er was geen ventilatie. De lucht was verstikkend. De hele atmosfeer was verstikkend. Ik hield mijn adem in en stelde mijzelf de vraag of ik ooit naar mijn dorp zou terugkeren.
Laat in de morgen begonnen wij aan het tweede deel van de reis naar het ons onbekende einddoel. De hele ,orgen waren we onderweg. De ritmische bewegingen van de trein golfden over mij heen als de golven van de zee.

In de middag kwamen we aan in de gevangenis van Herford, vermoeid, smerig, hongerig en vol wanhoop. Men zou denken dat de schok van de gevangenneming, waarmee alles begon, de grootste indruk zou achterlaten, maar dat is niet zo. De gevangenis in Herford was een verschrikking......

Wij waren schuim, misdadigers, dieven, moordenaars. in de nieuwe orde van Duitsland was er geen plaats voor ons. Met gebrul, geschreeuw, vuistslagen en schoppen werden we het kleine binnenhofje ingedreven. In een waanzinnig tempo moesten wij over de binnenplaats rennen, op en neer, op en neer....alsmaar vallend en opstaand op de bevelen van de bewakers. Als je maar even dacht dat je niet meer verder kon, hielpen de bewakers je met slaag en schoppen weer op de been. Deze wilde mensenjacht duurde ongeveer een half uur. De binnenplaats was gevuld met hijgende lichamen, doornat en besmeurd met modder van de waterpoelen waarin wij ons moesten laten neervallen. Verwarrende bevelen echoden over het binnenplaatsje:
’Im Laufschritt! Hinlegen! Aufstehen! Marsch, marsch! Im Laufschritt! Los, Los!’.

Van tijd tot tjd moesten we ons stram in de houding opstellen. Dit werd dan gevolgd door het maken van diepe kniebuigingen. Dagelijks vond deze brute mensenjacht plaats. Als iets ook maar nauwelijks als een overtreding kon worden opgevat, kwam er een extra straf, als bijvoorbeeld de ’vijfentwintig’.(vijfentwintig slagen op het achterwerk). Met hun grillige ideeen gingen ze tot het uiterste.

Maar onze eerste dag in Herford was nog lang niet afgelopen. In groepen werden we door de ’receptie’ geleid. Het fouilleren, het ontkleden, het spellen van de naam, met de stram in de houding staan wachten, namen net als in de gevangenis van Munster enige uren in beslag.

Op mijn tweede dag in de gevangenis van Herford maakte ik voor het eerst kennis met de ’vijfentwintig’. De Neurenbergse dossiers over de Duitse mishandelingen in kampen en gevangenissen bevatten uitgebreide verslagen van deze onmenselijke krankzinnigheden. De strafdiensten zowel als de stokslagen vielen onder een Duitse wet die in 1937 was getekend en in werking gesteld. Kommandanten konden deze mishandelingen toepassen zondar dat ze eerst toestemming hoefden te verkrijgen van de Duitse Veiligheidspolitie. De dag volgende op mijn ’vijfentwintig’ werd ik in mijn cel aan mijn lot overgelaten. Rondom het middaguur kwam een bewaker mijn cel binnen en gaf uitleg over de gevangenisregels. Als een bewaker mijn cel binnenkwam, moest ik me aan het eind van de cel opstellen, een stramme houding aannemen en met luide stem mijn naam, het vergrijp en de lengte van de straf noemen. De eerste keer sprak ik niet luid genoeg en de bewaker spoorde mij aan mijn stem meer te verheffen. Ik moest het volgende zeggen: ’Gefangener Wesseler, zehn Monate, wegen Gefangener- Befreiung!’

Sommige bewakers waren wel beleefd. Zij konden ons, gevangenen, als mensen zien. De maaltijden bestonden uit hetzelfde als in Munster: ’s Morgens een droog sneetje brood en koffie, ’s middags hetzelfde en het avondmaal bestond dan uit de welbekende koolsoep.

Iedere morgen, als het drukke gevangenisgedoe van het voedseluitreiken, het tonnenritueel en de inspectie achter de rug was, kwam een bewaker binnen met een gevangene die een karretje, beladen met onderdelen van pistoolholsters, de cel induwde. De onderdelen moesten door middel van een zadelmakerssteek met de hand vastgenaaid worden. Met een houten klem die je tussen de benen moest houden zette je het stuk leer vast en dan moest je met twee naalden en een priem, voor het gaten steken, de twee stukken leer op elkaar naaien:op en neer, op en neer. Het duurde niet lang eer ik als een volleerd zadelmaker dat werk deed. In feite naaide ik binnen een week de dagelijks vereiste hoeveelheid aan elkaar en ik was al klaar eer de dag voorbij was. Zo raakte ik niet overwerkt, maar ik werd ook niet betaald. Gedurende zes dagen van iedere week moesten we dit doen.

Wat voor een plaats was deze gevangenis in Herford? Het was een plaats met wanhopige en keiharde boeven, gedoemd tot een leven van misdaad en gevangenis. Vaak hoorde ik de gevangenen in andere cellen luid rapporteren. Straffen van tien tot vijftien jaar leken hier heel normaal te zijn. Mijn cel op zichzelf was wel een verbetering vergeleken met die in Munster. De ton stond in een kast en er lagen een deken en een kussen op het bed. Ook was er een wasbak in de kast en als je erom vroeg kon je meer water krijgen. Alle celdeuren gingen met hetzelfde mechanische geluid als in Munster open en dicht. Ik mocht geen brieven schrijven of ontvangen. De dagelijkse routine bestod uit drie maaltijden, het naaien van pistoolhouders en de periodieke strafdiensten die op de binnenplaats werden gehouden. Deze strafdiensten veroorzaakten wel problemen omdat ik erdoor binnen twee weken de derde ’vijfentwintig’ opliep. Mijn achterwerk deed erg zeer en ik had er een hevige pijn in mijn rug aan overgehouden. Ondanks de dreiging van de stok was ik tich altijd blij met het moment dat ik de cel kon verlaten. Mijn horizon werd er wat door uitgebreid. Marcherend door de gangen zag ik hier en daar een glimp van bomen en struiken door de ramen. Dit stond zo enorm in tegenstelling tot de harde en koude stenen van mijn cel! Ik had nu al meer dan honderdtwintig dagen in eenzame opsluiting doorgebracht. Langer dan vier maanden nergens anders verblijven dan in je eigen cel, dat is echte gevangenschap!

Er was een sadist van een bewaker met de gewoonte ongemerkt naar mijn deur te sluipen en dan plotseling de deur open te gooien. De eerste keer dat hij dit deed schreeuwde hij dat er geen Franse krijgsgevangenen in Duitsland waren geweest. Ik kreeg een paar klappen in mijn gezicht.

Misschien denkt men dat ik me door eentonigheid van mijn leven wel verveeld moet hebben. Maar om de een of andere reden was ik doof voor zulke gevoelens. Ik besefte hoezeer deze gevangenschap mij geestelijk van mijn stuk had gebracht. Er was veel en openlijk bruut geweld in de gevangenis van Herford, beslist veel meer dan in Munster. Het was alsof de bewakers in Herford, zonder dat er op hen toezicht werd uitgeoefend, een grote macht bezaten over het leven van een mens. Het is onjuist alle bewakers schurken te noemen, maar sommigen waren het. Ik denk dat de meesten probeerden hun werk goed te doen en dat ze door de soort logika die de oorlogssituatie met zich meebracht min of meer te ver gingen.

Bruutheid werd in Herford verheven tot de normale werkwijze. De tol die dit aan mensenlevens heeft gekost, nog afgezien van diegenen die als geestelijke wrakken er vandaan kwamen, moet veel groter zijn dan iemand ooit zal durven bekennen. En natuurlijk moeten veel inwoners van Herford en omgeving dit geweten hebben.

Over mogelijke vluchtpogingen hoefde men zich in Herford geen zorgen te maken. Op geregelde tijden kwam een bewaker in de cel die alles aan een nauwkeurige inspectie onderwierp. Hij onderzocht de muren en klopte op de tralies om uit de toon te kunnen opmaken of er een gebrokene tussen was. Het tellen van de dagen had ik helemaal opgegeven. Hoe kon je de ene dag van de andere onderscheiden? Iedere dag gleed weg in een diepe put van vergetelheid.

Het zitten begon wel lastiger te worden. Bij de laatste ’vijfentwintig’ kreeg ik een paar extra slagen toe. Ik vond het de bruutste van alle straffen die in Herford werden gegeven. In de geschiedenislessen op school had de meester verteld dat het voor de achttiende eeuw als volgt toeging: de verkrachter werd gecastreerd; bij de dief werden de handen afgehakt; van de verrader werd de tong uitgesneden enz. In die tijd waren de gevangenissen verschrikkelijke plaatsen ,waar de gevangenen de voor hun passende straffen kregen toegediend. De via een Duitse wet toegepaste ’vijfentwintig’ was niet minder afschuwelijk dan de afschuwlijkheden van eertijds. Onder het Hitler-regime waren de Duitsers weer teruggekeerd naar voorvaderlijke gewoonten.

Het door mijn schrijven weer tot leven brengen van de ’vijfentwintig’ gaat bij mijzelf gepaard met diepe walging. De ’zittingen’ duurden nooit langer dan vijf of tien minuten. Mijn onderbewustzijn laat alleen maar het weten toe dat ik dit heb beleefd. Er is in mijn geheugen niets van over waar ik mee bezig kan zijn. Vreemd is het, maar waar. Al mijn graven in het geheugen levert geen juist beeld op van de ranselpartijen. Misschien willen mijn gedachten gewoonweg niet teruggaan naar die tijd. Alleen beelden achteraf en gevoelens achteraf komen in mij op. Hoe meer ik erover schrijf, hoe machtelozer ik ertegenover ben. Ik kan er niet aan ontkomen. Na mijn derde en laatste ’vijentwintig’ schoten, terwijl ik naar mijn cel werd teruggebracht de rillingen in golven door mijn lichaam. Het was zo erg, dat ik het niet in bedwang kon houden. Ik geloof dat ik koorts had. Mijn achterwerk was zeer pijnlijk. Het voelde of de beenderen in mijn zitvlak waren verpulverd. Die nacht leek alles stil te staan. Ik sliep niet. Mijn hele zitvlak voelde gezwollen aan en brandde van de pijn. Een geriefelijke lighouding was niet te vinden. Ik probeerde van alles. Ik schoof mijn gewicht naar voren en naar achteren, van de ene zijde op de andere, zoekend naar een beetje verlichting van de pijn. De vermoeidheid en de pijn omsloten en verdoofden mij. Het is verbazingwekkend hoe deze twee gevoelens elkaar aanvulden. Toen het dag werd, was ik in slaap gevallen. Een bewaker wekte mij. Misschien besefte hij hoe mijn toestand was. Ik lag lang uitgestrekt op de vloer. Tot mijn verbazing werd ik vrijgesteld van de strafdienst.

Vlug leerde ik op mijn hoede te zijn. De volgende dagen deed ik mijn strafdiensten met grote nauwkeurigheid en ik bleef verschoond van de ’vijfentwintig’. Telkens weer ontdekte ik dat men niet aan de echte pijn van de situatie moest toegeven als er een andere uitweg was. Het was een nodeloze foltering. Die kon je tot krankzinnigheid drijven. En sommigen waren juist daarop uit.

Een paar dagen later, omstreeks het middaguur, kwam een bewaker mijn cel binnen. Hij hield een schaal gevuld met dampende gebakken aardappelen, gemengd met spek, in zijn handen. Het kruidige aroma van dit voedsel vulde onmiddellijk mijn cel. Mijn zitvlak was nog steeds pijnlijk. Ik hompelde naar het eind van de cel. Nog voordat ik me had opgesteld zei hij: ’Luister jongeman. Je kunt deze maaltijd voor jezelf verdienen als je mij kunt vertellen wat er na Het Derde Rijk komt’. De uitdrukking ’Het Derde Rijk’ was volkomen nieuw voor mij. Ik begreep dus niet wat hij ermee bedoelde. Het zien van het voedsel, de geur ervan, en daarbij nog die vraag, ze waren voor mij een onbegrijpelijk gebeuren. Hij drong er nogmaals op aan dat ik antwoordde. ’Wel, riep hij uit, ’ wat komt er na Het Derde Rijk?’ Ik wist dat deze vraag een valstrik inhield. ’Ik tel tot vijf’,zei hij. ’Als je het goede antwoord geeft, mag je dit allemaal opeten’. De rekenkundige oplossing was natuurlijk te simpel. Maar ik kon eenvoudigweg nergens aan denken. Toen hij met het tellen tot vier was gekomen, kon ik alleen maar ook gauw ’Vier’ zeggen.

Ik had niet het minste idee van de ideologie waarin hij was opgevoed. De bewaker barstte los in een geweldige vloed van scheldwoorden. Koers zettend naar de celdeur schreeuwde hij met zijn harde stem: ’Het Derde Rijk zal voor altijd blijven bestaan! Voor altijd, voor altijd! Versta je?’ Natuurlijk was mijn antwoord volslagen in tegenstelling geweest  tot wat hij geloofde over Hitler- Duitsland. Hitler beschouwde het Heilige Roomse Rijk dat tot 1806 bestond als het Eerste Rijk; Bismarcks Duitsland van 1871 tot 1918 was voor hem het Tweede Rijk en zijn eigen regime was nu Het Derde Rijk. Dit Derde Rijk zou duizend jaar bestaan .De houding van de bewaker was min of meer hysterisch. ’Hollanders’,zei hij, ’ zijn verraders. En idioten. Het is een schande een Hollander te zijn’.

Ik kan me deze bewaker nog goed herinneren, zoals hij daar stond in de deuropening, met de schaal met voedsel. Een dreigende figuur, die zijn vuist naar mij schudde.

Ik was erg moe, maar voelde geen vrees voor deze arrogante mof. Voor hem was de wereld alleen maar verdeeld in Duitsers en niet-Duitsers. In wat een droomwereld leefde deze man!

Enkele dagen na dit voorval werd ik in het kantoor van de directeur gevoerd. Deze zat achter een groot bureau. Met een kwade blik keek hij me aan. Kortaf en bijtend zei de bewaker dat ik me voor het bureau in een stramme houding moest opstellen. Met enige ceremoniele nonsens meldde hij mij aan: ’ Gefangener Wesseler, zehn Monate, wegen Gefangener Befreiung’.

De bewaker werd de deur uitgezonden. Nu kon ik dan voor het eerst het gezicht in me opnemen van de man die de vijentwintig stokslagen en de strafdiensten met zijn gezag dekte. Hij was van middelbare leeftijd. Hier, achter het bureau zittend, leek hij helemaal niet de wrede man die ik me had voorgesteld. Ik had iemand verwacht die plezier zou tonen in deze monsterlijke orders. Misschien bezat deze man wel een fatsoenlijke, achtenswaardige achtergrond.

Hij ondervroeg mij over mijn opvattingen in verband met het bevrijden van krijgsgevangenen, maar veranderde spoedig van onderwerp toen ik geen antwoord gaf. Hij sneed op over de waakhouden die hij rondom de gevangenis had en verwachtte  van mij de uiterste discipline. Een poging om te ontvluchten of om te saboteren zou de dood tengevolge hebben. Gedurende dot onderhoud antwoordde ik hem niet en ik had het gevoel dat hij mij met verachting beschouwde.

Het onderhoud was maar kort. Al gauw riep hij de bewaker. Dit eenzijdige onderhoud was wt griezelig geweest. Ergens hield het verband mee en toch diende het tot niets. Ik hield er een angstig voorgevoel aan over.

Twee dagen later was ik op weg naar Papenburg.

In Papenburg, dicht bij de grens met Groningen, midden in de uitgestrekte veengebieden, lagen de oudste ’opvoedingskampen’ van het Hitlerregime. Deze kampen waren tevens opleidingscentra voor latere kommandanten van de diverse concentratiekampen. Ongeveer vijf maanden verbleef Willem Wesseler in deze werkkampen, waar hij onder de meest barre winterse omstandigheden in het veen moest werken, in een zogenaamd Aussenkommando dus.
Op 18 mei 1943 was zijn straftijd voorbij en hij werd ontslagen.

Het was een hele verandering. Dag en nacht uiterste stiptheid in ieder opzicht en dat driehonderdtwintig dagen lang. En nu plotselig de vrijheid. Een verwarrende ervaring, nadat ik zo lang en zo nauwlettend was bewaakt. En dan de scherpe tegenstelling met de bijna volstrekte afzondering tijdens mijn tien maanden van gevangenschap.

Voor men mij liet gaan werd ik gedwongen een verklaring te tekenen die een verbod inhield over de ervaringen van mijn gevangenschap te spreken. Zomaar, door het doen zetten van een eenvoudige handtekening, werd me verboden me nog iets van die tijd te herinneren. Ook moest ik een papier tekenen dat voor mij het verbod bevatte ooit nog Het Derde Rijk te betreden. Mijn maag was in oproer. Vanuit het kamp liep ik naar Papenburg, ongeveer vijftien kilometer. De vrijheid was geweldig. Toch realiseerde ik me dat niet meteen. Op het station in Papenburg moest ik wachten op de trein naar Osnabruck. Daarvandaan zou ik aansluiting krijgen naar het kleine grensplaatsje.

Hoewel ik al die maanden geen rondwandelende mensen had gezien, was het beeld van zoveel mensen op een station me toch niet zo erg vreemd. Ik moest me positief opstellen, de treinreis naar Holland zien als een terugkeer naar de werkelijkheid, zoiets als het ontwaken uit een diepe droom. Weer naar het leven te zien vanuit een zich door Duitsland voortspoedende trein was een ervaring die ik nooit zal kunnen vergeten.

Toen op het Papenburgse station de trein voor me stikstond, stapte ik in de coupe die het dichtsbij was. In mijn verlangen zo gauw mogelijk hier weg te komen had ik niet gezien dat op de ramen stond: ’Nur fur Wehrmacht’. Al gauw was ik omringd door een peloton Duitse soldaten. Sommigene keken onderzoekend in mijn richting en een soldaat gaf me de raad de coupe te verlaten. De onderofficier die het bevel voerde wees met zijn vinger naar het Emslandmoeras en vroeg: ’Hoelang heb je daar gezeten?’ Ik zei dat ik tien maanden in gevangenschap was geweest en hij verklaarde: ’Je kunt hier blijven, jongeman. Misschien geven ze je drie weken rust en dan moet je naar het Oostfront’. Hij nam vanzelfsprekend aan dat ik een Duitse was. Ik was verbaasd dat hij wist dat ik een gevangene was geweest, maar ik wilde hem geen vragen stellen.

Laat in de middag na taloze keren stoppen en rangeren, bereikte de trein het kleine grensplaatsje. Pas toen ik een bezoek aan het toilet had gebracht, begreep ik waarom de Duitse onderofficier in mij een kampgevangene had herkend. Mijn eerste blik in de toiletspiegel! Het beeld erin gaf me een schok. Gedurende tien maanden had ik mezelf niet gezien! Ik begreep nu ook waarom zoveel medereizigers me zo onderzoekend aankeken. Ik keek en keek naar het beeld in de spiegel. Wat ik zag was verbazingswekkend. Een vaag, angstig gevoel kwam in mij op, met de gedachte dat ik erg veel geluk had gehad dat ik nu hier was.

In de Duitse grensplaats stond dezelfde geuniformeerde S.D.-man die mij op het perron had gearresteerd. Ik geloof niet dat dit toeval was. Hij zal erop hebben moeten toezien dat ik officeel Het Derde Rijk verliet. Misschien was het vanwege het uniform, of omdat ik hem onmiddellijk had herkend, of misschien was het beide, maar er kwam een inwendige spanning in me op. Een ogenblik stond ik als aan de grond genageld. Ik zag een stoet van ellende aan mijn oog voorbijgaan. In mijn zakken grabbelde ik naar mijn ontslagpapieren. De S.D.-man kwam naar mij toe. Met een verbaasde blik zei hij:"Mijn God, wat hebben ze met jou gedaan?’

Ik denk dat hij mijn toestand bedoelde. Zonder een antwoord te verwachten wees hij me een trein en zei wanneer hij vertrok en hoe laat hij in het dorpje zou aankomen. Ik kan me niet nauwkeurig herinneren wat hij verder zei, maar er zat een waarschuwing in dat ik opnieuw gearresteerd zou kunnen worden en wel voor alles en nog wat. Ik had geen reden zijn waarschuwing niet serieus te nemen. Met zijn woorden nog nagalmend in mijn oren stapte ik de trein in op weg naar de echte vrijheid.

Die eerste avond thuis was heel gedenkwaardig. We praatten, lachten, veel vrienden kwamen langs. Het leek echt een avond om herinneringen op te halen. Ik wist dat er veel meer plezierige avonden zouden volgen met familie en vrienden. Er straalde een warmte naar me uit die ik in lange tijd niet had ervaren.

Een paar dagen was ik bezig mijzelf te bevrijden, eer ik in staat was de vrijheid die nu binnen mijn bereik was, naar waarde te schatten. De denkwijze van een gevangene kan niet als een kledingsstuk worden uitgetrokken en afgedankt door eenvoudigweg maar de hel van Papenburg uit te wandelen. Ik vond het geweldig de vrijheid te hebben een kraan open te draaien, het licht aan te doen, een deur te openen en - het mooiste van alles - te mogen zitten op een echte stoel. Het was niet eenvoudig het verschil tussen Papenburg en thuis snel te overbruggen.

Op de dag na mijn thuiskomst verrichtte de huisdokter een medisch onderzoek. Hij vloekte en was er kwaad om dat ik zo’n stomme streek had uitgehaald. Mijn gewicht was 49 kg. Hij zorgde ervoor dat ik bonkaarten kreeg voor dubbele rantsoenen. Natuurlijk kwam het algemene advies te rusten en te slapen erbij. Op het plaatselijke politiebureau moest ik mijn ontslagpapieren inleveren. Dat ging vergezeld van een preek, daarop neerkomend dat ik weer gearresteerd kon worden en wel voor alles en nog wat.

De eerste week had ik er moeite mee aan alles te wennen. Het eten, de indrukken, de verzorging, de attenties van familie en vrienden, alles was een tuidaging. Die uitdaging gaf me wel een geweldige voldoening. Het was het harde bewijs dat ik leefde. Ik voelde voortdurend dat ik dat bewijs nodig had. Niemand had mij ervoor gewaarschuwd, dat het niet zo gemakkeliijk zou zijn, al deze vrijheid, maar ik besefte dit al heel gauw en mijn instinkt waarschuwde mij.
Ik voelde geen haat of bitterheid ten opzichte van de Duitsers en ik was er niet zeker van of dit gebrek hieraan wel normaal was. Zovelen vroegen mij hier steeds weer naar en omdat het gevoel van haat niet aanwezig was, kon ik voor dit soort vragen niet het rechte begrip opbrengen. Tot op heden is het mij niet mogelijk geweest dit probleem op te lossen. Geleidelijk aan ontdekte ik wel dat haat alleen maar een houding was, iets dat leefde in de gesprekken. Haat wordt heel vaak verward met zelfmedelijden. Elke vorm van zelfmedelijden in gevangenschap is fataal en ik slaagde erin deze gemoedsdoder op een afstand  te houden. Het belangrijkste van al mijn gevoelens was dat ik besefte dat mijn leven door deze gevangenschap niet was verknoeid. Wel waren er heel wat mannen en vrouwen die hun verachting uitdrukten voor mijn gedrag ten opzichte van de bezetters.

Ik had geluk. Ik kwam terug binnen een liefhebbende en warm voelende familie. Buiten dit familieleven was de wereld nog vijandig. De Duitse uniformen, de N.S.B.-ers, de plaatselijke verraders, door hun was het dorp veranderd in een miniatuur politiestaat.

Een dag na mijn thuiskomst ontdekte ik dat de Joodse ingezetenen ofwel op verraderlijke wijze waren weggelokt door de Duitsers, ofwel met behulp van de plaatselijke politie waren weggesleept. Veel van deze Joodse families kende ik. Zij hadden zolang ik mij kon herinneren in het dorp gewoond. Er waren erbij die haast buren waren. En toen ik de verhalen hoorde over de Duitse vrachtwagens, de politiemannen en het wegvoeren daarna van deze Joods families, voelde ik mij persoonlijk beledigd. Een brandende ongerustheid over deze mensen kwelde mij. Ik had geen zesde zintuig nodig om te weten wat er met hen ging gebeuren.

Vaak probeerde ik over het wegvoeren van de Joodse families te dicussieren. Maar de mensen in het dorp bleven zeer gereserveerd tegenover dit onderwerp. Men hield zich alsof er niets was om bezorgd over te zijn. Ik voelde me erg miserabel en kon de onverschilligheid van de meeste mensen in het dorp niet begrijpen. Niemand was kwaad op de Duitsers om het wegslepen van de Joden. De meeste dorpsbewoners aanvaardden de Duitse vernederingen en de wijze van optreden van de onderdrukkers zonder zich daartegen geestelijk teweer te stellen. Hun geestelijke structuur was ineengestort, kompleet versplinterd.

Het was erg moeilijk voor mij dit te aanvaarden. Ik voelde en wist dat ik nooit meer deel kon uitmaken van deze dorpsgemeenschap.

 

WillemWesseler
(Uit: Winterswijk in de Tweede Wereldoorlog,Vereniging Het Museum)

 

 

 

 

 

 

HOE LUXE LEEFDEN WIJ IN

WINTERSWIJK IN 1920?

WONING ONDERZOEK WINTERSWIJK 1920

We hebben 1614 woningen onderzocht:

Huurprijs lager dan f 1, per week. Aantal woningen:   66
Huurprijs f 1, tot  f 2,-   per week. Aantal woningen: 508
Huurprijs f 2, tot  f 3,-   per week. Aantal woningen: 412
Huurprijs f 3, tot  f 4,-   per week. Aantal woningen: 284
Huurprijs f 4, tot  f 5,-   per week. Aantal woningen: 123
Huurprijs meer dan f 5, per week. Aantal woningen: 221

Aantal woningen waarin twee gezinnen leven:    63
Aantal woningen waarin   drie gezinnen leven:      5

23 woningen hebben 1 woonvertrek (Dat is incl.slaapkamer(s), dus geen)
187 woningen hebben 2 woonvertrekken
288 woningen hebben 3 woonvertrekken
1116 woningen hebben 4 woonvertrekken of meer.

Andere gegevens:

380 woningen hebben geen drinkwatervoorziening
13 woningen hebben geen privaat. Meerdere gezinnen maken hier gebruik van.
131 woningen is het privaat onvoldoende.

TOESTAND DER WONINGEN:

1168  woningen: Goed
329  woningen: Voldoende
54  woningen: Onvoldoende
56  woningen: Slecht
7  woningen: Onbewoonbaar

Gebreken zijn:
- Onvoldoende luchtverversing  en verlichting van slaapvertrekken.
- Overbevolking van slaapvertrekken
- Onvoldoende afwatering  van huiswater
- slechte vloeren, lekke daken, vochtige muren
- Bouwvalligheid door slecht onderhoud
- Stankverspreiding door mestvaalten
- Onvoldoende inrichting van het privaat
- Slecht drinkwater

Tenslotte nog eenige constateringen:

-    In een opkamer  slapen 7 personen. ’s Winters staat er de kelder eronder gelegen vol met water.
- 1 Slaapkamer: 1 raampje van 60x80 cm:4 ledikanten, slapen 10 personen
- 5 Personen slapen in de keuken.
- 1 Bergplaats , zonder lucht- en lichttoevoer dient tot slaapgelegenheid
- 1 Woning, 2 gezinnen: Beide gezinnen hebben ieders 1 slaapkamer. Zolder is stroo.
In 1 vertrek slapen 9 personen.
- 1 Slaapkamer in keuken d.m.v.gordijn.

 

ONDERZOEK: Ir.J.v.d.Breggen: 1920

Conclusies Ir.J.v.d.Breggen:
Zoals uit bovenstaande blijkt, wordt een betrekkelijk lage huurprijs over het algemeen betaald. Gaat men nu na, welke huurprijzen betaald zullen moeten worden voor de nieuw te bouwen  woningen met Rijksvoorschot ingevolge de nieuwe voorschriften van den Minister van Arbeid, waardoor de minimum te bedingen huurprijs f 5, per week zal wezen, dan volgt daaruit op hoeveel grootere lasten de ingezetenen komen, die in die woningen huisvesting moeten vinden. Dergelijke huurprijzen zijn voor de grootere gemeenten normaal, voor het platteland zijn ze veel te hoog. Met het stellen van normen houdt men veel te veel rekening met de toestanden in de grootte gemeenten en schakelt men die voor het platteland  te veel uit, hetgeen  door het bovenstaande bewezen wordt.

In de gemeente Winterswijk bestaat een zg.bouw-en woningtoezicht, doch dat zich alleen onledig houdt met een controle van bouwaanvragen en om  na te gaan of bij nieuwbouw de bouwverordening niet ontdoken wordt.
Aan bestaande woningen wordt geen aandacht geschonken, met uitzondering voor de gevallen, dat de gezondheidscommissie ingrijpt.

Vele dier misverstanden zijn op te heffen, indien de eigenaren der woningen ingevolge woningwet en bouwverordening aangeschreven worden om de verbeteringen, welke tot een beter bewoonbaren woningtoestand leiden, aan te brengen.

Naar aanleiding van dit onderzoek betoogt van Breggen met klem dat niet alleen  voor elke gemeente een bouw- en woningtoezicht dringend noodig is, maar dat dit lichaam zich ook bezig moet houden met de verbeetering der volkshuisvesting inzake reeds bestaande woningen.

 

VOORVALLEN OP HET HUIS

BALKENSCHOT TUSSCHEN

1640 EN 1675


1.

Aan de oevers van de Sling gezeten,
Voor d´ingang tot het hoofdgebouw,) (1)
Dreef fantasie mij naar ´t verleden,
Naar ´n tijd van vreugd, van vrees en rouw,
Naar dagen, toen trompetten klonken
Ten oproep tot een fellen strijd,
Toen zwaard, klaroen en harnas blonken,
In Neerlands bangen geuzentijd.

2.

 

´t Was toen, dat Balkenschot door wallen,
Door grachten, poort en ophaalbrug,
Een vesting (2) leek, en dus voor allen
Een vrijplaats (3) was in nood en vlucht;
´t was toen, dat ook van zijne zonen
Hun leven waagden voor het land,
Dat zich eens waarlijk vrij zou toonen
Ontworsteld aan den slavenband.

 

3.

 

In die voor Neerland donkre dagen,
Kreeg ´t kerspel hier ook ruim zijn deel,
Moest Balkenschot ook lasten dragen,
Al was zijn Hof een lustpriëel;
Maar kon nochtans ook vreugde boeken,
Toen jonker Frederik, d´ed´le zoon,
Er uittoog, om een bruid te zoeken,
´n Jonkvrouw, edel, braat en schoon.

 

4.

 

Hij toog, door louter min gedreven,
Naar ´t vergelegen Genderen´s oord,
Nam akte van het huislijk leven
Op ´t Riddermatig Paardevoort;
Hoiled nota er voor zijn belangen
Van´t vrouwlijk doen en schoon der maagd,
Wier adel hem het hart deed prangen;
Om haar had hij de reis gewaagd.

 

5.

 

Hij sprak er over met heur ouders,
Die stemden dra van harte in,
Een last viel thans van zijne schouders,
Nu jonkvrouw "Ja" zei op zijn min,
Nu d’edele spruit der Paardevoorden
Haar hand aan jonker Fredrik bood,
Om hier in ’t vrij wat killer Noorden,
Te zijn zijn ga, zijn lotgenoot

 

6.

 

Dien dag, hij zal hem nooit vergeten,
Toen hij, het liefste, wat hij vond,
Voor God en zijn oprecht geweten,
Voor altoos aan zijn harte bond;
Nu zij, zijn edele gezelline,
Op ´t eeuwenoude Balkenschot,
Gevierd zou zijn als koninginne,
Met hem er deelend ´t levenslot!

 

7.

 

Geen wonder, dat de feestboka´en
Er om en om de ronde deen;
Dat alles, blonk in ´s Landhuis´zalen
En ´t jublen er geen einde scheen,
Dat Neerlands driekleur hoog geheschen,
Het buur en pachter maakt´bekend:
"Dat ’t nu op ’t slot zou hoogtijd wezen,
Een hoogtijd, hier gansch ongewend".

8.

Geen wonder, dat de wapenschilden, (4)
Waarmee de zold´ring was bedekt,
Nu ´t hun ook deen; dat allen wilden
Dien sieraad kennen van ´t vertrek,
Hun herkomst, om eens uit te pluizen
Op echt oud-adelijken trant,
Aan welke hoogvereerde Huizen
de ed´le gastheer was verwant.

9.

De bruids/ en bruiloftsdagen gingen,
En met hen ook de gasten heen;
´r Werd stil en eenzaam in zijn kringen,
Of Balkenschot verlaten scheen.
Die stilte echter bracht geen smarten;
Been, ´t edel echtpaar vond ze schoon,
Daar ´t huwelijkssnoer hier bond twee harten
Die teed´re liefde had tot loon.

10.

Die liefde, die van ouds tien zinnen
Tot eenen zin herscheppen kon,
Ontsloot alras ook hier door minnen
Een nieuw gebied tot vreugde bron,
Toen na een jaar vol lust en leven,
Heer ooievaar de boodschap bracht,
Dat om een wiegje moest geschreven
En aan een luiermand gedacht!

11.

Een boodschap stemmend tot verbazen,
Doch geenszins ongepast vervuld,
De jonker dacht om hoen noch lazen, (5)
Maar hielp zijn gaaike volgeduld;
Bij d´r arbeid, die met vol behagen
Met lust en vreugde ras begon,
Van heind´en ver werd aangedragen
Wat voor den uitzet passen kon.

12.

Dat blij verwachten, mocht verkoren,
Nog hoger steeg de vreugde toen
Het echtpaar werd een zoon geboren
In ´s levens prachtig lentegroen;
Een zoon, wat zou men beter achten;
Verzekerd was zoo ´t voortbestaan
Der hooggeroemde voorgeslachten
En Balkenschot, - ´t zou niet vergaan.

13.

Vol vreugde drukt zij het kind aan´t harte,
En kust het wicht haar o zoo dier;
Vergeten wordt geleden smarte
Nu zij mag roepen:"Frederik hier"!
"Uw recht is, hem een naam te geven.
Een naam onze edele voorzaat waard",
En hij tot antwoord haar kan geven:
"Gij hebt Jan Jacob thans gebaard".

14.

Nu scheen de vreugd’ten top gestegen,
De weelde ook van ’t moederhart;
Maar God! na zonneschijn komt regen.
Het wisselt alles hier op aard;
Nog enkele jaren vliegen hennen;
Er komt al vast een spruitje bij,
Doch nader komt ook ’t uur van weenen
Zeer onverhoeds is het nabij.

15.

Nog in de volle kracht van ’t leven
Wordt de edíe jonker ernstig ziek,
En wat door de artsen voorgeschreven
Gebruikt wordt, ’t helpt heer Fredrik niet.
Zijn jaren zijn geteld, zijn dagen,
Zij minderen als met tooverslag,
Een wijl nog, en de vreugd wordt klagen,
Wie, jonkvrouw, had dit ooit gedacht!

16.

Het weduw-kleed moet aangetogen;
Vazal en buur zijn meed’in rouw;
Van deernis zijn zij gansch bewogen,
Van deernis met de edele vrouw;
Haar ega, haar het liefst op aarde,
Wordt bij zijn vad’ren thans gezet.
Wat heeft het leven nu voor waarde,
Schoon overvloed haar niets belet? (6)

17.

De jaren snellen als met vlerken
Aan’t oog der edele weeuw voorbij
Zij kan het aan haar kinderen merken.
Hoe snel de tijdstroom heenen glijdt,
Haar eerstling is reeds man in krachten,
Vol levensgloed en levenslust,
Haar steun in wat de jaren brachten,
Haar hoop ook voor de toekomst dus,

18.


Haar hoop! - Maar God, ’t zijn booze tijden;
Wat zal de naaste toekomst zijn,
Nu pas na ’t doorgestane lijden,
Voor ’t land al dreigt weer nieuwe pijn?
Ja, nauw’lijks is in ’t Protocol beschreven,
Dat Spanje eind’loos afstand doet,
Of nieuwe huivering, vrees en beven,
Doorstroomt weer Neerland’s hart en bloed!

19.

Vorst Lodewijk (7), het hoofd der Gallen,
Begeerig naar meer land en roem,
Liet ’t oog op Belgie’s beemden vallen,
Belust op ’t plukken van die bloem.
Wat hem bewoog was ’t stil begeeren,
Als Frankrijks grens den Rijn te zien,
Een toeleg, dien ons land moest keeren,
Wenschte ’t hem niet als zijn buur te zien!

20.

Dit bracht de geesten aan ’t bewegen,
Heel Neerland maakte zich mobiel,
Zoo ook de Adel allerwegen,
Met heel het hoofd, met hart en ziel,
Van ouds ook, waren Balkenschotten
Mee dóversten (8) op ’t oorlogsveld,
En thans, met Jan viel niet te spotten,
Zou hij ooit buigen voor geweld?

21.

Het vaderland in nood! Dit dulden,
Daar viel bij hem geen denken aan,
Den plicht, die voorzaat’s steeds vervulden,
Dien plicht moest door hem afgedaan
Wel had het heengaan zijn bezwaren:
Zijn broeder Dirk, nog slechts een kind,
En moeder al bereids op jaren,
Zij moeder, die hij hartelijk mint.

22.

En toch, hij mag hier niet coor zwichten,
dÉer van zijn stam staat hier op ’t spel.
de Adel ook heeft strenge plichten,
Die weet Jan jacob al te wel,
’t Was niet voor land en goed slechts vechten,
Niet daarom elk naar ’t slagveld vloog,
Neen, ’t pas bevrijd geweten knechten,
Die vrees vooral elks hart bewoog.

23.

Het Spaanse juk en ’t kerk’lijk dwalen
Had lang genoeg ’s volks geest omkneld,
Totdat voor omtrent vijftig jaren,
’s Lands vrijheid hier was vastgesteld.
Maar los van vreemde staatstirannen
Was Rome nu onbeschaamd geknot,
Ja, zelfs met d’eelsten van zijn mannen,
Den draak gestoken en gespot.

24.

Dit kon men Neerland niet vergeven,
Er moest revanche thans gehaald,
En ’t oolijk landje teruggeven,
Wat ’t zoo brutaal had uitgehaald.
Waarom ook Bisschop, Beernd van Galen,
Met Lodewijk trok thans eene lijn,
Zoo ruim in vrijheid ademhalen,
Daarvoor was Neerland veel te klein!

25.

Om wisser van het doel te wezen
Moest Keulen mede ’t verbond,
Zelfs Engeland zoo zeer te vreezen,
Deed mee in dien kritieken stond.
Om rechten zouden zij noet vragen,
’t Zou alles zwichten voor geweld;
Te saam ons Neerland weg te vagen,
Was ’t snoode plan, vooraf gesteld.

26.

Europa, eens als slaaf gebogen
Voor Rome’s kerkberheerschers stoel
Zou weer met neergeslagen oogen
Zich buigen dat was ’t tweede doel.
De oorlogstoorts zou dra weer branden,
Haar gloed verspreiden overal
Haar onheil brengen in deez’ landen
In deez’ gewesten bovenal.

27.

War Hendrik Vier eens in zijn leven,
Op ’t voorplein van Canossa’s slot
Ontving van Paus Gregori Zeven,
Zou wezen nu ook Neerlands lot (9)
’t Zou boeten en ootmoedif buigen
Voor ’t machtig heir, dat Rome zond,
En zij, zij zouden ’t vetste zuigen
Uit ’t merg van Neerlands volk en grond.

28.

Dit was hun doel, dit was hun jagen!
Maar Willem Drie doorzag het dra;
Hij dorst zijn leven er voor wagen,
En Neerlands Adel zei ’t hem na.
De vrees bekroop veel duizend harten,
Ook d’edele vrouw van Balkenschot
gevoelde, hoe het kruis der smarten,
Zwaar drukte op haar levenslot.

29.

Haar zoon, Jan jacob, kon niet dulden,
Nu ’t land verkeerde in bangen nood,
Dat anderen hun plicht vervulden
En hij niet deed, wat d’eer gebood.
Op Keppel wuift de vlag der Franken,
De Bisschopsvlag op Borculo,
Trompetgeschal en kerkklokklanken,
Zij zijn voor hem geen looze boo.

30.

Neen ’t is de werk’lijkheid, ’t is leven,
Het oorlogsondier spalkt zijn muil.
"O, Moeder", zegt hij, "kon ’k u geven
Voor mij, een and’ren zoon in ruil.
Ik kan dit niet, maar d’ Albehoeder
Zal u voorzeker hulpe bien;
Wat ik niet kan; kan Hij, o Moeder,
Reeds vaak hebt gij Zijn wacht gezien."

31.

’K Zou om u, Moeder, hier graag blijven,
Maar om het lieve Vaderland
Gaat mij een stem naar ’t leger drijven,
Trots elk bezwaar en tegenstand
In ’t eind, hij overwint het tegen,
Zijn Moeder ook geeft eind’lijk toe;
Der tijden nood gaat haar bewegn,
Al wordt ’t haar soms ook bang te moe.

32.

Ni zoekt hij buren en bekenden,
Neemt afscheid met bewogen stem,
Gaat Noord en ook Zuid-oost zich wenden,
Daar geeft een handdruk kracht aan hem.
Van Remen’s en van Eerde sterken
Met Ripperda hem in zijn doen;(10)
En ja, zoo het de Freules merken,
Zij steunen hem vast met een zoen.

33.

Voor ’t afscheid zijn aangekomen
Een schaar bekenden, vriend en buur,
Een laatste groet wordt dra vernomen,
Een laatst vaarwel, - wat valt het zuur!
Een Moederkus, een Moederzegen
Ontvangt Jan jacob ook gewis,
Hij lonkoogt even allen tegen
En vraagt: of ’t al in orde is?

34.

Geen antwoord thans, maar stil verzuchten,
Een bee:"Spaar, God, den jongen held!
Een bange stilte in d’ vroegen uchtend
Nu ’t scheidingsuur zich heeft gemeld.
Zijn dierste wensch is thans verkregen,
’t Uitrustingswerk is afgedaan;
Hij tuigt het ros, grijpt helm en degen
En snelt naar Nassau’s legervaan.

35.

Men staart nog met betraande oogen
hem na en zegt: "’T Is Gods bestel".
Hij houdt den zakdoek in den hoogen
En wuift het allerlaatst vaarwel.
Nu gaat de ren naar Belgie’s velden
Naar Sebef, om den krijg vermaard;
Al ras stroomt daar het bloed der helden,
Doch jonker Dunnewold blijft gespaard.

36.

Wel ondervond hij veel bezwaren,
Gevaren, als de oorlog biedt,
Het duurde dagen, maanden, jaren,
Maar Jan vergat zijn Moeder niet.
Dien laatsten kus, dien Moederzegn,
Dien lesten handdruk bleef hem bij,
Bij ’t ergst ontmoeten op zijn wegen
Was ’t immer: "Moeder denkt aan mij."

37.

Zelfs in den heetsten strijd gedreven,
Omringd door ’t woedend oorlogsvuur,
Bij ’t meest gevaar voor lijf en leven,
Gaf dit hem kracht, van uur tot uur;
Het bleef hem bij in al de jaren,
Dat hij de wapens heeft getorscht,
Voor vrijheid, haardsteen en altaren
En zijn geliefd Oranjevorst.

38.

Oud-Balkenschot scheen uitgestorven,
Na ’t afscheid dat de jonker nam;
De levensvreugd was er bedorven
Door ’t pijnzen over d’ oorlogsvlam.
Een stil vertrouwen, stil verzuchten
Steeg uit dien lusthof hemelwaart
Want Moeder bad wis elken uchtend:
"God! blijve ginds mijn zoon gespaard."

39.

Ach ja, hoe droef is ’t lot der vrouwe,
Haar echtgenoot reeds heen gegaan,
Haar oog nog rood van diepe rouwe,
Van weemoed voelt z’ haar boezem slaan.
En nu, haar zoon, hij ging ook henen,
Niet naar het graf, waar vader rust,
Maar tot den strijd,- dit doet haar weenen, -
Haar zoon, haar oudste, haar vreugd en lust.

40.

Haar zoon, de stam der Dunnewolden!
Geen wonder, dat zij bitter scheit,
Dat op heur schoot de tranen rollen
Op ’t kleed, nog van haar weduwstrijd,
Maar treurt zij vaak, bij zorg en zwoegen,
Voor ’t welzijn van haar hof en huis,
Zij laat toch zaaijen, spitten, ploegen,
En draagt beleidvol, dit haar kruis.

41.

En Hij, die trots der vorsten veten
Het in Zijn wijsheid al regeert,
Die weeuw en wees nooit zal vergeten
En heim’lijk ook haar lot beheert,
Hij zorgt voor haar, voor Jan te gader,
Al is het donker in ’t verschiet;
Hij, God deer Goon, der weezen Vader,
Vergeet haar en Jan jacob niet.

42.

Kwam nu maar van ’t terrein der helden
En brief met goede tijding in,
Van Belgie’s rood gekleurde velden,
Voor haar vol troost, voor ’t land gewin,
Dan zou zij juichen, Gode danken,
Wat haar en ’t Vaderland betrof,
En ’t jub’lend hart vol vreugdeklanken,
Verheffen naar den Hemelhof.

43.

Maar ’t was geen tijd als wij beleven,
Dat in een dag van Noord tot Zuid,
Een brief bezorgd kon en geschreven
Aan ouders, broeders, zusters, bruid;
Neen ’t ging toen met een slakkenwagen
Zeer langzaam, over heid’en veld,
En ’t duurde soms wel lange dagen
Eer zoo’n bericht werd thuis besteld

44.

Zeer moeilijk ging ’t, een boo bevrachten,
’t Was toen geen post uit Staatsbelang. (11)
Men mocht zich wel gelukkig achten
Zoo men die wierf in ’t groot gedrang.
Jan Jacob, echter was bedreven,
Hij vond er een uit d’Achterhoek,
Die om de kunst er was bij ’t weven,
En dacht thans aan een huisbezoek. (12)

45.

Met dezen ging hij accordeeren,
Een brief te brengen op zijn slot.
uit achting voor de jonkerheeren
Bracht hij ’t kleinood op Balkenschot.
Hij zag zich hartelijk welkom heeten,
En moest vertellen van den strijd
Mevrouw, ze gaf hem flink te eten,
Het beste werd voor hem bereid.

46.

Nu werd het perkament (130 ontsloten,
Dat Jan uit Senef’s velden zond;
Men las, en tranen, zij ontvloten
Aan dóogen, big’lend tot den grond.
Was ’t beste woord uit ’t vriend’lijk schrijven
Voor Moe, ook Dirk vergat hij niet;
Voora; aan ’t schoolgaan steeds te blijven
Was ’t geen hij Moeder ernstig ried.

47.

Hij wist het nu reeds bij ervaren,
Dat wetenschap naar hooger leidt;
Daarom moest zij geen moeite sparen,
’t Was nu voor hem den juisten tijd.
Zoo zorgde Jan nog bij zijn zorgen
Voor Dirk, die ’t nu wel niet verstond,
Doch ’t ondervinden zou, niet nu of morgen,
Maar in later levensstond.

48.

Geslachten kwamen en verdwenen
Sinds deze brief hier vreugde bracht;
Maar op het Balkenschot van heden,
Regeert nog ’t eeuwenoud geslacht.
De Frederiks en Jan Jacobs zwaaien,
Nog hier aldoor den heerschersstaf;
Mocht vroegere luister wat verwaaien
Den stam verzwolg noch krijg noch graf.

49.

Reeds eeuwen volgen ze op elkander,
Jan Jacob nu, straks Fredrik Jan.
Zoo volgt het een geslacht het ander
Als ’t Almacht maar behagen kan.
Dit feit doet ons voorwaar vermoeden,
Dat Jan den strijd heeft doorgemaakt;
Dat Mars (14) hem immer bleef behoeden,
Voor ’t moordend lood hem heeft bewaakt.

50.

Dat hij na t’rugkeer tot de zijnen
Op ’t land’lijk Niethof - Amershorst, (15)
Een Adellijk Bruidje deed verschijnen,
Hem lief, als ’t kind van Graaf of Vorst,
Die met hem als het puik der vrouwen
In liefd’en achting heeft geleefd,
Hem hielp zijn huis en landgoed bouwen,
Wat thans nog stof tot zingen geeft.

51.

Dit feit uit Dunnewolds ervaren,
Zij ons genot, blijv’ ons een eer,
Al streken ook veel lange jaren
In ’t graf der stervende eeuwen neer;
Het feit, dat op dien Hof, vol bloemen
’t Aloud geslacht bleef voortbestaan,
Dat w’ om d’ eerwaarde oudheid roemen
En zegen wenschen op zijn paan.

H.OONK J.Hzn.

1.) D.w.z.het hoofdgebouw van de behuizing op de havezathe Balkenschot, tegenwoordig algemeen als "Jonkers"od de "Jonker"bekend.

2.) Nog in de vorige eeuw was de nog bestaande gracht om "Balkenschot"omringd door hoogten, die met gewoon houtgewas begroeid ware. Die hoogten zijn nog onder den naam "Grachtenbelt" bekend. Vermoedelijk heeft er nog een tweede gracht bestaan, terwijl ook de beek eertijds dichter langs het huis heeft geloopen. Desverkangd kon de naaste omtrek van Balkenschot geheel onder water gezet worden.

3.) In ’t begin der vorige eeuw bestond er vlak achter het boerenerve "Reimes"of "Reims" nog een eilandje, gevormd door de Slinge, welke toen langs de zuidzijde stroomde, terwijl aan de noordzijde diepe waterkolken gelegen waren. Dit eilandje, het "kampje"geheeten ,kon met een twee meter diepe watermassa omgeven worden, zoodat er slechts een smal hooggelegen vonder, dat bij "Reimes"beschermd kon worden, toegang tot verleende.
Nog heden ten dage vindt men in de onmiddeleijek nabijheid van dit plekje in den bodem oude fundamenten en steenmassa’s terug, die er op wijzen, dat hier waarschijnlijk een z.g. "Blokhuis"gestaan heeft, dat het eilandje beveiligen moest. ’t Is dan ook nog in den volksmond bekend, dat de omwonenden hier eertijds in bange tijden hun have en goed in veiligheid brachten.
Voor de brug heeft vroeger in de beek een sluis of stuw gestaan, hetgeen voor 50 jaar nog zichtbaar was door de aanwezigheid van een groote diepen kolk daar ter plaatse. Die kolk is thans gedempt. De Slinge is in het midden der vorige eeuw tusschen "Reims" en het eilandje dichtgemaakt en hare bedding gelegd door de noordelijker gelegen kolken. ’t Eilandje werd later afgegraven en met de naaste omgeving in een weiland herschapen.

4.) Tot 1845 kon ieder, die het interesseerde, aan de zoldering van een der kamers of statiezalen in de tegenwoordige behuizing nog verschillende wapenschilden van de elkander op "Balkenschot" opgevolgd hebbende geslachten in oogenschouw nemen. In genoemde jaar is de bewuste zoldering weggenomen en geplaatst in het den ’Jonkers", toebehoorende "Wesselshuis".

5.) Voor den brand, die de behuizing op "Balkenschot"vernielde, had het goed ook zijn eigen jachtkring. Beweerd wordt dat de noodige bewijzen en bescheiden daarvan in de vlammen verloren zijn gegaan, maar niet onmogelijk ’t , dat reeds vroeger dat recht verkocht was, zooals ook op de "Buurse"geschiedde.

6.) Tot het goed "Balkenschot"behoorde ook het goed "Kobus"in ’t Woold en het uitgestrekte goed "Kreijl"in Miste. Deze combinatie was door het huwelijk verkregen, zooals nog blijkt uit een acte van 1753, vermeldende de echtverbintenis tusschen jonkheer Derk Jan Dunnewolt, zoon van jonker Jacob Derk Dunnewolt en Elsken Wiggerink (als bruidegom) en Theodora te Kreijl, dochter van scholte Garrit Jan Roerdink op den hof te Kreijl en Jenneke Schotinne te kreijl, (als bruid).
Bruigoms ouders beloven daarbij aan het jonge paar als "Ehe stuyver" mede te geven: "De havezate Balkenschot met de onderhoorige goederen Thuunte en Remes", terwijl de bruids-ouders het goed Kreijl geven met de onderhoorige bouwsteden: Vonderhuis, Boschhuis, de Schoole, Cuiper’shuis, Haverland, de Schoppe en Jonenhuis.
Het "Kreijl" is later in vlammen opgegaan en in bescheidener vorm weer gebouwd.

7.) Lodewijk de Viertiende, koning van Frankrijk.

8.) Een oom van Jan Jacob, was overste bij het leger in 1672.

9.) Hendrik IV, Keizer van Duitschland, moest om zijn opstand tegen Paus Gregorius VII te boeten, drie dagen en drie nachten blootshoofds en barrevoets bij snerpende koude onder den blooten hemel voor het slot Canossa in Italie doorbrengen.

10.) Van Remen’s - bewoners van Ravenhorst, van Eerde’s - id. van Plekenpol, Rupperda’s - id. van Buurse.

11.) Het postwezen was voorheen in particuliere handen en is later door den Staat overgenomen.

12.) Een Achterhoeker, die in Belgie het weven der beroemde kant leerde.

13.) Het adres op den brief luidde:
Madame, Madamme de Paddevort
Doariere van Dunnewold,

Precent a Balkenschot.

14.) Mars was bij de ouden de oorlogsgod.

15.) Voorheen schreef de familie haar naam: Van Dunnewold, Van Niethof en Amershorst, welke laatste toevoegsels in de dagen van napoleon zijn geschrapt. Op het landgoed vindt men echter nog de gronden, die dezelfde namen dragen.

 

 

JAN B

 

Het zal je als jongen van een jaar of tien, twaalf maar overkomen als ze niet zo ver bij je uit de buurt een groot strandbad maken. Als je dan ook nog liefhebber bent van zwemmen is het allemaal geweldig. Trouwens voor heel sportief Winterswijk was de komst van het strandbad een geweldige opsteker. Nou ja, je kon wel zwemmen in de beek en bij Den Helder was weliswaar een officiele zwemgelegenheid gemaakt, maar al met al stelde het niet veel voor. Maar de komst van het nieuwe zwembad gaf de zwemsport een nieuw elan. De Winterswijkse watersportvereniging was sterk in opkomst en de jongens van de WWV waren erg populair. Een van hen was Jan Buisman.

Het was in 1942. Nederland was al wel twee jaar bezet maar de maatregelen van de bezetter maakten de bevolking nog niet erg bang. De Wilhelminastraat moest in het vervolg Tricotstraat heten.talrijke verenigingen werden opgeheven en men moest lid worden van de organisaties op Nationaal socialistische grondslag als men georganiseerc wilde zijn. De vakverenigingen werden opgenomen in het Nederlands Arbeidsfront, de landbouworganisaties kwamen in de Landstand. Maar al die organisaties hieven zichzelf op en de Landstand werd een lege huls. Al die maatregelen drukten niet erg zwaar en men was eerder geneigd ze belachelijk te maken omdat ze vaak kleingeestig en ondoeltreffend waren. ook de haast ludieke propaganda om in Duitsland te gaan werken: Grote aanplakbiljetten met een lachende arbeider er op en het opschrift: "Hij lacht, hij is tevreden, hij werkt in Duitsland", hielpen niet echt. Men bleef toch maar liever dicht bij huis.
Maar Duitsland zat te springen om arbeiders en men ging over op hardere maatregelen. De ondernemers kregen opdracht een zeker percentage van hun personeel naar Duitsland te sturen. In overleg werden daarvoor natuurlijk de jonge, ongetrouwde werkers voor uitgezocht die er in sommige gevallen ook nog een avontuur in zagen. Ook de baas van Jan Buisman moest personeel leveren en Jan werd als 19 jarige ook uitgekozen. Hij probeerde nog wel zich af te laten keuren maar voor zo’n sportieveling was dat natuurlijk een lachertje, hij probeerde het dan ook vooral om z’n moeder gerust te stellen.
Han deed op 17 mei nog even examen voor landmachinist en vertrok met de anderen op 19 mei naar Duitsland. Hij kwam in Hannover terecht. Het werken stelde eerst nog niet zo veel voor maar het leven in het kamp viel vies tegen en het eten wat ze kregen leek helemaal nergens op, een beetje koolsoep en gelijksoortige kost.

De jonge jongens leden gewoon honger en al gauw kwam men op het idee er vandoor te gaan. Ze waren uberhaupt gewoon gek geweest om te gaan, maar ja, van onderduiken had men nog niet veel gehoord en de nogelijkheid daartoe was dan ook nog zeer beperkt.
Maar na een verblijf van een paar weken wist men hoe laat het was en ze gingen.
Het reizen was hun verboden maar al lopend en gedeeltelijk met een kolentrein waarin men zich verstopt had kwam men toch dicht bij de grens. De kans om gepakt te worden was natuurlijk groot maar daar bij Ratum moest het toch lukken om de grens over te komen. Bovendien kenden ze daar nog jongens in de buurt en die zouden hen zeker helpen. Vlak bij de grens vroeg men nog een boer naar de weg. Die was naar de markt geweest en had een goed borreltje op maar hij hielp hen toch op weg. Het duurde dan ook niet lang of men stapt de grens over en kwam bij Bollen achter in Ratum terecht waar men hartelijk werd ontvangen. Men belde naar Winterswijk om de familie op de hoogte te brengen dat men terug was. men kreeg in afwachting van de familie die hen zou afhalen, in de eerste plaats flink wat te eten, wat natuurlijk zeer op prijs werd gesteld. Maar tijdens de gezellige, ontspannen maaltijd ging plotseling de deur open en stapte de Feldgendarmerie binnen die hen gevangen nam. De boer die hun ook de weg naar de grens had gewezen had de Feldgendarmerie gewaarschuwd.
Ze werden naar Vreden gebracht waar vader Buisman hen nog heeft opgezocht. Z’n (postboden) uniform bracht zoveel respect op dat hij toegelaten werd. Maar ze kregen in Vreden ook goed wat te eten.

Na enige tijd in Munster gevangen gezeten te hebben werden ze overgebracht naar de straflager in Essen-Muhlheim. Daar moesten ze graafwerk verrichten.
Ze hadden het er niet best. Volgens de andere jongens kreeg Jan Buisman daar buikklachten. Het werd steeds erger. Maar buikpijn hebben in een Duits straflager maakte niet zoveel indruk.
"Bauchschmerzen? Ach wasz; blöd’sinn. Arbeiten!!
Maar de andere dag was Jan dood.
Het was voor z’n vrienden natuurlijk ook iets verschrikkelijks, al werden ze al gauw weer teruggebracht naar Hannover.Ze schreven gezamelijk naar hun vroegere baas dat ze weer in Hannover zaten en dat Jan was overleden. Die stapte met het kaartje naar Jans vroegere huisarts, die, via een tante van Jan, de familie op de hoogte bracht. Bijna vijf weken na zijn overlijden kregen de ouders van Jan officeel bericht van z’n overlijden. Een vreselijke boodschap natuurlijk.
Hij was het eerste slachtoffer van de arbeidsinzet. Het was een grote schok voor Winterswijk. Het bleek opeens dat de oorlog menens begon te worden. Een gezonde sportieve jongen bleek binnen twee maanden na z’n vertrek naar Duitsland al te zijn overleden en van toen af aan wist iedereen dat werken in Duitsland geen sinecure was.
De boer over de grens die hem had aangegeven vertelde later dat hij in de verlopen kerels (de jongens zagen er natuurlijk na de lange tocht van Hannover naar de grens allesbehalve keurig uit), de daders had gezien die de beruchte Heydrich misschien wel hadden vermoord. Hij betoonde erge spijt van z’n gedoe en beloofde hen de beste koe uit z’n stal als de Winterswijkers hem bergeven wilden. Maar daar dacht natuurlijk niemand over. Na de oorlog heeft men hem over de grens gehaald en heeft hij hier een poos vastgezeten. Na het bericht van Jans overlijden kwamen er nog brieven van hem binnen. En ook het bericht dat hij geslaagd was voor z’n examen als landmachinist. Hij heeft het zelf nooit geweten. Z’n stoffelijk overschot werd later met hulp van het oorlogsgravencomite naar hier gehaald en op de Algemene begraafplaats herbegraven.
Zijn nagedachtenis zal bij ons in dankbare herinnering blijven voortleven, schreef de WWV in haar advertentie.

Uit:  De verhalen van Willem:Willem Wilterdink, NWC,1990,

 

MIJN VADER

 

Met dank aan Riet Addink-van den Berg voor het mogen plaatsen

Jan Engelbertus van den Berg.
13.12.1902-24.02.1978

Ik heb dit schrijfsel  “ Mijn Vader” genoemd. Hij was echter niet alleen “Mijn Vader”, ook de vader van mijn zus. Maar om dit schrijfsel  nu “Onze Vader” te noemen vond ik ook weer overdreven.

Ik wil hierin iets vertellen over hem, maar ook over de tijd, waarin we toen leefden. Hoe ik als klein meisje mijn vader zag en hoe ik hem zag toen ik ouder werd.
Als kind vind je je vader en moeder geweldig, ze zijn je voorbeeld (dat was voor mij tenminste zo) en je vertrouwt ze onvoorwaardelijk.  Alles wat vader en moeder zeggen is waar en klopt. Later ontdek je dat het soms niet helemaal klopte. Ik was daar eerst verschrikkelijk van in de war, maar toen ik ouder werd begreep ik, dat zij ook maar mensen zijn, met hun goede kanten maar ook hun minder goede. En mensen maken nu eenmaal fouten.
Toch weet ik zeker, dat hun bedoelingen altijd goed waren. Ze hielden zielsveel van hun kinderen en die fouten, ach,” wie zonder zonde is werpe de eerste steen”, staat in de Bijbel en dat lijkt me een waarheid als een koe.

Terugkijkend hebben wij een warme, beschermde jeugd gehad in een harmonisch gezin. Vader en moeder bleven hun hele leven verliefd op elkaar. Als vader om goed 12.00 uur thuiskwam, was moeder in de keuken bezig met koken, want we  aten “tussen de middag” warm. Dan mocht ik nooit binnenkomen, want elkaar lekker even knuffelen waar een kind bij was, dat kon toen niet.

Ik beschrijf misschien wel eens situaties, die ook al in een ander schrijfsel aan bod zijn gekomen. Dat is haast niet te voorkomen, omdat die verhalen elkaar in tijd overlappen. Je zult het ermee moeten doen.

Dit schrijfsel is geen karakterschets van vader, maar ik heb geprobeerd om een aantal situaties te beschrijven, waaruit je zelf kunt opmaken, wat voor een man hij was.

Dat ik soms wat uit de rails gelopen ben, tja..... kan gebeuren.

Vader werd op 13 december 1902 geboren in Winterswijk als tweede kind van drie. Hij zat tussen zijn beide zussen in en kreeg de voornamen Jan Engelbertus.  Engelbertus werd waarschijnlijk mooier gevonden dan  Engbert, de naam die in de familie van den Berg wel meer voorkwam. Vader vond de naam Engelbertus  een ramp en geneerde zich er voor. Vooral dat “engel” zat hem dwars.

In het gezin van den Berg was een jaar eerder al een jongetje geboren, dat na korte tijd overleed. Dat had ook de namen Jan Engelbertus gekregen. Die namen gingen over op het volgende jongetje, vader dus. Voel je je een plaatsvervanger in zo’n geval, of tweede keus? Vader heeft er nooit over gesproken; ik heb hem er nooit naar gevraagd, want ik wist het niet en heb het pas jaren na zijn dood gehoord.

Hij mocht naar de ULO, wat in die tijd best bijzonder was, zeker als je uit een arbeidersgezin kwam.  Dan ging je na de lagere school naar de fabriek, net als iedereen, om wat bij te dragen aan het gezinsinkomen. Je moet maar eens lezen, wat mijn zus daarover schreef op haar website www.achterhoekeengedicht.nl en dan Bergweg 5.

Jan mocht zelfs padvinder worden van zijn moeder, iets wat toen eigenlijk alleen weggelegd was voor kinderen van meer verdienende ouders. Maar zijn moeder steunde haar Jantje waar ze maar kon, soms zelfs tegen de wil van zijn vader in. Het was Jans grote trots, dat hij bij een padvindersbijeenkomst Prins Hendrik een hand had mogen geven. Dat verhaal heeft hij ons -tig keer verteld.

Na de ULO moest hij een baan zoeken en hij kwam bij van Gend en Loos. Dat was een transportbedrijf, dat in samenwerking met  PTT en Spoorwegen door heel Nederland de pakketpost bezorgde met stoere paarden en wagens. In elke plaats was wel een kantoortje en Jan begon daar zijn carrière. Die bestond vooral uit het oppassen op de kinderen van de “directeur”.

Hij had al gauw bekeken, dat daar niet veel toekomst in zat en solliciteerde bij de GOB, (een vroege voorloper van de ABN) aan de overkant van de straat. Hij werd aangenomen als jongste bediende. Niet lang daarna kwam er op kantoor een nieuw meisje bij, Sies Egberts. Tussen die twee was het liefde op het eerste gezicht. Ze waren nog jong, zij 17 en hij 18 jaar, heeft moeder me wel eens verteld, maar ze waren er wel heel zeker van, dat ze voor elkaar bestemd waren. En de jaren daarna hebben bewezen, dat dat ook zo was.

Vader deed het goed op de bank en maakte promotie.   Toen een paar jaar later
mijnheer S., een goede klant, bij de bankdirecteur kwam met de vraag of die soms een
flinke jongeman wist voor zijn kantoor, werd Jan van den Berg aanbevolen.

Mijnheer S. had een eenmanszaak. Daar kwam bij, dat hij gehandicapt was;
hij miste beide benen tengevolge  van een tropische ziekte, die hij in Indië had 
opgelopen, waar hij tabaksplanter was geweest. Hij had twee kunstbenen en liep
met krukken.

Op zijn kantoor werd o.a. gehandeld in steenkolen, verzekeringen en alles wat met het fabriceren van stoffen te maken had.  Ruwe katoen werd in Engeland of Egypte gekocht en doorverkocht aan de spinnerijen in de Achterhoek en Twente, die er garens van sponnen. Die garens werden daarna door mijnheer S. (het mes sneed minstens aan twee kanten, heel slim) weer doorverkocht aan de weverijen, ook in de Achterhoek en Twente, die er doek van weefden.  Het was een handel op papier, het spul zelf zag je nooit.                                                              Op dezelfde manier ging het met de steenkolen. Die werden gekocht bij de toen nog volop draaiende kolenmijnen in Limburg, per spoor naar het station van Winterswijk vervoerd, daar overgeladen op vrachtwagens en vervoerd naar de kolenboeren en de textielfabrieken (jawel, diezelfde!) in de Achterhoek en Twente. De kolenboeren verkochten de kolen aan hun klanten, die bijna allemaal nog met kachels en haarden stookten, en de textielfabrieken lieten er hun spinmachines of weefgetouwen op draaien. Als je nou toch bij de kolenboeren en de textielfabrieken kwam, kon je ook meteen wel verzekeringen aanbieden, dat ging in één moeite door.

Jan zag het helemaal zitten. Hij wist, dat hij nog veel te leren had, maar aan hem zou het niet liggen. En inderdaad, het ging prima, want na 20 jaar werd hij medefirmant van de firma, waarin de eenmanszaak werd omgezet.
Maar in 1922 was het nog lang niet zover.

Vanaf het begin klikte het tussen baas en leerjongen. Vader deed het heel goed en na korte tijd vond mijnheer S., dat hij maar regelmatig de kolenboeren in de Achterhoek en Twente moest gaan bezoeken. Contact houden en verkopen! Met de auto! Nog iets heel bijzonders in die tijd.

Die bezoeken vonden elke woensdag plaats en werden door ons “Vaders kolenreis” genoemd. Een paar jaar later ging hij ook de textielfabrieken bezoeken om zijn garens te verkopen.  Hij heeft wel eens verteld, dat hij de eerste keer zenuwachtig in de wachtkamer zat met nog andere mensen, die hun goederen of diensten kwamen aanbieden. Toen hij mocht binnenkomen, was het genoeg om te zeggen: “Ik kom namens de heer S.”. Hij was welkom.

Mijnheer S. was in goede doen, zoals dat toen heette.

Hij had een mooi huis met een rieten dak, een garage en een apart kantoor, speciaal gebouwd voor hem. Alles was gelijkvloers, zodat hij er met zijn handicap geriefelijk kon leven. Hij was niet getrouwd en had personeel om alles te laten draaien: een huishoudster, een dienstbode voor dag en nacht, een werkster, een chauffeur, die boven de garage woonde en een tuinman, die hij deelde met 2 andere grote-tuin-bezitters. De chauffeur was een Duitser, Franz, die zijn baas reed, de auto poetste, een grote Amerikaan, en verder allerlei klusjes in en om huis deed.

Maar eerst moest vader zelf leren autorijden, want ’t was natuurlijk niet de bedoeling, dat hij zich door een chauffeur zou laten rondtoeren.
Autorijlessen bestonden nog niet in die tijd (het was 1922);  autorijscholen waren ook niet nodig, want als je een auto kocht, ging de garagehouder een paar keer met je de weg op, om je de beginselen van het autorijden te leren. Kon je behoorlijk rechtuit rijden, dan moest je zelf maar verder oefenen, en dacht je dat je het kon, dan vroeg je je rijbewijs aan. Dat papiertje kreeg je dan, zomaar, zonder meer. Het gevolg van die gebrekkige rijopleiding was wel, dat vader nooit goed de verkeersregels heeft geleerd. Al had hij dat natuurlijk wel op eigen houtje kunnen doen.......Pas een paar jaar later werd het rij-examen ingevoerd.

In Winterswijk werd dat in de beginjaren afgenomen door een huisarts, die aan de Markt woonde. Dokter bleef binnen voor het raam staan en liet de candidaat een rondje om de kerk rijden. Was die zonder schade weer terug, dan was-ie geslaagd.

Jan en Sies hadden trouwplannen en zochten een huis. Mijnheer S. toonde zich een goede werkgever  en liet in een hoek van zijn tuin een huis bouwen voor vader en moeder.

Ze trouwden op 2 maart 1929. Vader heeft die hele trouwdag met pijn aan zijn voeten gelopen in zijn nieuwe schoenen, die veel te klein waren. Toen hij ze ’s avonds uittrok, zaten zijn tenen vol bloed.  Bij inspectie vond hij in de schoenneuzen kartonnetjes, die toen vaak gebruikt werden om de schoenen in vorm te houden. Van pure zenuwen had hij vergeten om ze er ’s morgens uit te halen.

Het huis was vrijstaand, simpel, maar netjes. Een voor- en achterkamer, zoals toen gebruikelijk was. Een keuken  met een granieten aanrecht en een paar kastjes, een bijkeuken, die wij de schuur noemden en waar een paar kisten ingebouwd waren voor de voorraad kolen en aardappels. 
Het was toen gebruikelijk om in de herfst een voorraad aan te leggen voor de winter. Iedere
Winterswijker kende wel een boer, waar hij in de herfst zijn aardappels bestelde, die dan keurig met paard en wagen werden thuisbezorgd. Binnen was binnen, je wist maar nooit.......
Verder stonden er onze fietsen.
Boven waren drie, voor die tijd royale, slaapkamers, maar geen douche. Een douche of badkamer was toen een luxe, alleen weggelegd voor beter gesitueerden. Helemaal boven was een vliering, waar je via een luik en met een naar boven gesjouwde ladder kon komen. Maar de vloer daarvan bestond uit dunne latjes en niemand kwam er ooit. Levensgevaarlijk!

In dat huis zijn mijn zusje en ik geboren.

De leden van onze familie, vooral van Moeders kant, waren hecht verbonden.  Mijn grootouders woonden vlakbij, samen met tante Cor, de oudste zuster van moeder, die onderwijzeres was. De hele dag door was het een komen en gaan van het ene naar het andere huis. Niet altijd naar de zin van iedereen, want ik hoor vader nog zeggen:”O jee, daar komt Cor alwéér aan!”

Vader bemoeide zich veel met ons. Wandelen, spelletjes, maar vooral verhalen. “He toe,bedenk nog eens een verhaal”.  Hij was een kei in het verzinnen van de meest gruwelijke sprookjes. Wij (ook mijn vriendinnetje was er vaak bij) luisterden dan ademloos. Hij kon prachtig vertellen en wist aan het begin van een verhaal meestal zelf nog niet hoe het zou eindigen, maar er kwam op de een of andere manier altijd een spannend slot aan. Ik gloeide van trots, toen Tineke een keer vroeg: “Wanneer vertelt u het volgende verhaal? Mag ik er dan ook weer bij zijn?”.

Verhalen vertellen, verhalen schrijven en gedichten maken was een van zijn hobbies. Helaas is er weinig bewaard gebleven van wat hij toen schreef. Mijn zus heeft vast zijn schrijftalent geërfd en onze zoon en kleindochter kunnen er ook wat van. ’t Zal wel in de genen zitten.

In het begin van de jaren dertig kreeg Winterswijk een Strandbad. Het was een project van de Werkverschaffing om in die tijd van armoede en werkloosheid de mensen aan werk en dus inkomen te helpen. Het werd met de hand gegraven en dat moet een geweldige klus geweest zijn.

Winterswijk heeft er in ieder geval een prachtig zwembad aan overgehouden, met een groot 50 meter wedstrijdbad, pierenbadjes, een kanovijver, duiktoren en een breed geel zandstrand.  Natuurlijk kwam er een watersportvereniging, WWV, die nu nog bestaat. Vader was bestuurslid en schreef voor het eerste lustrum een revue, waarvan het belangrijkste liedje het clublied werd.

‘k Weet niet of ze het nog zingen; denk het niet. De woorden zijn niet meer van deze tijd, logisch natuurlijk. Het refrein ging zo:WWV-ers laat schallen, laat klinken uw lied,                                                                                          
De zwemsport voor allen, leert zwemmen, geniet.
Stelt niet uit tot later, sluit u bij ons aan,
De zwemsport voor allen, houdt baan, houdt baan!

In de winter van 1933-34, ik was toen 3 jaar, wandelden vader en ik naar het
bevroren zwembad. Dat was toen net klaar. De foto is een beetje knullig, maar
je kunt nog wel het brede strand achter ons zien. Wat was hij trots op "zijn" zwembad.  Vooral toen bij het eerste lustrum de bekendste Nederlandse zwemsters,
die wereldkampioen waren geworden of goud hadden gewonnen op de
Olympische Spelen ook bij dat zwemfeest aanwezig waren. Ik herinner me namen
als Willy den Ouden en Rie Mastenbroek. Hij heeft het verhaal van de lustrumviering
vaak verteld aan iedereen, die het horen wilde.

Ik heb aan dat zwembad hele fijne herinneringen bewaard. Vooral in de oorlog en vlak daarna, toen er eigenlijk voor ons jongeren in Winterswijk niks te beleven viel, was het zwembad DE plaats van samenkomst.  We lagen er in de zon bruin te bakken, kletsten en flirtten en ik werd er voor de eerste keer verliefd. Hij niet op mij.

Het strandbad wordt al sinds een aantal jaren niet meer gebruikt, het water is vervuild en de gebouwen zijn vervallen.  Maar er is hoop. Op de TV is ook dit jaar (2008) weer een actie gaande om een monument in Nederland te kiezen, dat voor een miljoen euro gerestaureerd zal worden. Het Strandbad is een van die monumenten,  maar ik ben bang, dat het niet gekozen zal worden. (Inderdaad, het werd no. 2 in nov. 2008)

Dit was even een sprongetje naar de toekomst. Terug naar toen. 
Het leven in Winterswijk kabbelde rustig voort, tot in de tweede helft van de jaren dertig het nationaal- socialisme opkwam in Duitsland. Vader en moeder moesten daar helemaal niks van hebben, maar tweevan hun vriendenechtparen  waren wel enthousiast en werden lid van de NSB, wat in die tijd voor de oorlog een gewone partij was en dus niet verboden.

NSB betekent Nationaal Socialistische Beweging, een naam die weinig zegt, maar die beweging sympathiseerde met Duitsland en alles wat Duits was. De leden, NSB-ers, waren dus eigenlijk voor Duitsland en tegen Nederland. Zo zag ik dat vroeger en ik was niet de enige.

Vader werd in 1938 lid van wat toen De Luchtwachtdienst heette. Het was een semimilitaire
organisatie en bestond uit vrijwilligers. Het betekende, dat er 24 uur per dag wacht werd gelopen om in de gaten te houden of er buitenlandse vliegtuigen het Nederlandse luchtruim binnenvlogen. Dat moest dan meteen gerapporteerd worden aan de legerstaf in Den Haag. Het was allemaal nogal amateuristisch. Dat wachtlopen gebeurde op het hoge platte dak van de Landbouwwinterschool in ons dorp. Wat ze deden, die luchtwachters? Gewoon opletten of ze vliegtuigen hoorden en als ze ze zagen moest gekeken worden hoe hoog ze vlogen en waar ze vandaan kwamen. Niks radar, computers en meetapparatuur. Een verrekijker en een telefoon, daar moesten ze het mee doen. 
De winter van 39-40 was berenkoud en de mannen op het platte dak hadden het dan ook niet makkelijk. 
Maar voor je vaderland moet je wat over hebben. Vader vond, dat hij daar zijn steentje aan moest bijdragen. En hij deed het met overtuiging.


Bij die Luchtwachtdienst hoorde een uniform, bestaande uit kepi, een uniformjasje, een rijbroek, legerschoenen en puttees. Puttees waren stroken groene legerstof, meterslang en zo´n 12 cm breed, die om de benen gewikkeld moesten worden. (Ik denk dat dat een erfenis was van wat de Engelsen droegen in India, toen dat een Engelse kolonie was).  Elke volgende wikkel moest precies een voorgeschreven afstand tot de vorige hebben. Ik zie nog moeder op de knieën bezig om die dingen om vaders benen te wikkelen. Zulke      
uniformonderdelen lijken me heel erg handig (!) als je in een oorlog plotseling op de vijand af moet, of nog erger, als die op jou afkomt.

Op 10 mei 1940 maakte moeder mij al vroeg wakker.”Opstaan, er is oorlog!”Op hetzelfde moment hoorde ik vliegtuigen dreunend overkomen. “Vader is opgeroepen en moet proberen om Den Haag te bereiken.”

Wat hij daar moest doen, .......niemand wist het. Het was allemaal heel verwarrend. Vader weg, hoe was het met hem, moest hij vechten?......... Maar hij had niet eens een geweer.
Moeder bleef kalm zoals altijd in kritieke omstandigheden.

Een Duitse colonne vrachtwagens kwam ’s morgens al vroeg vanaf de grens voorbij ons huis richting dorp. De volgende dag bleek, dat Franz, de Duitse chauffeur van mijnheer S., een spion was geweest. De motor, die hij van zijn werkgever had gekregen, had hij gebruikt om alle weggetjes vanaf de grens goed te leren kennen, zodat hij de Duitsers de weg kon wijzen als dat nodig was.  Mijnheer S. ontsloeg hem diezelfde dag op staande voet en hij nam dienst in het Duitse leger. Waarschijnlijk moest hij dat ook wel.

Na de oorlog kwam hij arm en berooid weer terug om mijnheer S. te smeken hem weer in dienst te nemen. Maar die was inmiddels overleden. Hij kwam dus bij vader en die vloekte hem het huis uit.

Op diezelfde eerste oorlogsdag  was vader ’s middags weer thuis. Ze (de luchtwachtjongens) waren tot Lichtenvoorde (zo’n 15 km) gekomen, op de fiets. Daar waren ze tegengehouden door de Duitsers, die hen na een uurtje ondervraging taxeerden als ongevaarlijk en terugstuurden naar Winterswijk, naar huis.

De volgende dag ging vader naar de twee bevriende NSB-echtparen, om ze te vertellen, dat de vriendschap uit was. Duitsland was onze vijand  en hoezeer het hem ook aan het hart ging, moeder en hij konden geen vrienden blijven met mensen, die heulden met de vijand. Ze hebben die vrienden na die dag nooit meer aangekeken op één uitzondering na. Maar dat was veel later en na de oorlog.

Winterswijk genoot het twijfelachtige voorrecht om procentueel het meeste aantal N.S.B.-ers van Nederland te hebben. Daar zijn na de oorlog hele studies aan gewijd en boeken over geschreven.

Hoe kwamen die Winterswijkers zo Duitsgezind?

In de eerste plaats door de ligging vlak bij de grens. De Winterswijkers kwamen vaak op bezoek in Oeding, het eerste plaatsje na de grens, en de mensen uit Eunk, zoals het in dialect genoemd werd, kwamen vaak naar Wenters. Ze vierden samen kermis, er werd gevreeën en getrouwd en bovendien was de taal aan beide kanten van de grens ongeveer hetzelfde. Ze verstonden elkaar uitstekend, in alle opzichten.
Maar er liggen meer plaatsen dicht bij de grens en daar bleef het aantal N.S.B.-ers bescheidener. Wat maakte Winterswijk dan tot een uitzondering?

Dat kwam vooral door Dr. Bos. Dr. Bos was een heel geliefde veearts, de helft van de bevolking was boer en had dus de dokter regelmatig over de stalvloer. Hij had een grote invloed, was actief lid van de N.S.B en overtuigde de boeren van de goede tijden, die ze tegemoet zouden gaan als de N.S.B. het voor het zeggen kreeg. Daarom moesten ze lid worden. En een heleboel van die mensen zeiden:”Nou, als dokter het zegt, dan zal het wel goed zijn. Schrijf me maar op als lid”.
En zo kwam het, dat 22% van de Winterswijkse bevolking N.S.B.-lid was.

Dit heeft even niks met mijn vader te maken, maar soms is het nodig om een beetje uit te weiden over omstandigheden, die geleid hebben tot beslissingen, die mensen nemen.

In het midden van de twintiger en het begin van de dertiger jaren heerste er een grote recessie in de wereld. Veel mensen verloren alles wat ze hadden aan aardse goederen. Er heerste op grote schaal armoede en in Duitsland verscheen Hitler op het toneel, die de mensen een gouden toekomst voorspiegelde als ze in hem geloofden.
Het Duitse betaalmiddel van toen, de mark, was van dag tot dag minder waard geworden en de bankbiljettendrukpers draaide overuren. Een simpel brood kostte bijvoorbeeld op maandag 2000 marken en op dinsdag 3000.

Dat betekende, dat de  Duitse mark bijna niets meer waard was en dat het voor mensen, die woonden in een land met een sterke valuta (Nederlanders bij voorbeeld) in Duitsland supergoedkoop was.

Het gebeurde dan ook nogal eens, dat, als tante Cor uit school gekomen was, we in haar auto naar Bocholt gingen om kleren te kopen. Ik werd een keer alleen een winkel ingestuurd voor kniekousen. Ik verstond natuurlijk geen woord van wat de juffrouw achter de toonbank zei, maar ik wees op mijn kniekousen en ze beduidde mij, dat ik een vuist moest maken. Als daar de voet van de kous precies omheen paste, had je de goeie maat te pakken. Dit foefje heb ik nooit vergeten.

In die tijd had ik steunzolen nodig en daarvoor gingen we naar het academisch ziekenhuis in Münster, waar ze die dingen in één dag voor je maakten, inclusief een gipsafdruk van je voet. Vader, die behoorlijk Duits sprak, had daarvoor telefonisch een afspraak gemaakt. Toen had ik daar geen idee van, maar nu denk ik, dat het met de goedkope prijzen te maken had. In die tijd hadden we in Nederland (en ik denk dat dat ook voor andere landen gold), nog geen uitgebreide ziekteverzekering tegen van alles en nog wat, zoals tegenwoordig. Iedereen draaide dus zelf voor alle kosten op.

Vader was superbezorgd over zijn gezin. Hoe moest hij ze veilig de oorlog doorloodsen? Zorg voor anderen was een karaktertrek, die hij altijd al wel had gehad, maar die in die tijd sterk naar voren kwam. Moeder plaagde hem er mee. Ze zei vaak: “Jij bent pas gelukkig als je je zorgen kunt maken”. Zo was het wel een beetje. Maar die voortdurende zorg leidde vaak tot overbezorgdheid en dat merkten mijn zus en ik terdege. We werden heel strak gehouden.

Want stel je voor, wat ons in deze barre tijden allemaal zou kunnen overkomen, als hij niet wist waar we waren en wat we deden? Ik denk, dat mijn zus dat minder gevoeld heeft dan ik, omdat ze bijna 6 jaar jonger was. Zij was aan het eind van de oorlog 9 jaar, ik 14. Op die leeftijd wil je niet de hele tijd je vader in de buurt hebben.  Maar ik ben ervan overtuigd, dat het alleen maar uit liefde voor ons was. Maar tja, als je jong bent, zie je dat soms een beetje anders.

Ik mocht nooit naar de bioscoop, want daar zag je Duitse propaganda,  ik moest op tijd voor het eten thuis zijn (wel logisch maar lastig), maar mocht daarna de deur niet meer uit. “’s Avonds was het gevaarlijk buiten”, vond hij. Onzin natuurlijk, op mooie zomeravonden wilde je graag nog wat buiten spelen. Iedereen deed dat toch?  Maar hij was niet gerust over wat we uitspookten, en stond erop, dat we thuis bleven.
Ik wilde, ik was toen net 12, graag lid van de hockeyclub worden,  was één keer mee geweest naar een wedstrijd, maar toen was het ook meteen afgelopen. Het mocht niet. Stel je voor wat er gebeuren kon tijdens een uitwedstrijd, hij moest er niet aan denken. Ik kon me daarbij niks voorstellen, maar al mijn protesten hielpen niet.

In de zomer van 1947, het was toen dus al na de oorlog, had onze HBS een uitwisselingsprogramma met een stad in Engeland. Onze 4e klas was uitgenodigd om een weekje te komen logeren bij gastouders in Wrexham. Iedereen was enthousiast, de hele klas ging er heen, maar......je snapt het al..........ik moest thuisblijven. Als enige! Thuisblijven! Tranen en stampvoeten, van teleurstelling en woede, maar het hielp niet.

Ik was bij de padvinderij, waar o.a. een afdeling blauwe vogels was. Dat waren gehandicapte padvindsters, die in de zomer van 1946 een kamp organiseerden op de Veluwe. Om die minder valide kinderen te helpen werd de hulp gevraagd van hun mede-padvindsters. Het leek mij geweldig om daar een week naar toe te gaan, maar, je begrijpt het al, ik mocht niet.

Achteraf bekeken was het niet wijs om kinderen zo kort te houden. Ik denk, dat je ze juist moet leren om zelfstandig te zijn, om zich zelf te redden en ook voor hun eigen doen en laten verantwoordelijk te zijn. Hij nam – uit liefde - die verantwoordelijkheid van ons af, met als gevolg, dat ik, toen ik naar Amsterdam ging om te studeren, nog moest leren op eigen benen te staan en voor mezelf op te komen. Dat heeft best moeite gekost.

Vader zorgde er tijdens de oorlogvoor, dat er altijd voldoende te eten was. Niet alleen voor ons, maar voor de hele familie. Dat was trouwens voor niemand in Winterswijk echt een probleem, want iedereen kende wel een of meer boeren, die eieren, melk en spek, rogge voor pap of andere etenswaar hadden, die je betaalde of kon ruilen. Ruilhandel was heel erg “in”. Ik heb me wel erg verbaasd over alle boeren die hij kende. Had ik vroeger nooit iets van gemerkt.

Vader had een perfect ruilmiddel: steenkolen.  Er viel met de kolenboeren, die nog mondjesmaat kolen aangevoerd kregen, wel wat te ritselen. Als het er echt op aan kwam, bijv. om een kwart koe van een clandestiene slachting te bemachtigen, dan wilde een kolenboer vader wel een plezier doen door een mudje kolen bij de betreffende landbouwer achter de deur zetten. Daar stond natuurlijk wel weer wat van vaders kant tegenover. De ene hand waste de andere.

Het jaar 1942 was een jaar van bijzondere gebeurtenissen.

Grootmoeder Egberts overleed in februari, 72 jaar oud. Ze was korte tijd ziek geweest.  Opa en tante Cor bleven achter in een huis, dat toch schoongehouden moest worden en elke dag een maaltijd zou ook niet gek zijn. Natuurlijk konden ze wel bij ons eten, maar er werd een betere oplossing gezocht. Die kwam met de komst van Juffrouw W., de moeder van Oom Jan, die met tante Fien, een andere zus van moeder, was getrouwd. Juffrouw W. was weduwe en woonde in bij haar jongste zoon en schoondochter. In hun huis had ze een kamer op de bovenverdieping. Ze voelde zich overbodig en was dolblij, toen Oom Jan haar vroeg om bij Opa en tante Cor te komen wonen en de huishouding te doen. Ze zei later: “Heerlijk, nu ben ik weer nodig. Ik voel me hier helemaal thuis.”

Maar er gebeurde meer dat jaar. Moeder werd in de zomer van datzelfde jaar ziek. Difteritis!  Ze werd opgenomen in het ziekenhuis in een geïsoleerde barak. Als wij op bezoek gingen moesten we buiten blijven in verband met besmetting. Het raam mocht open en zo konden we praten. Heel bijzonder. Het was gelukkig die zomer mooi weer.

Met de zaak ging het minder goed. Kolen waren er bijna niet meer, en katoen voor garens moest uit het buitenland komen en dat was onmogelijk. Transportverzekeringen waren dus ook niet meer nodig. De auto was al in de eerste dagen van de oorlog verdwenen, samen met die van tante Cor (verkocht aan de Heidemij, die nog wel een autovergunning had) en kolenreizen bestonden ook niet meer. Als het financieel al minder ging hebben wij daar nooit iets van gemerkt. Alles ging op dezelfde manier als altijd.

Een grote verandering voor vader vond plaats op 1 januari 1942.  Toen werd de zaak omgezet in een vennootschap onder firma, met twee firmanten: mijnheer S. en vader. Vader kreeg van de familie een bureau, dat door een bevriende timmerman werd gemaakt. Iets heel bijzonders in die oorlogsjaren.
Het was natuurlijk een verdiende beloning voor vader om in de zaak opgenomen te worden,  want hij had 20 jaar heel hard gewerkt en veel nieuwe klanten aangebracht. Maar er was nog een tweede reden; mijnheer S. ging trouwen. Dat was nog eens nieuws! Juist omdat wij zo dicht bij elkaar leefden en er thuis natuurlijk eindeloos over werd gepraat, kregen wij kinderen er het nodige van mee.

Dat omzetten in een firma was ook een voorzorgsmaatregel, want als een van beide firmanten iets overkwam, kon de zaak gewoon (nou ja, gewoon....) blijven bestaan.

De kersverse Mevrouw S. kwam uit Rotterdam en moest na haar huwelijk haar weg zien te vinden tussen de plaatselijke fabrikanten-, notaris- en artsenvrouwen, onze dorpse elite. Ze had het er moeilijk mee, bleek later, maar dat ging toen helemaal aan ons voorbij; wij vonden haar in het begin helemaal niet aardig, ook al kregen we op onze verjaardag altijd een mooi boek van haar. Zij vond dat dorpse gedoe maar beneden haar Rotterdamse standing.

Vader moest, vooral in het begin toen de situatie nogal onwennig was, tussen allerlei gevoeligheden door laveren en dat lukte hem aardig. Zo had ze de gewoonte om elke dag urenlang met haar zuster te bellen, daarbij de telefoon van de zaak blokkerend. Haar echtgenoot vond het vervelend om haar dat te verbieden, dus dat was een werkje voor vader. Hij kon heel diplomatiek zijn als het nodig was en het lukte hem om haar op een vriendelijke manier ervan te overtuigen, dat ze die telefonades beter ’s avonds kon plegen.

In die tijd kregen we op een avond huiszoeking door de NSB. Ze hadden gehoord, dat we een radio hadden. Al vrij vroeg tijdens de bezetting moesten alle radio’s ingeleverd worden, want de bezetters verboden het luisteren naar Engelse zenders of radio Oranje (vanuit Londen). Het was toen met die radio’s niet zoals nu, nu elk gezin een stuk of wat van die dingen heeft. Een radio was nog iets bijzonders en lang niet iedereen had er een. Vader had een oud radiootje gekocht en dat ingeleverd en onze eigen radio verborgen in een slaapkamerkast. Er overheen stond de oude kap van een grote schemerlamp. De radio werd tijdens die huiszoeking niet gevonden. Er was een Nederlandse agent van politie bij, die “goed” was. Na de oorlog zei hij grijnzend tegen vader: “We waren bij jou niet zo erg mis, dacht ik. Ik heb de radio wel gezien, hoor. En bovendien had je wel meer dingen in huis, die toen hoogst gevaarlijk waren”.

We zijn er nooit achtergekomen, wat “ze” nog meer zochten, want “ze” haalden het hele huis overhoop., maar er werd niets gevonden. Vader was een voorzichtig mens. Hij is daarna een poosje ondergedoken geweest.

Na de luchtlandingen bij Arnhem in september 1944 werd het leven moeilijker. Het huis van Opa en tante Cor werd “gevorderd”, d.w.z. ze kregen ’s avonds bericht van de bezetters, dat ze er de volgende morgen uit moesten zijn met achterlating van alles wat erin stond. Er zouden “vluchtelingen” uit het westen in komen. Het bleken een Duitse moeder en dochter te zijn, die liever een beetje dichter bij de Duitse grens woonden. Was het nodig, dan kon je gauw in Duitsland zijn.

Opa en tante Cor kwamen bij ons wonen. Juffrouw W. ging naar haar zoon terug. Jammer voor haar, maar het kon niet anders.

Onze HBS werd gesloten, er kwamen Duitse militairen in. We zijn van september 1944 tot na de zomer van 1945 niet naar school geweest, want na de bevrijding kwamen er Canadezen in.  Iedere leerling ging dat jaar automatisch over. Degenen, die in de 5e klas zaten, kregen hun einddiploma gratis en voor niks, zonder examen te doen. Wij benijdden die bofkonten, maar het was niet allemaal zonneschijn, want wie ging studeren merkte al gauw, dat er toch wel gaten in de kennis zat.

Tijdens de periode dat de school gesloten was, kregen de leerlingen, die in Winterswijk woonden en die bereikbaar waren, korte tijd provisorisch les van eveneens in Winterswijk wonende leraren. Die lessen werden gegeven o.a. in een café, waar we bij luchtalarm achter de tapkast gingen zitten. Het heeft maar kort geduurd. Toen hield ook dat op.

Meteen na de bevrijding meldde Vader zich bij het Militair Gezag. Dat was een organisatie, die door de Nederlandse regering in London tijdens de bezetting was voorbereid.  Dit om te voorkomen, dat er direct na de bevrijding een gezagsvacuüm zou ontstaan. Via het ondergrondse netwerk was in elke plaats zo´n MG gevestigd, dat klaar stond om het bestuur tijdelijk over te nemen. De commandant daarvan was meestal een bekende plaatsgenoot, die in de oorlog verzetswerk had gedaan.

Tijdens de oorlog was beslist, dat in Winterwijk alle NSB-ers zouden worden opgepakt en opgesloten in Kamp Vosseveld, even buiten het dorp.. Daar zouden ze blijven totdat ze berecht zouden worden. Vader zou commandant van dat kamp zijn totdat de firma weer zou gaan draaien. Het was meteen een prachtige overbrugging van de tijd, dat er in de zaak niets te verdienen was.

In die wilde tijd vlak na de oorlog gingen er veel dingen niet zoals het hoorde. Mensen speelden eigen rechter en gingen hun NSB-buren te lijf, waarmee ze nog een appeltje te schillen hadden. Vrouwelijke NSB-leden werden kaalgeschoren. Vader was rechtvaardig en hoezeer hij ook de pest had aan alles wat NSB-er was, hij probeerde excessen zoveel mogelijk te voorkomen. Dat lukte niet altijd, omdat vooral sommige bewakers, die onder zijn bevel stonden, meenden, dat ze de gevangenen konden mishandelen. Er ging dus best eens wat mis, waarvan vader, verantwoordelijk voor de gang van zaken, de schuld kreeg, maar naarmate de bewaking beter georganiseerd werd, kwam het steeds minder voor.

Hij heeft er een geweldige klus aan gehad, want hij begon in een uitgewoond kamp waarop verwaarloosde barakken stonden, zonder water en sanitaire voorzieningen, zelfs zonder afrastering. Om het kamp enigszins bewoonbaar te maken, ging er in de eerste dagen na de bevrijding een optocht van bewakers in de meest bizarre uniformen naar toe, die een oogje moesten houden op de gearresteerde NSB-vrouwen, die gewapend met watertanks, emmers en bezems het kamp moesten schoonmaken. Loodgieters en andere vaklui volgden en binnen 4 dagen was het zaakje gepiept, tenminste provisorisch. De NSB-ers konden erin.

Het aantal bewoners van het kamp groeide spectaculair en na een paar maand zaten er wel 600 gevangen, van simpele NSB-ers tot SS־moordenaars. De laatste waren in september 1944 naar Duitsland gevlucht en kwamen nu terug, samen met “goede” Nederlanders, die verplicht in Duitsland hadden moeten werken of er gevangen hadden gezeten. In Winterswijk was een opvangcentrum voor deze mensen, die eerst allemaal ontluisd moesten worden. De oorlogsmisdadigers werden er uitgepikt en bij vader in het kamp opgesloten. De andere mensen werden ondergebracht in de leegstaande scholen, in afwachting van hun vertrek naar huis, maar dat duurde nog even want het westen was nog niet bevrijd. Dat gebeurde op 5 mei.

Tot het eind van 1945 was vader kampcommandant,  toen nam hij ontslag omdat de zaken op kantoor weer voorzichtig begonnen te lopen. Hij kreeg van het Ministerie van Justitie nog wel het verzoek om directeur te worden van de Strafgevangenis in Leeuwarden, maar dat heeft hij geweigerd. Hij had zich in deze tijdelijke baan als een vis in het water gevoeld. Het opzetten vanuit het niets van een kamp met honderden gedetineerden vroeg veel organisatietalent en creativiteit. Hij had beide. Maar gevangenisdirecteur als baan, nee dank je wel!

Er bestaat een boek “Winterswijk in oorlogstijd”, met daarin verhalen van verschillende mensen uit Winterswijk over hun belevenissen in en direct na de oorlog. Toen het uitgegeven werd was vader al overleden, maar ik had een officieel verslag gevonden, dat hij op verzoek van Justitie had geschreven over de gang van zaken in Kamp Vosseveld. Dat is opgenomen in het boek. Hij vertelt daar in de ambtelijke taal van 60 jaar geleden, wat er allemaal gebeurd was bij de inrichting van het strafkamp en het reilen en zeilen daarna.  Een document, dat de tijd van vlak na de oorlog goed karakteriseert.

In 1946 overleed mijnheer S. Zijn aandeel van de zaak ging over op zijn vrouw en zij en vader waren toen eigenaar en compagnon. Vader ging weer op “kolenreis” en bezocht de fabrieken. Hij was het gezicht naar buiten, mevrouw S. deed de administratie.

In Winterswijk werd een afdeling van Rotary International opgericht. Vader werd als lid gevraagd en was daar erg blij mee. Hij zag het als een opneming in de groep mensen van ons dorp, die naar zijn mening de dienst uitmaakte. Hij werd ook lid van de kegelclub, waarvan diezelfde mensen lid waren. Hij is zelfs nog lid geweest van de tijdelijke gemeenteraad.

De zaken op het kantoor van de Firma S. begonnen weer goed te lopen, er was in het land een schreeuwend gebrek aan o.a. kolen en textiel en juist die goederen werden door de firma geleverd. De toekomst zag er veelbelovend uit na de grauwheid van de oorlog.

Toen werd moeder ziek in het najaar van 1947. Ze werd vlak voor Sinterklaas opgenomen in het ziekenhuis, maar de doktoren gaven geen uitsluitsel. Ze wisten niet wat er aan de hand was. Op een dag werd bij ons een grote wasmand afgeleverd vol met sinaasappels. Die waren toen nog heel weinig te krijgen, dus de vraag was hoe kwamen die bij ons en waarom? Het raadsel werd al snel opgelost. Moeder was jarenlang lid geweest van de oudercommissie van de school C, de basisschool van mij en later van mijn zusje. Daar was het gerucht verspreid, dat moeder alleen beter kon worden door het eten van veel vitamines. Aan alle schoolkinderen was toen gevraagd één sinaasappel mee te brengen.
Heel ontroerend, maar het heeft niet geholpen.

Het leek iets beter te gaan tegen de Kerstdagen, die we samen thuis beleefden. Maar in januari ging het weer mis en ze ging naar het ziekenhuis in Zutphen, waar leukemie werd geconstateerd. In die tijd was er geen enkele behandelmogelijkheid en ze stierf op 15 februari 1948, 44 jaar oud. Ons hechte gezinnetje was helemaal lamgeslagen door het verdriet.

Heel tekenend voor vader was, dat hij een paar weken na moeders overlijden naar de oude vrienden van voor de oorlog ging. Een van hen was meer dan 20 jaar de beste vriendin van moeder geweest, maar door hun lidmaatschap van de NSB was het contact verbroken. Ze hadden elkaar tijdens de oorlog nooit meer gesproken. Nu vond vader het moment gekomen om moeders oude vriendin nog een keer op te zoeken en te vertellen over de laatste jaren en de manier waarop Sies gestorven was.

De huishouding liep intussen door. Ons dienstmeisje, Riekie, zorgde ervoor, dat alles schoon bleef, ik kookte zo goed en zo kwaad als dat ging en verder gingen we gewoon naar school. Het was een paar maanden voor mijn eindexamen HBS.

Als ik ’s avonds mijn huiswerk maakte, ging vader soms naar mevrouw S. voor overleg over de zaak. Dat soms werd al gauw: elke avond. Hij kwam dan tegen een uur of 11 weer thuis, ik dronk een glaasje fris en hij een borrel en dan begon hij te praten. Urenlang. Nu achteraf begrijp ik dat hij een klankbord zocht voor allerlei tegenstrijdige gevoelens. Want binnen een paar maand vertelde hij, dat hij met mevrouw S. zou gaan trouwen, wat ik al had zien aankomen. Ik mocht er nog met niemand over praten.
Moeder en hij hadden zielsveel van elkaar gehouden en hij voelde het als een soort verraad om zich zo snel weer te binden aan een ander. In onze gesprekken probeerde hij zijn gevoelens onder woorden te brengen. Ik denk, om er voor zichzelf helderheid in te krijgen. Ik heb op die avonden heel veel gehuild en voelde me ellendig als we tegen één uur gingen slapen.

Toen het in de familie bekend werd, dat vader weer ging trouwen, werd er verdrietig maar vooral boos gereageerd. “Hoe kan Jan dat nu doen? Zo gauw, nadat Sies is overleden”, ik hoor het tante Fien nog zeggen. Vader had het heel diplomatiek aangepakt om mij in de gesprekken op de late avond te vertellen, wat er in hem omging. Hij probeerde mij tot bondgenoot te maken en dat is voor een deel wel gelukt. Maar moest ik hem verdedigen tegenover de familie van moeder, die mij vroeg wat ik er nou van vond? Ik zat in een spagaat.

En ook al snapte ik wel, dat de familie het heel erg vond, - dat vond ik zelf ook -  aan de andere kant begreep ik, dat het voor hem moeilijk was om dagelijks met zijn compagnon – mevr.S. - op kantoor te zitten en samen de zaak te leiden, zonder dat je dichter naar elkaar toe groeide. Bovendien was er mijn jongere zusje, die 11 jaar was en een moeder nodig had, dacht hij.

Het was een heel verwarrende tijd. Een paar maand later deed ik eindexamen en gelukkig slaagde ik. Maar het was geen feestdag. Bij de diploma-uitreiking was er niemand van de familie. Vader zat op kantoor en ik ben naar hem toegegaan om mijn diploma te laten zien. “Fijn meid, gefeliciteerd”. En dat was het.

Het huis van mijnheer S. werd verbouwd, er kwam een verdieping bovenop.  Op 14 september 1949 trouwden vader en mevrouw S. in stilte, zonder dat er iemand van de familie bij aanwezig was. We noemden haar inmiddels tante Corrie en nu ze getrouwd waren was het Mam. De erenaam “moeder” was maar voor één bestemd geweest.

Ons vertrouwde huis werd ontruimd en we verhuisden naar het buurhuis, dat veel meer ruimte had.

Een nieuw leven begon voor ons allemaal.

Mevrouw S., “mam” deed erg haar best. Maar opeens, behalve een man,
ook nog eens 2 dochters van 13 en 18 jaar is wel wat veel als je nooit
kinderen hebt gehad en erg gesteld bent op je privacy. Die kinderen
deden zoals ze hun hele leven gewend waren geweest en dat botste
nog al eens.

Er waren vaak problemen en vooral mijn zus heeft een heel moeilijke tijd gehad.  Vader was de rots in de branding en moest beide kanten te vriend houden. Dat schipperen lukte hem aardig, maar het was niet altijd makkelijk. Heel veel heb ik daarvan niet meegekregen, want na thuis mijn ontbrekende kennis voor het Staatsexamen Gymnasium aangevuld te hebben, ging ik naar Amsterdam om rechten te studeren.

Vader schreef me elke week een brief, waarin de nieuwtjes van de afgelopen week werden verteld. Heel gezellige brieven, maar zijn bezorgdheid kreeg altijd de overhand en hij kon het niet laten om mij steeds weer te waarschuwen voor alle gevaarlijke dingen van de grote stad. Dat zat er gewoon ingebakken. Lastig maar lief.

Na hun huwelijk werd de zaak door vader en mam nog ruim 10 jaar voortgezet. Toen was er de mogelijkheid om het bedrijf te verkopen. Er was geen opvolger en dit was een mooie gelegenheid om het wat rustiger aan te kunnen doen. Niet alleen de zaak, maar ook het huis was bij de koop inbegrepen.

Er werd een boerderij buiten het dorp gekocht, die grondig verbouwd werd. Er was een flinke lap grond bij en vader ontdekte een nieuwe hobby: tuinieren. Ze werden opgenomen in de noaberschop van de buurt.
Daar leefden ze hun rustige leventje: tuinieren, lezen, kegelen, een paar keer per jaar met vakantie, naar de schouwburg en af en toe een concert. Over dat kegelen bestaat een leuk verhaal. Vader had een prachtig wit gebit. Op een avond toen de heren de kegelclub verlieten was het buiten aardedonker en een van de leden zei: “Zeg Jan, lach eens even, dan kunnen we tenminste iets zien”. Vader vertelde dat verhaal graag. Hij was maar wat trots op zijn mooie tanden.

De Mercedes werd later, toen ze minder ver op vakantie gingen, ingeruild voor een bescheidener auto. Ze zouden in het vervolg vliegen. Maar vader had enorme vliegangst. Er is dan ook maar één keer gevlogen, naar Marbella in Spanje. Dat was eens maar nooit weer. Hoewel hij er achteraf heimelijk wel trots op was, dat hij dat toch maar gepresteerd had. Hij zou niet nalaten om het in een gesprek te noemen, voorbijgaand aan het feit, dat vliegen voor bijna iedereen heel normaal is. Hij vond, dat hij een unieke prestatie had geleverd.

Hij werd ziek in december 1977. Ziekenhuisopname, eerst in Winterswijk, later in Deventer. Hij had prostaatkanker en al gauw bleek, dat hij niet weer beter zou worden. Hij ging terug naar zijn geliefde Winterswijk en stierf daar op 23 februari 1978.

Mam kocht een huis in het dorp en heeft daar een aantal jaren alleen gewoond, geholpen door haar “oude” dienstmeisjes, Truus en Willy, twee zussen, die al tientallen jaren voor vader en mam gezorgd hadden. Al in 1951  kwam Truus, daarna, toen ze drie jaar later ging trouwen, kwam  haar jongere zus Willy. Toen die aan de beurt was om te trouwen, kwam Truus weer terug. Uiteindelijk verdeelden beide zussen onder elkaar het werk, maar ze bleven komen. Toen vader voelde, dat het niet goed ging met zijn gezondheid, heeft hij hen gevraagd om voor mam te blijven zorgen als hij er niet meer zou zijn. Dat hebben ze allebei beloofd en die belofte hebben ze gehouden.

Toen Mam niet meer in staat was om alleen te blijven wonen verhuisde ze naar een bejaardenhuis. Toch bleven de beide zussen ook daar elke dag komen. Bewonderenswaardig.
Mam overleed op 3 mei 1993.

ONS HUIS, ONZE BUURT

Met dank aan Riet Addink-van den Berg voor het mogen plaatsen

We woonden in een vrijstaand huis, met een tuintje voor en achter. (Kottenseweg)
Naast ons woonde mijnheer S., eigenaar van een zaak, die handelde in garens voor de industrie (spinnen en weven), in steenkolen en verzekeringen. Mijn vader werkte daar sinds zijn 20e en bleek het goed te doen.
Toen moeder en vader trouwplannen hadden liet mijnheer S. een huis voor hen bouwen op
een stuk grond van zijn eigen terrein.

Dat huis was, na het grote huis van de heer S., het eerste dat gebouwd werd aan die kant van onze weg. Ervoor was een brede sloot, ernaast waren weilanden. Het werd gebouwd met als opdracht: simpel maar netjes.

In die tijd bestonden badkamers in “gewone” huizen nog niet. Je waste je bij de wastafel en had je die ook niet, dan in de keuken. Mijn zus en ik werden zaterdagsavonds gewassen in de achterkamer met een teiltje warm water. Ons huis had een portiek, dat was bijzonder en had niet iedereen.
Nu denk ik, dat het optisch een stukje van de lange gang afsnoepte, die anders nog langer geleken zou hebben. Hij was tamelijk breed, en lag naast de voorkamer. Halverwege die gang was een deur, daarachter werd-ie smaller. Rechts was de trap naar de slaapkamers, erg steil, links de achterkamer en recht vooruit de keuken. Opzij van de keuken en achter de achterkamer was de schuur. Boven waren 3 slaapkamers en een luik, waar je een trap tegenaan zette om op de vliering te komen. Zo lang ik er woonde - en dat was tot mijn
18e - ben ik er nooit geweest.

Na een aantal jaren kregen we een bad.......op de kamer van mijn zus en mij. Het was een noodoplossing, want ruimte voor een badkamer was er niet. Dat bad kwam er, omdat ik als kind astma had. Onze huisarts dacht, dat ik minder benauwd zou zijn, als ik regelmatig wisselbaden kreeg. Toen dat bad er was, werd ik ’s morgens zo uit bed onder de warme douche gezet, die ging na een minuutje uit, en hoppa......de koude kraan ging aan. Na een week was ik echt doodziek.

Al heel gauw na de oplevering werden er meer huizen gebouwd en ik ken onze weg alleen maar met huizen aan beide kanten.
De sloot werd gedempt en er kwam riolering. Het mooiste waren de bomen aan beide kanten. Grote statige eiken, prachtig om te zien, maar in de herfst mopperde vader, als de tuin weer
vol lag met afgevallen blad. Hij was (toen) geen tuinier.

Jammer genoeg werden de bomen in de oorlog omgehakt. Was dat voor brandhout? Geen idee. Ik vond het wel verschrikkelijk jammer, want het (in mijn ogen) bijzondere van de weg was nu verdwenen.

Met mijn buurjongen had ik een spelletje bedacht. Henkie ging al naar de “grote” school, maar voordat hij ’s morgens vertrok, tekenden we met een stokje in het zand tussen de bomen een kippenhok met legnesten en eieren daarin.  Die eieren waren putjes in het zand. Als hij uit school kwam keken we of de eieren niet vertrapt waren en hoeveel er over waren. Hoe verzin je het! Het heeft toch een diepe indruk bij me achtergelaten. Ik zie het nog zo voor me.

Er woonden verder niet veel kinderen op onze weg. Behalve Henkie, mijn buurjongen, mijn zus en ik waren er verderop nog een paar oudere jongens, die we nauwelijks kenden. Nee, om te spelen moesten we naar de Eelinkstraat.

Het was net bij ons om de hoek. Daar waren we met minstens 15 kinderen en we speelden op straat. Iedere dag, zomer en winter.

Dat kon best, want auto’s waren er niet of nauwelijks. Verstoppertje, balspelletjes, boompje verwisselen en in de winter sleeën. Een hele rij sleetjes achter elkaar, die aan de auto van de wijkverpleegsters gebonden werd. Dat was de enige auto in de straat en als we het heel vriendelijk vroegen mocht dat wel eens. Iets om nog lang over na te praten.

Het was wat je een keurige buurt noemt. De meeste huizen waren vrijstaand, een paar twee-onder-één-kappers waren erbij, maar omdat we aan de rand van het dorp woonden, hielden de huizen al gauw op en liep je nog wat verder, dat kwam je bij de boerderijen.

Bij de volgende bocht in onze weg, die naar de Duitse grens liep, was een kruising van 3 wegen. In het midden was een grassig driehoekig stukje land en daarop lag een grote houten driehoek, waarvan de schuine zijden minstens 10 meter lang waren. Het was een soort slee, waar in de winter een paard voor gespannen werd. Het gevaarte werd dan over de wegen getrokken, waar in mijn herinnering elke winter dikke pakken sneeuw lagen. Die “slee” duwde de sneeuw in het midden van de weg tot een dikke sneeuwkoek in elkaar en het overtollige werd in de goot gedrukt. Dat was nog eens milieuvriendelijk sneeuwruimen!

Wat is me bijgebleven van die jaren onbezorgd spelen? Eigenlijk alleen een gevoel van vrijheid en kunnen doen wat je wilde. Hadden we geen zin om in de Eelinkstraat te spelen dan trokken we het veld in: slootje springen, dikkoppen vangen, kattenkwaad uithalen.

Vooral in de winter gingen we met de slee naar een aflopend bospad, waar je heerlijk naar beneden kon suizen.
Maar een paar gebeurtenissen springen er nu nog uit.

Dat was in de eerste plaats de aanrijding.

In onze straat woonden 2 wijkverpleegsters in het Golshuis. Vraag me niet waarom dat zo heette, ik weet het niet. We kenden de zusters niet erg goed, maar het bijzondere was, dat ze een auto hadden.

Op een dag waren we weer aan het spelen. Henk, het jongere broertje van mijn vriendin rende de straat over, juist toen een van de verpleegsters er aan kwam. Een botsing was het gevolg, Henk werd door de auto geschept en rolde als een bal een eind weg. Bliksemsnel kwam de zuster uit de auto en was helemaal de kluts kwijt. In plaats van professionele hulp te verlenen, riep ze maar steeds:”O, die arme jongen,  die arme jongen toch”.  Ik heb me daar erg over verbaasd. Gelukkig had Henk niets ernstigs, tenminste ik kan me daar niks van herinneren.

Het tweede geval was griezeliger.

Een eind terug in de straat was een paard op hol geslagen.  Toen het verblinde paard langs de plek stormde waar wij stonden, was de voerman van de wagen gevallen en bonsde tussen de achterbenen van het beest en de wagen heen en weer. Ik zie nog, hoe hij zijn armen om de dissel had geslagen, zijn benen sleepten achter hem aan en bij elke galop van het paard sloeg zijn hoofd tegen de wagen. Wij staarden er verstijfd van schrik naar. Even verder kon hij zich niet meer vastklemmen, hij liet los, en de wagen reed over hem heen. Het paard denderde verder en werd even later tot staan gebracht door een boer, die toevallig langsfietste. Ik weet niet, hoe het met de voerman is afgelopen.

We hebben tijdens de oorlog met een stel meiden geholpen in de keuken van het ziekenhuis. Mevrouw van de dokter (die dokter was geneesheer-directeur van het ziekenhuis, dat vlak bij lag) vroeg ons om boontjes af te halen.
Voedselschaarste kenden we niet, maar ’s winters kon de groente wel eens moeilijk te krijgen zijn. Ook het ziekenhuis had daarmee te maken.  Gelukkig was er een grote moestuin, waar van alles gekweekt werd en ook bonen. Slabonen, tuinbonen, snijbonen, peulen en erwten In gigantische hoeveelheden. Die moesten worden afgehaald. Daarna werden ze geweckt of ingemaakt, maar dat was niet onze taak. Wij haalden alleen maar af, urenlang, dagenlang, wekenlang. Het was mooi weer, dus we zaten buiten achter de ziekenhuiskeuken. Af en toe kwam daar iets lekkers uit om te eten of te drinken. En aan het eind van de dag mochten we
soms een maaltje mee naar huis nemen.

Het spelen op straat werd langzamerhand minder toen we ouder werden en de meesten naar HBS of ULO gingen. Tenslotte voelde ik me te groot worden voor dat kinderachtige gedoe.
Maar de fijne herinneringen blijven.

BEKEURING

 

"Halt,afstappen!!"
Maria schrok zich een ongeluk, Politie!
En die vroeg natuurlijk waarom ze geen brandend licht had aan haar fiets. Tjaa, de lamp was uitgegaan. De agent zou maar voelen en hij zou merken dat de kap van haar carbidlantaarn nog heet was. Dat was hij nog inderdaad. Misschien zat er geen water meer in of misschien was de carbid op. In elk geval hij gaf geen licht meer. Nou ja, de agent zou het nog door de vingers zien. Deze keer zou ze er zonder bekeuring afkomen. Maar...............ze moest natuurlijk verder lopen. Ofschoon ze blij was dat ze geen bekeuring kreeg was een wandeling helemaal in haar eentje naar Oeding natuurlijk ook niet erg aanlokkelijk voor een jong meisje. Haar vriendinnen waren al langzaam doorgefietst, ze waren al een heel eind verder intussen, maar om nu alleen verder te lopen.........??
De agent stapte weer op z’n fiets en reed de andere kant op. Even wachtte Maria nog en toen leek het haar veilig en ging ze met een spurt in het donker achter haar vriendinnen aan.
Maar ze had ze amper ingehaald of weer klonk het in haar oren: "Halt afstappen" .
Dezelfde agent. Z’n preek die ze amper verstaan kon, begreep ze des te beter. Waarom ze toch gefietst had, hij had haar nog zo gezegd.... Enfin, Maria kreeg een bekeruing! Maar ze had natuurlijk geen drie gulden bij zich, daarom kreeg ze van de agent te horen dat ze binnen drie dagen het geld op het bureau moest brengen. Maria ging met lood in de schoenen. Ze wist dat haar moeder het geld niet missen kon. Drie gulden, het was nog al wat. Ze hadden het al zo moeilijk op hun kleine boerderijtje. Het was al ontzettend moeilijk telkens weer de pacht bij elkaar te krijgen die de Fürst opeiste.

SCHULDGEVOEL

Het gebeurde in de dertiger jaren. Maria ging niet weer naar Winterswijk om het geld naar het bureau te brengen. Maar ze durfde ook niet weer de grens over. Stel je voor dat ze haar pakten. Dan werd de boete nog duurder, misschien wel verdubbeld. Maar Maria zat er vreselijk mee. Het stuitte haar tegen de borst, geen boete betalen. En hoe langer het duurde hoe meer het schuldgevoel groeide.
Intussen begon Hitler zijn grote oorlog. Hij veroverde Polen, later geheel West-Europa. Maar Maria bleef met haar schuldgevoel zitten. Duizenden doden waren er gevallen. De mensheid had zich beladen met schulden. Maar Maria had nog steeds niet haar boete betaald. Duitsland trok ten strijde tegen Rusland. Haar eigen broer moest mee en zwierf maandenlang in z’n eentje door het grote land. Als krijgsgevangene was hij gevlucht maar kon natuurlijk nergens heen. Negen maanden lang trok hij ’s nachts verder en probeerde ergens wat te eten te vinden en verstopte zich. Uiteindelijk liet hij zich toch weer gevangen nemen. Ondertussen zat Maria met haar moeder alleen op het boerderijtje. En al waren de landbouwprijzen, door de oorlog, wel wat beter, makk’lijk was het niet. Het werk kwam met veel moeite af maar de Furst verwachtte evengoed de nogal pittige huur. En altijd had ze de boete niet betaald. Niet dat ze er alle dagen nog aan dacht, maar vergeten kon ze het niet.

Intussen ging de oorlog door. Duizenden mensen stierven onder de puinhopen van de gebombardeerde steden. Miljoenen stierven op de slagvelden, evenzovelen werden gewoon vermoord in de concentratiekampen en Maria zat nog steeds bij haar oude moeder op haar boerderijtje  en de boete was nog niet betaald. Eindelijk was de oorlog voorbij. Na jaren in Russische krijgsgevangenkampen te hebben gezeten kwam Maria’s broer thuis. Maar veel kon hij niet helpen op de boerderij. Hij ws ziek en had z’n krachten verloren. Maria werkte maar door. Haar enige verzetje was haar zondagse kerkgang. Haar broer werd bedlegerig en al kreeg hij een bescheiden uitkering, de huur van het boerderijtje moest toch ieder jaar bij elkaar gebracht worden. Later ging de grens naar Nederland weer verder open en in de vijftiger jaren trokken de Duitsers op "Butterfahrt". Vanaf hun boerderijtje kon Maria de lange rijen auto’s zien die voor de grens in de file stonden. Allemaal gingen ze naar Winterswijk waar de koffie nog zo goed en zo "billig" was. Maar Maria kwam er niet. Ja, stel je voor, ze had immers nog nooit de boete betaald voor har bekeuring, wegens het toch fietsen op een fiets waarvan de carbidlantaarn niet meer branddde.....
Nee, haar schuldgevoel was Maria nog steeds niet kwijt geraakt. Het drukte haar nog steeds en al had zelfs de pastoor het niet zo erg gevonden, toch bleef Maria steeds met het idee zitten dat ze de boete niet betaald had.

PRAKKIZEREN
Jarenlang prakkizeerde ze zich suf hoe daarvan af te komen tot ze eindelijk in 1981 een kloek besluit nam: 48 JAAR na het gebeurde nam ze de pen op en met haar stijfgewerkte vingers probeerde ze de pen in de goede richting te krijgen. Brieven schrijven naar haar broer, tijdens de oorlogsjaren had ze wel gedaan, maar meer schrijven nooit. En met ietwat bevende letters kwam er in de brief te staan: "Sehr Geëhrte Poliziebehörde.
Es ist schon vor dem Weltkrieg gewesen da habe ich ein Protocll bekommen von 3 Gulden wegen der Lampe am Fahrrad, ich habe wohl licht gehabt, es war noch heiss, wie der Herr Polizist sie anfasste und hat mich auch gehen lassen......
En zo vertelt Maria haar verhaal verder. Ze sluit er tien mark bij in en zonder de brief te ondertekenen doet ze hem op de post. In het kleine mueseum dat men op het politiebureau heeft ingericht wordt de brief als curiositeit bewaard, met de tien mark.......
Laten we hopen dat Maria haar schuldgevoel kwijt is.

Bekeuring Maria

Maart 1989:
Politieman Uding en Willem Wilterdink overhandigen Maria Holtstegge een bos bloemen

DAT WAS EEN NACHT OM NOOIT

TE VERGETEN

 

Nieuwe Winterswijkse Courant Vrijdag 27 Januari 1967

NEGENTIG JARIGE HERMAN MEIJNEN UIT HET WOOLD VERTELT

INBREKERS VERANDERDEN HET HUIS IN EEN RAVAGE EN BONDEN ALLE INWONERS VAST. ZE VERDWENEN MET DE BUIT EN WERDEN NOOIT GEVONDEN

Helemaal achter in de buurtschap Het Woold, op het zogenaamde Wooldse veen,woont Herman Meijnen, oftewel Veander Herman zoals hij door de buren en bekenden wordt genoemd. Op 2 februari a.s.hoopt hij op boerderij "Veneman", die nu door zijn zoon en kleinzoon wordt gedreven, zijn negentigste verjaardag te vieren.
Hoewel het lang niet voor iedereen is weggelegd zo oud te mogen worden en bovendien nog een uitstekende gezondheid te genieten, was dit toch niet de reden dat we even bij hem op bezoek zijn geweest. Die reden lag ergens anders.
Al meer dan een halve eeuw geleden, om precies te zijn op 22 februari 1914 werd namelijk in de boerderij die hij toen bewoonde (Weideman in Kotten) een inbraak gepleegd. Op zichzelf is dit geval misschien niet eens de moeite waard om nu nog weer uit de doofpot te worden gehaald. Maar de manier waarop de inbraak is gepleegd, hoe die in zijn werk is gegaan, is zo interessant en boeiend, dat wij onze lezers deze geschiedenis niet willen onthouden.

’T GEBEURDE OP 22 FEBRUARI 1914
Het was die tweeentwintigste februari 1914 de gehele dag bijzonder slecht weer geweest. De regen was met bakkenvol tegelijk naar beneden gekomen, terwijl er bovendien een vrij stevige bries stond. Het was bepaald geen weer geweest om buiten te gaan werken op het land. Herman had de dag dan ook doorgebracht met wat knutselwerkjes in de schuur.

’s Avonds had hij nog even naar de buurman gewild maar de weersomstandigheden waren toen van dien aard, dat hij er de voorkeur aan gaf zich thuis bij de kachel wat te warmen. Tegen een uur of tien besloot de familie de bedstee op te zoeken. Morgen was het immers weer vroeg dag. Herman ging op de deel nog even kijken of alles in orde was terwijl moeder de vrouw de deuren op slot deed.
Alles was volmaakt rustig toen beiden, Herman nog wat namopperend over de verloren dag, onder de wol doken. Ook de andere familieleden hadden het nest al opgezocht.
Nauwelijks hadden ze evenwel het gordijn van de bedstee dichtgetrokken of Hermans vrouw kwam tot de ontstellende ontdekking, dat ze had vergeten de keukendeur te grendelen. Maar de buitendeuren zaten allemaal dicht en dat was het belangrijkste. "Laote wi’j maor gauw de ogen too doon" zei Herman en zo geschiedde.

Even later nog voor een van beiden naar dromenland was verhuisd, klonk er een luidruchtig gestommel op de deel. Herman zat meteen weer rechtop in bed; wat zou dat kunnen zijn? Zou een koe zijn losgebroken, of waren er dakpannen van het huis gewaaid? Het antwoord op die vraag liet niet lang op zich wachten. De keukendeur werd langzaam geopend, een tweetal geel licht uitstralende lantarens gaven de kamer een sfeer van geheimzinnigheid. Herman en zijn vrouw, die in de bedstee in de keuken sliepen, schrokken zich natuurlijk een hoedje. Door eenkiertje in het grodijn konden ze net een viertal personen de keuken zien binnentreden. Een bleef er bij de deur staan terwijl de anderen, geleid door het licht van de lantarens op de bedstee afslopen. Het gordijn werd met een ruk opengetrokken en een donderende stem beval de boer en zijn vrouw uit bed te komen. Herman bleef volkomen beduusd rechtop in bed zitten en maakte geen aanstalten aan het bevel gehoor te geven. Zonder pardon werd hij daarop uit bed gesleurd. Weer een bevel:aankleden en in de hoek gaan staan. Ook de andere familieleden, Hermans moeder en zoon Hendrik werden uit bed getrommeld. De boer, die vrij spoedig de grootste schrik te boven was, had meteen door wat de bedoeling was. Het was die lui om geld begonnen, dat was wel duidelijk. Herman besloot eieren voor zijn geld te kiezen. Hij was bereid al het geld wat hij in huis had af te geven, mits ze dan ook onmiddelijk weer verdwenen en nergens met hun poten zouden aankomen. Onder bewaking haalde hij toen het geld, f 196,-, uit de naastgelegen kamer. De inbrekers, die ongetwijfeld op meer hadden gerekend, waren daar evenwel niet tevreden mee. Ze wilden nog veel meer. Herman zwoor echter niets meer in huis te hebben. Alle kasten moesten toen worden opengemaakt en uitgepakt.
Toen de boer en boerin daarmee bezig waren greep de potige zoon Hendrik en van de kerels in het nekvel en smeet hem over de tafel.  De koffiekopjes die nog op tafel stonden werden meegesleurd en vielen in honderden stukjes op de grond. Maar scherven brachten dit keer geen geluk. Hendrik pakte een volgende inbreker bij de jaskraag maar deze gaf zich niet zo gemakkelijk gewonnen. Te hulp geschoten door zijn makkers wist hij zich te bevrijden. De overmacht was te groot voor Hendrik. Hij werd op de grond geworpen en door twee van de ongure lieden in bedwang gehouden.

RAVAGE
De andere inbrekers die zo onverwachts in hun gemakkelijke spelletje waren gestoord, hadden enkele touwen van de deel en de hele familie, met uitzondering van Herman, werd aan handen en voeten gebonden en op de grond gelegd. Alleen gingen ze verder met het onderzoeken van het hele huis. Alles, maar dan ook alles werd ondersteboven gehaald. Jas-en broekzakken werden nagezocht, schilderijen werden zelfs van de muur getrokken. Binnen een mum van tijd was het huis veranderd in een complete ravage. Op de vloer lagen kledingstukken, schoenen, hoeden, en gebroken aardewerk.
Omdat ze geen geld meer konden vinden besloten de dieven de in de kast liggende horloges van de dochter en de zoon mee te nemen. Ook het horloge van Herman met de prachtige zilveren ketting dat hij in zijn jeugdjaren van zijn vrouw had gekregen, wilden de inbrekers hem onteigenen."Ik ben toen op mijn knieen voor de baas gaan liggen. Dat weet ik nog heel goed. Van nijd kreeg ik tranen in mijn ogen. Dat horloge wild ik kost wat het kostte houden. Uitendelijk stemde de verd......schurken er in toe, mits wij hen nog meer geld gaven. Ze vroegen waar ik mijn portemonnee had.
Het smoesje dat ik die had verloren had geen succes. Ik heb toen de knippe maar voor de dag gehaald en meteen gezegd dat de inhoud de moeite niet waard zou zijn. Maar nou komt het mooie nog, zegt Herman Meijnen. Jaja, ik was nog lang geen stommerik! Nou, moet je eens goed luisteren. Die portemonnee had drie vakjes. Ik wist dat er nog heel wat geld in zat. Als ik me goed herinner dan zat in het ene vak f 1,96 en in de andere twee drie gouden tientjes en bovendien nog zo’n gulden of zestig. Maar ik was zo slim de portemonnee zelf vast te houden en nog wel zo dat die kerels maar een van de drie vakken konden onderscheiden. Die f 1,96 heb ik hun toen maar gegeven, maar ik was al lang blij dat ze mij die portemonnee niet afpakten. Toen hebben ze ook mij nog vastgebonden en goed ook, waarna ze vrijwel onmiddellijk de aftocht bliezen.

WEER VRIJ
Maar ja, toen lagen wij daar allemaal gebonden en we konden geen vin verroeren. Maar voor de tweede keer kreeg ik een idee. Ik wist dat in mijn manchester broek die voor de bedstee lag ( ik had geen gelegenheid gekregen die aan te trekken) een mes zat. Toen zei ik tegen mijn vrouw; probeer jij naar mijn broek te rollen en haal dat mes uit mijn zak. Zij had namelijk de handen voor gebonden en ook zat het touw wat minder vast dan het mijne. Eerst wilde het niet gelukken.
Tsjonge, wat kreeg ik het toen warm. Ik was al bang dat we nooit meer los zouden komen. Maar na ongeveer een half uur lukte het toch. Mijn vrouw had het mes er uit gehaald. Maar nu moesten de touwen nog worden doorgesneden en dat was nog een veel moeilijker karwei. Maar ook dat lukte. Ik was weer los en kon nu ook de anderen uit hun benarde positie bevrijden. Mens, wat was ik blij dat ik weer vrij was. Ik had mezelf al niet veel hoop meer gegeven. Gelukkig is het nog goed afgelopen, maar geloof maar dat ik toen gezweet heb. Verschrikkelijk!

Daarmee was de geschiedenis evenwel nog niet afgelopen. Toen ik ’s zondags naar de kerk wilde kwam ik tot de ontdekking, dat mijn overjas en schoenen waren verdwenen. (Meijnen staat op van zijn stoel, balt een vuist en vervolgt driftig:) Toen was ik helemaal woest. Die hadden die schoften natuurlijk ook nog weggepikt. En het was nog zo’n goede jas! Maar ja, weg is weg, niks aan te doen. Ik ben naar Hulsman, dat was toen onze buurman gegaan en heb daar even een jas geleend. Eerst toen ik in de kerk zat was mijn woede wat bekoeld.

Dat was een heel verhaal, he? Jaja, ik ben dan wel een oude kerel, mijn geheugen is niet meer zo goed maar zoiets vergeet ik nooit. Dat was een onvergetelijke nacht, die ik evenwel niet graag voor de tweede keer zou willen beleven. En mocht het ons toch nog eens overkomen, dan trek ik wel eerst een broek aan voordat ik me laat vastbinden.
Velen zullen de heer Meijnen op zijn negentigste verjaardag op donderdag 2 februari a.s. zeker nog een prettige verjaardag en nog vele jaren in goede gezondheid toewensen. Dan kan hij zijn grote avontuur van vroeger nog eens opnieuw vertellen!

 

 

WINTERSWIJK WAS EENS DE

SUPERMARKT VAN HET

ROERGEBIED

 

 

(Uit:Winterswijk,wat was en wat bleef, Jan Denkers, 1991)

Je kijkt er niet meer van op als je in het centrum van Winterswijk Duits hoort praten. Het is heel gewoon. Net zo gewoon als wanneer een marktkoopman zijn waren in het Duits aanprijst. De neringdoenden in de winkelstraten danken een groot deel van hun omzet aan de invasie van Duitse kopers.
In 1958 is die begonnen. Toen ging de grensovergang in Barlo open. Daarmee werd een gouden tijdperk voor de middenstandszaken in Winterswijk ingeluid. Veel zakenmensen hebben daarvan geprofiteerd. Want het Duitse koperspubliek nam als het ware stormenderhand bezit van de Winterswijkse winkelstraten. De omzetten stegen zienderogen. Een nieuw tijdperk had zijn intrede gedaan.

Ze kwamen met auto’s, met bussen; een enkeling kwam op de fiets. Ze hadden keiharde Marken bij zich en wilden daarmee de (voor hen) goedkope Hollandse artikelen kopen. Ruwe schattingen spreken van vier en een half miljoen grenspassanten in een jaar.
De middenstand speelde er alras op in. Hier en daar zag men al snel kleine uitbreidingen van de winkels. Wat later verrezen er grotere, daarna nog grotere. Want de Duitsers bleven komen. Het jaar 1963 was het drukste jaar. De omzetten bleven stijgen. Er kwamen nieuwe winkels. Er kwamen grotere winkels. De restaurants deden goede zaken. Want de Duitsers bleven vaak een hele dag. Ze gingen het straatbeeld beheersen. Tot vaak ver in de buitenwijken stonden hun geparkeerde auto’s, omdat het centrum van Winterswijk niet berekend was op zulk een grote toeloop van klanten.

De eerste stoepiers verschenen: mensen, die gewapend met foldermateriaal voorzien van Duitse tekst, trachtten de Duitse klanten een bepaalde winkel binnen te praten. Een van de bekendste was "Onkel Willy Scholten", in dienst van de supermarkt van H.W.Wiggers. Ook aan de grens werden de Duitsers al voorzien van reclammateriaal met Spezial Angebote.
Ook aan het buitengebied van Winterswijk was de Duitse invasie niet ongemerkt voorbijgegaan. Grenswinkeltjes, die al jaren geleden waren gesloten, werden heropend en eisten een deel van de omzet op. Winkeliers uit het buitengebied stroopten Winterswijk af en pobeerden de Duitsers naar hun winkel te lokken, hetgeen vaak ook lukte.

Het werd nog drukker toen het bekende consumentenvoorlichtingsblad ’ D-Mark ’ een gebruikerstest wijdde aan de Nederlandse prijzen. Een van de interessantste conclusies van de test was dat het lonend was zelfs uit de verste uithoeken van Duitsland naar Nederland te reizen om kleren te kopen. Een citaat: "Als de auto volledig bezet is, haalt zelfs een Zuid-Beier, zijn reis-en verblijfskosten royaal terug uit de besparing op de kledingsprijs."
En: "Wie alleen levensmiddelen koopt, komt 200 kilometer van de grens vandaan nog voor niets heen weer". Het blad gaf ook vergelijkende prijzen. Zo werd uitgerekend dat conserven, leer- en bontwaren, bovenkleding en wasmiddelen wel de helft goedkoper waren in Nederland. Koffie en boter waren ook zeer gewild bij de Duitsers; eigenlijk gold dat voor alle levensmiddelen.
De Duitsers zijn gewend om vroeg op te staan. Dat merkten ook de winkeliers in Winterswijk. Vaak hadden ze op zaterdag om 7 uur al klanten voor hun deur staan.
Zoals gezegd: het centrum van Winterswijk was niet berekend op een dergelijke toeloop. Het grote probleem was het parkeren van de vele auto’s.
De reinigingsdienst en de politie werden voor grote problemen gestel, want waar veel mensen bij elkaar zijn, komt ook veel afval. Tot lat in de avond waren op zaterdagavond de mensen van de renigingsdienst bezig om alle troep op te ruimen en a te voeren. De politie had vaak grote moeite met het laten doorstromen van het verker. Het centrum was in die dagen nog niet autovrij, met alle kwalijke gevolgen van dien.

Wijlen burgemeester Vlam destijds: ’Op zichzelf is de enorme groei, welke de Winterswijkse middenstand de laatste jaren heeft te zien gegeven, natuurlijk verheugend. Maar die heeft voor het gemeentebestuur toch een flink aantal niet te onderschatten problemen opgeleverd’.
Daarom werd het rijk om steun gevraagd voor de extra kosten die deze dagelijkse drukte met zich mee bracht. Het rijk wees deze (herhaalde) verzoeken echter van de hand. Dat was een zaak van de gemeente en de plaatselijke middenstand, aldus de overheid. Ook burgemeester Vlam zag uiteraard de positieve kanten: ’Men mag niet vergeten dat het aanzien van Winterswijk als koopcentrum er de laatste jaren bepaald op is vooruitgegaan, ook uiterlijk’.

Niet alleen Winterswijk profiteerde van de Duitse koopinvasie. Ook Venlo en Vaals kregen een toeloop als nooit tevoren te verwerken. Ook andere plaatsen in de Achterhoek pikten een graantje mee. Maar het feit dat Winterswijk een grote plaats was, dicht bij de Duitse grens, zal voor de overburen aan de andere kant van de grens een pluspunt zijn geweest.

De drukte is de laatste jaren wat geluwd. De tijd dat er wel veertig Duitse autobussen overal in Winterswijk verspreid stonden, is voorbij. Maar nog steeds komen de Duitsers. Ze vinden Winterswijk een gezellige plaats, met een mooie omgeving. Want aan frisse lucht is in het Roergebied nog altijd gebrek. Een uitstapje naar het mooie Winterswijk wordt nog graag gemaakt.

Al zal de situatie uit 1963 zich niet herhalen.Toen stonden Burgemeester Vlam en zijn Duitse collega uit Bocholt op de Markt in Winterswijk te praten. Zij onderhielden zich in plat-Duuts, zo ongeveer het dialect dat ook aan deze zijde van de grens wordt gesproken. Het was druk op de Markt. Geregeld hoorde burgemeester Vlam: ’Morgen Burgemeister". En voor Vlam dan kon reageren, had zijn Duitse collega al de groet beantwoord: ’Morgen Heinrich, Morgen Klaus, Morgen Egon’, Toen dat een tijdje zo gegaan was, moet volgens overlevering burgemeester Vlam hebben gezegd: ’ Wee is noo hier burgemeester, iej of ike?’

 

STATION EN SPOORLIJNEN

IN WINTERSWIJK

ZWAAR ONDER VUUR

Een terugblik naar de jaren 30: een wereldomvattende economische crisis, met als gevolgen grote werkloosheid, een ontoereikend stelsel van uitkeringen en sociale voorzieningen, en verpaupering van binnensteden. Veel mensen verliezen het geloof in hun regeringen, in de democratie.
Het nationaal-socialisme, dat in opkomst is, zegt uitkomst te bieden; het systeem levert inderdaad werkgelegenheid op, zij het meestal ten behoeve van de oorlogsindustrie. De bevolking van Duitsland (en ook van Nederland) stelt zich echter niet al te kritisch op, zeker wanneer men werk en inkomen heeft gevonden.
Slechts weinig mensen voorzien de gevolgen van dit ronduit agressieve systeem, dat de democratie en de rechtsgelijkheid heeft afgeschaft. De minderheid van mensen die zich met dit systeem niet kan verenigen, onder wie natuurlijk veel joden, verlaat Duitsland nog voor de oorlog uitbreekt. De Telegraaf maakt op 25 november 1938 melding van Joodse vluchtingen, die in Winterswijk per trein uit Duitsland aankomen. deze Joden krijgen een verblijfsvergunning. Dit is een van de eerste feitelijke confrontaties van het Winterswijkse station met het Nationaal Socialisme.

DE BEZETTING
Hoewel nederland zich als neutrale staat probeert op te stellen, valt Duitsland op 10 mei 1940 onverhoeds Nederland binnen. De overmacht van het Duitse leger is zo groot, dat er voor Nederland niets anders opzit dan te capituleren. Vanuit militair oogpunt bezien heeft de hele oorlog precies vier dagen geduurd.
Bij de Duitse inval vertrekt omstreeks 12.00 uur ’s nachts een pantsertrein uit Dortmund.
De trein rijdt viia Gelsenkirchen en Winterswijk naar Nederland en heeft als bestemming Amsterdam. Aan boord bevinden zich ca. 70 Duitse officieren van de Artilleriekaserne te Dortmund. Voor de trein uit rijdt een gepantserde motorwagen, een zgn. Pantzerspahwagen. De trein komt om ca.3.55 uur in Winterswijk aan, en rijdt dan door naar Zutphen. Daar laten Nederlandse strijdkrachten de brug over de IJssel springen, waardoor de trein niet verder kan. De Pantzerspahwagen wordt opgeblazen; de pantsertrein rijdt in de loop van de middag onverrichterzake terug naar Duitsland.
In de volgende oorlogsjaren spelen de spoorwegen een voorname rol in het vervoeren van troepen, legermaterieel, en vooral van mensen naar concentratie- en werkkampen. Voor zover bekend zijn er geen treinen met transport van mensen naar deze kampen via Winterswijk naar Duitsland gereden. Er ontstaat een verzetsbeweging, die, in de persoon van Tante Riek, zijn wortels in Winterswijk heeft. Dit is opmerkelijk voor een plaats waar de NSB zo’n grote aanhang kent. Men pleegt o.a. sabotage aan spoorlijnen. Tot 1944 functioneert het treinverkeer min of meer normaal, maar er rijden uiteraard veel militaire treinen.

OPMARS VAN DE GEALLIEERDEN
Op 6 juni 1944 is het Decision Day, de dag waarop de legers van Groot-Brittanie, de USA en Canada aan de kust van Normandie aan land gaan. De bevrijding van West-Europa loopt aanvankelijk nog betrekkelijk voorspoedig. Het treinverkeer, dat toch al steeds meer aan beschietingen en aan sabotage door het verzet onderhevig is, wordt steeds moeilijker.
Tenslotte wordt het zelfs gevaarlijk om per trein te reizen, vanwege het risico van beschietingen. Het zuidelijk deel van Nederland kan nog in de zomer worden bevrijd. In september 1944 lijkt het erop, dat Nederland in enkele weken tijds bevrijd zal worden. De geallieerden voeren nu luchtlandingen uit bij Nijmegen en Arnhem, met de bedoeling de grote rivieren over te steken, daarmee ook noordelijk Nederland te bevrijden, en vervolgens naar Duitsland en Berlijn door te stoten. De NS besluit de geallieerden te helpen door een algehele staking af te kondigen (17 september 1944).
Nagenoeg het gehele NS-personeel duikt onder en wordt praktisch onvindbaar. Intussen worden hun salarissen doorbetaald, waarvoor een zeer grote ondergrondse organisatie nodig is. De Duitsers nemen nu zelf het treinverkeer in Nederland ter hand, maar dit wordt tegengewerkt door Geallieerde beschietingen en bombardementen.
Intussen duurt de oorlog veel langer dan de bedoeling was. de bevrijding is in 1944 nog niet mogelijk. Door de spoorwegstaking zijn de grote steden in het westen van Nederland verstoken van voedsel; er ontstaat hongersnood en hierdoor pakt de spoorwegstaking hoe goed bedoeld ook, eigenlijk verkeerd uit. De spoorwegstaking, die feitelijk slechts twee of drie weken moest duren, loopt door de voortdurende bezetting uiteindelijk uit tot liefst 7 maanden. Het was moeilijk om vol te houden met zoveel ondergedoken spoorwegmensen.
De spoorbruggen bij Nijmegen, Arnhem, Zutphen en ook bij Doetinchem, alsmede de stations van Arnhem, Nijmegen, Zevenaar, Winterswijk, Zutphen, Borken, Dorsten en Bocholt krijgen zware bombardementen te verduren.

In Winterswijk doet de Organisation Todt pogingen om de lijn Winterswijk- Bocholt weer aan te leggen. Het verhaal gaat, dat de mensen, die aan de lijn moesten werken (Nederlanders) het werk zo langzaam mogelijk uitvoerden. Sommigen gingen ’s avonds laat terug naar de lijn en braken weer stukken rails op. Het herleggen is mislukt. Op 28 maart 1945 plaatsen de Duitsers een trein met munitie in het bos bij De Puls, die echter door geallieerde vliegtuigen in brand wordt geschoten. Op deze dag krijgt ook het emplacement het zeer zwaar te verduren. Op 31 maart 1945 kan oostelijk Nederland worden bevrijd. Voor heel Nederland komt de bevrijding op 5 mei; op 8 mei capituleert het Nazi-regime in Berlijn.

WEDEROPBOUW
De vernielingen aan spoorlijnen en stations zijn aanzienlijk, en veel locomotieven en wagons zijn kapotgeschoten, of weggevoerd naar Duitsland.
In Winterswijk zijn de locomotievenloodsen (die overigens al voor de oorlog buiten gebruik waren) en het nabijstaande seinhuis geheel vernield. Het stationsgebouw is ernstig beschadigd, maar kan worden hersteld. In augustus wordt het treinverkeer in de Achterhoek weer opgepakt, nog op zeer beperkte schaal. Veel locomotieven en wagens zijn er niet, en enkele spoorbruggen zijn nog niet hersteld van de oorlogsschade. in de eerste jaren laat de NS opleggerbussen rijden van Winterswijk naar Arnhem en naar Zutphen. Het empacement Winterswijk wordt hersteld van de oorlogsschade, zij het in een vereenvoudigde vorm. Zo verdwijnt het locomotievendepot geheel. Het rangeerterrrein wordt wel weer opnieuw aangelegd. In 1948 wordt het goederenverkeer met Duitsland weer hersteld. Na het herstel van de schade krijgt het treinverkeer in Winterswijk een ander aanzien. Het personenverkeer naar Borken, gestopt in 1939, wordt niet meer hervat. In de loop van de jaren 50 verschijnt een grote serie nieuwe dieseltreinen op de baan, die de oude stoomlocomotieven met de couperijtuigen aflossen. Het goederenverkeer (vooral kolenvervoer zoals voor de oorlog) is nog zeer druk, maar de goederentreinen worden getrokken door nieuwe diesellocomotieven. In 1957 verlaat de laatste NS-stoomlocomotief het station Winterswijk; de Nederlandse Spoorwegen zijn herrezen, en in tien jaar tijd geheel gemoderniseerd.

Arjan Ligtenbarg

 

IN 1941 MOESTEN JOODSE

LEERLINGEN DE SCHOOL

VERLATEN............


 

Uit het "Register van de leerlingen der RHBS te Winterswijk (Art.16 van het Reglement voor de RHB scholen)"

1596. Menco. Herman Samuel, 17 Sept.1925 W’wijk.
H.Menco. Veehandelaar. W.wijk.
7 Sept. 1937. I 1938 bev.n/II. 1939 bev. n/III. ’40 id.n.IV.
’41 id.n.A.V.School verlaten (Jood)

1684. Heijmans. Paul. 12 Oct. 1926 Groenlo.
J.Heijmans. Manufacturier. groenlo.
5 Sept. 1939. I 1940 bev. n.II. 1941 id.n. III. School verlaten (Jood)

1714. Prins. Philip. 29 April 1926. Dinxperlo.
M.Prins. Fabrikant. Dinxperlo.
5 Sept. 1939 I. 1940 bev.n.II. ’41 id. n.III. School verlaten (Jood)

1818. Van Gelder. Engelina Rosara. 5 Febr.’29 W.wijk.
A.S. v.Gelder. Veehandelaar. W.wijk.
2 Sept. 1941. I. School verlaten (Jood)
Terug 1 juni ’45 in II; ’45 bev.n.III; ’46 bev.n. IV B; ’47 bev.n. VB
geslaagd eindex. B.
(Opleiding leeszaalassistente)

1828. Mogendorff. Henry Donald. 1 Nov. 1928. Rotterdam.
M.Mogendorff. Koopman W.wijk.
2 Sept. 1941. I School verlaten (Jood)

Hierboven staan enkele fragmenten uit een boek met gegevens over leerlingen van de RHBS, voorloper van scholengemeenschap "De Driemark" aan de Zonnebrink.
Er blijkt uit, dat in het leerjaar 1941-’42 een vijftal leerlingen de school heeft verlaten. de verklaring staat erbij: "Jood". Kennelijk verschafte dat ene woordje toen voldoende duidelijkheid.

Een afschuwelijk drama wordt hier wel uiterst summier aangeduid. De verwijdering van Joodse leerlingen van "Nederlandse" scholen was onderdeel van de politiek van de Duitse bezetter tegen de Joden, die uiteindelijk moest leiden tot de vernietiging van het hele "Joodse ras".
In augustus 1941 werd de maatregel bekend gemaakt, en begin september werden de leerlingen in Winterswijk er meer geconfronteerd. Engelina Rosara ("Elly") van Gelder kreeg, kort nadat za haar boeken voor de eerste klas had opgehaald, bericht dat ze niet werd toegelaten. Waarschijnlijk overkwam Henry Donald Mogendorff hetzelfde. drie andere Joodse leerlingen uit hogere klassen kregen te horen, dat ze de school moesten verlaten. Directeur Donker liet Herman Menco weten hoe het hem speet. Maar, evenals zijn collega’s elders in het land was hij niet in staat er iets aan te doen.

Wat gebeurde er verder met deze leerlingen?
Voor het middelbaar onderwijs aan Joodse kinderen kwam een twaalftal speciale scholen (enkele bestonden al). Deze waren uitsluitend bestemd voor Joodse leerlingen en er werd alleen les gegeven door -al dan niet bevoegde- Joodse leraren. Het dichtst bij voor de Winterswijkse leerlingen waren de scholen in Arnhem en Enschede. Maar de verbindingen waren moeilijk; ze zullen er geen gebruik van hebben gemaakt. Herman Menco, die aan zijn eindexamenjaar begon, verhuisde naar zijn familie, de Nihoms, in Den Haag. Daar behaalde hij zijn diploma aan het Joods lyceum. de overigen kregen hoogstwaarschijnlijk les in twee lokalen bij de synagoge aan de Spoorstraat, die al eerder gebruikt werden voor het godsdienstonderwijs. Het schooltje, vooral ook bedoeld voor het lager onderwijs, diende als streekschool voor Joodse leerlingen uit de hele oostelijke Achterhoek. Er werd les gegeven door twee onderwijzers: Emmering, eigenlijk advocaat te Amsterdam, en Herschel, onderwijzer uit Eibergen. Zo goed en zo kwaad het ging probeerden de wat oudere leerlingen ook de HBS-stof meester te worden.

Het moet een droevige vertoning zijn geweest, dat groepje dat alsmaar kleiner werd. lanzamerhand ontstonden er lege plekken, omdat er mensen onderdoken. Zo dook Elly van Gelder op 7 september 1942 met haar moeder onder bij een boer in Meddo. Tot wanneer het schooltje heeft gefunctioneerd weten we niet, maar zeker niet langer dan tot april 1943. Want toen kregen alle Joden in Winterswijk een brief, ondertekend door NSB-burgemeester Bos, waarin stond dat ze zich moesten melden in het concentratiekamp Vught.
Vrijwel alle Winterswijkse Joden die niet waren ondergedoken, zo’n 200 mannen, vrouwen en kinderen, stapten in de trein om nooit meet terug te keren. Van de Winterswijkse Joden heeft bijna 90% de oorlog niet overleefd.

Paul Heijmans, Philip prins en Henry Donald Mogendorff kwamen om. Herman Menco dook onder, maar zijn adres werd verraden. hij kwam terecht in Auschwitz en behoorde daar tot degenen die op 27 januari 1945 door de Russen werden bevrijd.
Ter gelegenheid van de Auschwitz- herdenking vertelde hij onlangs zijn verhaal over de bevrijding voor de TV.
Els van Gelder overleefde, met haar familie, de onderduik in Winterswijk. Zij was de enige, die in juni 1945 weer op school terug kwam. In de tweede klas, want door zelfstudie had ze zich, geholpen door haar moeder, de leerstof van het eerste en ook van het tweede jaar eigen gemaakt. In 1947 behaalde ze het diploma HBS-B.

Je vraagt je af; wat moet er in haar zijn omgegaan toen zij, vlak na de bevrijding, tussen al die onbekenden op de schoolbanken aan de Zonnebrink kwam te zitten.............

Wim Scholtz.

AMSTERDAMSE

OORLOGSEVACUEE OP

WINTERSWIJKSE BOERDERIJ

 

Ze was zeventien toen ze in januari 1945 vanuit haar woonplaats Amsterdam vluchtte, zoals zovelen, voor de oorlogsellende. Ze kwam terecht op de boerderij van de familie wamelink ("Tuunteman") aan de groenloseweg, waar ze de laatste oorlogsmaanden en de bevrijding meemaakte. Op deze pagina het relaas van Mevrouw A.de. Bruin-Bierdrager, 67 jaar nu en wonend in Zaandam. In de oorlog heette ze Alie Kamlag, naar haar stiefvader.

Ik herinner mij de boerderij als groot met veel bijgebouwen. het centrale punt was de woonkeuken met een vloer van met zand bestrooide steentjes, in het midden een ronde tafel, rondom stoelen, een servieskast, een linnenkast, een grammofoon met een grote hoorn, een schouw met daarin hangend worsten en zijden spek, een bedstede waarin de boer en de boerin sliepen, een grote kachel.
Grenzend aan de woonkeuken bevond zich aan de ene kant een bijkeuken met een enorm fornuis, aan de andere kant een schaars gemeubileerde kamer met een vloer van houten planken, waar ik sliep. Ik moest iedere ochtend de kachel en het fornuis aanmaken opdat er op het fornuis spekpannekoeken gebakken konden worden voor het ontbijt.

’s Avonds aten we ook spekpannekoeken en ’s middags warm eten. Vaak rodekool omdat dat op de boerderij verbouwd werd. Het draaien van platen op de grammofoon was een omslachtige zaak. Die grammofoon moest eerst opgedraaid worden en bij elke plaat moest er een nieuwe naald geplaatst worden. Er was namelijk geen elektriciteit - nooit geweest trouwens - de verlichting was met carbidlampen.
Ik had niet veel te doen en daarom hield ik me bezig met alle kapotte sokken en kousen te stoppen en als het even kon ging ik naar een kennis in het dorp. Naarmate het weer beter werd in februari en maart werden die fietstochtjes gevaarlijker, want door het mooie weer namen de activiteiten in de lucht ook toe.
Er werd nogal eens geschoten op bewegende doelwitten op de groenloseweg door jachtbommenwerpers (Jabo’s).
Een andere luchtactiviteit bestond erin, dat een vliegtuig vlak boven "onze" boerderij twee bommetjes losliet, die dan schuinweg zeilend op een voor ons niet zichtbare spoorlijn terecht kwamen (in noordelijke richting). Dan zagen we ’s avonds blauw licht in die richting als de spoorlijn weer hersteld werd.
In maart moest ik vaak op het land werken. op een weiland naast de boerderij met een greep molshopen "strijen" (verspreiden). In het al warme voorjaarszonnetje geen onaangenaam werk.
Op een dag zag ik in de verte een zeer donkere lucht aankomen, alsof er onweer op komst was. Maar het bleek veroozaakt te zijn door zware bombardementen. Naar men zei op Bocholt, maar mij leek de richting waaruit die donkere wolken kwamen meer oostelijk, Sudlohn of Stadtlohn, of misschien  was de wind wel gedraaid. In ieder geval zag ik tot mijn verbazing dat het allemaal verbrande papiersnippers waren die naar beneden dwarrelden. Ook het voortdurende gerommel in de verte werd met de dag sterker. Het front kwam steeds dichterbij.
Allerlei geruchten deden de ronde: de boer had gehoord dat er op de boerderij een kanon geplaatst zou worden met wel 50 soldaten erbij. Dat vooruitzicht deed hem besluiten om een schuilplaats in het land te maken. Hij en zijn vrouw waren dagen bezig met het uitgraven van een diepe kuil, een eind van de boerderij af achter het rodekoolveld. Op een middag werd ik door een Duitse soldaat vanaf de zandweg geroepen. Hij was met drie oudere mannen in burger (Volkssturm) en geweren. Hij vroeg of ik aan de boer wilde vragen of hij met zijn gezelschap de nacht op de boerderij mocht doorbrengen. Ik moest een heel eind lopen naar de schuilplaats in aanbouw. De boer durfde  niet te wiegeren. Omdat hij en zijn vrouw het te druk hadden met die schuilplaats, werd het mijn taak het gezelschap van eten en drinken te voorzien en de hele middag met hen door te brengen in de wiinkeuken. De soldaat had het hoogste woorde. Hij was "Fallschirmjager". Hij was op Kreta "afgesprongen". Hij had dit gedaan en dat gedaan met de "Tommies" enz.enz.
Ik hoorde alles met afschuw aan. Hoe kon iemand nou zo trots zijn op zoiets?
Hij zal ook wel onderofficer zijn geweest, maar daar had ik absoluut geen verstand van. De drie oude mannen deden hun mond niet open en ik trachtte aan die bralleirge verhalen te ontkomen door het draaien van alle aanwezige grammofoonplaten op die ouderwetse grammofoon. De muziek was voornamelijk Duitse marsmuziek, helaas. Toen de soldaat eindelijk naar buiten ging om een luchtje te scheppen, barstten de oude mannen tegen mij los met trieste verhalen. Zij hadden al gevochten in de Eerste Wereldoorlog. Zij hadden hun huizen in Dusseldorf en Dortmund verloren door bombardementen. Zij verafschuwden Hitler en hadden geen enkele zin om nog te vechten voor hem. het was een verloren zaak en zij verafschuwden de fanatiekeling in wiens gezelschap zij waren en die maar niet wilde opgeven. Het was voor het eerst dat ik met Duitsers sprak en ik kreeg een heel klein beetje meelij met hen, maar ik vroeg me wel af waarom lieten ze zich door een man bevelen. Zij konden hem met z’n drieen toch wel de baas? Overigens was ik me steeds bewust dat zij voor mij de "vijand waren. Ik had allang geleerd om over allerlei zaken mijn mond te houden. Dus praatte ik maar wat over het weer, het eten en de muziek.
Dit speelde zich in de laatste week van maart af. Elke dag hoorden we het front dichterbij komen. Het was een voortdurend zwaar dreunend geluid. Ook was er ’s avonds en ’s nachts een soort lichtschijnsel te zien in zuidwestelijke richting. Ik lag ’s avonds in bed gespannen te luisteren of het al dichterbij kwam. Aan de ene kant erg bang voor wat er zou gebeuren, aan de andere kant toch erg nieuwsgierig naar hoe het zou gaan. En zo brak Goede Vrijdag 30 maart aan.
Ik was ’s middags vrij en zou naar tante Annie gaan, maar de boer waarschuwde me dat het niet pluis was op de Groenloseweg. Eigenwijs als ik was, ging ik toch op pad.
Bij de groenloseweg gekomen zag ik een ongelofelijk schouwspel. Daar sjokte het Duitse leger richting Groenlo en waarschijnlijk richting Duitsland, met karretjes, kinderwagens en fietsen enz. Zo ziet een verslagen leger er dus uit, dacht ik, tegelijk beseefend dat ik moest maken dat ik wegkwam want zelfs mijn oude fiets zonder banden was opeens een begeringswaardig vervoermiddel en zou mij zeker ontnomen worden.
Aan het begin van de avond kwamen weer twee Duitse soldaten bij de boerderij aan om onderdak voor de nacht te vragen. Het waren Rode Kruis-soldaten met Rode-Kruisbanden om hun mouwen en zijtassen met een groot rood kruis erop. ik had geen zin om weer Duits te moeten praten en ging daarom maar vroeg naar bed in de aangrenzende kamer, waardoor ik alles verstond wat er gezegd werd. Zij hadden een fles jenever bij zich en wilden die met de boer opdrinken.
Wat ik toen hoorde zal ik nooit vergeten. Zij vertelden dat die Rode kruis-uitmonstering camouflage was. Dat zij in werkelijkheid alle bruggen en bruggetjes moesten opblazen, zodat de opmars van de "Feind" vertraagd zou worden. In die tassen zat het materiaal daarvoor en zeker geen verbandmiddelen. Toen ik de volgende ochtend wakker werd, waren ze er nog steeds, maar de boer wist ze weg te krijgen. Nog geen kwartier later hoorden we een eigenaardig geluid. Iedereen liep naar buiten. Daar zagen we een tank met een vierkant oranje vlak voorop, die langzaam langs de zandweg rolde. In de koepel van de tank een khakikleurig geklede militair die met een verrkijker de omgeving afzocht. Hij moest ongetwijfeld die twee soldaten hebben zien lopen. Ik stelde vol leedvermaak vast dat de geallieerde opmars toch niet zo erg vertraagd was. Alle boerderijbewoners stonden te springen en te juichen: we waren vrij en we hadden zojuist het "front" zien passeren.

 

VOOR EN NA DE BEVRIJDING


Door A.Weerkamp, 1993-1994

In het najaar van 1944 werd een groot aantal mannen opgeroepen om voor de Duitsers grafwerkzaamheden te verrichten; het zgn. "schansen", hier meestal "spitten"genoemd.De bedoeling daarvan was tweerlei; de Duitsers wilden in het bezit komen van verdedigingswerken tegen de oprukken de vijanden en daarnaast konden ze beter controle uitoefenen op de jonge mannen.

Gedurende de oorlogsjaren waren een groot aantal mannen en vrouwen bij de "ondergronds". De opzet was zoveel mogelijk afbreuk doen aan de oorlogsinspanningen van de Duitsers: het plegen van sabotage, het verbergen van gezicht personen en vele andere zaken.
Bij ons ingekwartierde
soldaten spraken nogal eens over "partizanen"in de gebieden waar ze oorlog voerden. Wat partizanen waren wisten we nauwelijks.
In het najaar van 1944 moesten de spitters van hier naar de omgeving van Zevenaar en naar het naburige Duitsland. De winter van 1944-1945 was tamelijk streng zodat geen graafwerkzaamheden verricht konden worden en voorjaar 1945 waren de Engelsen zover opgerukt dat spitten in die gebieden niet meer mogelijk was. De werkzaamheden moesten toen hoofdzakelijk binnen de gemeente plaats vinden.
Ik ben nog een poosje in de kom van Ratum bezig geweest. In d
e bocht van de weg voor de boerderij Goossens moest een wegverspering worden aangelegd. Aan weerskanten van de weg werden op enige afstand van elkaar zware palen in de grond ingegraven en de tussenruimte opgevuld met boomstammen. Op onze vraag of deze stelling bedoeld was om de vijandelijke tanks tegen te houden kregen wij ten antwoord: dit is bestemd voor de wielrijders, de tanks nemen hun weg door het naastgelegen weiland. De bomen werden gezaagd in een verderop gelegen bosje, door een man of vier, vijf op de schouder gehesen en dan sjouwden wij ermee verderop. Het was prachtig lenteweer en bij Tuunteman in de mangelkuil liggen was heerlijk.
De Duitsers interesseerde het niet erg meer of de verdedigingswerken op tijd klaar kwamen, ze zagen de oorlog niet meer erg zitten, ze hadden ook hun eigen zorgen. Een soldaat las mij een gedeelte voor uit een brief die hij pas van zijn vrouw had ontvangen. Ze schreef dat ze had moeten vluchten voor de oprukkende Russen; het enige wat ik heb kunnen redden is je beste winterjas. De "moffenmeiden" hadden de weg naar Ratum ook gevonden en konden tussendoor hun vrienden daar vermaken.
Voorzover ik mij kan herinneren heeft het feest hooguit twee weken geduurd. Ook op andere plaatsen in deze gemeente waren de Duitsers bezig. Ze hadden op  ’t laatst moeite gedaan de oude Bocholtse spoorbaan weer rijklaar te maken maar zijn er niet in geslaagd.
Dit werk moest ’s nachts verricht worden want overdag waren de Engelse Jabo’s (jager-bommenwerpers) steeds in de lucht en schoten op alles wat zich op de weg bewoog. Ook de (toen nog) zandweg van "Den Tappen" naar de halte Miste hebben ze proberen te verharden. Alle materiaal gebruikten ze puin van de gebombardeerde woningen aan de Morgenzonweg. Boeren uit Miste en omgeving moesten met paard en wagen dit puin vervoeren. ’t Was levensgevaarlijk werk, omdat de jabo’s op alles schoten. Wanneer de voerlui een vliegmachine ontdekten dan lieten ze paard en wagen in de steek en zochten dekking in de bermsloot. De Duitsers hebben de weg niet klaar gekregen: de Tommies waren te vlug.

In de jaren ’42 en ’43 ondervonden wij veel narigheid van de vliegtuigen. De Engelsen voerden regelmatig bombardementen uit, vooral ’s nachts, op doelen in Duitsland, vooral in het Ruhrgebied. De Duitsers strruden hun nachtjagers erop af en dan vond er vaak een treffen plaats juist boven dit gebied. Om vlugger weg te kunnen komen lieten de bommenwerpers hun last dan vallen. Verschillende boerderijen zijn in die tijd getroffen en verwoest door bommen of vallende vliegtuigen. Van rustig slapen kwam weinig terecht. Wij gingen ’s avonds naar bed met de gedachte: dadelijk komen de vliegtuigen en dan kon het wel eens misgaan. Ik heb gedurende de oorlog weinig echt angst uitgestaan maar in die tijd wel.

’s Avonds werden de kleren klaargelegd voor de kinderen. Zodra de eerste vliegtuigen zich aandienden het bed uit, de kinderen aankleden en dan gingen wij in de gang zitten. De gang werd uitgekozen omdat daar maar weinig buitenmuren en ramen aanzaten en daardoor de kans op scherfbeschadiging geringer was. Wanneer na verloop van een uur of anderhalf uur de eerste bommenwerpers terugkwamen was het gevaar voor die nacht geweken en konden wij weer rustig gaan slapen in afwachting van de volgende nacht.

Veel boeren hadden een schuilkelder in de grond gemaakt en moesten ’s nachts de hort op, wij voelden daar niet voor. In het laatst van de oorlog hebben wij er nog een gegraven, maar nooit gebruikt.
Naar gelang de oorlog verder ging veranderde ook het katakter van de luchtoorlog. In 1944-1945 was de Duitse Wehrmacht zo verzwakt dat ze niet voldoende jagers meer bezaten om de bommenwerpers te lijf te gaan. Bovendien hadden de Engelsen en Amerikanen steeds meer en betere jagers voor bescherming van hun bommenwerpers. De meeste vluchten op Duitsland werden nu overdag uitgevoerd. Het was een machtig gezicht een vloot van honderden zware vliegtuigen richting Duitsland te zien vliegen en we waren zeer enthousiast: hoe harder het ging hoe liever. Dat veel ellende daarvan het gevolg was daar dachten wij helemaal niet aan.

Ondertussen was de oorlog dichterbij gekomen en een van de gevolgen was dat er steeds meer Engelse jager-bommenwerpers deze kant opkwamen. Ze voerden bombardementen uit in de Duitse grensstreken maar ook de omgeving van Winterswijk was geregeld hun doelwit. Ze hadden het voornamelijk gemunt op de spoorlijnen in de omgeving van het station. De bedoeling was de aanvoer van goederen en materiaal uit Duitsland te verhinderen. Overdag werden de spoorbanen stukgegooid en ’s nachts weer hersteld, zodat tegen de morgen de treinen weer konden rijden. Vooral in de buurt van de morgenzonweg zijn heel wat huizen vernield, waarbij doden vielen, maar ook het centrum bleef niet gespaard.
Zware bombardementen hadden ook plaats in de grensplaatsen Borken, Bocholt en Stadtlohn.
Door al deze toestanden werden de bewoners van het dorp, vooral in de buurt van spoor en station, bang en trokken massaal de buurt in.
In de omgeving van het dorp was bijna geen boerderij meer of ze hadden een aantal evacuees. In bepaalde delen van het dorp werd het akelig stil. Ik moest een keer boodschappen doen in de omgeving van het station en was de enige die zich in de wijde omtrek op straat bevond. Boodschappen doen was trouwens niet leuk want je had grote kans wanneer je per fiets naar ’t dorp ging, je zonder fiets weer thuis kwam: Duitse militairen die te voet waren pakten mensen zonder meer de fiets af. Dit was geen "klauwen", maar "organiseren" en: "klauwen und organiseren ist nicht egal".
Mensen die verder uit de buurt kwamen reden dan ook vaak het eerste deel op de fiets, verborgen hun fiets bij een boer langs de weg in de schuur en gingen vervolgens te voet verder.
Veel boodschappen waren er overigens niet te doen, er was bijna niets te krijgen. Ik herinner me nog een bepaalde week dat er behalve brood er niets te krijgen was dan een pond roggevlokken per persoon. De mensen vermeden zoveel mogelijk de weg. Kerkdiensten werden niet meer gehouden: waar dat mogelijk was kwam men met groepjes bij particulieren samen; de predikanten gingen om beurten ernaar toe. Begrafenissen hield men ’s morgens vroeg; de melk werd ’s nachts naar de fabriek gereden.

De laatste weken hadden we als evacuees ds. en mevrouw de Wit, de familie van der Heide en ’s nachts de familie Braam. De laatsten huisden overdag in een kippenhok bij Haverland, ’s nachts hadden ze daar geen plaats. Wij hadden een varkenshok schoongemaakt, van stro en dekens voorzien en zodoende een heerlijke slaapplaats gemaakt. De fanilie van der Heide woonde in het toen nog bestaande oude gedeelte van het huis; ds en mevrouw de Wit in de voorkamers en wij in de rest.
Verder hadden wij regelmatig inkwartiering. Toen wij in het najaar 1944 de eerste Duitse militairen kregen kwamen ze een dag tevoren netjes "kwartiermachen". Kort voor de bevrijding was dat er niet meer bij. Het gebeurde meermalen dat ’s avonds om elf uur een groep Duitsers vertrok en enkele uren later kwam de volgende al weer opdagen. Wij lieten de deuren maar openstaan want afsluiten hielp toch niets. Wij hadden de voordeur op een avond afgesloten maar vonden het slot de volgende morgen midden in de gang liggen; met hun zware laarzen hadden ze de deur eenvoudig ingetrapt.

Op een nacht kwam de oppasser van een luitenant voor het bed van ds. en mevr de Wit staan, scheen hen met zijn zaklantaarn in het gezicht en deelde hen mede dat ze het bed moesten verlaten: de luitenant moest erin. Ze deden maar of ze gek waren, waarop de oppasser in de voorkamer een bed maakt van stoelen en kussens.
Een paar dagen later kwam de opdracht dat de kamers voor de nacht ontruimd moesten zijn. Daar alles in huis propvol zat, werd besloten een ander varkenshok schoon te maken; dominee en mevrouw konden daar dan van hun nachtrust genieten. Op het laatste ogenblik kwam er echter uitkomst; mijn broer in Ratum kon nog wel een vertrek ontruimen waar ze vervolgens hun intrek namen. Met een paar dagen was de zaak weer voorbij. ’s Avonds zaten we met z’n allen in de woonkeuken en dronken melk of "erzatz"- koffie: ondanks alle narigheid hadden wij het best gezellig.

Klauwen was een bezigheid die de Duitsers dagelijks uitvoerden. Normaal was het zo dat, wanneer zij meenden iets nodig te hebben, zij dit schriftelijk moesten vorderen. Met die vordering kon de benadeelde bij de Ortskommandant zijn schadevergoeding bekomen. Wanneer ze echter een bepaald gebied moesten ontruimen konden ze zonder meer pakken wat ze wilden. Toen ze najaar 1944 vanuit Brabant hier naar toe kwamen, waren ze rijkelijk van alles voorzien, o.a. vlees. Later was schraalhans nogal eens keukenmeester. Ik heb hen vaak horen zeggen: "In Schrijndel (N-Br.) was haben wir da gelebt!"
Toen ze hier gingen vertrekken hadden ze het voorzien op paarden, voertuigen, paardetuig, planken tec.
Onze zware wagen hadden we tijdig gesloopt en in de aardappelkuil laten onderduiken. De lichte wagen hadden ze meegepakt; na de bevrijding heb ik hem in Neede teruggevonden.
De stortkar hebben wij op ’t laatste ogenblik in de hoek naast de kamer verstopt: ze hebben hem niet gevonden. Vooral op paarden hadden de Duitsers het erg voorzien. Benzine en brandstof bezaten ze bijna niet meer en dan was 1 p.k. het aangewezen middel. 
De boeren probeerden hun paarden te verstoppen mar dat lukte niet zo gemakkelijk. Bij onze buurman was een sjouwer geevacueerd met zijn twee paarden. Toen het nijpend werd bracht hij zijn paarden naar een stukje weiland midden in het bos, daar zouden zij ze vast niet vinden. Op de morgen van bevrijdingsdag gingen ze de paarden halen, maar ’t was niet meer nodig, ze waren verdwenen. Hier werd het paard nogal eens geleend; ’s morgens vroeg kwamen ze hem halen, gingen ermee naar ’t st
ation om goederen mee te vervoeren naar kamp Vosseveld en brachten hem ’s middags terug.
Op zekere middag kwam buurman Hengeveld melden dat zijn paard en ’t onze in het kamp werden vastgehouden. Wij konden onze paarden terugkrijgen wanneer we eerst ’s nachts voor de Duitsers goederen vervoerden van ’t kamp naar Neede. Uiteraard hadden wij niet veel trek in het nachtelijk uitstapje maar na lang beraad besloten wij toch maar te gaan: het behoud van een paard vonden wij zeer belangrijk.

Tegen donker, in verband met jabo’s vertrokken wij uit het kamp. Met hoeveel wij de tocht aanvaarden kan ik mij niet meer herinneren, maar behalve Hengeveld en ik hadden wij ook gezelschap van de "Fuhrer van Henxel". Omdat hij N.S.B.-er was, was hij tot nog toe steeds vrijgesteld van herendiensten voor de Duitsers maar op het laatste moment gold dat blijkbaar niet meer. Via Groenlo en Eibergen vertrokken wij richting Neede, begeleid door soldaten van de Wehrmacht. Deze wisten niet goed de weg want op zeker ogenblik kwamen wij bij de Bolksbeek terecht. Ze wisten wel dat wij geen brug oversteken moesten en daarom maar weer omgekeerd. In de nanacht kwamen wij op inze bestemming, een boer in de omgeving van Neede. De paarden werden in de schuur gestald en wij werden gastvrij ontvangen bij de boer in de keuken waar wij werden onthaald op "erzatz"-koffie. Het duurde niet lang of de "Fuhrer"was in heftige discussie gewikkeld met de boer. Laatstgenoemde beweerde dat de Tommies zich reeds in Bochold bevonden. Hendrik ontkende dit ten stelligste, hij hield geregeld de radiobercihten bij. Maar in Wezel waren ze in elk geval volgens de boer, waarop de Fuhrer dit ook ten stelligste ontkende. Ik heb toen stiekem mijn arm opgeheven, iets was de boer begreep, waarop hij de discussie staakte. Van de Duitse soldaten kreeg Hendrik een grote foto van Hitler cadeau, welke hij ons vol trots toonde. 
Hendrik vond het prachtig; de soldaten waren er al lang op uitgekeken.

Toen het daglicht werd hebben wij de terugtocht naar huis aanvaard. Onderweg kregen we nog te maken met overvliegende jabo’s. We hebben beschutting gezocht bij een boerderij, iets dat ons door de boer niet in dank werd afgenomen in verband met eigen veiligheid. Dicht bij Winterswijk kwamen ons meerdere N.S.B.-ers tegemoet die vast een veilig heenkomen zochten naar het Noorden. Hendrik sprak nog even met enkele van hen.
Korte tijd later is de Fuhrer van Henxel met paard en wagen in noordelijke richting vertrokken, waar hij enige tijd later in Drenthe werd opgepakt. (na de bevrijding).
Ik kwam dus, met het paard weer thuis, het had de moeite geloond de lange tocht te maken. De vreugde was ecjter van korte duur want enkele dagen later kwamen ze weer. Nu om het paard te vorderen en ondanks heftige protesten namen ze hem mee.
Omdat het duidelijk werd dat we binnen korte tijd oorlogsgebied zouden worden, besloten wij schuilgelegenheid te maken. Uit het kelderraam verwijderden wij met moeite de spijlen en beschermden het raam met zandzakken tegen bomscherven. In het bos vlak bij huis hadden wij reeds een schuilkelder gegraven, maar die hebben we nooit gebruikt omdat meerderen dat griezelig vonden. De ingerichte kelderruimte hebben we gelukkig ook niet nodig gehad.

Dat de oorlog naderbij kwam bleek uit verschillende zaken: de jabo;s die enige tijd de omgeving van Winterswijk onveilig maakten verlegden hun werkterrein naar de grensstreek in Duitsland; Borken, Stadlohn en Bocholt werden regelmatig gebombardeerd. Op een prachtige lentedag in ’t laatst van maart was Bocholt aan de beurt. We konden hier duidelijk waarnemen wat er gaande was. Met een zachte Zuidoostenwind dreef de rook deze kant op. Papiersnippers en dergelijke met zich mee voerende. De Wehrmacht ontwikkelde ook steeds meer activiteit want behalve een groot gedeelte van het huis namen ze nu ook bezit van een gedeelte van de schuur.
’s Avonds om elf uur vertrok een groep en een paar uur later was een volgende weer aanwezig zonder tevoren aan te kondigen dat ze van plan waren te komen. op een middag kwam er een groep Volkssturmer opdagen. Dit waren oudere mannen die in de oorlogsindustrie werkzaam waren geweest maar nu, omdat deze industrie in het Ruhrgebied niet meer werkte, bij de Wehrmacht waren ingedeeld. Meerderen van hen hadden hun burgerkleding nog bij zich. Ze probeerden die te ruilen voor levensmiddelen, ’t Waren in ’t algemeen wel rustige mannen die het wel geloofden, voor hen hoefde het heus niet langer. Naast deze mannen behoorden tot dit onderdeel enkele knapen van de Hitlerjugend; jongens van een jaar of 17 die vrijwillig  bij de Wehrmacht waren gegaan. Deze dachten er heel anders over; zij zouden de Tommies wel eens mores leren en wanneer Hitler dan kwam met zijn geheime wapen, was de zaak bekeken.
Donderdag voor Goede Vrijdag is van der Heide nog naar het Woold geweest en hij kwam terug met de mededeling dat er op de wegen in het Woold een zeer druk militair verkeer aan de gang was, er zat iets aan te komen.

En toen kwam Goede Vrijdag.
’s Morgens was er een kerkdienst bij Klomps die geleid werd door ds.de Wit. Voor die tijd hadden wij nog een aanvaring met de Duitsers. Zij hadden op de deel een wagen staan waarop zich een hoeveelheid vlees bevond en dit was verdwenen. Wij werden verdacht van klauwen. Na enige tijd vonden ze het vermiste vlees terug. Van der Heide heeft hen toen behoorlijk van katoen gegeven.
Na de middag had ds de Wit een kerkdienst bij te Raa in Ratum. Bij zijn thuiskomst sprak hij er zijn verwondering over uit dat van het Gellinkdarp niemand aanwezig was geweest. Hij wist niet dat de Tommies daar al aanwezig waren en er gevochten werd en de boerderij de Kuper in brand geschoten was. Na enige tijd trokken de Tommies weer terug naar Duitsland. Ook in het Woold werd op Goede Vrijdag gevochten. De Tommies waren vanuit Bocholt gekomen en in het Woold de grens overgestoken. Een tankcolonne werd nabij boerderij Meerdink door de Duitsers opgewacht. Ze hadden de boerderij Veldboom in brand gestoken en met hun pantservuisten dekking gezocht in de bermsloot, aan het zicht onttrokken door de rookontwikkeling van de brandende boerderij. Een aantal tanks ging in vlammen op. De Tommies trokken zich daarop terug en kwamen kort daarna terug met vlammenwerpers. Het pleit was toen spoedig beslecht.
Intussen waren de gebouwen en het erf hier vol met Wehrmacht. Enkele officieren waren te gast bij de familie de Wit, de lagere goden waren bij ons in de keuken en verder overal.
Ds. de Wit had een gesprek met de officieren over de geestelijke verzorging van de Wehrmacht maar werd daar niet veel wijzer van.
Van een Pfarrer hadden ze nog nooit gehoord, het enige wat ze wisten was dat er Geistlichen bestonden.
De soldaten waren niet erg op hun gemak. Vanuit de richting Vreden was schieten te horen en blijkbaar waren ze bang dat ze ingesloten zouden worden.
De stemming was min of meer grimmig. De soldaten hadden veel kabaal en gaven aan hun ongenoegen uiting met zingen en lawaai schoppen.
Daar alles er op wees dat wij moeilijkheden hadden te verwachten, hebben wij vroeg gemolken en het vee gevoerd, toen de staldeuren ontgrendeld, de koeien van hun kettingen ontdaan en aan touwen vastgezet met het broodmes onder handbereik, zodat wij in geval van nood het vee in korte tijd naar buiten konden drijven.
De hele avond bleef het onrustig maar tegen elf uur kwam de boodschap: vertrekken, wat net gejuich begroet werd. Via de Groenloseweg zijn ze in noordelijke richting vertrokken.
’s Nachts hoorden we regelmatig schieten en toen we wakker werden luidden in Winterswijk de klokken: we waren bevrijd.
de Tommies waren vanaf Bocholt via het Woold Winterswijk binnengetrokken. De Duitsers hadden bij hun aftocht de brug in het Woold opgeblazen maar in de kortste keren was door de Tommies een noodbrug gelegd.
Enkele moffenmeiden hadden de nacht in de schuur doorgebracht en vertrokken schielijk; ze zullen hun Alfreds en Heinrichs wel nooit terug gezien hebben. Een groot aantal tanks ging via de Vredenseweg naar Duitsland. Op de hoek bij het hertenkamp hebben wij onze bevrijders verwelkomd. Dit leverde nog wel het een en ander op. Ze waren erg royaal met het uitdelen van snoep en chocolade en daarnaast ook zeep en levensmiddelen, iets dat zeer in de smaak viel.

Het plaatselijk gezag was in handen van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (N.B.S. niet N.S.B.!)
Gemeenteraden waren er niet meer, NSB-burgemeesters en wethouders hadden hun werk gedaan. Wel werden "goede" burgemeesters weer in hun ambt hersteld.
Een van de eerste taken die het nieuwe gezag zich stelde was het ophalen van de NSB-ers. Een aantal meest jongere mannen werd tot hulp-politieagent aangesteld. Ze kregen een band met het opschrift NBS  om hun arm en een geweer in de vuist en werden uitgestuurd de aangewezen personen van hun huis op te halen en af te leveren in bepaalde gebouwen. De vrouwen werden in eerste instantie opgeborgen in de openbare leeszaal, de mannen in kamp Vosseveld en openbare gebouwen. Hier in de buurt werd o.a. H.L. opgebracht. Naast een NBS-er slofte de NSB-er op Winterswijk aan: ik vond het een zielig gezicht. Een van onze vrouwelijke evacuee’s liep in draf naar de weg om hem te bespotten en uit te schelden. Ondanks alles wat er gebeurd was had ik medelijden met de man. Voorzover ik weet had hij niemand kwaad gedaan en was hij in de dertiger jaren toen het ook voor de kleine zakenman moeilijk was om het hoofd boven water te houden door Ratumse NSB-ers overgehaald om lid van de partij te worden.
Hetzelfde was het geval met de bejaarde W uit het Masterveld die een paar dagen na de bevrijding in gezelschap van een NBS-er naar het dorp slofte. Deze werd korte tijd later weer vrijgelaten en kreeg huisarrest. De behandeling van de gewezen NSB-ers verdiende de eerste tijd niet bepaald een schoonheidsprijs. Ze werden vaak gesard en gedwingen allerhande kinderachtige dingen te doen. De opgekropte woede van de bevolking zocht nu een uitlaat. Na enige tijd kwam er een nieuwe commandant die streng maar rechtvaardig beleid voerde waardoor de toestand snel verbeterde. De gearresteerden werden aan het werk gezet voor de gemeenschap, maar ook particulieren konden tegen een matige vergoeding van hun diensten gebruik maken. Wij hebben een keer een aantal vrouwen gehad om haver te binden en later een groep mannen voor de oogst van wortels. De "lichte" gevallen werden in de loop van het jaar geleidelijk vrij gelaten, de anderen werden door een tribunaal, bestaande uit de kantonrechter en twee leken berecht.
De straf bestond meestal uit een geldboete, enige tijd zitten en in elk geval verlies van hun politieke rechten voor lange tijd.
Over hun zaken en bedrijven werd korter of langer tijd een beheerder aangesteld. Dat was o.a. bij L. en een paar boeren in Ratum het geval. Na verloop van tijd kregen ze hun bezittingen terug.

De eerste dag van de bevrijding kregen we meteen inkwartiering van de Tommies. Een kolonne tanks installeerde zich tegen de bosrand in het weiland voor het huis. Het binnenrijden ging heel gemakkelijk, ze reden gewoon draad en palen omver en reden, diepe sporen achterlatend dwars door het weiland naar de bosrand. Ds. de Wit maakte tegenover de kommandant de opmerking dat het jammer was dat het weilnad zo kapotgereden werd maar zijn antwoord was: moet je maar eens in Gendringen gaan kijken, daar is alles kapot.
De soldaten installeerden zich op de hooizolder na eerst met wapens in de hand onderzocht te hebben of er nog Duitse soldaten achtergebleven waren.
Het laatste wat de Duitsers hier gedaan hadden was: klauwen. Het eerste waar de Tommies mee begonnen was: klauwen. Met het oog op Pasen had moeder een aantal eieren opgespaard en die opgeborgen in de kelder en nog geen uur na aankomst waren de eierren verdwenen.
Waar zich de daders bevonden was niet moeilijk te raden.
De eerstvolgende dagen werd hier grote markt gehouden van fietsen, huishoudelijke artikelen en vele dingen meer. Ze hadden deze artikelen "georganiseerd"in het naburige Duitsland.
Na enkele dagen waren de Tommies grotendeels verdwenen en werd alles in het werk gesteld om het normale leven weer op gang te brengen. Het hoogste gezag werd hier in ’t begin uitgeoefend door het Militair Gezag en de burgemeester. De gemeenteraad was al enkele jaren uitgeschakeld. Na enige tijd werd een noodgemeenteraad ingesteld die meest benoemd werd met advies van het voormalig verzet eb waarin vele oud-verzetsmensen zitting hadden.
De Duitsers hadden in de oorlog massa’s waardeloos geld gedrukt; na de oorlog moest dit weggewerkt worden.
Tevens was door heel wat mensen zwart geld verdiend in het klein en vooral in het groot. Het was uiteraard onverteerbaar dat ze dit geld, dat in dienst van de vijand was verdiend, voor zichzelf benutten konden.
Minister Lieftinck kreeg tot taak het geldwezen te zuiveren. Op een gegeven moment werd al het geld ongeldig verklaard en kreeg ieder burger tien gulden om zijn dagelijkse levensbehoeften te betalen. Naderhand werd alles waarvan men bewijzen kon dat het rechtvaardig verkregen was, omgezet in nieuw geld. op het laatste nippertje trachten velen nog van hun zwarte geld af te komen. Kort na de bevrijding verschenen in Winterswijk voor het eerst botsautootjes. Verschillende zwartgeldbezitters zaten bij wijze van spreken dag en nacht in de autootjes. Ze hadden in elk geval nog iets voor hun geld.

Na een aantal jaren was de toestand weer vrij normaal, al heeft het in verschillende landen nog jaren geduurd voor het zover was.
Opmerkelijk was dat in Duitsland, dat de oorlog verloren heeft, de economie veel eerder op gang kwam (dank zij de Marchall-hulp) dan in Engeland, dat tot de overwinnars behoorde,

 

Winterswijk, 1993-1994                                                           A. Weerkamp

 

 

In ons dorp kwam nu en dan een "peerdespul", dat is een rondreizend varietegezelschap, dat in een grote tent voorstellingen gaf met beesten, clowns, en acrobaten. Dat was voor mij de grootste sensatie van mijn jeugd. Op een grote weide door een heg omgeven, niet ver van ons huis, namelijk in het verlengde der Goudvinkensteeg, vlak bij het "Cheider", het afgedankte Joodse kerkje, dat voor ons godsdienstonderwijs gebruikt werd, verrees in een verrassend tempo de grote tent, waarin het wonder zou gebeuren. Ik was er opgewonden van, als ik de vreemde mannen en vrouwen zag werken, de paarden, honden en soms kamelen, olifanten en wilde dieren in een kooi voorbij zag gaan en de aanplakbiljetten met schreeuwende kleuren, fantatische toeren en snorkende beloften bewonderde. En ’s avonds, voordat de voostelling begon, stond ik trillende van begeerte en nieuwsgierigheid tussen de mensen voor de ingang te luisteren naar de schetterende muziek en het geschreeuw der clowns op de plankentribune voor het geheimzinnig doek vol schrille afbeeldingen, waarachter de toeschouwersplaatsen en het toneel verborgen waren. Muziek en clowns lokten het publiek lawaaierig naar binnen; een prachtig opgedirkte dame zat aan de kassa om kaartjes te verkopen en telkens verdwenen er mensen, die het trapje opgeklommen waren en hun entree betaald hebben, achter het opgetilde hanggordijn, waarvoor een man in bonte livrei de wacht hield. Ik was dodelijk jaloers op rijkere jongens, die met hun ouders mee naar binnen mochten, al kende ik anders geen jaloezie. Maar dat zo iets mij ongezien voorbij zou gaan, was me onverdragelijk. Het was voor mij de toverwereld, de wereld van het sprookje en de vrijbuiterij. Van opwindinde clownerie en kunstmakerij, waarbij al onze gymnastische kunstjes maar pover kinderspel waren. Een man met kleurig buis en spanbroekje aan, die op zijn handen stond en voortliep zelfs, of een, die met een sprong kopje-over buitelde over de rug van een paard zonder iets aan te raken, was de held van mijn kinderdromen. Als het peerdespul weer weg was, bleven wij jongens ons nog wekenlang in het gras oefenen op gelijksoortige toeren, maar brachten het nooit ver daarin. En des te groter werd onze bewondering. "Boeren, burgers en buitenlui! Gaat dat zien. Neemt plaats! De voorstelling gaat beginnen! Een kwartje! De muziek gaat al naar binnen! schreeuwde  de dikke uitgedoste vent voor de laatste keer. Dan ging het hele spul naar binnen en liet mij triest en teleurgesteld staan hunkeren. Maar ik vond er wel wat op.
Er is geen voorstelling in ons dorp geweest, die ik niet bijgewoond heb. Geld voor entree, daar was geen denken aan; daar werd thuis niet eens over gepraat. Maar ik sloop met een of ander kameraadje de weide om en kroop door een gat in de heg aan de achterkant naar de ontzaglijke tent. Daat tilden wij in het donker het zeildoek op en gluurden er onder door.
We zagen de oplopende rijen banken, gesteund door palen, en de benen van het publiek. Er liep geregeld een wachter om de tent om te spionneren. Tussen twee rondes in moesten wij onze slag slaan, en binnen het zeildoek liggen. Toen ik eens daar veilig lag, zag ik tot mijn schrik een lampje, en twee mannen, die bezig waren in onze ruimte een paal of bank te repareren. Ik bleef doodstil en stokstijf liggen, totdat de mannen gelukkig weer verdwenen door een luik aan de voorkant zonder mij ontdekt te hebben. Als de voorstelling begonnen was en alleen het toneel nog verlicht, schoof ik op een open plaats vooraan, waar de banken niet zo hoog waren, tussen de voetenplank en zitbank omhoog, en ging van opwinding bevend, tussen twee vreemde mensen zitten. Ik zocht mannenbenen op, want vrouwen gilden, als je hun been aanraakte of plotseling in het donker tussen hen in opdook. Eens dook ik te vroeg uit de onderwereld op, want toen ik zat, ging het licht weer op, en keek ik in de proestend verblufte gezichten naast me. "Wat mot iej, aap!" zei de enen buurman niet erg vriendelijk. Maar de ander wenkte: "Stt!"en redde me gelukkig. Ik schoof onrustig heen en weer en voelde me nier lekker in het volle licht en zonder kaartje. Toen ik wat meer op mijn gemak begon te raken, keek ik eens om. Want ik zat als eenvoudig jochie tussen de keurig geklede sjiek van ons dorp, op de beste rang. (De andere rangen waren voor mij te hoog om er in te klimmen.) Een nieuwe schrik sloeg me om het hart, toen ik daar in de hoogte op goedkope plaatsen mijn ouders zag zitten, die zich ook eens de luxe van samen uit te gaan gepermitteerd hadden. Ik dook automatisch in elkaar om helemaal schuil te gaan en was er niet zeker van, dat ik niet ontdekt was. Maar ze hadden geen flauw vermoeden van mijn aanwezigheid en waanden me veilig geborgen in m’n bed. Want gelukkig werden we nooit gecontroleerd, wanneer we naar bed gejaagd waren en daarvan profiteerde ik vaak. Ik legde mijn zusjes het zwijgen op en ging door een deur, die over de zolder leidde, en langs een wankele ladder, door de schuur naar het vuile steegje tussen ons en buurmans huis. De deur had aan de binnenkant een haakje om te sluiten, dat mijn zusjes, bang voor de donkere, lugubere zolder, altijd dicht deden. Als ik dan ’s nachts om elf of twaalf uur naar huis rende, door het vochtige stinksteegje de schuur in sloop, en langs de krakende zolderladder op de donkere, vieze en rommelige zolder kroop, om over balken en turven, door spinrag en vuil me voort te tasten tot aan de deur, bonkte mijn hart meer voor de gevaren van de donkere zolder dan voor ontdekking. Wel gilden mijn zusjes even in haar slaap, als ik zacht klopt, en "Ssst toch, ssst toch! Ikke bun ét, riep, maar het alarm is in de kamer naast ons nooit opgevallen, ook niet als mijn oders al goed en wel in bed lagen. Voor dit goede gedrag was ik mijn zusjes altijd dankbaar, maar ik plaagde hen er niet minder om.
Die avond nu, toen ik met mijn ouders in dezelfde tent zat, genoot ik van het treurspel "Genoveva", griezelde van de slechtheid van haar belagers en huilde van medelijden met het arme meisje.
(Later meer)

 

 

NIEUW VERHAAL

 

Janus Schrijnemakers werd wakker van het brandalarm. Een moment dacht hij dat zijn eigen huis in brand stond, zijn kamer was fel rood verlicht. "Nondeju,"vloekte hij op zijn Brabants. Hij rukte de gordijnen open en keek in een vuurgloed. De Batavier, een van  de grootste fabrieken van het dorp, stond in brand. Janus stootte een schorre kreet uit, sprong naar de kast waar zijn brandweeruniform hing en stapte al haastig in zijn broek. Zijn vrouw stond enekel ogenblikken als verstard voor het raam te kijken. Haar hart bonsde zwaar en onregelmatig. Ze werd er duizelig van en moest even op de rand van het bed gaan zitten. Dat had ze de laatste tijd wel vaker. Bij heftige emoties kreeg ze het te kwaad met haar hart.
(Later meer)

^ Terug naar boven