HET OUDE KERSPEL WINTERSWIJK
B.STEGEMAN 1927
Hier haal ik enkele onderwerpen willekeurig uit het boek van
B.Stegeman, Het oude Kerspel Winterswijk wat hij al in 1927 heeft uitgegeven.
Op een later tijdstip zal ik het meer ordenen, maar toch wil ik
het u nu al niet onthouden
---------------------------------------------------------------------------
Winterswijk, Winethereswick, Winriswic, Wenterwic
wic=wijk=woonplaats van zekeren persoon, Wenether, Winithar of Winter genaamd.
"Op grond van tal van analoge gevallen lijkt ons dit wel het aannemelijkst". B.Stegeman
1200-1300:
| Henxel | Hencsel,Hengheslo,Henghsell | ||
| Huppel | Hoepele, Huppeloe, Huppelo | ||
| 1265; Theoderic de Huppelo | |||
| Ratum | 1330 Ratmen | ||
| Raetmen | |||
| 1740 Hoeve-naam Raadman | |||
| Meddo | Meddehoe, Medeho, Middenho | ||
| Woold | Woolt=wolt=wold=boschrijke streek | ||
| Kotten | 1385; Kaeten | ||
| Katen | |||
| Miste | Merste, Myst, Misede | ||
| 1254: Theoderic de Misthe | |||
| Corle | Koerle, Coerele | ||
---------------------------------------------------------------------------------------
"Ziet men verder, hoe eigenaardig de z.g. Bosschesteeg zich achter de huizengroep tusschen de Misterstraat en het magazijn "De Duif" heen buigt, dan schijnt men hier nog te doen te hebben met de oorspronkelijke verbinding tusschen de Woold-en Misterstraat en zouden wij bedoeld huizencomplex beschouwd willen zien als te zijn gebouwd op het randterrein van den hoofdhof od deszelfs gedempte grachten"
B.Stegeman 1927
-----------------------------------------------------------------------------------------
Als ik in den jare 1729 in de maand Juni daer was, bevond ik dit dorp een wel betimmert dorp na de wijze van dat gewest en heeft omtrent 230 zeer goede huysen, doch de voonaemste van het geheele dorp worden door de Mennonieten bewoont, hebbende steenen gevels en van binnen na de Hollandsche manier geschikt.
Van het getal der huysgesinnen boven aengetoont, sijn omtrent 100 Roomsgesinden, die al van tyt tot tyt van de Munsterse grens komende, haer daer ter neder zettenden, 11 huysgesinnen Mennonieten, die er ook een kerk hebben, doch de Roomsgesinden moeten na het stift Munster ter kerke gaen.
Wenterswyk is een klein en gering dorpje, segt de advocaat Brouerius, doch dit heb ik contrarie bevonden in den jaere 1729. Ik bevond het een groot en lang dorp te sijn en verre boven eenige dorpen daeromtrent.
Het heeft de navolgende straeten, als 1. de Woolt, zoo die van de inwoonders genoemt wort, anders de Woutstraat, (dat is een voorname straete), 2. Bredevoortsche straete 3. Schoutenbrugsche straete, 4. Meddosche straet, 5. Lappenbrink, 6.Woorde, 7. den Plas,
8. ’t Kapersend of Duynkerken; hier woont het slechtste volk van ’t dorp bij malkander.
Andries Schoenmaker,Rijksarchief Arnhem.Gepubliceerd in Boek B.Stegeman 1927
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
hunebulten
De meest bekende grafheuvel van Winterswijk is de z.g. "Hunebulten", achter de Bataaf.
In de Nieuwe Ned.Jaarboeken 1783 staat, dat hier is gevonden:
Een urne van tamelijke grootte, uit zwartachtige aarde gebakken.
Eenige uitgebrande beenderen
Meer dan tachtig stuks koralen in onderscheidene doosjes van allerlei kleur en gedaante.
Eeen mensenhoofd in zijn geheel, doch bij het uitnemen gebroken, waarbij vier stukken kakebeen met tanden, bijkans zoo gaaf alsof het van een onlangs begravene was.
GRAFSTEENEN
B.Stegeman beschrijft in zijn boek de Grafstenen van de Jacobskerk.
Dit was moeilijk, aangezien de meeste stenen omgedraaid waren in het verleden, omdat de adellijke titels niet zichtbaar mochten zijn.
Mr.Snouckaert van Schauburg heeft nog voor het einde van de 18e eeuw 8 stenen kunnen beschrijven, voordat dit gebeurt was.
B.Stegeman noteerde die in zijn boek:
1esteen: Gewoon schild
Munster, geecarteleerd met Boetselaar
Obiit den 5 April, anno 1667 (Obiit=gestorven)
Onder stond: Jacob van Munster
Met 16 kwartieren:
Regts:1.Munster, 2. Dorth, 3. Gemen, 4.Rossum, 5.Ermel, 6.Azewijn, 7. Zuilen van
Nivelt, 8. Eyl.
Links: 9.Boetselaar, 10. Mervelt, 11. Schenck, 12.Rebersrut, 13. Dorth, 14.Azewijn,
15. Langen (met de schaar), 16. Smullinck
2esteen:Gewoon schild, Munster.
Obiit, den 30 Julius, anno 1676
Met 16 kwartieren:
Regts:1.Munster, 2.Boetselaar, 3. Dorth, 4. Mervelt, 5.Ermel, 6.Schenck, 7.Rossum,
8.Dorth.
Links:9. Ensse, 10.Steenwick, 11. Closter, 12. Isselmuiden, 13.Mulert, 14. Dorth,
15.Onsta, 16. Stellinck.
De naam van den overledene wordt hier verzwegen, maar het is niet moeilijk dien uit de 16 kwartiern te bepalen. Munster is hier verbonden met Ensse, zoodat we verwezen werden naar een zoon uit het huwelijk van Jacob van Munster en Seina Agnes van Ensse. De geslachts-annalen der Van Munster openslaand, blijkt ons, dat inderdaad in genoemd jaar overleden is Engelbert van Munster
3esteen:Gewoon schild.
Geecarteleerd 1 en 4. - Een wiel van 5 spaken, - 2 en 3 (oningevuld),-2 een leeuw.
Dit is een grafsteen (zegt Snouckart) van Huys Dravenhorst, synde de inscriptie en verder versiersel door de tijt en overgaen der menschen versleten, soo dat men daer niets verders van maken kan, leggende deze grafsteen op ’t koor in de Winterswijksche kerk. Ik hebbe te Winterswijk sijnde in een geschrift gevonden, dat in de jaeren 1620 geleeft heeft
George van Asbeck, Heer zu den Berge und Dravenhorst, komend dit wapen overeen met het wapen, dat van ’t Huys Dravenhorst in de Wenterswijksche kerke gegeven is.
4esteen: Ruitschild
Nehem geecarteleerd met Galen. Obiit 21 decembris, an.1637.
Geen overvloedige gegevens, maar toch juist genoeg van te vermoeden, dat we hier het graf van Hartlieb van Neheim, dochter van Johan van Neheim, heer tot Werries en Dorethea van Galen. In 1621 was zij hertrouwd met Mathias Dulcken. Haar eerste echtgenoot, Frederik van Eerde, heer tot Plekenpoel, stierf den 28 Februari 1621 en werd eveneens in de Winterswijksche kerk begraven. Diens zoon, Adriaan van Eerde,wordt op den volgenden steen genoemd:
5esteen: Twee gewone schilden, naast elkaar.
Regts:Eerde; Links:Nehem.
Anno 1683, den 8 January ist der Hochwahl gebohren heer Adriaan van Eerde, Heer zum Plekenpoel, in Herren entschlaffen, der seele gott geneid sijt. Amen.
Met 8 kwartieren:
Regts:1. Graes, 2. Mum van Kell, 3.Moddagten, 4. Buyrse.
Links: 5. Galen, 6. Nagel, 7. Frijdag, 8.Bergstrate
Met deze kwartieren is het echter vreemd gesteld. Indien niet Baron Snouckart ze foutief determineerde en ze werkelijk op Adriaan betrekking hebben, moet het lijstje aldus samengesteld zijn, dat eerst genomen is het geslacht der grootmoeder (Rutgera van Graes), daarna dat van de moeder van deze (Anna van Middagten), vervolgens dat van de moeder van den grootvader (Judith Mum van Kell) en eindelijk dat van de moeder van den overgrootvader (een vrouwe van Buurse), hetgeen wel een zeer ongewone samenstelling mag heeten,waarvan ons de bedoeling ontgaat (B.Stegeman)
6esteen:Gewoon schild. Clautier.
Obiit den s September 1683
Met 16 kwartieren:
Regts:1.Clautier, 2.van Dongen, 3. Rompelle, 4. Colghon, 5. de Lanquere, 6. Van
Overbeke, 7. Van Hembrijze, 8. Hennin de Bossut.
Links: 9.Reinhers, 10. Doys, 11.Essingh, 12.ten Brinck, 13. ten Thorn, 14. Swarff
15. Deutinghem, 16. Krijff
Hier hebben we blijkbaar het graf van Johan Clautier, heer van Walien, die in 1683
stierf.
7esteen:Gewoon schild. Eerde.
Obiit den 23 July, anno 1712
Frederik van Eerde, Heer van den Plekenpoel en Broekhuijsen.
8esteen:Twee ovale schilden naast elkaar.
Regts: Keppel; Links:Clautier.
Obiit den 4 November, anno 1713
Blijkens de overlijdingsboeken ten gemeentehuize het graf van Helena Catharina Clautier (weduwe van Keppel), vrouw van Walien.
LATER MEER
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------
HET KERHOF
(Dit moet u lezen)
Hier beschrijft B.Stegeman HET KERKHOF naast de Jacobskerk.
Toen door het jarenlange begraven in de kerk daar bijkans geen plekje meer over was, moest natuurlijk de grond rondom de kerk ook als doodenakker in gebruik genomen worden. Gedeeltelijk door een muur of hekwerk van de publieke straat gescheiden lag ons kerkhof daar als een werkelijke hof te midden van de ouderwetsche houten gevels, die in wijden boog op hem uitzagen. Een plaatsje voorwaar, wel getuigend van hoogen zinnebeeldigen ernst; rondom het eeuwenoude kerkje, op het door de vaderen gewijde plekje gronds, dat de levenden des Zondags betraden om op te gaan naar het bedehuis, waarboven de grijze toren zoo ernstig omhoog wees naar het eeuwige blauw; "Hier beneden is het niet". Maar met die verheven gedachte had dan ook de materieele zorg voor onzen godsakker wel in overeenstemming behooren te zijn, - en dit liet helaas nog al te wenschen over. Vooral tegen het einde der achttiende eeuw moet de toestand, waarin hij verkeerde, allerbedroevendst zijn geweest. Een uit die dagen (1798) dateerend bericht, schetst ons den Winterswijkschen doodenakker als een " ware ruine".
Toezicht of regelmaat bij ’t begraven schijnt er niet geweest te zijn, daar dit - bij gemis van een vasten doograver - veeltijds zoo slordig geschiedde, dat de honden gemakkelijk de bovenliggende aarde konden loswoelen, om de ondiep liggende kisten geheel bloot te leggen. ’t Aantal kuilen en oneffenheden was dan ook legio en hier en daar kwam zelfs door ’t plotseling inzinken der onsoliede kisten de half vergane inhoud aan de oppervlakte, zoodat de niets ontziende jeugd van die dagen zich daar op recht aanschouwelijke wijze in de anatomie van den mensch onderrichten kon, en ....... dat ook werkelijk deed.
De brave jongens van dien tijd (men klaagt wel eens over de verwildering onzer hedendaagsche jeugd, doch vergeet geheel en al, hoe ’t wel met het jonge volkje van vroegere eeuwen gesteld was) - ze zagen er zelfs niet tegen op de doodsbeenderen van het kerkhof te halen, om er elkander mee om de ooren te werpen, of wel, om ze als griezelige curiositeiten aan Jan en alleman ten toon te stellen.
Wel teeekend voor den toestand was, dat zelfs een "Bot-op-lezer" aangesteld was, wiens vaste taak het was de losgewoelde beenderen bijtijds te verzamelen en in het z.g. "BOTHUUSKEN" te werpen. Dat bothuusken stond vlak tegen den kerkmuur, waar thans het gemeetelijk aanplakbord geplaatst is en lag vol met grijnzende doodshoofden en dergelijke lugubere zaken, die van de straat afduidelijk zichtbaar waren. het "memento mori", dat ze U toeriepen,was wel in staat U tevens de bange vrees op het lijf te jagen, dat eenmaal wellicht ook Uw gebeente, daar bij dien somberen chaos verzameld zou worden, maar de Winterswijkers van die dagen wisten niet beter of het hoorde zoo.
Geen groeve kon er gedolven worden, of er kwam een gansche verzameling van half vergane, maar deels ook nog uiterst gave skeletdeelen te voorschijn, die dan bleven liggen tot de Bot-op-lezer ze achterloos over het hek van het knekelhuis geworpen had, of wel, tot de lieve jeugd, die er veeltijds nog het eerst bij was, ze reeds als welkom speeltuig weggekaapt en in beslag genomen had. En wee, zoo dit laatste het geval was. "Weerzinwekkend was het dan soms te zien" - zooals een oogetuige Mr.W.A.Roelvink) ons nog te vertelen wist - " hoe sommige knapen er blijkbaar vermaak in konden scheppen de doodshoofden stuk te slaan of de langste doodsbeenderen (bovenarm of dijbeen) uit te zoeken om ze met een touw om het middel te binden, ze als een sabel aan de zij te doen bungelen en er tenslotte elkander mee te lijf te gaan.
-------------------------------------------------------------------
AARDRIJKSK.WOORDENBOEK DER NEDERLANDEN
Van der Aa
1849
Winterswijk telt thans 1366 huizen, bewoond door 1422 huisgezinnen, uitmakende een bevolking van ongeveer 7600 inwoners, die hun bestaan vinden in landbouw en handel, zoo in hout als koopmans- en koloniale waren, welke zeer is bevorderd door den voor weinige jaren nieuw aangelegden straatweg van Winterswijk over Zutfen op Deeventer en belangrijker zoude worden, wanneer eene verbinding van dien weg met Pruisen werd bewerkstelligd. Voorts heeft men er een aantal weverijen, welke echter niet rechtstreeks als fabrieken kunnen worden beschouwd, daar zij door de leden der huisgezinnen in hunne woningen worden uitgeoefend. De Hervormden zijn er 6550 in getal, en hebben 2700 lidmaten. De afgescheidenen, die men vroeger 150 telde, van welke echter in de beide laatste jaren twee derde naar Noord-Amerika vertrokken zijn, maken sedert 1843 een gemeente uit. De 20 Doopsgeinden vormen met Borculo eene gemeente van 50 zielen. De Roomsch-Katholieken zijn 1200 in getal, waaronder 800 communikanten, terwijl de Israelieten 40 zielen tellen.
Het dorp zelf telt 8 straten, 1300 goede huizen, en 2200 bewoners en heeft een zeer fraai nieuw gemeentehuis(!)

--------------------------------------------------------------------------
EEN BRANDWEER- VERORDENING
Het " MATERIAAL" :Emmers,ladders en haken., en dat was het wel
Het " PERSONEEL":Burgers, bij toerbeurt
De kosten werden betaald door ingezetenen welke niet aan het blusschingswerk deelnamen.
Weduwe Waliën betaalde per kwartaal 7 stuivers "contributie".
Maar in 1745 weigerde ze te betalen.
De Voogd (Burgemeester) liet een stuk serge (weefsel) uit haar woning wegneme, als onderpand.
De weduwe accepteerde dit niet en spande de zaak aan bij het Hof en de Staten.
De Staten hadden geen zin in zo’n kleinigheid en adviseerde een nieuw reglement op de brandweer en de nachtwakers-diensten samen te stellen.
Enkele bepalingen uit dit reglement:
"Opdat de ingezetenen van allen overlast soo veel doenlijk mogen bevrijd blijven, soo sullen tot conservatie van de publique rust aengestelt worden TWEE KLAPPERLUYDEN.
"Sy sullen sich moeten voorsien van een GOEDEN HOND,een SABEL ofte SYDGEWEER en een BEQUAMEN STOK".
"Den eenen naghtwaker sal sich bedienen van een RATEL en den anderen van een KLAPPER".
"Sy sullen sich wel waghten van hunne plaetse te gaen en eenighe herberghe of andere huysen in te gaen, eer er bevoer haere naghtwacht geeindigt is"
"sy sullen nauwkeurig acht gheven op het HUYSBREECKEN en STEELEN, alsook op DIEVEN en STRAETSCHENDERS, die kolppers of schellen afdraeijen, ijser of loot van de goot afwringen, die glaesen ofte lantaarns inslaen, VEGHTERS en STOORDERS van de gemeente ruste"
Ook betreffende brandgevaar waren er voorschriften:
" Dat het verboden is eenigh vuur ofte heete asch voor ’t huys op de straete te werpen, op de vaelt ofte mesthoop, op eene boete, waervan de helfte voor de nagchtwakers is."
"Ook sal niemant met een AENGESTOKEN TABACKSPIJPE langs de straet mogen gaen"
"Ook geen vlas ofte hennip te braken bij lamp ofte kaerse, noch hetselve bij vuur ofte ovens te dragen"
"Als ’s nachts ONWEER is, omtrent de ure, dat de klapperlieden anders wel niet op de straete behoefden te wesen, sullen sij bij sodanen val niet te minne bij de hant en op de straete blijven"
Ook bleef men contributie heffen ter bestrijding der kosten
De nachtwacht liep om ’t halve uur. : Deze zong: " Elf uur hef de klokke, de klokke hef elf"
Bij de eerste en laatste ronde werd gezongen:
Riezet oet den slâop,
Den dag dee genâokt,
Lovet altied God,
Holdet Zien gebod,
Dree uur hef de klok
In het nieuwe jaar - om 12 uur - liepen de nachtwachts samen en zongen dan een lang couplet, dat aanving met:
“Wi’j wenschet oew allen gelukzâolig ni’j jâor”
Omstreeks 1875 werden de ratels en kleppers afgeschaft
Rond 1750 waren er veel toestanden in Winterswijk.
De nachtwakers moesten met acht gewapende burgers de vagebonden uit het dorp houden, die aan de grenzen in het Munstersche reeds zulke verregaande buitensporigheden bedreven hadden en meer en meer naar Winterswijk kwamen afzakken.
Soms waren er zelfs KLOPJACHTEN om het gevaarlijke gespuis uit het dorp te houden.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
BEGRAFENISGEBRUIKEN
1811
De Maire (Burgemeester) rapporteerde aan den Sous-Prefect van het arrondisement Zutfen:
"Het schandelijk gebruik hier ondeugelijk vigeerende bij de begrafenisse der gestorvenen"
Het was hier sinds lange jaren de gewoonte, zoodra er iemand was gestorven, dat alles uit de buurt wordt opgeroepen tot getuigen van den doode;
dan begint het zoo min voegende bij een sterfgeval, men beschimpt elkander en zelden, dat niet iemand beschonken huiswaarts keert. Het overluiden van den afgestorvene bestelt een tweede samenkomst, waarop niet minder wordt gedronken en die in eene drinkpartij ontaardt.
Daarna volgt het nog meest buitensporige gebruik:
Het geven van het zoogenaamde groevenmaal, waartoe genoodigd worden al nadat de overledene was bemiddeld een gansche boerschap, niet zeer zelden meerdere te zamen, of ook wel eens, wanneer een rijke sterft, het gansche kerspel Winterswijk; gebeurde ’t stukken, dat soms twintig, ja meer als dertig tonnen bier behalve zoovele sterken drank alsdan gedronken wierden en dan geen wonder, gelijk de ondervinding heeft bewezen, dat reeds menige familien door slecht geplaatsten ijver opgespoort, daardoor zich in schulden gestoken en haren ondergang bespoedigd hebben.
Men zou het jaarlijks kunnen toonen, dat de kosten van een groevenmaal somtijds loopen boven 400 gulden.
B.Stegeman, 1927
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
POST EN VERKEER
In 1768 verkreeg JAN GELINK vergunning voor het wekelijks rijden met een postwagen naar Deventer, terwijl zekere GARRIT TER HELLE in dat jaar als bode op Amsterdam werd aangesteld. Deze laatste moest eenige stukken bouwland op den Balink-esch en het Arrisveld als pand afstaan "tot securiteit van hetgeene hem als bode zou worden toevertrouwd.
In 1835 had Winterswijk de volgende gelegenheden op dit gebied:
Middernacht (dagelijks) POST over Zutfen naar Holland.
Donderdags en Zaterdags een BODE naar Bredevoort en Aalten
Elken Woensdag eene kar van Doetinchem
Wekelijks van Winterswijk een KOOPMANS-BODE (UBBINK of BALINK) naar Amsterdam.
Maandags twee TOERKARREN van Winterswijk naar Arnhem (WICHERINK of WESSELS)
Dinsdags te 1 uur een DILIGENCE van Winterswijk naar Zutfen. (Keizerskroon)
Woensdags van Zutfen naar Winterswijk een DILIGENCE (De Zwaan)
Donderdags van Zutfen naar Winterswijk een DILIGENCE (De Zwaan)
Dinsdags van Zutfen naar Winterswijk een KAR.
Bovendien was er Zaterdags nog gelegenheid correspondentie mee te geven aan een tweetal Duitsche boden, die respectievelijk van STADLOHN en SUDLOHN op Zutfen LIEPEN en OMGEKEERD.
(LATER MEER)


