Schooljaren

 

Met dank aan Riet Addink-van den Berg voor het mogen plaatsen

 Voor-het-eerst-naar-school-gaan: Een ongelukkiger verjaardagsdatum dan begin oktober was bijna niet te vinden. Toen – in de dertiger jaren - moest ieder kind 6 jaar zijn voor
1 oktober om naar de lagere school te mogen. Ik kwam bijna een week te kort. Geboren op 6 oktober.

Maar zoals ik in “Peuter en Kleuter” al vertelde, tante Cor was de reddende engel met leesplank en sommenboekje, zodat ik een jaar later in september 1937, toen ik wel naar school mocht,  meteen in de tweede klas kwam. “Dat is mooi, nu verliest ze tenminste niet een heel jaar”, zei de familie tevreden. Maar de werkelijkheid was toch niet zo mooi als voorgespiegeld was. Ik voelde me in het begin helemaal niet op mijn gemak in een klas vol onbekende kinderen, voor wie de gang van zaken op school gesneden koek was.

De tweede klas van school C was vol en rommelig. Er zaten 53 kinderen in en juffrouw Scheepstra moest proberen de baas te blijven, wat haar slecht afging. Ze was vol goede bedoelingen, maar kon helaas haar klas niet in het gareel houden. Orde was ver te zoeken en van een pedagogische aanpak had ze niet veel kaas gegeten. Ze verliet na een aantal jaren gedesillusioneerd het onderwijs.

Eén voorval herinner ik me nog goed. We kregen een dictee, waarin het woord “vestje” voorkwam. Nadat ze het nagekeken had, moest ik bij haar komen. Ze zat aan haar tafeltje en wees een woord aan in mijn schriftje: “Wat staat daar?” “Vestje”. “En hoe schrijf je dat?” ’t Zou wel fout zijn, wat ik geschreven had, maar ik had geen idee wat het dan wel moest zijn en haalde mijn schouders op. “Als ik wat vraag geef je netjes antwoord, dus:......  “Hoe schrijf je dat?”. Ik wist het niet en durfde niks meer te zeggen. “Jij schrijft  “vesje”, zie je wel en het is een vest, dus ook vestje, met een t.”
En toen kwam de grootste klap: “Wat zal tante Cor daar wel van zeggen?”
Tante Cor, die zo haar best had gedaan om mij bij te spijkeren voor deze klas en nu maakte ik haar te schande.......Ik wist niet waar ik het zoeken moest van narigheid.
Winterswijk was niet groot en al het onderwijzend personeel van de lagere scholen kende elkaar. Ik kon er dus zeker van zijn, dat dit vergrijp (want dat was het in mijn ogen) wel  overgebriefd en in de familiekring breed uitgesponnen zou worden.

Sinds die dag was ik doodsbenauwd voor mijn juffrouw.

In de loop van dat jaar kwam er een tweede onderwijzeres bij, juffrouw Wennink, en dat vergrootte de janboel nog. Twee juffrouwen in één lokaal, die ieder aan een deel van de klas les gaven, was vragen om moeilijkheden. De ene helft maakte sommen, de andere was bezig met hardop lezen. Chaos.

De derde klas was een verademing. Juffrouw van de Klashorst begreep haar druktemakertjes en kreeg alles gedaan. We gingen voor haar door het vuur. Al een jaar eerder was op onze school als geweldig hulpmiddel bij het lezen een onzinnig aanwijsstokje geïntroduceerd. Een donkergroen glazen staafje, waarmee iedereen bij het lezen de tekst moest aanwijzen. Vast en zeker bedoeld om de aandacht beter bij de les te houden, maar ja, die stokjes vielen nog al eens kletterend op de grond. Weg aandacht. In de vorige klas werd er dan getierd en geschreeuwd, hier zei juf, dat we ze maar lekker in ons kastje moesten laten liggen. We waren toch groot genoeg om zonder die dingen te kunnen lezen? Nou dan....

Er was een of ander kattenkwaad uitgehaald en niemand had het natuurlijk gedaan. “Om vier uur blijven jullie voor straf allemaal na”, zei juf v.d.Klashorst.  Ik vond dat verschrikkelijk, want ik had het beslist niet gedaan en thuis zwaaide er ook altijd nog wat als ik op school gestraft was. Ik verzon een list – ander woord voor leugen - , stak m’n vinger op en zei: “Mijn Opa komt me vanmiddag van school halen; hoe moet dan nou?”.

“Je Opa mag je niet laten wachten, ga jij maar naar hem toe”, zei ze. Ik verdween en voelde de ogen van de klas in mijn rug prikken.
Onderweg naar huis was ik al helemaal in mineur. Wat had ik gedaan? De juffrouw glashard voorgelogen. En waarom? Dom, dom, dom. Thuis heb ik het opgebiecht en moeder zei: “Er is maar één oplossing; morgenvroeg ga jij haar alles vertellen.

De volgende morgen stond ik voor dag en dauw bij het tuinhekje op juffrouw v.d. Klashorst te wachten tot ze met haar fiets naar buiten kwam. Onder tranen heb ik mijn leugen opgebiecht en verwachtte een zware straf. Maar alles wat ze zei was: “Ik had daar gisteren al zo’n vermoeden van. Flink van je, dat je het verteld hebt. Spring maar achterop, dan gaan we samen naar school”. Je hebt geboren pedagogen en mensen, die het nooit zullen worden.

De vierde klas had geen juffrouw, maar een meester, meester Langendijk. Ik zie hem nog voor me in een beige stofjas met leren stukken op de ellebogen. Verder kan ik me weinig van hem herinneren, alleen dat hij me een keer vroeg: “Zeg, wat doet jouw vader eigenlijk?”. Ik had geen flauw idee, “Hij zit op kantoor”, was alles wat ik erover kon zeggen.

Meester Paris beheerde klas 5. Een uitstekende docent. We leerden veel van hem. Elke middag, als we een paar minuutjes over hadden voordat de bel ging, las hij een stukje voor uit Fulco de Minstreel van Joh.C. Kieviet. Het was een beloning voor het feit, dat we die dag goed ons best hadden gedaan. Gek, dat je je zoiets herinnert.

Onze school was de opleidingsschool van het dorp. Dat wilde zeggen, dat iedereen, die naar de HBS wilde, daar de 5e en 6e klas moest volgen. Opleiding?.....hoe zag dat er uit?  In de zesde klas bij schoolhoofd meester Meinen waren een paar bijzondere lessen ingebouwd. Daar was in de eerste plaats de telefoonles. Een telefoon was nog iets bijzonders in die dagen. Bedrijven hadden natuurlijk wel een telefoonaansluiting, maar particulieren nauwelijks. Hoe gedroeg je je aan de telefoon? Dat leerden we dus. Elke donderdagmiddag was er een telefoonverbinding met een telefoniste van het district Hengelo, waar Winterswijk onder viel. Om de beurt hadden de leerlingen een telefoongesprekje met haar, waarin ze iets over de telefoon en over het voeren van gesprekken vertelde. Zoiets is toch niet meer voor te stellen in het mobieltjes-tijdperk?
Verder hadden we één keer per week na schooltijd Franse les. Nu denk ik, waar was dat voor nodig? Waarom geen Duits of Engels? Ik weet nog, dat we reuzelol hadden om zinnetjes als: ”Papa est sur le canapé et Maman aussi”. Later op de HBS bleek, dat we van die lessen nauwelijks profijt hadden.

De citotoets was nog onbekend. Om naar de HBS te mogen, moest je toelatingsexamen doen. Ik kan me van het examen zelf weinig herinneren. De meeste indruk maakte op mij een bericht in de Winterswijkse krant, waarin de geslaagden vermeld werden. Alle meisjes heetten hierin mejuffrouw. Mej. R. van den Berg was geslaagd. Een mejuffrouw van 11 jaar! Nou begon ik echt mee te tellen.

In september 1942 stapte ik met zo’n 20 anderen klas 1b binnen. Er waren veel nieuwe gezichten bij, want onze HBS was het educatieve middelpunt voor een wijde omgeving. De leerlingen kwamen bij goed weer op de fiets tot uit Eibergen, Borculo en Varsseveld.  

Elk uur een ander lokaal, een andere docent. Het wende gauw. Tijdens een van de eerste lessen Nederlands, waarbij het ging om de betekenis van het woord “voorlijk” zei de heer Kamman met zijn gebruikelijke sarcasme (wat ik helemaal nog niet door had): “Ik vind dit een intelligente klas. Jullie zijn voorlijk. En dat voor zulke jonkies. Want hoe oud zijn jullie helemaal? Dertien of misschien twaalf jaar?”
Natuurlijk stak er één zijn vinger op om te vertellen, dat hij pas twaalf was. “Dan ben jij een voorlijk kind”. Daarna riep mijn vriendinnetje op mij wijzend: “En Riet hier is pas elf”, waarop Kamman zei: “Jullie hebben al wel wiskunde gehad hè? Weten jullie wat het betekent als er achter een cijfer een tweetje staat, je weet wel, zo’n beetje hoog? Jullie snappen wel wat ik bedoel, hè? Nou, dat is zij dus.”  Ik wou wel door de grond zakken, maar Kamman lachte me met een mond vol gele tanden vriendelijk toe en zei: “We zullen het vast wel met elkaar kunnen vinden al ben je nog maar elf”. Hij had gelijk.

Onze lerares Duits was een NSB-er. In feite een aardig mens, maar ja, ze deugde nou eenmaal niet, vond ik. Vanaf de eerste les sprak ze in de klas Duits en daar snapten we niks van. Proefwerken waren van het type “Ordnung muss sein”.. Ik weet niet meer precies de volgorde, maar het kwam op het volgende neer:

Pak je vel papier en vouw het in de lengte middendoor.
Bovenaan rechts zet je je naam,
Daaronder je klas,
Daaronder de datum
op de vierde regel zet je in het midden een punt (op de vouw dus)

Daarna kregen we een andere plaats aangewezen, zover mogelijk bij een ander uit de buurt om afkijken te voorkomen. En dan kwam het: “Op de plaats van de punt zet je een R of een L, net zoals je nu in de bank zit”.
Onnodig te zeggen, dat rechts en links verschillende proefwerken kregen.

Afgezien van haar lidmaatschap van de NSB voelde ik geen sympathie voor haar. Toch voelde ik me opgelaten, toen ik haar na de oorlog bezig zag met het schoonmaken van de toiletten op school C. Ze was opgepakt en in een kamp gezet. Van daaruit gingen de gevangenen werken, waar het nodig was.  

Toen ik in de tweede klas zat, kregen we een nieuwe directeur, ook een NSB-er, de heer Poort. Als wij, meiden van 13, 14 jaar hem in het dorp tegenkwamen, nam hij de hoed voor ons af. Een reden voor eindeloos gegiebel.
We mochten hem wel, hij gaf Duits en bracht afwisseling in de lessen door soms een grammofoon mee te brengen en liedjes te laten horen. Ook hij belandde na de oorlog in het NSB-interneringskamp, waarvan vader commandant was. Het kan raar gaan.

De derde klas duurde maar een paar weken. Half september 1944 werd de school “gevorderd” door de Wehrmacht. Er werden nog wel wat lessen gegeven in een paar café’s en verenigingsgebouwen, maar dat duurde maar kort. Voor de leerlingen uit omliggende plaatsen was het te gevaarlijk om op de fiets te komen, en treinen en bussen reden niet meer. Deze bijlessen hadden dus weinig zin.

Na de bevrijding van Winterswijk waren de Duitsers wel verdwenen uit onze school, maar de Engelsen trokken erin. Het duurde tot de zomer van 1945 voordat de school weer vrijgegeven werd. Voor ons begonnen de lessen pas in september.

Tussen eind maart, het tijdstip van de bevrijding van Winterswijk en begin september liepen we maar wat bij huis rond en ik wilde wat doen.  Ik meldde me aan bij de UVV, de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers, die mensen zocht voor allerlei karweitjes.  Mijn werk kwam neer op helpen bij de opvang van “spitters’, de mannen die in Duitsland te werk waren gesteld om wat voor reden dan ook en nu terug begonnen te komen. Het westen van het land was nog niet bevrijd en ze werden zo lang ingekwartierd in leegstaande scholen.  Mijn taak was het opscheppen van het eten, dat de gaarkeuken in grote gamellen aanleverde. Daarna werd brood uitgedeeld, dat voldoende moest zijn tot de warme maaltijd de volgende dag.
Ik kreeg prompt hoofdluis en omdat ik lang haar had was het een ramp om die beestjes kwijt te raken. Moeder kamde elke dag mijn haar met de luizenkam en de oogst werd met een duimnagel knappend doodgedrukt op een plankje met een wit vel papier erop. Toch duurde het weken voordat ik weer luizenvrij was.

Op school had iedereen een jaar gemist, maar we gingen allemaal over naar de volgende klas. Dat gaf wel problemen, voor diegenen, die de 4e klas hadden gemist, maar vooral voor de 5e klassers, die hun diploma gratis en voor niks kregen en gingen studeren.

Ik kwam in de 4e klas en bleef aan het einde van het jaar prompt zitten. Direct na de bevrijding was de hele wereld zo anders en er was zoveel afleiding, dat mijn huiswerk er vaak bij inschoot. Er waren leukere dingen te beleven. Overdoen dus.

In september 1946 kwam ik voor de tweede keer in de 4e klas. We waren maar met een klein clubje, 3 jongens en 3 meisjes. Dus bijna privéles. Ik werd in die klas voor het eerst hevig verliefd, maar ’t duurde niet lang. Na een paar maand was ’t over en uit. Achteraf heb ik wel eens gedacht, dat ik niet veel meegevoel had met die jongen. Ik gaf hem aan het begin van een padvindersfeest in drie woorden de bons en vermaakte me die avond verder prima.  Hoe hij zich voelde was iets waar ik niet over wilde nadenken. Later schaamde ik me diep voor mijn gedrag, maar berouw komt na de zonde. Hij hoorde bij het groepje, waarmee we van en naar huis liepen. Pijnlijk. Korte tijd later ging hij naar een school in Arnhem en ik had het gevoel, dat dat mijn schuld was. Ik was dan ook erg opgelucht toen ik hoorde, dat hij een nieuwe vriendin had.

Geslaagd voor mijn eindexamen was de vraag: “Wat nu?”.  Ik wilde rechten studeren, maar daarvoor was HBS-a ontoereikend. Gymnasium moest je hebben.  Er zat maar één ding op: alsnog aanvullend examen doen voor het Gymnasium. Dit hield in Grieks en Latijn plus stereometrie. Waarom dat laatste er bij hoorde heb ik nooit begrepen.
In Zutphen was een leraar, die leerlingen zoals ik, les gaf en ik treinde 2x in de week, twee jaar lang naar Zutphen. De rest van de tijd studeerde ik thuis.  Na 2 jaar deed ik staatsexamen Gymnasium in Amersfoort, maar zakte. Het jaar daarop lukte het net op het nippertje weer niet. Tot mijn verdediging voerde ik aan, dat de examinatoren voor 90% paters waren, en de examinandi leerlingen, die, op een enkeling na, afkomstig waren van een seminarie. Die waren opgevoed met Latijn. Ik voelde me een buitenstaander.

Besloten werd, dat ik naar Amsterdam zou gaan om al vast te beginnen aan de rechtenstudie aan de G.U., tegelijkertijd zou ik dan een cursus Grieks en Latijn volgen. Maar de dingen gaan vaak anders, dan je je voorgesteld hebt. En dat is weer een heel ander verhaal.

 

^ Terug naar boven